Vrouwenkiesrecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Poster uit 1918, ontworpen door Theo Molkenboer
Suffragettes demonstreren in 1912 te New York voor vrouwenkiesrecht

Het vrouwenkiesrecht is het actief en passief kiesrecht van vrouwen. Algemeen vrouwenkiesrecht werd voor het eerst ingevoerd in 1893 in Nieuw-Zeeland.

Nederland[bewerken]

Tot het begin van de 20e eeuw mochten in Nederland alleen mannen stemmen, als ze voldeden aan bepaalde eisen.

Bij de grondwetswijziging van 1917 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd. Daarbij werd het passief kiesrecht voor zowel mannen als vrouwen mogelijk gemaakt, maar het actief algemeen kiesrecht werd opengesteld alleen voor mannen, zij het dat de Grondwet het mogelijk maakte dat de wet het actief kiesrecht ook uitbreidde tot vrouwen. In 1918 werd Suze Groeneweg voor de SDAP als eerste vrouw in de Tweede Kamer gekozen.

In september 1918 diende het Kamerlid Hendrik Pieter Marchant een initiatiefwet in tot instelling van actief kiesrecht voor vrouwen, dat onder druk van de revolutionaire bewegingen in Duitsland en ook in Nederland in 1919 wordt aangenomen. Vrouwen konden bij de verkiezingen van 1922 voor het eerst van het actieve kiesrecht gebruik maken. De partijen die zich zo lang tegen het vrouwenkiesrecht hadden verzet, de protestantse en katholieke partijen, bleken er groot profijt van te hebben. Het algemeen kiesrecht voor vrouwen en mannen werd met de grondwetswijziging van 1922 in de Grondwet opgenomen.

Het vrouwenkiesrecht werd in Nederland bevorderd door de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht die in 1894 was opgericht door Wilhelmina Drucker, Annette Versluys-Poelman en Aletta Jacobs.

In Nederland was alleen de SGP nog tot 2013 tegen het passief vrouwenkiesrecht.[1]

België[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Evolutie van het stemrecht in België voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In België waren onder andere Marie Popelin en Emilie Claeys voorvechtsters van het vrouwenstemrecht. Het was pas toen na de Eerste Wereldoorlog de democratiseringsbeweging op gang kwam dat vrouwen dit recht moeizaam verworven.

In de grondwetsherziening van 1921 werd het algemeen enkelvoudig stemrecht ingevoerd; dit systeem huldigde het principe van "één man, één stem". Vrouwen kregen enkel stemrecht op gemeentelijk niveau, grootoorlogsweduwen mochten echter ook op nationaal niveau hun stem uitbrengen. Toch werd de invoering van algemeen kiesrecht voor alle vrouwen in het vooruitzicht gesteld. Er werd een artikel in de grondwet opgenomen dat bepaalde dat het vrouwenkiesrecht in een bijzondere wet kon worden goedgekeurd. Dit zou pas gebeuren na de Tweede Wereldoorlog in 1948.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. (Toelichting op het) Program van beginselen van de SGP, artikelen 7 en 10, met toelichting. Geraadpleegd 27 april 2010.