Frans Hals

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Voor de gelijknamige trein, zie Frans Hals (trein)
Frans Hals
Kopie van een zelfportret
Kopie van een zelfportret
Persoonsgegevens
Volledige naam Frans Hals
Geboren ca. 1583
Overleden augustus 1666
Geboorteland Zuidelijke Nederlanden
Beroep(en) kunstschilder
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
De vrolijke drinker 1628-1630
1624
Zigeunermeisje 1628-1630
Isaak Abrahamsz Massa 1626

Frans Hals (Antwerpen, ca. 1583 - Haarlem, augustus 1666) geldt als één van de belangrijkste Oude Hollandse Meesters. Hij werkte zijn hele leven in Haarlem en hij werd vooral bekend door zijn levendige en kleurrijke schuttersstukken en afbeeldingen van tijdgenoten.

Leven[bewerken]

Hals werd in 1582 of 1583 geboren als zoon van de lakenkoopman Franchois Fransz. Hals (ca. 1542-1610) en zijn tweede vrouw Adriaentje van Geertenryck (Antwerpen ca. 1552 - Haarlem na november 1616) in Antwerpen maar de familie kwam uit Mechelen. Zijn vader was katholiek en lid van de schutterij. Zoals zoveel Zuid-Nederlanders in die tijd verhuisde het gezin rond 1586 naar Haarlem. Dirck, zijn jongste broer werd gedoopt in een protestantse kerk. Frans Hals was tot 1603 een leerling van Carel van Mander, in 1610 werd hij lid van het Sint-Lucasgilde en vanaf dat moment mocht hij ook leerling-schilders in dienst nemen. Zijn vroegst gedateerde werk is uit 1611 maar hij moet al veel eerder volleerd zijn geweest. In 1616 reisde hij naar Antwerpen om het werk van Rubens en Antoon van Dyck te bestuderen. De reguliere diensttijd in de plaatselijke schutterij was twee jaar maar Frans Hals diende maar liefst van 1612 tot 1624. In 1616 schilderde hij zijn eerste schutterstuk en in 1639 zijn laatste. Deze laatste schuttersstukken vormen door hun veelzijdige gelaatsuitdrukkingen, de glimmende uniformen en de rijke kleurnuances tot het hoogtepunt in Hals' oeuvre. Frans Hals maakte ook deel uit van de Haarlemse rederijkerskamer.

Hals is tweemaal getrouwd: rond 1610 met Anneke Harmensdochter en in februari 1617 met Lysbeth Reyniers. Het laatste huwelijk werd voltrokken in Spaarndam en een paar dagen later werd zijn dochter Sara geboren. Hals heeft vijftien kinderen laten dopen en hij heeft vijf of zes zonen tot schilder opgeleid. Rond 1615 verkeerde Hals in dusdanige financiële moeilijkheden dat de voedster hem aanklaagde. De armoede zou hem zijn hele leven achtervolgen. Tussen 1620 en 1630 schilderde hij portretten van de elite. Hij schildert ze in al hun rijkdom en zelfvoldaanheid. Hij had mensenkennis; dat zie je aan zijn werken, vooral de latere. Tevens leidde hij diverse leerlingen op, zoals Philips Wouwerman. Eén van zijn schuttersstukken, De Magere Compagnie, is afgemaakt door Pieter Codde. Frans Hals staat bekend om zijn uitbundige stijl maar in zijn laatste jaren werd dat minder. De 17de-eeuwse schilder Matthias Scheits noemde hem "lustich van leven" en Houbraken beweert omstreeks 1720 enigszins malicieus,dat hij dagelijks gedronken zou hebben. Hiervoor ontbreekt echter het bewijs en eigenlijk zou men ook kunnen beweren dat het in tegenspraak is met de algemene waardering die hij onder zijn opdrachtgevers oogstte. En die opdrachtgevers waren zeker niet de minste: de gegoede burgerij, gilde- en schuttersverenigingen en zelfs de hoogste patriciërs van de stad Haarlem. Zijn beroemdste model was René Descartes. Op ongeveer 84-jarige leeftijd, na een carrière van bijna een halve eeuw overleed de kunstschilder in 1666. In de oude St. Bavo-kerk aan de Grote Markt in Haarlem ligt hij onder het koor begraven. In de 18de eeuw viel de artiest uit de gunst maar in de 19de eeuw werd hij herontdekt door de impressionisten, die vooral door zijn zelfstandige, zwierige en losse penseelvoering en intieme, raadselachtige dramatiek werden getroffen. In 1968 werd hij in de serie 'erflaters' afgebeeld op het Nederlandse bankbiljet van 10 gulden.

Werk[bewerken]

Het is onduidelijk hoeveel van het werk van Frans Hals is overgebleven, maar volgens de gezaghebbende oeuvrecatalogus van Seymour Slive uit 1970-1974 kunnen nog 222 schilderijen aan Hals worden toegeschreven. Een andere Hals-kenner, Claus Grimm, houdt het in ‘Frans Hals. Das Gesamtwerk’ (1989) op 145 stukken.

De kunstenaar schilderde:

  • individuele portretten en pendanten van echtparen (schilderijen die naast elkaar horen te hangen). Zo vereeuwigde hij rond 1652 de ouders van Jan van de Capelle.
  • Groepsportretten waaronder vijf schuttersstukken, nu in Haarlem en drie groepsportretten van regenten en regentessen (ook in Haarlem). Hij produceerde deze portretten portretten in opdracht van mensen uit de middelste en bovenste lagen van de samenleving: schrijvers, burgemeesters, geestelijken, handelaren, kooplui, en bestuurders. De schutters, althans de officieren en de onderofficieren die hun groepsportretten bestelden, kwamen ook gewoonlijk uit de wat ‘hogere’ dan wel meer bemiddelde kringen.
  • Genrewerken: visserskinderen aan het strand, een groenteverkoopster, de Haarlemse ‘dorpsgek’ Malle Babbe, en meer van zulke stukken, die in zekere zin ook wel als portretten zijn te beschouwen, maar vooral toch bedoeld lijken als ‘impressies uit het dagelijks leven’.

Het is even onbekend als onwaarschijnlijk dat Frans Hals landschappen, stillevens of verhalende stukken heeft gemaakt. Vele 17e-eeuwse kunstenaars in Holland verkozen specialisatie, en dat was ook bij Hals het geval.

Al in de 17e eeuw werden mensen getroffen door de levendigheid van Hals’ portretten. Zo noteerde de Haarlemmer Theodorus Schrevelius, één van de mannen die hij portretteerde, dat er in Hals’ werken ‘zo’n kracht en leven’ is dat de schilder ‘de natuur schijnt uit te dagen met zijn penseel’. En twee eeuwen later schreef Vincent van Gogh aan zijn broer Theo: ‘Wat is het een genot zo’n Frans Hals te zien, wat is ’t heel iets anders dan de schilderijen – er zijn er zóó veel – waar zorgvuldig alles op dezelfde wijze is gladgestreken.’ Met die observatie slaat Van Gogh de spijker op z’n kop: Hals koos ervoor om een schilderij niet glad af te werken, zoals ongeveer al zijn tijdgenoten dat nog deden, maar probeerde het leven er in te houden. Aangezien leven te herkennen is aan beweging, zorgde hij ervoor dat de kijker de indruk krijgt dat het portret in beweging is. Wie kijkt naar iemand in beweging, ziet die persoon niet helemaal scherp: je krijgt niet helemaal vat op wie of wat zich beweegt, je ziet vlekken, lijnen, stippen, grote kleurvlakken, nauwelijks details. En zo schilderde Frans Hals zijn portretten, vooral later, wanneer hij helemaal op dreef is. Hiermee bereikte Hals een oplossing voor een aloud probleem: hoe maak je een levensechte voorstelling op een plat vlak? Weliswaar is het zogenaamde trompe-l'oeil oftewel het zo extreem mogelijk gladschilderen ook een oplossing (zoals (Gerrit Dou en de Leidse school deden) maar de keuze van Hals is zeer bijzonder en hij was met deze aanpak zijn tijd ver vooruit. Pas in de 19e eeuw kreeg hij echt volgelingen, met name onder de zogenaamde impressionisten.

Techniek[bewerken]

Vaak wordt gedacht dat Hals zijn werken ‘aus einem Guss’ – in één worp – op het doek slingerde maar uit technisch en natuurwetenschappelijk onderzoek blijkt dat hij dat nauwelijks deed. Een enkel werk is weliswaar grotendeels zonder ondertekeningen of onderschildering ‘alla prima’ neergezet maar de meeste werken ontstonden toch in verschillende lagen, zoals in die tijd gebruikelijk. Op een grondlaag werd met krijt of verf een tekening gemaakt, soms in kleur soms in het grijs, die vervolgens in stadia werd ingevuld. Wel lijkt zijn onderschildering in het algemeen ook zeer losjes te zijn opgezet: hij was vanaf het begin virtuoos, met name bij zijn latere, rijpe werken. Hals had een enorme durf, grote moed en virtuositeit. Hij kon zijn handen van het doek (of paneel) terug trekken zodra de afgebeelde persoon er wat hem betrof levend en wel op stond. Hij schilderde ze niet doods, zoals veel tijdgenoten dat in hun grote nauwkeurigheid en ijver vaak wel deden. ‘Een onghemeyne (ongewone) manier van schilderen, die hem eyghen is, bynae alle (iedereen) over-treft’, schreef zijn eerste biograaf Schrevelius in de 17e eeuw.

Leerlingen[bewerken]

Nogal gemakkelijk worden schilders als leerling van Hals beschouwd. Maar uit nader onderzoek blijkt dat er op dat gebied veel vraagtekens zijn. Arnold Houbraken noemt in zijn ‘De Groote Schouburgh’ (1718-21) Adriaen Brouwer, Adriaen van Ostade en Dirck van Delen als leerlingen. Waarschijnlijk waren Frans’ broer Dirck Hals en zijn eigen zonen bij hem in de leer of hebben zij bij hem op het atelier gewerkt. Dan zijn er nog Vincent Laurensz van der Vinne (volgens diens zoon was deze een Hals-leerling), en Pieter Gerritsz. van Roestraeten (volgens een notarieel document). Van Roestraeten werd overigens zijn schoonzoon. Mogelijk studeerde de Haarlemse portretschilder Johannes Verspronck (een van de ongeveer tien concurrerende portrettisten in het Haarlem van toen) ook enige tijd bij Hals. Het handjevol schilderijen dat aan Judith Leyster wordt toegeschreven staan qua stijl het dichtst bij Hals en zij geldt dan ook als een waarschijnlijke leerling, net als haar echtgenoot de schilder Jan Miense Molenaer. Vermoedelijk waren er nog meer, maar vele schilders van toen zijn in de vergetelheid verzonken. Twee eeuwen na zijn dood kreeg Hals nog een aantal ‘postume leerlingen’. Claude Monet, Charles-François Daubigny, Max Liebermann, James Whistler, Gustave Courbet, en in Nederland Jacobus van Looy en Isaac Israëls, zij behoorden tot de impressionisten en realisten die zich in Hals hebben verdiept, die zich door hem hebben laten inspireren en die op hem hebben voortgebouwd.

Echt of onecht[bewerken]

Van veel aan Frans Hals toegeschreven schilderijen wordt de echtheid betwist. Zie bijvoorbeeld Frans L. M. Dony: "Alle bekende schilderijen van Frans Hals" 1975. Kennelijk is er geen internationale toetsing van zijn werk op echtheid zoals bij Rembrandt of Johannes Vermeer. De vervalsingen van Han van Meegeren hebben de onzekerheid nog eens vergroot.

In 2006 is bijvoorbeeld vastgesteld dat Portret van de Haarlemse kerkvoogd Jacobus Hendricksz. Zaffius een 17e-eeuwse kopie is van het vroegst bekende werk van Hals. Het onderzoek werd uitgevoerd door Pieter Thiel, oud-directeur van de schilderijencollectie van het Rijksmuseum in Amsterdam.

Werk[bewerken]

Bibliografie (selectie)[bewerken]

  • Seymour Slive: Frans Hals, 3 dln. (oeuvrecatalogus), New York / Londen 1970-1974; Frans Hals (expositiecatalogus Washington/Londen/Haarlem, 1989).
  • Claus Grimm (1989) Frans Hals. Das Gesamtwerk Stuttgart/Zürich; (ook in het Nederlands vertaald).
  • W. Liedtke (2007) Dutch paintings in the Metropolitan Museum of Art, p. 250-
  • N. Middelkoop en A. van Grevenstein, Frans Hals. Leven, werk, restauratie (Haarlem Amsterdam 1988).
  • A. Erftemeijer; Frans Hals in het Frans Hals Museum, Amsterdam/Gent 2004 (in Ned., Eng. en Fra.)
  • C. Atkins ‘Frans Hals’s Virtuoso Brushwork’, In: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 2003, Zwolle 2004, p. 281-309.

Werk in openbare collecties (selectie)[bewerken]

Externe links[bewerken]

Zie ook[bewerken]