Anton Bruckner

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Anton Bruckner
Anton Bruckner, geportretteerd in 1890 doorFerry Bératon
Anton Bruckner, geportretteerd in 1890 door
Ferry Bératon
Volledige naam Josef Anton Bruckner
Geboren 4 september 1824
Overleden 11 oktober 1896
Land Vlag van Oostenrijk Oostenrijk
Religie Rooms-katholiek
Stijl Klassiek
Nevenberoep componist, muziekpedagoog, dirigent, organist
Instrument orgel
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

Josef Anton Bruckner (Ansfelden, 4 september 1824Wenen, 11 oktober 1896) was een Oostenrijks componist. Hij dankt zijn roem hoofdzakelijk aan elf groot opgezette symfonieën (waarvan negen door hem genummerd zijn en twee 'officieus'), drie missen waarvan twee in middelgrote en een in zeer grote bezetting, een Te Deum, Psalm 150 en een strijkkwintet. Hij legde zich voornamelijk toe op de genres symfonie en religieus koorwerk en bereikte hierin grote hoogten.

Levensloop[bewerken]

Bruckner werd geboren in het dorpje Ansfelden bij Linz in Opper-Oostenrijk, waar zijn vader dorpsschoolmeester was. Hij ging piano, viool, orgel en compositie studeren bij uitstekende leraren in zijn omgeving. Hij was tijdens zijn leven vooral bekend als organist: zijn roem als componist kwam pas aan het einde van zijn leven. Na de dood van zijn vader werd hij ondergebracht in het schoolinternaat van het Chorherrenstift Sankt Florian (vanaf 1836). Hij leek aanvankelijk voorbestemd zijn vader op te volgen als schoolmeester. Zijn eerste standplaats was het gehucht Windhaag waar hij hulpmeester werd en waar ook zijn eerste composities ontstonden zoals de 'Windhagermesse' voor alt-solo, twee hoorns en orgel.

In het boerendorp Windhaag werd hij door zijn vrij aparte opstelling en gedrag ternauwernood getolereerd. Hij had er dan ook geen plezierige tijd. Gelukkig voerde een betrekking als organist van het monumentale Chrismann-orgel in de kerk van Stift St. Florian hem terug naar de muziek. Zijn eerste composities ontstonden al vroeg in zijn leven en waren vooral liturgisch van aard. Zijn Requiem in d-klein (1849) bewijst dat hij al in zijn 'jonge jaren' over grote compositorische gaven beschikte en op de hoogte was van de 'Klassieken' zoals Mozart en Haydn. Toch durfde Bruckner de stap naar een leven als beroepsmusicus en componist nog niet te wagen. Het lag in zijn aard om veilige wegen te bewandelen en dus om ambtenaar te worden.

In 1855 werd hij benoemd tot Domorganist in Linz. Hij telde de Linzer bisschop Rudigier tot een van zijn trouwste aanhangers. Daarnaast bleef hij harmonieleer en compositie studeren. Zijn obsessie om overal diploma's en daarmee 'van buiten' erkenning te behalen is legendarisch geworden. Belangrijke leermeesters in zijn Linzer studiejaren waren Simon Sechter in Wenen voor (harmonieleer en contrapunt) en in Linz zelf Otto Kitzler die hem de weg naar de symfonie wees. Op een zeker moment (1864) kon niemand hem meer in de muziektheorie en compositiekunst leren en waagde hij de stap. In 1864 en 1865 schreef Bruckner respectievelijk zijn eerste grote mis (in d-klein) en zijn eerste symfonie in c-klein. Het waren meesterwerken die op de toenmalige luisteraars in Linz grote indruk maakten. Toch werden deze, en ook zijn latere grote werken door dat publiek zelden begrepen. In 1865 maakte hij kennis met de persoon en de muziek van Richard Wagner. Al begreep hij van Wagners literaire drama's vrijwel niets, de klankwereld van deze titaan opende voor Bruckner definitief de poort naar een nieuwe symfonische esthetiek.

Bruckner bleef het symfonie-schema van Beethoven in principe trouw, daarin verwerkte hij echter wel invloeden van anderen en gebruikte de stijlmiddelen, polyfonie en harmonie van o.a. Palestrina, Bach, Mozart en Schubert. Ten onrechte werd en wordt Bruckner beschouwd als een opvolger van Beethoven en als een symfonische Wagner-adept.

In 1868 vertrok Bruckner definitief naar Wenen om daar als docent harmonieleer en contrapunt aan het conservatorium zijn oude leermeester Simon Sechter op te volgen.

Beeld van Bruckner in Wenen. Foto 2003.

Bruckner is nooit getrouwd geweest. Zijn zusje Anna heeft hem lang verzorgd. Na haar dood en tot zijn eigen dood werd Bruckner bijgestaan door zijn hulp-in-de-huishouding Kathi Kachelmaier. Verliefd was hij doorlopend, en dan bij voorkeur op jonge dames tussen 15-20 jaar. Zijn verliefdheid was tot op hoge leeftijd als die van een tiener. Was hij in 1868 nog hopeloos verliefd op de Linzer slagersdochter Josefine Lang, 20 jaar later (hij was toen 64) viel hij als een blok voor haar dochter Karoline. 'Mein lieber Ersatz' noemde hij haar.

Bruckner bleef tot het eind een groot bewonderaar van Wagner, aan wie hij zijn derde symfonie opdroeg, en had onder zijn navolgers Hans Rott, Henryk Wieniawski, Hugo Wolf en Gustav Mahler. Hij had ook te maken met felle tegenstand: tijdens de première van zijn derde symfonie in Wenen verliet vrijwel het hele publiek de zaal. Het waren vooral de critici die Bruckner niet serieus namen. Daarbij speelden ook niet-muzikale aspecten een rol, zoals zijn eenvoudige afkomst (die zich uitte in zijn provinciale kleding en accent). De diepgelovige Bruckner was in het dagelijkse leven in het grootstedelijke Wenen een uiterst onzeker persoon en werd mede daardoor voor een simpele ziel aangezien; men kon er niet bij dat een eenvoudige natuur zoals hij symfonische muziek van een letterlijk ongekende harmonische en vorm-complexiteit kon scheppen.

Van zijn collega-componisten liet met name Brahms zich laatdunkend over Bruckner uit. De monumentale en diepreligieuze muziek, waarin Wagner de 'toon' bepaalt, van de oprecht gelovige Anton Bruckner (van huis uit rooms-katholiek), stond in schril contrast met de romantisch-klassieke muziek van Brahms (van huis uit protestant). Behalve hetzelfde lievelingsgerecht, een Oostenrijkse pasta, hadden beide meesters niets met elkaar gemeen zoals beiden constateerden in een toevallige ontmoeting in een Weens restaurant.

De kritiek op Bruckner van zowel Brahms als van vele Weense muziekrecensenten moet worden bekeken vanuit het Brahms-Wagnerconflict dat muzikaal Duitsland en Oostenrijk in de tweede helft van de 19e eeuw in zijn greep hield: Brahms werd in de pers afgeschilderd als het icoon van de traditiegebonden "absolute" muziek; Wagner stond voor muzikale vernieuwing en het Gesamtkunstwerk. Hoewel Bruckners symfonieën in dit licht gezien eigenlijk tot de "absolute muziek" behoren (zij lijken niet naar een buitenmuzikale inhoud te verwijzen, zijn geen 'symfonische gedichten' zoals Wagners schoonvader Franz Liszt die schiep), werd hij niettemin vanwege zijn grenzeloze bewondering voor Wagner bij het laatste kamp ingedeeld en ontving hij in de pers van conservatieve critici, onder aanvoering van Eduard Hanslick, vernietigende kritieken waaronder hij ten zeerste leed.

Bruckner kreeg aan het eind van zijn leven de roem en de erkenning waarnaar hij tientallen jaren had uitgezien. Dit begon met de triomfale wereldpremière van zijn zevende symfonie door het Gewandhausorchester onder leiding van Arthur Nikisch in Leipzig, Duitsland. Hij werd eredoctor aan de Weense universiteit, ontving uit handen van Oostenrijks keizer Franz Joseph II een onderscheiding in de Franz-Joseph Orde en kreeg van de keizer een pensioen. In zijn laatste levensjaren stelde de keizer Bruckner een bescheiden oudedagverblijf in het Schloss Belvedere in Wenen ter beschikking.

Als keizerlijk hoforganist bespeelde Bruckner o.a. in 1890 het orgel tijdens de huwelijksvoltrekking van de Oostenrijkse aartshertogin Valerie (de jongste dochter van Frans Jozef en keizerin Elisabeth met Frans Salvator van Oostenrijk. Aan deze gebeurtenis is het te danken dat enig inzicht valt te krijgen over Bruckners meermalen als 'fenomenaal' gekenschetste improvisatietalent op orgel. Op aandrang van een hoge hofbeambte moest Brucker op papier aangeven hoe hij (althans in grote lijnen) en over welke thema's hij zijn orgelimprovisaties tijdens de huwelijksmis zou realiseren.

Bruckner was in zijn laatste jaren chronisch ziek (hartklachten). Bovendien had hij de manie ontwikkeld om alles te tellen: de bladeren van een boom, de punten in een boek enz. Dit staat echter in verband met zijn werkmethode bij het componeren: Bruckner pleegde opeenvolgende maten van onderscheiden segmenten van symfoniedelen te nummeren om daarmee 'houvast' te creëren voor het proportionaliseren. Dit kan worden beschouwd als rationele achtergrond van subjectieve uitingen over met name zijn symfonieën die 'klinken als kathedralen'.

Tot op de laatste dag werkte hij aan zijn negende symfonie, waarvan de finale op een haar na voltooid was. Op 11 oktober 1896 blies hij de laatste adem uit. Van de vrijwel voltooide finale bleef het grootste deel (in manuscriptvorm) bewaard. Sterke vermoedens bestaan dat er veel meer schetsen en zelfs orkestraties van dit symfoniedeel geweest zijn: door souvenierjagers zouden die in de dagen volgend op zijn overlijden uit Bruckners laatste woning zijn ontvreemd. Bruckner werd, geheel volgens zijn laatste wens, begraven in de crypte van 'zijn' Stift Sankt Florian bij Linz, direct onder het orgel waar zijn talent, vijftig jaar eerder, tot wasdom was gekomen.

Bruckner was zeer gevoelig voor kritiek en onderwierp zijn werken vaak aan grondige revisies. Van bijna al zijn symfonieën bestaan verschillende versies, een typisch 'Bruckner-verschijnsel'. Toch neigt men tegenwoordig naar uitvoering van uitsluitend door Bruckner zelf geautoriseerde versies en de Originalfassungen van zijn symfonieën. Zelfs zijn onvoltooid gebleven grootse finale van de 9de symfonie is, sinds eerste reconstructiepogingen van derden vanaf de jaren '70 van de 20e eeuw, al in verschillende versies uitgegeven en opgevoerd.

Tot zijn leerlingen kan Gustav Mahler worden gerekend, die over Bruckner nogal ambivalent oordeelde: 'Halb Trottl, halb Genie' (half idioot, half genie). Toch vervaardigde hij, samen met een andere leerling, een pianoversie van Bruckners derde symfonie; bedoeld om hierdoor deze muziek via de 'route' van de huiskamer (met piano) breder ingang te doen vinden.

In Ansfelden staat nog Bruckners geboortehuis dat overigens flink verbouwd en onherkenbaar 'gerestaureerd' is. Sinds 1996 is in Ansfelden een bezoekerscentrum ABC (Anton Bruckner Centrum) ingericht van waaruit men een negen kilometer lange wandeling door het typische Opper-Oostenrijkse 'Brucknerland' kan maken naar Stift Sankt Florian. Men loopt van zijn geboortehuis naar zijn graf met een koptelefoon op met fragmenten van 10 symfonieën als reismuziek. In Linz is de Dom en zijn orgel en het muziektheater Das Brucknerhaus (1974) bezienswaardig. Verdere bezienswaardige Brucknerplaatsen zijn Enns, Steyr, Kremsmünster en natuurlijk Wenen.

De belangrijkste werken van Bruckner[bewerken]

Symfonieën[bewerken]

  • Studiesymfonie in f ('Studiensymphonie' 1863)
  • Symfonie nr. 1 in c (door Bruckner gekscherend 'Keck's Besserl' genoemd, oorspronkelijke Linzer Fassung 1866 [in 1998 door W. Carragan samengesteld], herwerkte Linzer Fassung 1877, Wiener Fassung 1891)
  • Symphonie in Bes (Schets eerste deel, 1869)[1][2]
  • Symfonie in d ('Die Nullte' 1869). De inmiddels ingeburgerde bijnaam "Nr. 0" is misleidend. Bruckner verwierp de symfonie in 1891 door onder meer 'Annulliert' op het manuscript te schijven. Met het getal nul heeft zijn aantekening niets te maken.
  • Symfonie nr. 2 in c (door critici 'Pausensymphonie' genoemd 1872, omwerkingen 1873, 1876, 1877, 1892: twee versies)
  • Symfonie nr. 3 in d ('Wagner-symphonie' 1873, omwerkingen 1874, 1876, 1877, 1889: drie versies)
  • Symfonie nr. 4 in Es ('Romantische' 1874, omwerkingen 1876, 1878 met nieuwe scherzo en "Volkfest" finale, 1880: nieuwe finale, 1888: drie versies)
  • Symfonie nr. 5 in Bes (niet-officieel als 'Fantastische Symphonie' of 'Fugensymphonie' aangeduid 1875-76, omwerking 1878: één versie)
  • Symfonie nr. 6 in A (door Bruckner gekscherend 'Die Keckste' genoemd 1881: één enkele versie)
  • Symfonie nr. 7 in E (1883, omwerking 1885: één versie)
  • Symfonie nr. 8 in c (niet officieel 'Die Apocalyptische' genoemd 1887, omwerking 1888 en 1890: twee versies, een uitgegeven 'compilatieversie' van beide kan - dit is vooralsnog niet zeker - op Bruckner zelf zijn terug te voeren)
  • Symfonie nr. 9 in d ('Dem Lieben Gott gewidmet', eerste drie delen: 1893, unvoltooide finale: 1896)

De feitelijk onvoltooid nagelaten finale van de Negende werd in eerste instantie door William Carragan (1984) voltooid, daarna volgden versies van Giuseppe Mazucca en Nicola Samale (1987) en een versie van het laatste drietal met John A. Phillips en Benjamin-Gunnar Cohrs. Zij baseerden zich op Bruckners eerste compositieschetsen en partituur-schetsen.

Uiteraard heeft elk beroep op wat-Bruckner-gecomponeerd-zou-kunnen-hebben, indien hij lang genoeg zou hebben geleefd een speculatief karakter. Het is echter niet ondenkbaar dat onbekende pagina's van het compositiemanuscript van de finale, die zich in particulier bezit bevinden, kunnen opduiken. Volgens sommige muziekwetenschappers is het zelfs mogelijk dat het slotstuk van deze symfonie tot en met de laatste noot, als partituurschets, door Bruckner was uitgeschreven.

Overige Orkestwerken[bewerken]

  • Drie korte orkeststukken (1862)
  • Mars in d (1862)
  • Ouverture in g (1862-1863)

Fanfares[bewerken]

  • Aequale nr. 1 & nr. 2 in c voor 3 trombones (1847)
  • Militaire mars in Es (1865)

Kamermuziek[bewerken]

  • Strijkkwartet in c (1862)
  • Abendklänge in Es voor viool en piano (1866)
  • Strijkkwintet in F (1879)
  • Intermezzo (1880, moest het aanvankelijk onspeelbaar geachte Scherzo van het kwintet vervangen)

Kerkmuziek[bewerken]

Grotere werken[bewerken]

  • Requiem in d voor gemengd koor, solisten, kleine orkest-bezetting en orgel (1849)
  • Magnificat in Bes voor gemengd koor, solisten, kleine orkest-bezetting en orgel (1852)
  • Psalm 114 in G voor gemengd koor en 3 trombonen (1852)
  • Psalm 22 in Es voor gemengd koor, solisten en piano (c. 1852)
  • Missa solemnis in Bes voor gemengd koor, solisten, orkest en orgel (1854)
  • Festkantate Preiset den Herrn in D voor mannenkoor, blaasinstrumenten en pauken (1855)
  • Psalm 146 in A voor gemengd dubbelkoor, solisten en orkest (c. 1856)
  • Psalm 112 in Bes voor gemengd dubbelkoor en orkest (1863)
  • Mis nr. 1 in d voor gemengd koor, solisten, orkest en orgel ad libitum (1864)
  • Mis nr. 2 in e voor gemengd koor en blaasinstrumenten-bezetting, met het oog op open lucht-uitvoering (1866)
  • Mis nr. 3 in f voor gemengd koor, solisten, orkest en orgel ad libitum (1868)
  • Te Deum in C voor gemengd koor, solisten en orkest, en orgel ad libitum (1883)
  • Psalm 150 in C voor gemengd koor, sopraan solist en orkest (1892)

Andere werken[bewerken]

  • Drie missen in kleinere bezetting en omvang:
    • Windhaager Messe in C voor alt-solo, 2 hoorns en orgel, 1842
    • Kronstorfer Messe in d voor gemengd koor a cappella, 1843–1844 (zonder Gloria, voorziene Credo niet gecomponeerd)
    • Gründonnerstag Messe in F voor gemengd koor a cappella, 1844–1845 (Kyrie en Gloria verloren gegaan)
  • Ongeveer 40 motetten

Wereldlijke koormuziek[bewerken]

  • Germanenzug voor mannenkoor en blaasensemble (1863)
  • Helgoland voor mannenkoor en orkest (1893)
  • circa vijftig koor- en vocaal ensemblewerken, a cappella of met instrumenten (hieronder kamercantates).

Overige werken[bewerken]

  • Pianomuziek, hiervan is slechts een beperkt gedeelte uitgegeven
  • Orgelmuziek, waarvan enkele met onzeker auteurschap

Auteurschap onzeker[bewerken]

  • 'Symphonisches Präludium' in c (1876)[3]

Referentie[bewerken]

  1. Bruckner’s Symphony in B Flat
  2. C. van Zwol, p. 646
  3. Symphonisches Präludium – Composed by Anton Bruckner? door B.G. Cohrs

Externe link[bewerken]