Polyfonie
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De term polyfonie komt uit het Grieks: πολύς = veel; en φωνή = stem, klank, geluid. Onder polyfone muziek wordt verstaan: gecomponeerde meerstemmigheid, dat wil zeggen, meerdere melodieën tegelijkertijd. Het basisprincipe is dus dat alle stemmen gelijkwaardig zijn. Voorbeelden hiervan zijn de canon of de fuga.
Met de ontwikkeling van de muzieknotatie ontwikkelde zich ook vanaf de 11e eeuw de polyfonie, en ontstond er in de geschiedenis van de klassieke muziek tevens een nieuw beroep: componist. Grote verscheidenheid in de karakters van de melodieën in contrapunt was het kenmerk van de middeleeuwse polyfonie, waarin vaak ook merkwaardige dissonanten optreden. Het vroege polyfone constructieprincipe was de regel dat de toegevoegde stemmen moesten consoneren met slechts één vaste stem (en dus niet onderling), die tenor werd genoemd. Deze stijl was kenmerkend voor de muziek in de 13e eeuw. In de 14e eeuw kwam de polyfone schrijfwijze tot verdere bloei, vooral in het werk van Guillaume de Machault, de voornaamste vertegenwoordiger van de Ars Nova. In de late 14e eeuw bereikte de polyfonie een voorlopig hoogtepunt in de Ars subtilior, waarin polyritmiek, polymetriek en dissonantie uitgroeiden tot proporties die pas in de 20e eeuw geëvenaard zouden worden.
In de vroege renaissance vond een versimpeling plaats, die gepaard ging met strengere regels (met name voor liturgische muziek), waarbij de consonantie van alle stemmen onderling een leidend principe werd. Niettemin slaagden de componisten uit deze periode erin ook binnen strengere regels wonderen van sobere schoonheid te scheppen, zoals de proportiecanon: één melodie, op verschillende tempi uitgevoerd, met zichzelf in contrapunt.
De hoogbloei van polyfonie liep ten einde omstreeks 1600 toen de componisten geleidelijk overschakelden op de monodie: de melodie met een ondersteunende akkoordbegeleiding ter vervanging van het complexe weefsel van diverse zelfstandige, door elkaar gevlochten partijen. Dat de kunst van de 'geleerde' polyfonie evenwel niet doodgebloed was, blijkt uit het oeuvre van Heinrich Schütz (1585-1672), vooral zijn bundel Geistliche Chormusik uit 1648, in de inleiding waarvan hij het contrapunt vurig verdedigt. Het absolute hoogtepunt is ongetwijfeld gelegen in het werk van Johann Sebastian Bach, die bovendien de (op horizontaal lijnenspel georiënteerde) polyfonie verbond met de (op verticaliteit steunende) functionele harmonie.
In de 20e-eeuwse muziek is op de oude polyfonie teruggegrepen door componisten als Charles Ives en Matthijs Vermeulen.
[bewerken] Elektronische muziek
De eerste analoge synthesizers konden maar een enkele toon tegelijk voortbrengen en waren dus monofoon. Wel konden meerdere oscillatoren ten opzichte van elkaar verstemd worden om een akkoord laten klinken, dit is echter geen echte polyfonie. Echte polyfonie was in de praktijk zeer moeilijk te realiseren met analoge technieken, voor iedere stem is eigenlijk een complete synthesizer nodig. Pas met de komst van digitale technieken werd polyfonie praktisch en betaalbaar. Niettemin is het aantal stemmen in sommige modellen nog steeds beperkt.
Ook de ringtones van mobiele telefoons zijn lange tijd monofoon geweest, pas later kwamen polyfone ringtones en nog later "realtones" beschikbaar.

