Weimarrepubliek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Deutsches Reich
(Weimarer Republik)
 Duitse Keizerrijk 1918–1933 nazi-Duitsland 
Flag of Germany (3-2 aspect ratio).svg Wappen Deutsches Reich (Weimarer Republik).svg
(Details) (Details)
Kaart
Karte des Deutschen Reiches, Weimarer Republik-Drittes Reich 1919–1937.svg
Algemene gegevens
Hoofdstad Berlijn
Oppervlakte 468 787 km²
Bevolking 62 411 000 (1925)
Talen Duits
Religie(s) Rooms-katholiek, Protestants
Volkslied Das Lied der Deutschen (1922-1933)
Munteenheid Mark (1876-1923), Reichsmark (vanaf 1924)
Regering
Regeringsvorm Constitutionele republiek met een semipresidentieel stelsel
Dynastie Geen
Staatshoofd Rijkspresident
Geschiedenis
- Novemberrevolutie 1918
- (Hitler benoemd tot kanselier) (30 januari 1933)
Staatkundige geschiedenis van Duitsland

Kelten
Germanen
Grote Volksverhuizing (4e-6e eeuw)


Frankische Rijk (5e eeuw-843)
Oost-Frankische Rijk (843-962)
Banner of the Holy Roman Emperor (after 1400).svg Heilige Roomse Rijk (962-1806)


Rijnbond (1806-1813)
Flag of Germany (3-2 aspect ratio).svg Duitse Bond (1815-1866)
Flag of the German Empire.svg Noord-Duitse Bond (1866-1871)


Duitse Rijk
Flag of the German Empire.svg Duitse Keizerrijk (1871-1918)
Flag of Germany (3-2 aspect ratio).svg Weimarrepubliek (1918-1933)
Flag of German Reich (1935–1945).svg Nazi-Duitsland (1933-1945)
Flagge Preußen - Provinz Ostpreußen.svg Oostgebieden (-1945)


Na-oorlogs Duitsland
Flag of Germany (1946-1949).svg Geallieerde zones (1945-1949)
Flag of Saar (1947–1956).svg Saarland (1947-1956)
Verdeeld Duitsland:

Vlag van Duitsland Bondsrepubliek (1949-1990)
Vlag van Duitse Democratische Republiek DDR (1949-1990)

Duitse hereniging (1990)

Vlag van Duitsland Duitsland (1990-heden)


Portaal  Portaalicoon  Duitsland
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

Met de term Weimarrepubliek wordt het Duitsland in de periode van 1918/1919 tot 1933 aangeduid. De republiek was de opvolger van het Duitse Keizerrijk (1871-1918), dat ophield te bestaan toen aan het einde van de Eerste Wereldoorlog de keizer afgezet werd. De naam verwijst naar de stad Weimar, waar de republiek in 1919 haar grondwet kreeg. In de republiek, die officieel nog steeds het Duitse Rijk heette, gebruikte men aanvankelijk vooral de naam Duitse Republiek. De term Weimarrepubliek werd pas vanaf 1929 gebruikt, en dan met name door tegenstanders van de republiek: de conservatieven, de nazi's en de communisten.

De republiek was zwaar belast door het Vredesverdrag van Versailles dat het einde van de Eerste Wereldoorlog bezegelde. Duitsland moest herstelbetalingen doen, zich op grote schaal ontwapenen en grondgebied inleveren. Mede daardoor duurde het langere tijd voordat Duitsland weer een rol in de internationale politiek speelde.

Binnen het land zelf waren er conflicten die op een burgeroorlog leken. Politieke extremisten, voornamelijk communisten en nationaalsocialisten, wonnen veel aanhang, vooral sinds de Grote Depressie (1929 en volgende jaren). In 1933 wist de leider van de nationaalsocialisten, Adolf Hitler, de macht over te nemen.

In de Duitse geschiedenis staat de Weimarrepubliek wel geboekt als de eerste Duitse democratie (en de Bondsrepubliek Duitsland vanaf 1949 als de tweede). De hervormingen van oktober/november 1918 en later hebben het bestuur democratisch gemaakt en op een parlementaire basis gesteld. Aan het hoofd van het Rijk stond niet meer de erfelijke Duitse Keizer (de Pruisische koning), maar een direct door het volk gekozen Rijkspresident, eerst de sociaaldemocraat Friedrich Ebert, later de conservatieve generaal Paul von Hindenburg. Delen van de grondwet van Weimar, sommige politieke gewoontes en symbolen uit die tijd leefden voort in de Bondsrepubliek (zie 'Nabeschouwing' hieronder).

Geschiedenis[bewerken]

"Oktoberreformen" en Novemberrevolutie 1918[bewerken]

November 1918: opstandige matrozen in Kiel, die een soldatenraad hebben gekozen

Sinds 1914 stonden de belangrijkste Europese machten in oorlog tegen elkaar. Duitsland had onder meer grote delen van Rusland en Frankrijk bezet. Het tij keerde voor Duitsland uiteindelijk in augustus 1918, toen het Duitse leger zich langzaam uit Frankrijk moest terugtrekken.

De Duitse legerleiding informeerde de regering op 29 september over de uitzichtloze situatie en wilde dat de regering sociaaldemocraten, katholieken van de Zentrum-partij en links-liberalen opnam; die drie democratische partijen hadden al in 1917 een vrede zonder gebiedsuitbreiding geëist (in tegenstelling tot de legerleiding). De nieuwe regering moest dan onderhandelen over een staakt-het-vuren met de Verenigde Staten, op basis van president Wilsons' 14 punten van begin 1918. De legerleiding dacht dat een democratische regering een voor Duitsland gunstigere vrede kon bereiken.

Keizer Willem II gaf op 3 oktober 1918 de partijloze, maar als liberaal geldende prins Max van Baden de opdracht om een nieuwe regering te vormen. Daarin namen ook vertegenwoordigers van de katholieke Zentrum-partij, de links-liberalen en de sociaaldemocraten (SPD) plaats. Vooral het opnemen van de SPD was bijzonder; deze toen grootste partij werd altijd buitengehouden.

Nog in oktober onderhandelde de nieuwe regering met de VS, die gezien werd als de belangrijkste macht onder de vijanden. De Duitse grondwet werd aangepast, zodat de regeringsleider (de kanselier) niet meer alleen door de keizer werd benoemd, maar ook het vertrouwen van het parlement, de Rijksdag, nodig had. De democratisering van Duitsland was voltooid in de vorm van een parlementaire democratie binnen de monarchie.

Maar eind oktober 1918 wilde de leiding van de Duitse marine, eigenmachtig, de vloot nog naar Engeland sturen, om "heldhaftig" onder te gaan. De matrozen zagen daar niets in en rebelleerden onder meer om een vredesakkoord te bevorderen. Ook wilden zij een betere verzorging met levensmiddelen. Van Noord-Duitsland sloeg de rebellie over en bereikte op 9 november de hoofdstad Berlijn (Novemberrevolutie). Kanselier Max van Baden was bang dat een gewelddadige omwenteling zoals in Rusland een jaar daarvoor zou plaatsvinden. Daarom en vanwege diens slechte internationale reputatie dwong hij keizer Wilhelm II tot aftreden en gaf zijn kanselierschap over aan de voorzitter van de SPD, Friedrich Ebert. Ook Ebert was tegen een revolutie en wilde de politieke ontwikkeling in geleidelijke banen leiden.

Rat der Volksbeauftragten na uittreden van de radicalen. Van links naar rechts: Otto Landsberg, Philipp Scheidemann, Gustav Noske, Friedrich Ebert, Rudolf Wissell.

Philipp Scheidemann, een andere vooraanstaande sociaaldemocraat, riep op dezelfde 9 november de republiek uit, om de radicale socialisten vóór te zijn. Ebert verweet hem dat, want volgens Ebert was het niet aan Scheidemann, maar aan een constituante (een nationale vergadering) toe om die beslissing te maken. Omdat de keizer naar Nederland was gevlucht en ook de andere Duitse vorsten waren afgezet, was het wél duidelijk dat Duitsland een republiek ging worden.

De regering van Ebert, van 10 november 1918 tot en met 13 februari 1919, heette de Raad van Volkscommissarissen, omdat uitdrukkingen als regering of ministers te burgerlijk zouden klinken. In het begin zaten in de Raad drie gematigde sociaaldemocraten en drie meer radicale sociaaldemocraten (van de Onafhankelijke Sociaaldemocratische Partij, USPD). Nadat de Raad met hulp van keizerlijke troepen en ongebonden groepen van soldaten, de vrijkorpsen, linkse opstanden had neergeslagen (o.a. de Spartacus opstand), verlieten de USPD-vertegenwoordigers de Raad. De belangrijkste beslissing van de Raad was het uitroepen van verkiezingen voor de Nationale Vergadering van januari 1919.

Nationale Vergadering en grondwet[bewerken]

Grondwet van Weimar: idee en realiteit

Omdat in Berlijn burgeroorlogachtige toestanden heersten, kwamen de afgevaardigden voor de Nationale Vergadering in Weimar (Thüringen) samen. De sociaaldemocraten (SPD) hadden vrij veel stemmen gekregen, en ook de links-liberalen van de Deutsche Demokratische Partei (DDP) waren veel sterker vertegenwoordigd dan in eerdere of latere Duitse parlementen. Samen met de katholieke Zentrum-partij vormden zij de coalitie van Weimar. Die coalitie verloor in juni 1920 echter voorgoed haar absolute meerderheid. In bijna alle regeringen tussen 1920 en 1932 zaten het Zentrum en de liberale partijen DDP en Deutsche Volkspartei (DVP), gesteund door de sociaaldemocraten of de conservatieven.

Vanaf haar samenkomen op 6 februari 1919 tot de verkiezingen van juni 1920 fungeerde de Nationale Vergadering ook als voorlopig parlement en verkoos op 11 februari Ebert als eerste Rijkspresident. Het was het eerste Duitse parlement waarin ook vrouwen zaten.

De nieuwe grondwet (Verfassung für das Deutsche Reich, dezelfde naam als haar voorganger) van 11 augustus 1919 was een van de modernste grondwetten van de wereld. Hij voorzag onder meer in kiesrecht voor vrouwen, referenda en de grondrechten van de Duitsers. Belangrijkste auteur was de liberale minister van Binnenlandse Zaken Hugo Preuß.[1] De keizer werd vervangen door een Rijkspresident, die door het volk voor zeven jaar werd gekozen en die de macht kreeg om in tijden van crisis gevaar voor de republiek af te weren. De Rijksdag had echter het recht om de maatregelen van de Rijkspresident terug te draaien. De regering bijvoorbeeld werd door de Rijkspresident benoemd, maar de Rijksdag kon de regeringsleden tot aftreden dwingen.

Verdrag van Versailles[bewerken]

Door het Duitse Rijk afgestane gebieden
1. Noord-Sleeswijk: aan Denemarken
2. Posen en West-Pruisen (grotendeels): aan Polen
3. Vrije Stad Danzig
4. Memelland: onder Volkenbondbestuur, in 1923 aan Litouwen
5. Oost-Opper-Silezië: aan Polen
6. Hultschiner landje: aan Tsjecho-Slowakije
7. Elzas-Lotharingen: aan Frankrijk
8. Eupen en Malmedy: aan België
Niet op de kaart aangegeven
1. Saargebied: voor 15 jaar onder Volkenbondbestuur, in het Franse tolgebied
2. Alle Duitse koloniën

Al op 11 november 1918 tekende een commissie onder de linkse katholiek Matthias Erzberger de wapenstilstand met de geallieerde mogendheden Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS. In juni 1919 kreeg de Nationalversammlung de vredeseisen van de overwinnaars te horen:

  • Duitsland werd de enige schuldige aan de oorlog bevonden en moest alle kosten van de oorlog vergoeden. Het Duitse eigendom in het buitenland werd weggenomen, en voor vijf jaar moest Duitsland aan de overwinnaars grote voordelen in het handelsverkeer toestaan (principe van meest bevoorrechte natie, Meistbegünstigung).
  • Duitsland verloor dertien procent van zijn grondgebied en tien procent van zijn bevolking (vooral, maar niet uitsluitend mensen met een andere etnische achtergrond). Duitsland verloor ook zijn koloniën.
  • Het Duitse leger moest worden verkleind tot 100.000 leden (veel minder dan Frankrijk of Polen had) en mocht bepaalde zware wapens en vliegtuigen niet bezitten. Bepaalde gebieden van Duitsland moesten van Duits militair personeel en van vestingen worden ontruimd.
  • Het Rijnland, het Duitse gebied westelijk van de Rijn, werd door geallieerde troepen bezet, sommige delen voor vijf, andere voor tien en weer andere voor vijftien jaar.

Dit Verdrag van Versailles ontstond zonder dat er onderhandeld werd met Duitsland, en de Duitse delegatie werd op de vredesconferentie in Versailles met opzet vernederend ontvangen. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken trad op zijn beurt bewust onbeleefd op door zijn verklaring zittend af te leggen.[2] Toch moest Duitsland het verdrag tekenen, omdat anders de geallieerde troepen geheel Duitsland zouden hebben bezet.

In Duitsland werd het verdrag buitengewoon negatief ontvangen. Naast de materiële verliezen was het vooral de bewering dat Duitsland de enige schuldige aan de oorlog zou zijn geweest, die niet in goede aarde viel. Ondanks alle harde eisen betekende het verdrag echter dat Duitsland als land bleef bestaan en na een tijd weer een grootmacht[3] vergelijkbaar met Frankrijk en Groot-Brittannië kon worden.

Crisisjaren 1919-1923[bewerken]

De jonge republiek had het in de eerste vier jaar bijzonder moeilijk, onder meer door haar politieke tegenstanders. Aan de linkerkant van het politieke spectrum stond de Kommunistische Partei Deutschlands, die door de Sovjet-Unie werd gesteund om van Duitsland een communistische dictatuur te maken. Duitsland had een belangrijke plek in de wereldveroveringsplannen van de communisten, die vooral de industrieel gevorderde landen communistisch wilden maken. In 1919-1923 probeerden ze herhaaldelijk lokaal en nationaal de macht in Duitsland te grijpen.

Aan de andere kant stonden rechts-radicalen van verschillende ideologische afkomst, onder hen Adolf Hitler, die in 1923 in Beieren de macht wilde overnemen (de zogeheten Bierkellerputsch, tegenwoordig in Duitsland echter de Hitler-Putsch genoemd). Geheime rechts-radicale groeperingen vermoordden onder meer de voormalige minister van Financiën Matthias Erzberger in 1921 en de minister van Buitenlandse Zaken Walther Rathenau in 1922.

Berlijn 1920: Soldaten van de Kapp-putsch voor het regeringscentrum, met spandoek: Stop! Wie verder gaat wordt doodgeschoten.

Ook sommige leden van de oude elites toonden zich radicaal en werkten gedeeltelijk samen met de rechts-radicalen. In 1920 reageerden officieren en soldaten met de Kapp-putsch op hun ontslag. Dankzij de onwil van de ambtenaren om met de putschisten samen te werken, was de putsch al na korte tijd voorbij, maar het toonde aan dat de vijanden van de republiek veel aanhangers hadden. Vooral de conservatieve DNVP, maar gedeeltelijk ook de rechts-liberale DVP steunden de putschisten of waren tenminste onduidelijk in hun houding.[4]

Lokaal had Duitsland te maken met separatisten, die in het Rijnland zelfstandige staten wilden oprichten, met steun van de Franse bezetters. In het Oosten waren Poolse nationalisten het probleem, die vooral in het etnisch omstreden Opper-Silezië actief waren.

De algemene, maar ook economische crisis bereikte een hoogtepunt in 1923. Duitsland had, naar de mening van een geallieerde commissie, niet genoeg hout en kolen geleverd om daarmee zijn schulden (herstelbetalingen) bij de geallieerden te voldoen. Daarom stuurden Frankrijk en België (in een zeer ruime interpretatie van het Verdrag van Versailles) troepen naar het Ruhrgebied, om kolen direct weg te nemen. De Rijksregering reageerde met "passief verzet": ambtenaren en mijnwerkers moesten niet met de bezetter meewerken, maar kregen wel hun lonen van de regering.

Bezetting en verzet wakkerden de Duitse inflatie nog meer aan: de regering betaalde in het binnenland met nieuw gedrukte bankbiljetten. In november 1923 kostte één Amerikaanse dollar één biljoen mark. In die tijd had de nieuwe regering van Gustav Stresemann al het passieve verzet afgebroken. De maand november van 1923 met zijn communistische opstanden en de (onsuccesvolle) Hitler-putsch was het dieptepunt van de crisis. Daarna ging het langzaam beter.

De jaren 1923-1929[bewerken]

Gustav Stresemann in 1926 bij de Volkenbond in Genève.

Relatieve welvaart, relatieve politieke stabiliteit en een relatief goede verhouding met de westerse mogendheden waren kenmerkend voor de jaren 1923 tot en met 1929. Ze worden ook Era Stresemann (Nederlands: Tijdperk Stresemann) genoemd, omdat de rechtsliberaal Stresemann, minister van Buitenlandse Zaken in die tijd, de invloedrijkste minister is geweest. Stresemann was al tijdens de oorlog vóór de invoering van het parlementair regeringssysteem; weliswaar had zijn aanzien bij de andere democratische partijen eronder geleden dat hij in de oorlog voor Duitse gebiedsuitbreidingen had gepleit. Maar nu was Stresemann een sterke steunpilaar van de republiek en verwierf hij door zijn optreden ook in het buitenland, zelfs in Frankrijk, veel aanzien.

Door het plan-Dawes van 1924 werd de betaling van Duitslands schulden gedeeltelijk geregeld, werd de munt weer gezond en kon Duitsland veel geld uit Amerika lenen.

Op het gebied van Buitenlandse Zaken is het Verdrag van Locarno van 1925 het meest van belang geweest. Daarin werd de actuele grens tussen Duitsland aan de ene kant en Frankrijk en België aan de andere kant definitief vastgesteld. Groot-Brittannië en Italië garandeerden die grens. Het verdrag beschermde Frankrijk en België voor een Duitse inval zoals in 1914, en Duitsland voor een Frans-Belgische inval zoals in 1923. Voor de omstreden grenzen met zijn oosterburen zegde Duitsland toe dat het tenminste niet met geweld de grenzen zou proberen te veranderen.

Het Verdrag van Locarno maakte verder de weg vrij voor een toetreden van Duitsland tot de Volkenbond. Deze in 1920 opgerichte organisatie moest de wereld veilig maken, door aanvallende staten militair, politiek en economisch te bestrijden. Duitsland had bezwaar tegen een toetreden omdat het, als gevolg van zijn gedwongen militair zwakke toestand, niet aan dergelijke acties durfde deel te nemen. In de praktijk ging het erom dat Polen het gevaar liep van een aanval door de Sovjet-Unie (vergelijkbaar met de situatie in 1920), en in dat geval wilde Duitsland Polen niet bijstaan. Na een Frans-Britse bevestiging, dat Duitsland dat niet hoefde te doen, en na het oplossen van kleinere problemen kon Duitsland in oktober 1926 in de Volkenbond worden opgenomen.[5]

De communistische Rotfrontkämpferbund marcheert door Berlijn-Wedding, 1927.

Ook in de Era Stresemann bleven de belangrijkste problemen van Duitsland echter nog bestaan. Het politiek extremisme bestond voort, het Rijnland was tot 1929/1930 nog bezet, en de relatieve welvaart was gebaseerd op geld van het buitenland dat maar voor korte termijn was geleend. Verder werd het federalistisch systeem belemmerd door het feit dat Pruisen twee derde van het Duitse grondgebied en van de Duitse bevolking uitmaakte. Tot slot maakte het grote aantal politieke partijen in de Rijksdag het vormen van stabiele regeringen moeilijk.

Het probleem van de Duitse herstelbetalingen was nog niet opgelost, en Duitsland was te zwak om zich tegen een aanval van buiten te verdedigen. Om dat laatste te verhelpen, bouwde het Duitse leger geheime troepen op, de zogeheten Schwarze Reichswehr. Zelfs de meeste regeringsleden wisten nauwelijks van het bestaan of de sterkte van die troepen af.

Paul von Hindenburg, getekend in 1927 door Max Liebermann

In februari 1925 overleed Rijkspresident Ebert. In een eerste stemgang had de rechts-liberaal Karl Jarres met steun van de conservatieve DNVP de meeste stemmen gewonnen, op plaats twee kwam de sociaaldemocraat Otto Braun, de minister-president van Pruisen. Maar de centrum-linkse partijen hadden samen wel meer stemmen, en in de tweede stemgang traden ze aan met de katholiek Wilhelm Marx, omdat ze bang waren dat Braun niet voldoende steun bij niet-sociaaldemocraten zou vinden. Met een nederlaag voor ogen kwamen de rechtse partijen met een nieuwe kandidaat naar voren, de voormalige oorlogsgeneraal Paul von Hindenburg. Hij was al 77 jaar oud en geen lid van een partij, maar nog steeds populair en hij liet zich overreden zich te kandideren. Hij won met drie procent meer dan Marx.

Over de verkiezing van Hindenburg tot Rijkspresident verschillen de meningen nog steeds. Democratische optimisten vonden dat Hindenburg de conservatieven met de republiek kon verzoenen, de pessimisten zagen in Hindenburg juist een machtig wapen van de conservatieven tegen de republiek, zoals de mensen achter zijn kandidatuur hadden gewild. In werkelijkheid werden zijn aanhangers teleurgesteld: Hindenburg bleef persoonlijk zijn voorkeuren voor een monarchie trouw, maar nam zijn eed op de republikeinse grondwet wel zeer serieus. In 1932, bij zijn herverkiezing, werd Hindenburg dus ook niet meer door zijn oude aanhangers gesteund.

Nieuwe crisis vanaf 1930[bewerken]

Nood in Duitsland: Soldaten van de Winterhulp met levensmiddelen voor arme kinderen, december 1931.

De economische crisis van 1929 in de VS kwam geleidelijk over naar Europa. Amerikaanse leningen werden uit Duitsland teruggetrokken, de werkloosheid steeg en politieke extremisten konden hun aanhang vergroten.[6] Bij de Rijksdagverkiezingen van september 1930 klommen de nationaalsocialisten met een winst van 15,7 procent naar 18,2 procent, de communisten verbeterden zich naar 13,1 procent.

Het succes van de nationaalsocialisten werd in het binnen- en buitenland zeer bezorgd opgenomen. Hitlers partij presenteerde zich als radicaal alternatief voor de pluralistisch-parlementaire republiek, die ogenschijnlijk de economische problemen niet aankon. De verschillende bevolkingsgroepen moesten in een Volksgemeinschaft (nationale saamhorigheid) opgaan, een uitdrukking die van tevoren al door sociaaldemocraten en liberalen werd gebruikt. Hitler trok, behalve voormalige niet-stemmers, vooral liberale en conservatieve kiezers en zelfs tien procent van de vroegere SPD-stemmers. Onder zijn aanhangers waren verhoudingsgewijs veel meer protestanten dan katholieken, meer zelfstandigen en gepensioneerden dan arbeiders, andere werknemers en werklozen. Toch was de NSDAP veel meer Volkspartei dan de andere partijen, die in hun oude milieus (in Nederland zou men zeggen: zuilen) bleven hangen.[7]

Sinds 1928 had er een Grote Coalitie (van SPD, Zentrum, DDP, DVP en de Beierse BVP) onder de sociaaldemocraat Hermann Müller bestaan. Zijn kabinet was echter geen echte coalitie geweest, de deelnemende partijen voelden zich niet verplicht om "hun" ministers te steunen. Vooral tussen sociaaldemocraten en rechts-liberalen waren de spanningen groot, en uiteindelijk viel het kabinet over een uiterst kleine verhoging van de bijdrage voor de werklozenverzekering.[8] Die coalitie viel in maart 1930 uit elkaar.

De nieuwe rijkskanselier Heinrich Brüning, van de rechtse kant van de katholieke Zentrum-partij, vormde een minderheidskabinet met zijn eigen partij, de liberalen en andere burgerlijke partijen. Om te kunnen regeren had men bedacht om met artikel 48 van de grondwet te werken. Dat artikel gaf de Rijkspresident het recht, om in geval van nood, decreten te tekenen. Vond Brüning voor een belangrijk wetsvoorstel in het parlement geen meerderheid, dan liet hij het door de Rijkspresident als decreet in kracht treden. Toch werkte dit niet zonder hulp van de sociaaldemocraten: de Rijksdag kon namelijk een decreet weer afschaffen. Dat probeerden de extremisten, maar de sociaaldemocraten steunden hun pogingen niet, omdat ze vreesden dat op een val van Brüning een dictatuur zou volgen. Wel was Brüning door zijn politiek van bezuiniging zeer onpopulair.

Het stelsel van Brüning wordt Präsidialkabinett genoemd, omdat het in bijzondere mate van de medewerking van de Rijkspresident afhankelijk was. In veel opzichten veranderde weinig, want al in de jaren twintig regeerde een burgerlijk minderheidskabinet dat parlementaire steun van de sociaaldemocraten nodig had. Maar het instrument van nooddecreten ondermijnde het parlementaire stelsel: de verantwoordelijkheid voor de wetgeving ging geleidelijk van het parlement over naar de Rijkspresident.

In maart/april 1932 vond weer een verkiezing tot Rijkspresident plaats. Hindenburg liet zich door Brüning overhalen om zich opnieuw te kandideren. De democratische partijen riepen op om op Hindenburg te stemmen, omdat ze bang waren dat de nationaalsocialistische kandidaat Adolf Hitler zou winnen. Hindenburg won met 53,1 procent tegen Hitlers 36,7 procent in de tweede stemronde. Maar kort daarna wilde Hindenburg van Brüning af, onder meer omdat hij de invloed van de sociaaldemocraten nog verder wilde verminderen.[9]

Rijkskanselier Franz von Papen (links), met zijn minister van Buitenlandse Zaken Konstantin von Neurath. Beiden dienden later ook onder Hitler.

Nieuwe kanselier werd op 1 juni 1932 Franz von Papen, een onbeduidend politicus van het Zentrum. Deze partij was echter ontevreden over de behandeling van Brüning en wilde von Papen uit de partij zetten, maar die stapte kort na zijn aantreden al zelf uit de partij. Von Papen was politiek weinig bekwaam, maar hij trad toch zeer zelfbewust op, parlementair alleen gesteund door de DNVP. Omdat ook de sociaaldemocraten zijn kabinet van partijloze conservatieven niet wilden helpen, liet hij door Hindenburg nieuwe verkiezingen voor de Rijksdag uitschrijven. De nationaalsocialisten verdubbelden hun kiezersaanhang in juli tot 37,3 procent.

Nationaalsocialisten en communisten hadden samen een absolute meerderheid in de Rijksdag, een systeem op de manier van Brüning zou niet meer mogelijk zijn geweest. De sociaaldemocraten steunden een motie van wantrouwen tegen de regering-von Papen. Om tijd te winnen liet von Papen de Rijksdag weer opnieuw kiezen, en in november 1932 liep de aanhang van de nationaalsocialisten iets terug, maar het probleem bleef bestaan. Zodra de nieuwe Rijksdag bijeenkwam zou er meteen weer een motie van wantrouwen komen.

Begin december 1932 werd Kurt von Schleicher kanselier. De generaal was al in de jaren daarvoor op de achtergrond zeer invloedrijk geweest. Zo had hij de val van Brüning versneld en ook de zwakke von Papen naar voren geschoven. Nu moest hij zelf regeringsleider worden. Hij probeerde, via vakbonden en de linkse vleugel van de nationaalsocialisten, de sociaaldemocraten en nationaalsocialisten ertoe te brengen om zijn kabinet te steunen (strategie van de Querfront). Dit bleef zonder succes, zodat Schleicher aan Rijkspresident Hindenburg een tijdelijke dictatuur voorstelde, door de Rijksdag te ontbinden en misschien tot herfst 1933 niet opnieuw te laten kiezen. Tot dan zou een opleving van de economie te verwachten zijn. Maar met dat voorstel was von Papen eerder al naar Hindenburg gegaan, en toen had Schleicher, die von Papen weg wilde hebben, beweerd dat zo'n dictatuur tot burgeroorlog zou leiden. Behalve voor een burgeroorlog was Hindenburg ook bang dat hij voor het Rijksgerechtshof zou worden aangeklaagd voor schending van de grondwet.

Hitler en de val van de republiek[bewerken]

Al sinds 1930 waren er plannen bij Schleicher en ook bij Brüning geweest om de nationaalsocialisten bij de regering te betrekken. Ze wilden de aanhang, die Hitler plotseling had kunnen winnen, voor hun eigen doel gebruiken, om het politieke stelsel naar rechts te verschuiven. Maar Hitler wilde tot een coalitie van Zentrum, DNVP en andere burgerlijke partijen alleen toetreden als hij zelf kanselier zou worden. Dat wezen de anderen af. Brüning heeft de nationaalsocialisten niet consequent bevochten omdat hij in het begin nog aan een coalitie van deze aard had geloofd.

Nationaalsocialisten proberen de voormalige minister-president van Oldenburg, Bernhard Kuhnt, te vernederen. Ze transporteren de sociaaldemocraat in een kar naar dwangmatig werk. 9 maart 1933.

Von Papen wilde na zijn val van november 1932 weer een hoog ambt bereiken. Hij zag zichzelf als de vertrouweling van Hindenburg en bedacht een plan voor een coalitie van de conservatieve DNVP met de NSDAP. Hij dacht dat hij als vertrouweling van Hindenburg in het kabinet zo sterk zou zijn dat zelfs een kanselierschap van Hitler ongevaarlijk zou zijn.

Lange tijd wilde Rijkspresident Hindenburg Hitler niet tot kanselier benoemen. Het is niet precies bekend waarom Hindenburg dit uiteindelijk wél deed. Een grote rol speelden raadgevers zoals Oskar von Hindenburg, de zoon van de Rijkspresident. Hindenburg was ook bang dat het naar huis sturen van de Rijksdag voor een langere tijd (wat Schleicher eiste) hem voor de rechtbank zou kunnen brengen.

In het kabinet-Hitler, dat op 30 januari 1933 aantrad, zaten naast kanselier Hitler maar twee andere nationaalsocialisten.[10] Als de eigenlijke baas van het kabinet werd door de politieke commentatoren de uiterst rechtse DNVP-voorzitter Alfred Hugenberg gezien. Velen dachten dat Hitler, als hulpje van de conservatieven, het slechts enkele maanden zou volhouden. Ook werd Hindenburg als een garantie voor de rechtsstaat gezien; Hindenburg had immers het recht om de kanselier onmiddellijk weer af te zetten.

Al in februari liet Hitler door middel van door Hindenburg ondertekende nooddecreten belangrijke burgerrechten buiten werking stellen (onder meer na de Rijksdagbrand). Zijn belangrijkste stap naar de dictatuur was de Machtigingswet van 23 maart: door manipulatie en dreigen met geweld kreeg hij een tweederdemeerderheid in de Rijksdag voor die wet, waardoor de toen zittende regering wetgevende bevoegdheid kreeg.[11] In die tijd werden tegenstanders van de nationaalsocialisten al vervolgd. In juni/juli werden alle partijen behalve de nationaalsocialistische verboden.[12] Een zekere afsluiting van het proces van de Machtergreifung (greep naar de macht) was een decreet van augustus 1934: nadat Hindenburg was overleden, nam Hitler de rechten van de Rijkspresident over, in plaats van een nieuwe Rijkspresident te laten kiezen. De grondwet van Weimar werd echter nooit formeel buiten werking gesteld.

Nabeschouwing[bewerken]

De veertien jaren van de Weimarrepubliek staan tussen het half democratische Keizerrijk en de nationaalsocialistische dictatuur van 1933-1945. Ze worden dus vaak als aanhangsel van het eerste of als een pure voorgeschiedenis van het laatste gezien. De geschiedschrijving gaat gebukt onder de vraag hoe de dictatuur van Hitler mogelijk kon worden, en de politiek na 1945 probeerde om een nieuwe dictatuur onmogelijk te maken.


De laatste tijd wordt de Weimarrepubliek vaak positiever gezien dan bijvoorbeeld in de jaren '50 of '70 van de twintigste eeuw. Bernd Braun wees tijdens een tentoonstelling over de Rijkskanseliers op hun grote prestaties in moeilijke tijden.[13] De Reichsfinanzreform maakte het rijk financieel onafhankelijk van de deelstaten, de Reichsbahnreform verenigde en nationaliseerde de spoorwegen, en in 1927 werd een werklozenverzekering geïntroduceerd. Bijna alle discriminerende regelingen van het Verdrag van Versailles werden vóór 1933 buiten werking gesteld.

De Weimarrepubliek had nog met veel onopgeloste problemen uit het Keizerrijk te maken. Er werd gestreden om de deconfessionalisering van de scholen, om de toekomstige vorm van Pruisen en de economisch-politieke toestanden in het oosten van Duitsland. Het politiek extremisme van rechts en links kreeg veel aanhang in verband met de gevolgen van de oorlog, zoals het beleven van geweld door een groot deel van de mannelijke bevolking. Hun wortels hadden antisemitische of linksrevolutionaire gedachten echter al uit de tijd van vóór 1919.

In de Bondsrepubliek (sinds 1949) werd de herinnering aan de republiek van Weimar gebruikt om politieke regelingen te rechtvaardigen. Zo werd de rol van de Bondspresident beperkt omdat de Rijkspresident te veel macht zou hebben gehad. En referenda werden niet gerealiseerd omdat links- en rechtsextremisten dit instrument hadden misbruikt voor hun propaganda. Aan de andere kant werd belediging van het staatshoofd in het strafrecht bijzonder zwaar gestraft, waarbij eraan gedacht werd hoeveel moeite Ebert had gehad om zich juridisch tegen rechtsradicale propaganda te verdedigen. Terugkijkend op het einde van de Weimarrepubliek beschouwt de Bondsrepubliek zich als wehrhafte Demokratie, een democratie die zich weet te verdedigen.

Leven in de Weimarrepubliek[bewerken]

Maatschappij[bewerken]

Sociale woningbouw in de jaren twintig, Berlijn: Die Weiße Stadt in de stijl van de Neue Sachlichkeit.

In de republiek werden veel sociale ontwikkelingen uit de laatste jaren van het Keizerrijk voortgezet. De bevolking groeide, ondanks oorlog en gebiedsverliezen, van 1907 naar 1925 met 17,5 procent. Duitsland was toen in principe een industriële maatschappij en had ruim zestig miljoen inwoners. Mensen uit agrarische gebieden in het zuiden en oosten trokken naar de grootstedelijke ruimtes Ruhrgebied, Berlijn en Saksen.[14]

Van de oude elite bleef het rijke bezittende burgerdom intact, terwijl de adel zijn bevoorrechte toegang naar de politieke macht kwijt raakte. De rijkskanseliers heetten niet meer Fürst Hohenlohe of Graf Hertling, maar Scheidemann of Wirth. Ze waren zonen van ambachtslieden en kleine zakenmensen en werden door de oude elite vaak niet voor gelijkwaardig aangezien. Omdat de nieuwe politieke elite vaak geen eigen rijkdommen had, was ze sterker van hun politieke partijen afhankelijker.[15]

Invalide uit de Eerste Wereldoorlog, Berlijn 1923

Maakte de bovenklasse in 1925 een kleine procent van de bevolking uit, een derde van de Duitsers behoorde tot de middenklasse. De middenklasse was in twee gelijke grote groepen verdeeld, de oude middenstand van kleine zelfstandigen en hun meewerkende familieleden, en de nieuwe middenstand van werknemers. De kleine zelfstandigen, bijvoorbeeld bezitters van een winkel, wilden per se zelfstandig blijven, ook al lag hun eigenlijke inkomen vaak onder dat van een werknemer met vergelijkbaar werk. Vooral boeren stonden weinig open voor nieuwe ontwikkelingen en werkmethodes. Nog eens 13 procent hoorden tot de kleinburgers, bijvoorbeeld zelfstandigen zonder werknemers en kleinpensionarissen. De economische problemen van de middenstand maakten hen ontvankelijk voor nationalistische en antisemitische invloeden.[16]

De onderklasse, dus de mensen met weinig inkomen en weinig invloed, vormde ruim de helft van de bevolking. Ondanks de industrialisering werd de onderklasse geen hechte groep, geen Proletariat, dat volgens het marxisme tegen een steeds kleinere Bourgoisie stond. Op het land bestonden veel oude tradities voort, de knechten en dienstmaagden behoorden nog steeds tot de boerenfamilie, en ambachtslieden vonden hun gilden en gewoontes belangrijk.

Bij de industriearbeiders in de steden kon het marxistische klassenbewustzijn de ruimte van voorindustriële tradities innemen. Toch was er een kloof tussen de ongeleerde en de hoger gekwalificeerde arbeider. Zeker voor de laatste waren burgerlijke levensstijlen aantrekkelijk. De lonen stegen, en in 1929 verdienden de arbeiders gemiddeld zelfs iets meer dan vóór de oorlog.[17]

Vooral jongeren konden de belevenissen van oorlogstijd, naoorlogse tijd en inflatietijd moeilijk verwerken. Als schuldige voor hun problemen om een eigen beroeps- en familieleven op te bouwen, zagen ze de jonge staat aan. Zo kwamen ze onder invloed van de antidemocraten van een oudere generatie.[18]

In 1925 was 0,9 procent van de Duitse bevolking joods (564.379 personen). De meesten van hen woonden al generaties in Duitsland, ongeveer een vijfde was recent geleden uit Oost-Europa gekomen (Ostjuden). Vooral de laatsten, maar niet alleen zij, werden het mikpunt van antisemitische aanvallen. De meerderheid van de bevolking reageerde op het antisemitisme eerder passief en toonde zich weinig solidair. Na de moord op minister Walther Rathenau in 1922 werden terroristisch-antisemitische organisaties verboden. Naast de nationaalsocialisten gebruikte vooral de conservatieve DNVP verbaal antisemitisme in haar strijd tegen de jodenrepubliek, maar ook de communisten maakten in hun "antikapitalistische" strijd gebruik van antisemitische leuzen.[19]

Economie[bewerken]

Deutsche Ostmesse (1920-1941) in Koningsbergen, die bedoeld was om de economie in de zwakke oostelijke provincies te bevorderen.

In het algemeen duurde het tot eind jaren twintig voordat de Duitse economie het niveau van vóór de oorlog bereikte. Tijdens de oorlog was Duitsland economisch geïsoleerd en na de oorlog beschermden vele landen hun eigen economie met hoge toltarieven. De vaak monopolistische positie van Duitse goederen was verleden tijd, afzetgebieden werden nu met concurrenten gedeeld. Volgens art. 280 van het Verdrag van Versailles mocht Duitsland niet zelf over zijn buitenlandse handel beslissen en moest (eenzijdig) aan de Entente-staten die handelsvoordelen toestaan die het aan enig ander land gaf (Meistbegünstigung).[20]

Typisch voor een moderne productie is de massaproductie van gestandaardiseerde goederen. Deze ontwikkeling werd door de oorlog bevorderd, toen het belangrijk was om veel ammunitie, wapens, auto's enz. goedkoop en snel te produceren. In 1917 ontstond de Normenausschuss der Deutschen Industrie, het latere Deutsches Institut für Normung met de bekende DIN-normen (zoals bij papier bijvoorbeeld A4). Dit zette zich in vredestijd door, ook naar het voorbeeld van de Verenigde Staten. De productie moest door rationalisering beter doordacht en georganiseerd worden. Sommige branches en bedrijven waren voorlopers, terwijl anderen - onder meer vanwege een gebrek aan kapitaal - nauwelijks met de nieuwe werkmethodes begonnen. Pas in 1926 integreerde de autofabrikant Opel alle werkprocessen in het systeem van de lopende band.[21]

Sinds 1913 steeg het aandeel werkenden in de bevolking, in 1925 was het 66 procent van de mannen en 36 procent van de vrouwen. Dit kwam door meer werkende vrouwen en door de vele jongeren, die tussen 1900 en 1910 waren geboren. Ook in de bloeitijd van de Weimarrepubliek was de werkloosheid groot. Dit werd versterkt door de rationalisering.[22]

Werkloosheid[23]
jaar 1921 1924 1927 1929 1932
werklozen in % van afhankelijk werkenden 1,8 4,9 6,2 8,5 29,9

Kenmerkend voor de republiek was een groot tekort in de staatskas: in 1926/1927 bijvoorbeeld was er een tekort van 820 miljoen RM of bijna negen procent van de gehele uitgaven. Een groot deel van het geld moest het rijk als gevolg van de oorlog uitgeven, zoals twee miljoen dollar aan herstelbetalingen. Het rijk moest daardoor schulden aangaan. Daarbij kwamen de financiële problemen van deelstaten en gemeenten, die de meeste sociale voorzieningen betaalden.[24]

Techniek en natuurwetenschap[bewerken]

Ondanks problemen zoals spanningsverschillen nam de elektrificering in Duitsland toe: had in 1925 maar een kwart van de Berlijnse woningen elektriciteit, in 1928 was het al de helft. In 1918 werd 4.700 kw/h geproduceerd en tien jaar later was dat bijna tienduizend kw/h meer. Wie elektriciteit in de woning had, zorgde eerst voor licht, keukenplaat en strijkijzer, pas daarna werd er bijvoorbeeld een radio gekocht. Wasmaschines waren nog in een experimenteel stadium en koelkasten nog te duur. De Duitse keuken veranderde in de jaren twintig nog vrij weinig.[25]

Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam de productie van vrachtauto's toe, en ook na de oorlog maakten steeds meer ondernemers gebruik van auto's, die dus niet meer alleen een hobby en statussymbool voor rijke mensen waren. In 1924 werden 132.000 personenauto's verkocht, in 1929 433.000. Toch konden zich alleen rijkere mensen een auto veroorloven, de massa reed motorfiets. De productie van auto's leed niet alleen onder het beperkte aantal potentiële klanten, maar ook onder een veelvoud van verschillende types en de afhankelijkheid van de conjunctuur.[26] Wel werden experimenteel al autosnelwegen gebouwd, zoals de AVUS in Berlijn of de A1 bij Keulen. De eigenlijke overstap van paard en wagen naar auto's vond pas in de jaren vijftig plaats.

Ontdekkingen en nieuwe theorieën op het gebied van de natuurkunde kregen ook het interesse van het grote publiek. Natuurwetenschappers zoals Werner Heisenberg, die met 26 jaar in 1927 professor in Leipzig werd, en vooral Albert Einstein hadden een zekere sterrenstatus. De boeken van Hermann Oberth (bijvoorbeeld Die Rakete zu den Planetenräumen, 1929) inspireerden de latere NASA-ingenieur Wernher von Braun. De geograaf Alfred Wegener verwierf bekendheid als onderzoeker in de Arctis, zijn theorie van de continentverschuiving kreeg pas later erkenning.

Kunst en cultuur[bewerken]

De regisseur Friedrich Wilhelm Murnau (Nosferatu), 1920

Het rijke culturele leven uit het Keizerrijk zette zich in de republiek voort. Nieuw waren onder meer invloeden van politieke en ideologische stromingen en ook technische mogelijkheden. Films werden sinds ongeveer 1918 langer en kregen vanaf 1927 ook geluid. Een van de bekendste geluidsfilms uit de Weimarrepubliek is de musical Die Drei von der Tankstelle (1930), met onder meer Willy Fritsch en Heinz Rühmann, die in de Hitler-tijd en in de Bondsrepubliek grote sterren waren. Andere acteurs uit de Weimarrepubliek zoals Peter Lorre en Conrad Veidt moesten na 1933 vluchten.

Een van de duurste films uit die tijd was Metropolis (1927) van Fritz Lang, de maker van M - eine Stadt sucht ihren Mörder (1930). Filmkenners herinneren zich experimentele klassiekers zoals Das Cabinett des Dr. Caligari (1920) of Nosferatu (1922). De grootste filmfabriek was de Universum-Film AG (UFA) met haar studio's in Babelsberg bij Berlijn. Der blaue Engel met Marlene Dietrich (1930) had zelfs internationaal succes.[27]

Nieuw was verder de radio, in Duitsland voor het eerst uitgezonden vanuit Königs Wusterhausen bij Berlijn op 22 december 1920. In 1925 hadden één miljoen Duitse huishoudens een radioapparaat, in 1928 al 2,8 miljoen. In grote steden waren 30 procent van de huishoudens radioluisteraars, op het platteland aanzienlijk minder vanwege het ontbreken van zenders. Op de radio hoorde men vooral muziek; hoorspelen en politieke reportagen kwamen pas vrij laat erbij.[27]

Gerhart Hauptmann was in de tijd van de republiek de meest gewaardeerde schrijver, ofschoon zijn belangrijkste werken al geschiedenis waren. Bekende en nog steeds gelezen auteurs zijn de broers Thomas Mann (de nobelprijswinnaar van 1929) en Heinrich Mann, onder de auteurs van kinderboeken zijn te vermelden Erich Kästner (Emil und die Detektive) en Waldemar Bonsels (Die Biene Maja). Veel schrijvers voelden zich door de communistische partij aangetrokken, zoals Bertolt Brecht, Lion Feuchtwanger of Kurt Tucholsky. Alfred Döblin gold als meester van de montage-techniek (Berlin Alexanderplatz). Een rechts auteur was bijvoorbeeld Ernst Jünger met zijn herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog (In Stahlgewittern). Eveneens sceptisch tegenover de republiek was Stefan George die met zijn visionair-neoromantieke gedichten een kring van jongeren aantrok.

In de beeldende kunst stonden namen als Max Liebermann en Lovis Corinth voor een overgang van het impressionisme naar het expressionisme. Bekende expressionisten waren Max Pechstein, Otto Dix en Käthe Kollwitz. Het dadaïsme hield van absurdistische, zinloze kunst met een anti-houding tegenover normen en moraal. Vaak werden ontwikkelingen uit de jaren vóór de oorlog voortgezet. Een jongere, nieuwe kunstenaar was Otto Dix die de gruwelijkheden van de oorlog thematiseerde. Politieke satire tekende bijvoorbeeld George Grosz. Veel kunst uit de Weimarrepubliek werd later door de nationaalsocialisten als entartet achtervolgd, als niet verenigbaar met het zedelijk en esthetisch gevoel van het Duitse volk. In de Bondsrepubliek ontving ze juist veel waardering.

In Duitsland (en andere landen) waren oudere muziekvormen zoals de operette nog zeer geliefd, bijvoorbeeld Franz Léhars Das Land des Lächelns uit 1929. Maar de Amerikaanse invloed was ook op het gebied van de muziek al in de jaren twintig zeer sterk. Misschien het meest populair werd het sextet Comedian Harmonists met een breed repertoire van jazz, klassieke stukken en volksmuziek. In 1934/1935 verlieten de drie joodse leden Duitsland.

Politiek[bewerken]

Politieke partijen[bewerken]

Politieke partijen bestaan in Duitsland sinds de jaren 1860. In de Weimarrepubliek hadden ze niet alleen invloed op de wetgeving, maar bepaalden ook de samenstelling van de regeringen.

Affiche van de SPD met betrekking tot het algemeen kiesrecht ook voor vrouwen, 1919. De SPD was van 1912 tot 1932 de partij met de meeste afgevaardigden in de Rijksdag.

De grote partijen Zentrum, sociaaldemocraten (SPD) en de twee liberale partijen uit het Keizerrijk bleven bestaan, zij het onder andere namen (de links-liberalen van de FVP werden de DDP, de rechtsliberalen van de Nationaalliberale Partij de DVP). De twee conservatieve partijen gingen op in de Deutschnationale Volkspartei. Zij nam de rol van een gematigd-rechtse systeempartij niet aan en vocht tegen de republiek, vooral onder haar voorzitter Alfred Hugenberg (sinds 1928). Gematigde conservatieven verlieten de partij (Konservative Volkspartei) maar konden geen noemenswaardige aanhang verwerven.

De SPD verloor veel leden en kiezers aan de radicale USPD van 1917, vooral in de verkiezingen van 1920. De USPD viel al in 1922 in twee groepen uit elkaar, naar aanleiding van de vraag of de partij de geweldzame ontwikkeling in Sovjetrusland moest aanvaarden. De gematigden gingen terug naar de SPD, de radicalen naar de Kommunistische Partei Deutschlands, die pas daardoor een echte massa-aanhang kreeg.

De onderstaande lijst is gerangschikt van links naar rechts op het politieke spectrum.

  • Kommunistische Partei Deutschlands (KPD, sinds 1918); ze zag zich als de Duitse tak van de Communistische Internationale en steunde de politiek van Stalin
  • Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands (USPD, tot 1923, formeel 1931); na de splitsing van 1922 ging de USPD door als splinterpartij
  • Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD); van 1919 tot en met 1932 de grootste fractie in de Rijksdag
  • Deutsche Demokratische Partei (DDP, sinds 1930 Deutsche Staatspartei); de linksliberalen verloren vooral na 1930 bijna hun complete kiezersaanhang.
  • Deutsche Zentrumspartei (Zentrum); van 1919 tot en met 1932 voortdurend in de regering vertegenwoordigd. Als partij van de katholieken waren haar verkiezingsresultaten buitengewoon stabiel (tussen de elf en dertien procent)
  • Bayerische Volkspartei (BVP); de Beierse tak van het Zentrum maakte zich 1918 onafhankelijk en wilde ook een zelfstandiger Beieren zien. De partij was duidelijk rechtser dan het Zentrum, maar nam vanaf 1923/1925 wel aan de rijksregeringen deel.
  • Deutsche Volkspartei (DVP); ondanks de poging van een gezamenlijke liberale partij bleven de rechtsliberalen bij een eigen partij. Na de dood van Stresemann in 1929 werd de politiek van de partij rechtser.
  • Deutschnationale Volkspartei (DNVP); de partij van de oude elites, die ook antisemitische leuzen opnam, was verdeeld in een gematigde en een radicale vleugel; van 1928 tot 1930 verloor ze de helft van haar leden en fractieleden.
  • Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP); de nationaalsocialisten hebben bij de verkiezingen van 1928 de eerste plek tussen de rechtsradicale groeperingen veroverd. In 1930 hadden ze een plotseling succes. Na juli 1932 werden ze de grootste partij in de Rijksdag.

Federale indeling[bewerken]

De deelstaten van de Weimarrepubliek kwamen grotendeels overeen met die van het Duitse Keizerrijk. De acht (1918-1920 zeven) Thüringse staten verenigden zich in 1920 tot Thüringen (met uitzondering van de Vrijstaat Coburg (Saksen-Coburg), die zich na een referendum bij Beieren aansloot). Waldeck verloor zijn zelfstandigheid in 1929 en werd deel van de Pruisische provincie Hessen-Nassau.

Het onderstaande overzicht bevat gegevens uit de volkstelling van 1925. De statistieken van Waldeck zijn echter reeds bij die van Pruisen opgeteld.

Land Oppervlakte (km²) Inwoners Inw./km² Hoofdstad
Anhalt 2 313,58 351 045 143 Dessau
Baden 15 069,87 2 312 500 153 Karlsruhe
Beieren 75 996,47 7 379 600 97 München
Bremen 257,32 338 846 1 322 Bremen
Brunswijk 3 672,05 501 875 137 Brunswijk
Hamburg 415,26 1 132 523 2 775 Hamburg
Hessen 7 691,93 1 347 279 167 Darmstadt
Lippe 1 215,16 163 648 135 Detmold
Lübeck 297,71 127 971 430 Lübeck
Mecklenburg-Schwerin 13 126,92 674 045 51 Schwerin
Mecklenburg-Strelitz 2 929,50 110 269 38 Neustrelitz
Oldenburg 6 423,98 545 172 85 Oldenburg
Pruisen 292 695,36 38 175 986 130 Berlijn
Saksen 14 986,31 4 992 320 333 Dresden
Schaumburg-Lippe 340,30 48 046 141 Bückeburg
Thüringen 11 176,78 1 607 329 137 Weimar
Waldeck 1 121,00  61 707  55 Arolsen
Württemberg 19 507,63 2 580 235 132 Stuttgart
Duitse Rijk 468 116,13 62 410 619 134 Berlijn
Saargebied 1 910,49 768 000 402 Saarbrücken

Bestuurders[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook de lijst van rijkskanseliers

De Rijkspresident was het staatshoofd, de Rijkskanselier hoofd van de regering. Rijkspresident Ebert werd nog door de Nationalversammlung in 1919 en door de Rijksdag in 1922 voor korte termijnen gekozen, de eerste echte grondwettelijke verkiezing was die van Hindenburg in 1925. Terwijl Ebert nog steeds groot aanzien bezit (niet alleen bij sociaaldemocraten), wordt Hindenburg vooral gezien als degene die de republiek in het begin diffameerde en die uiteindelijk Hitler tot Rijkskanselier benoemde en niets tegen Hitlers dictatuur deed.

Onder de twaalf Rijkskanseliers tussen Eberts Raad der Volkscommissarissen en het aantreden van Hitler is Gustav Stresemann het bekendst, in tegenstelling tot zijn opvolger Wilhelm Marx, de langstzittende kanselier.

Rijkspresidenten
Termijn Naam Opmerkingen
1919-1925 Friedrich Ebert Door de Nationalversammlung in 1919 provisorisch en door de Rijksdag in 1922 gekozen voor drie jaar gekozen
1925 Walter Simons plaatsvervangend als president van het Rijksgerechtshof
1925-1934 Paul von Hindenburg De eerste en enige door het volk verkozen president (1925 en 1932)
Rijkskanseliers
Termijn Naam Kabinet Coalitie Opmerkingen
1919 Philipp Scheidemann Scheidemann SPD / Zentrum / DDP Coalitie van Weimar, met meerderheid
1919-1920 Gustav Bauer Bauer SPD / Zentrum / DDP Coalitie van Weimar, met meerderheid
1920 Hermann Müller Müller I SPD / Zentrum / DDP Coalitie van Weimar, met meerderheid
1920-1921 Konstantin Fehrenbach Fehrenbach Zentrum / DVP / DDP Minderheidskabinett
1921-1922 Joseph Wirth Wirth I
Wirth II
SPD / Zentrum / DDP
SPD / Zentrum / DDP
Minderheidskabinett
Minderheidskabinett
1922-1923 Wilhelm Cuno Cuno Zentrum / DDP / DVP / BVP Minderheidskabinett
1923 Gustav Stresemann Stresemann I
Stresemann II
SPD / Zentrum / DVP / DDP
Zentrum / DVP / DDP
Grote coalitie
Minderheidskabinett
1923-1925 Wilhelm Marx Marx I
Marx II
Zentrum / DDP / DVP / BVP
Zentrum / DDP / DVP
Minderheidskabinett
Minderheidskabinett
1925-1926 Hans Luther Luther I
Luther II
Zentrum / DVP / DDP / BVP
Zentrum / DDP / DVP / BVP
Minderheidskabinett
Minderheidskabinett
1926-1928 Wilhelm Marx Marx III
Marx IV
Zentrum / DDP / DVP / BVP
Zentrum / DNVP / DVP / BVP
Minderheidskabinett
Minderheidskabinett
1928-1930 Hermann Müller Müller II SPD / Zentrum / DVP / DDP / BVP Grote coalitie
1930-1932 Heinrich Brüning Brüning I
Brüning II
Zentrum / DDP / DVP / BVP / WP/ DNVP / KVP
Zentrum / DDP / BVP / KVP / CNBL
Minderheidskabinett
Minderheidskabinett
1932 Franz von Papen Papen DNVP Kabinett van vooral partijlozen
1932-1933 Kurt von Schleicher Schleicher DNVP Kabinett van vooral partijlozen
1933- Adolf Hitler Hitler NSDAP / DNVP Minderheidskabinett tot maart 1933

Rijksdagsverkiezingen[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: Rijksdagverkiezingen Weimarrepubliek

In de Weimarrepubliek werd de Rijksdag via een systeem van evenredige vertegenwoordiging gekozen. In principe was er per 60.000 stemmen één afgevaardigde. Het totaal aantal parlementsleden hing dus af van de stemopkomst. Gekozen werden lijsten van de partijen in kieskringen. Reststemmen werden eerst op een hoger regionaal niveau en, als er nog een rest was, op nationaal niveau geteld (rijkslijsten). Vanwege de reststemmen waren grotere partijen iets bevoordeeld en kon het percentage zetels voor een partij verschillen van het percentage stemmen (tot ca. een procent).

Al in de Nationale Vergadering van 1919 vonden sommigen dat een parlementair systeem alleen met een meerderheidsstelsel zou kunnen werken. Toch is het zeer speculatief de val van de republiek uitsluitend aan het kiessysteem, dat te veel partijen het parlement binnen had laten komen, te wijten. Ook in het Keizerrijk waren er niet minder partijen in de Rijksdag.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Heinrich August Winkler: Der lange Weg nach Westen. Deutsche Geschichte 1806-1933, Bonn 2002, p. 403/407.
  2. Gerhard Schulz: Revolutionen und Friedensschlüsse 1917-1920 (dtv-Weltgeschichte des 20. Jahrhunderts). 5e druk, dtv: München 1980 (1967), p. 223/224.
  3. Gottfried Niedhart: Die Außenpolitik der Weimarer Republik (Enzyklopädie deutscher Geschichte 53). 2e druk, Oldenbourg: München 2006 (1999), p. 71.
  4. Heinrich August Winkler: Der lange Weg nach Westen. Deutsche Geschichte 1806-1933, Bonn 2002, p. 411.
  5. Heinrich August Winkler: Der lange Weg nach Westen. Deutsche Geschichte 1806-1933, Bonn 2002, p. 469/470.
  6. Heinrich August Winkler: Der lange Weg nach Westen. Deutsche Geschichte 1806-1933, Bonn 2002, p. 483/484.
  7. Heinrich August Winkler: Der lange Weg nach Westen. Deutsche Geschichte 1806-1933, Bonn 2002, p. 491/492.
  8. Heinrich August Winkler: Der lange Weg nach Westen. Deutsche Geschichte 1806-1933, Bonn 2002, p. 486/487.
  9. Heinrich August Winkler: Der lange Weg nach Westen. Deutsche Geschichte 1806-1933, Bonn 2002, p. 503-505.
  10. Martin Broszat: Der Staat Hitlers. Grundlegung und Entwicklung seiner inneren Verfassung. 9e druk, dtv: München 1981 (1969), p. 83-84.
  11. Martin Broszat: Der Staat Hitlers. Grundlegung und Entwicklung seiner inneren Verfassung. 9e druk, dtv: München 1981 (1969), p. 113-115.
  12. Martin Broszat: Der Staat Hitlers. Grundlegung und Entwicklung seiner inneren Verfassung. 9e druk, dtv: München 1981 (1969), p. 118-120, 126.
  13. Bernd Braun: Die Reichskanzler der Weimarer Republik. Zwölf Lebensläufe in Bildern, link via de site van het Bundesarchiv, laatst gezien 2009-08-12.
  14. Karlheinz Dederke: Reich und Republik. Deutschland 1917-1933, 6e druk, Klett-Cotta, Stuttgart 1991 (1969), p. 100.
  15. Karlheinz Dederke: Reich und Republik. Deutschland 1917-1933, 6e druk, Klett-Cotta, Stuttgart 1991 (1969), p. 101-103.
  16. Karlheinz Dederke: Reich und Republik. Deutschland 1917-1933, 6e druk, Klett-Cotta, Stuttgart 1991 (1969), p. 106-107.
  17. Karlheinz Dederke: Reich und Republik. Deutschland 1917-1933, 6e druk, Klett-Cotta, Stuttgart 1991 (1969), p. 104.
  18. Ulrich Kluge: Die Weimarer Republik Ferdinand Schöningh, Paderborn et.al. 2006, p. 224.
  19. Ulrich Kluge: Die Weimarer Republik Ferdinand Schöningh, Paderborn et.al. 2006, p. 231-223, p. 235.
  20. Ulrich Kluge: Die Weimarer Republik Ferdinand Schöningh, Paderborn et.al. 2006, p. 150.
  21. Ulrich Kluge: Die Weimarer Republik Ferdinand Schöningh, Paderborn et.al. 2006, p. 129-131.
  22. Ulrich Kluge: Die Weimarer Republik Ferdinand Schöningh, Paderborn et.al. 2006, p. 160-162.
  23. Wolfgang Michalka und Gottfried Niedhart: Die ungeliebte Republik. Dokumentation zur Innen- und Außenpolitik Weimars 1918-1933, dtv: München 1980, S. 412.
  24. Ulrich Kluge: Die Weimarer Republik Ferdinand Schöningh, Paderborn et.al. 2006, p. 157.
  25. Ulrich Kluge: Die Weimarer Republik Ferdinand Schöningh, Paderborn et.al. 2006, p. 134/135.
  26. Ulrich Kluge: Die Weimarer Republik Ferdinand Schöningh, Paderborn et.al. 2006, p. 132/133.
  27. a b Ulrich Kluge: Die Weimarer Republik Ferdinand Schöningh, Paderborn et.al. 2006, p. 147.