Otto Dix

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Otto Dix (rechts) met Otto Nagel (1957)

Otto Dix (Gera, 2 december 1891Singen, 25 juli 1969) was een Duitse schilder en graficus. Hij doorliep gedurende de periode 1910-1933 verschillende belangrijke moderne kunststromingen zoals het expressionisme, dadaïsme en realisme.

Reactie op de Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Dix meldde zich bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 als vrijwilliger bij het Duitse leger, maar na 1918 heeft hij in een aantal monumentale werken zijn afschuw van de oorlog en de gevolgen daarvan onverbiddelijk getoond. Niettemin gaf hij tijdens een interview in de jaren '60 te kennen dat hij die ervaring niet had willen missen.

In de jaren '20 groeide zijn aversie tegen de heersende clichés uit tot een sarcasme waarmee hij de burgerij op de kast joeg. Hij wilde in zijn werken de wantoestanden in de samenleving aan de kaak stellen en het lelijke tonen, dat de nette burgers liever niet zagen. Tal van thema's waren aan de eigentijdse maatschappelijke situatie ontleend, zoals te zien in schilderijen als Kriegskrüpel (1920) waarin Dix een stoet toonde van zwaar geschonden veteranen die allesbehalve een parade heroïsche van Duitse soldaten vormde. Of in 'Altes Liebespaar' (1923) waarin hij de verlepte naaktheid van een vrijend bejaard stel onverhuld liet zien. Ook zijn voorstellingen van prostituees schokten het publiek door de expliciete weergave van hun fysieke en sociale staat. Met uitzondering van zijn moeder en soms zijn vrouw Martha gaf Dix de vrouw nooit mooi, onschuldig of verleidelijk weer. Bij Otto Dix denkt men dan ook al snel aan met lijken bezaaide slagvelden, verwoeste dorpen, oorlogsinvaliden, en aan bordeelscènes met verlepte hoeren en louche pooiers.

Dix studeerde aan de kunstacademie in Dresden (1919-1921) en sloot zich met onder meer George Grosz bij de Dada-beweging aan. Na enkele jaren in Düsseldorf (1922-1925) en Berlijn (1925-1927) gewerkt te hebben, keerde hij terug naar Dresden om daar les te geven (1927-1933). In die periode schilderde hij een van zijn topwerken Großstadt (1927/28), een triptiek dat het moderne leven en de keerzijde ervan laat zien.

Naziperiode[bewerken]

Toen de nazi's in Duitsland in 1933 aan de macht kwamen, werd hem zijn functie aan de Kunstacademie ontnomen, onder andere omdat zijn kunst een bedreiging zou vormen voor de morele staat en de militaristische houding van het Duitse volk. Hij kreeg spoedig ook een tentoonstellingsverbod.

Dix' werken werden tijdens het Derde Rijk bestempeld als Entartete Kunst, omdat ze niet strookten met het arische ideaalbeeld van de NSDAP. Bij de grote tentoonstelling van Entartete Kunst in München (1937), werd ook werk van Dix getoond.[1] In 1937 beval Joseph Goebbels maar liefst 260 werken te confisqueren. Veel werken werden ter veiling in Luzern aangeboden. Wat men niet wist te verkopen, werd in 1939 in een Berlijnse brandweerkazerne verbrand. Werken als Kriegskrüpel en Schützengraben gingen daar in vlammen op, maar een van zijn meest monumentale werken Der Krieg wist hij te redden door het in een molen op te slaan.

Ondanks dit alles bleef hij in Duitsland wonen. Hij verliet Dresden en installeerde zich eerst in Singen en in 1936 in Hemmenhofen bij het Bodenmeer. De keuze om Duitsland niet te verlaten, ondanks zeer beperkte mogelijkheden om als kunstenaar te kunnen werken vanwege het ontbreken van een lidmaatschap van de Reichskulturkammer, wordt Innere Emigration genoemd. Dix stond in deze keuze niet alleen, veel kunstenaars en intellectuelen kozen ervoor. Gedurende al die jaren, ook tijdens de oorlog, zal hij regelmatig een bezoek brengen aan Dresden om vrienden en zijn maîtresse Käthe König te bezoeken.

Dix schilderde tussen 1933-1945 voornamelijk landschappen, waarbij hij inhaakte op de traditie van de romantische schilder Caspar David Friedrich. Hoewel hij bij voorkeur mensen en steden schilderde, dwongen zijn gedwongen vertrek naar de landelijke Bodensee en de door de nazi's opgelegde beperkingen hem hiertoe. Hij hield zich verder koest en maakte schilderijen waar de nazi's geen aanstoot aan konden nemen. In zijn religieuze taferelen, zoals de Verlokkingen van de heilige Antonius, verwees Dix echter wel naar het naziregime.

Otto Dix overleed in 1969 aan een hersenbloeding.

Musea en tentoonstellingen[bewerken]

  • Leopold-Hoesch-Museum, Düren
  • Paris, Centre Pompidou, Otto Dix. Dessins d'une guerre à l'autre, 2003
  • Regensburg, Kunstforum Ostdeutsche Galerie ans Schaffhausen, Museum zu Allerheiligen, Welt und Sinnlichkeit, 2005-2006
  • Montréal, Musée des Beaux-Arts de Montréal, "ROUGE CABARET - Le monde effroyable et beau d'Otto Dix" - Van 24 september 2010 tot 2 januari 2011

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Hinz, Berthold (1984), Die Malerei im deutschen Faschismus. Kunst und Konterrevolution, Heyne. ISBN 3-453-01906-7.