Vrijkorps

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Exercitie der Amst. Burgerij in tegenwoordigheid van den Baron v. d. Capellen t. d. Pol, Arend Fokke Simonsz 1783.

Met vrijkorps werden tot de 20e eeuw:

  1. paramilitaire eenheden van gedemobiliseerde militairen en/of
  2. spontaan ontstane vrijwilligerslegers, bestaande uit leden van de schutterij of exercitiegenootschappen en/of
  3. rondtrekkende eenheden van gedeserteerde huurlingen aangeduid.

Het heeft ook de betekenis van zogenaamde guerrilla-eenheid, een in tijden van oorlogschaos los van het opperbevel opererende legereenheid.

In Duitsland waren vrijkorpsen actief vanaf de 18e eeuw die vaak bestonden uit "eigen" vrijwilligers, overlopers, deserteurs of gestraften. Hun grootte varieerde van een compagnie tot maximaal 1000 man. Vrijkorpsen dienden vaak binnen de infanterie of artillerie maar vrijwel nooit in de cavalerie.

Vrijkorpsen tijdens de Republiek van Weimar[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog werden door de Rat der Volksbeauftragten vrijkorpsen uit de terugkerende soldaten opgericht. Velen viel het burgerbestaan na de terugkeer zwaar omdat ze dit niet meer gewend waren. Dit gecombineerd met het verliezen van de oorlog en de daarna afgesloten Vrede van Versailles, die als een vernederend dictaat en als een dolkstoot in de rug van het keizerlijke Duitse leger ervaren werd, het uitroepen van de republiek (de meeste leden van het vrijkorps waren hartstochtelijk monarchist) en een massale werkloosheid leidde er toe dat de vrijkorpsen vijanden van de republiek waren.

De nieuwe regering onder president Friedrich Ebert (SPD) had deze groepen begin 1919 echter nodig in de strijd tegen de extreem linkse oppositie tijdens de Novemberrevolutie. Omdat het gedemobiliseerde leger door het Verdrag van Versailles verboden was om in het binnenland op te treden werd een vrijwillige inschrijving gehouden om de benodigde "strijdkrachten" op te richten. Er traden uiteindelijk 400.000 man toe tot de vrijkorpsen. Deze werden vooral ingezet voor de bestrijding van revolutionaire bewegingen (vooral communistische groeperingen, waaronder de Spartacusbond). Deze groepen doodden tal van politieke tegenstanders. De bekendste politieke moord uitgevoerd door de vrijkorpsen is wel die op Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht door soldaten van de "Garde-Kavallerie-Schützen-Division". Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht waren de oprichters van de KPD (Duitse Communistische Partij).

Door restricties gesteld in het Verdrag van Versailles was de maximale grootte van het leger, de Reichswehr, vanaf 1 januari 1921 gesteld op 100.000 man. Hierdoor waren de vrijkorpsen overbodig geworden, zodat ze gefaseerd werden opgeheven. De eenheden konden niet worden opgenomen in het leger. Toen ze met opheffing werden bedreigd kwamen de eenheden in opstand; de leden voelden de opheffing aan als een tweede dolkstoot door de socialistische Weimar-regering. De bekendste uitwas is de zogenaamde Kapp-Putsch die door een algemene staking en de weigering van ambtenaren om bevelen van de opstandelingen te gehoorzamen mislukte. Als pleister op de wonde werden op beperkte schaal leden van de vrijkorpsen toegelaten tot de Reichswehr. Anderen traden toe tot organisaties als Stahlhelm of de SA en later de SS.

De even gewelddadige opvolgers van de vrijkorpsen pleegden ook een groot aantal politieke moorden op zogenaamde verraders van het Duitse Rijk. Zo vermoordde de Organisation Consul (opvolger van de vrijkorps-eenheid Brigade Erhardt) bijvoorbeeld Walther Rathenau. Die daden werden mild bestraft: rechters betrokken in hun vonnis de dolkstootlegende mee.