Hertog Blauwbaards burcht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hertog Blauwbaards burcht
Componist Béla Bartók
Soort compositie opera
Opusnummer 11
Andere aanduiding Sz. 48, BB 62
Gecomponeerd in 1911, gereviseerd in 1912 & 1917
Première 24 mei 1918
Duur ca. 1 uur
Vorige werk Roemeense dans, Sz. 47a, BB 61
Volgende werk Allegro barbaro, Sz. 49, BB 63
Oeuvre Oeuvre van Béla Bartók
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

A Kékszakállú herceg vára, in het Nederlands meestal aangeduid als Hertog Blauwbaards burcht (of kortweg Blauwbaards burcht), is de enige opera van de Hongaarse componist Béla Bartók. De opera bestaat uit één akte, duurt ruim een uur en kent slechts twee rollen: Blauwbaard (Kékszakállú) (bas) en zijn vierde vrouw Judith (mezzosopraan). Het werk werd geschreven in 1911 en ging in 1918 in première in Boedapest. Het Hongaarse libretto werd geschreven door de dichter Béla Balázs, een vriend van Bartók. De opera wordt af en toe ook uitgevoerd in een Duitse vertaling.

Verhaal[bewerken]

De plot is gebaseerd op het volksverhaal van Blauwbaard, maar krijgt in de opera een veel sterker psychologische dimensie. Het decor bestaat uit een grote, donkere hal in een kasteel, met zeven gesloten deuren. Judith eist dat alle deuren geopend worden, om licht in de verboden kamers te laten vallen en benadrukt dat haar wens enkel voortkomt uit haar liefde voor Blauwbaard. Blauwbaard weigert en verklaart dat de ruimtes achter de deuren door niemand gezien mogen worden. Hij smeekt haar van hem te houden, maar geen vragen te stellen. Judith houdt vol en vermurwt Blauwbaard uiteindelijk; stuk voor stuk worden de deuren geopend en na iedere geopende deur smeekt Blauwbaard Judith niet meer verder te vragen.

De eerste deur verhult een martelkamer, bedekt met bloed. Judith is gechoqueerd, maar zet door. Achter de tweede deur bevindt zich een wapenarsenaal en de derde deur geeft toegang tot een schatkamer. Aanvankelijk raakt Judith bekoord door de schoonheid van de juwelen, totdat ze terugdeinst als ook Blauwbaards rijkdommen met bloed besmeurd blijken te zijn. Achter de vierde deur gaat een geheime tuin schuil, de planten en bloemen zijn opnieuw bebloed. Als de vijfde deur zich opent wordt Judith verblind door licht: hier bevindt zich Blauwbaards enorme rijk.

Blauwbaard smeekt Judith het hierbij te laten, maar ze weigert op te geven. De zesde deur wordt geopend, waarachter een treurig zilveren meer blijkt te liggen. Blauwbaard zegt dat het een "meer van tranen" is, maar wiens tranen het zijn blijft onduidelijk.

Aangekomen bij de zevende deur weigert Blauwbaard verder te gaan. Zijn verzet is hevig en hij blijft haar vragen hem te kussen, hem te beminnen en nooit meer wat te vragen. Judiths drang is echter te groot en uiteindelijk uit ze haar angstige vermoeden dat zich achter de deur Blauwbaards vorige vrouwen bevinden. Ten einde raad opent Blauwbaard de laatste deur.

De drie vrouwen blijken zich daadwerkelijk in de ruimte te bevinden, maar zijn verbazingwekkend wel in leven. In stilte treden ze één voor één naar buiten. Blauwbaard prijst hen stuk voor stuk en tooit hen met sieraden en kleding die symbool staan voor het deel van de dag waarin hij haar ontmoette. Zijn vierde en laatste vrouw, de mooiste van allen, vond hij 's nachts en op Judiths hoofd plaatst hij een kroon. De last is haar te zwaar, ze smeekt hem haar te sparen. De vier vrouwen keren terug naar de ruimte achter de deur, die na hen sluit. "Vanaf nu zal er enkel duisternis zijn..."

Muziek[bewerken]

Het meest opvallende kenmerk van de muziek van Blauwbaards burcht is het belang van de kleine secunde, een interval dat met zijn dissonantie zowel in snelle als langzame passages wordt gebruikt om bedroefdheid en onrust of gevaar en schrikeffecten op te roepen. De muziek is niet atonaal, maar wel vaak polytonaal, waarbij meer dan één toonsoort tegelijk wordt gebruikt (een voorbeeld hiervan is de opmars naar de climactische opening van de vijfde deur). Het sterke gebruik van dissonantie en polytonaliteit maken de zangstukken bijzonder moeilijk voor de zangers.

Geschiedenis[bewerken]

Bartók componeerde de opera voor een wedstrijd voor jonge Hongaarse componisten. De commissie die de inzendingen op hun dramatische merites beoordeelde, sloot het werk echter uit van deelname, omdat slechts twee rollen en één plaats van handeling het stuk niet genoeg dramatiek zouden geven om in de categorie theatrale muziek, waarin het was ingezonden, te passen. De juryleden die de inzendingen op muzikale aspecten beoordeelden, hebben de opera waarschijnlijk nooit onder ogen gekregen.

Einde jaren tachtig van de 20e eeuw gebruikte Pina Bausch deze opera voor een dansvoorstelling met het Tanztheater Wuppertal, een choreografie die als een mijlpaal gezien wordt in de moderne dans.