George Grosz

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Postzegel George Grosz: 'Café'

George Grosz (Berlijn, 26 juli 1893 – aldaar, 6 juli 1959), geboren als Georg Groβ, was een Duitse schilder en graficus.

Leven en werk[bewerken]

George Grosz, geboren als Georg Ehrenfried Groß en zoon van een café-uitbater. Zijn ouders waren vrome Lutheranen. Grosz groeide op in de Pommerse stad Stolp (Słupsk). Zijn moeder baatte de lokale officiersmess uit nadat zijn vader overleed in 1901. Op aandringen van zijn neef, startte de jonge Grosz met een wekelijkse tekenles bij de lokale schilder Grot. Grosz ontwikkelde zijn vaardigheden verder door het maken van nauwgezette kopieën van scènes van Eduard von Grützner en door het tekenen van ingebeelde gevechtsscènes. Van 1909 tot 1911 studeerde hij aan de Dresden Academie voor Schone Kunsten, waar Richard Müller, Robert Sterl, Raphael Wehle en Oskar Schindler zijn leraren waren. Daarna studeerde hij aan de Berlijnse Hogeschool voor de Kunsten en Ambachten onder Emil Orlik

Grosz meldde zich in 1914 als oorlogsvrijwilliger maar werd in mei 1915 ongeschikt verklaard voor de militaire dienst. Hierna ontwikkelde hij zich tot pacifist. Hij stelde op karikaturale wijze het militarisme, de schijnheilige burgerlijke moraal en de ontreddering in de grootstedelijke samenleving aan de kaak. Omstreeks 1920 was hij betrokken bij het Berlijnse dadaïsme, waarvoor hij onder meer maatschappijkritische en politieke collages maakte. Hij was enkele jaren lid van de communistische partij KPD.[1][2]

In reeksen lithografieën als Ecce Homo toonde hij de schrijnende contrasten in de Weimarrepubliek: vette burgers en werklozen, rechters en prostituees, priesters en moordenaars, generaals en arme soldaten. De stijl is elementair en bijtend. Onder invloed van het kubisme bracht hij zowel in zijn grafisch werk als op zijn schilderijen diverse kleine taferelen op een plat vlak samen, om een beeld te geven van het pandemonium van zijn tijd. Vanwege het nietsontziende realisme wordt zijn werk tot de Nieuwe Zakelijkheid gerekend.

Grosz werd gerechtelijk vervolgd wegens godslastering, onder meer omdat hij in Ecce Homo een Christus aan het kruis had afgebeeld die een gasmasker droeg.[3][4] De nazi's stelden zijn werk tentoon als entartete Kunst op een grote tentoonstelling in München.

In 1932 was Grosz al geëmigreerd naar de Verenigde Staten, waar hij rustiger en conventioneler werk maakte. Het meest interessant in deze periode zijn apocalyptische visioenen van nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog, beïnvloed door Jeroen Bosch en Pieter Breughel. Ook maakte hij een aantal schilderijen met dunne mannetjes, de zogenaamde stickmen.

Bronnen[bewerken]

Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) vertaald vanaf de Engelstalige Wikipedia, die onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Challenging modernity: Dada between modern and postmodern Mark A. Pegrum, p. 46: The Dadaists who engaged most seriously with the Marxist myth are Wieland Herzfelde, John Heartfield and to a lesser extent George Grosz, all of whom join the KPD in December 1918.
  2. (Na 1917) Grosz stort zich in dadaïstische acties, sympathiseert met het communisme en tekent driftig verder aan zijn satirische prenten. Bron: Museumtijdschrift nr. 7 oktober-november 2010, p. 38
  3. Afbeelding: Christus mit der Gasmaske (Maul halten und weiter dienen) 1928 Pen en Oost-Indische inkt, 44 x 55 cm.
  4. "In 1928 verschijnt de goedkope grafiekmap Hintergrund (...) Op een daarvan hangt Christus aan het kruis met een gasmasker op en soldatenlaarzen aan. De titel luidt Maul halten und weiter dienen De tekening leidt tot een proces wegens godslastering. Bron: Museumtijdschrift nr. 7 oktober-november 2010, p. 40