Vrijstaat Pruisen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Freistaat Preußen
Onderdeel van de Weimarrepubliek
Onderdeel van nazi-Duitsland
 Koninkrijk Pruisen 1918–1947 Geallieerde bezettingszones in Duitsland 
Volksrepubliek Polen 
Sovjet-Unie 
Flag of Prussia (1918–1933).svg Coat of arms of Prussia (1918–1933).svg
Kaart
(1920
(1920
Algemene gegevens
Hoofdstad Berlijn
Oppervlakte 292 695,36 km2 (1925)
Bevolking 38 175 986 (1925)

De Vrijstaat Pruisen (Duits Freistaat Preußen) was een deelstaat in Duitsland. Ze werd na het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918 gevormd met de opheffing van het Koninkrijk Pruisen, en werd na 1933 beëindigd met de Gleichschaltung van nazi-Duitsland. Het was de grootste Duitse deelstaat tijdens de Weimarrepubliek, met 5/8 (62,5%) van de totale oppervlakte en bevolking. Vrijstaat is een Duitse term voor het Latijnse woord republiek; in Duitsland werd het begrip republiek te veel geassocieerd met toenmalige vijand Frankrijk.

Het gebied van Vrijstaat Pruisen bestond uit Oost-Pruisen, Pommeren, Brandenburg, Saksen, Opper-Silezië, Neder-Silezië, Sleeswijk-Holstein, Hannover, Westfalen, de Rijnprovincie, Hessen-Nassau, de grensmark Posen-West-Pruisen en de stad Berlijn.

Geschiedenis[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog[bewerken]

De meeste Duitse territoriale verliezen als gevolg van het verliezen van de Eerste Wereldoorlog en de Vrede van Versailles betroffen Pruisisch gebied. Het grootste deel verloor Pruisen aan de Polen waaronder de republieken Posen en West-Pruisen en het oostelijke deel van Silezië. Danzig werd onder de leiding van de Volkerenbond geplaatst als de Vrije Stad Danzig. Deze verliezen zorgden ervoor dat Oost-Pruisen gescheiden werd van de rest van Pruisen en Duitsland. Het gebied was alleen bereikbaar via de Poolse Corridor en over zee. Daarnaast werden werden de gebieden van Eupen en Malmedy aan België afgestaan, Noord Sleeswijk aan Denemarken, Memelland aan Litouwen, Hlučínsko aan Tsjecho-Slowakije en het Saargebied werd geannexeerd door de Volkenbond. De Rijnprovincie werd een gedemilitariseerde zone, bezet door Frankrijk.

De Vrijstaat behield het grootste gedeelte van het Duitse gebied en bevolking. De regering probeerde eerst het gebied in meer kleinere en meer bestuurbare staten te verdelen, maar uiteindelijk zorgde het traditionalistische sentiment ervoor dat de structuur van Pruisen onveranderd bleef ondanks de territoriale verliezen.

Democratisch bastion[bewerken]

Het restrictieve Drieklassenkiesrecht werd afgeschaft na de abdicatie van Wilhelm II van Duitsland. Het gevolg daarvan was dat Pruisen een links bolwerk werd. De samenwerking tussen Rood-Berlijn en het geïndustrialiseerde Ruhrgebied zorgde voor een dominantie van linkse politici. Met de Pruisische grondwet van 1920 werd een parlementaire democratie ingevoerd.

Van 1919 tot 1932 werd Pruisen geregeerd door politici van de SPD en de Zentrumspartei. Van 1921 tot 1925 werden er coalities gesloten met de Deutsche Volkspartei. Anders dan in andere staten in het Duitse Rijk kwamen de meeste democratische partijen in Pruisen nooit in gevaar. Alleen in Oost-Pruisen en in sommige geïndustrialiseerde gebieden wist de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij van Adolf Hitler steeds meer invloed en steun te krijgen, vooral onder de middenklasse.

De Oost-Pruisische politicus Otto Braun was minister-president van 1920 tot 1932. Hij voerde een aantal hervormingen door samen met zijn minister Carl Severing, die model stonden voor de latere Bondsrepubliek Duitsland. De Pruisische minister-president kon bijvoorbeeld alleen uit zijn ambt gezet worden als er een positieve meerderheid voor een potentiële opvolger. Dit concept dat ook bekend als de Constructieve motie van wantrouwen werd in de grondwet voor de Bondsrepubliek opgenomen. Voornamelijk door deze regel kon de centrum-linkse coalitie de macht houden, vooral omdat extreem links en extreem rechts geen meerderheid kregen.

In groot contrast tot vroegere regeerders bleef Pruisen als een pijler van democratie in de Weimarrepubliek. De meeste historici beschouwen de Pruisische regering in de periode 1918–1932 als succesvoller dan Duitsland als geheel.

Pruisische coup[bewerken]

Alles veranderde op 20 juli 1932 met de Preußenschlag Pruisische coup toen de Rijkskanselier Franz von Papen de regering van de Vrijstaat Pruisen van Otto Braun naar huis stuurde onder het voorwendsel dat hij de controle van de publieke macht had verloren. De directe aanleiding was een schietpartij tussen de SA en communisten in Hamburg-Altona bekend als de Altonaer Blutsonntag, waarbij 18 mensen om het leven kwamen. Von Papen benoemde zichzelf tot Rijkscommissaris voor Pruisen en nam de macht over van de regering. Dit maakte het voor Adolf Hitler makkelijk om de macht het jaar daarna over te nemen.

Ontwikkeling van het nazi-regime in Pruisen[bewerken]

Vlag van de Vrijstaat Pruisen van 1933 tot 1947
Wapen van de Vrijstaat Pruisen van 1933 tot 1947

Op 30 januari 1933 werd Adolf Hitler benoemd als Rijkskanselier van Duitsland. Als onderdeel van de benoeming werd Von Papen benoemd als minister-president in Pruisen in aanvulling op de rol van Vicekanselier. Bij een amper opgemerkte overeenkomst werd Hitlers hoogste luitenant Hermann Göring minister van binnenlandse zaken.

Vier weken later op 27 februari 1933 werd het Reichstag in brand gestoken. Op aandringen van Hitler vaardigde president Paul von Hindenburg het Reichstagsbranddecreet uit wat ervoor zorgde dat liberale vrijheden beperkt werden. Zes dagen na de brand, bij de Reichsdagverkiezing van 5 maart 1933 werd de machtspositie van de NSDAP vergroot, ondanks dat ze niet de absolute meerderheid haalden. Omdat de NSDAP met zijn coalitiepartner de Duitse Nationale Volkspartij een grote meerderheid had in de Rijksdag, was Göring zelf prominent aanwezig bij deze verkiezing. Zijn politie-eenheden sloegen en mishandelden leden van andere partijen, zodat alleen de NSDAP en de Nationalisten ongestoord campagne konden voeren.

De nieuwe Reichstag werd geopend na een mis in de Garnisonkirche in Potsdam op 21 maart 1933 in het bijzijn van president Paul von Hindenburg, die allang geen macht meer had. In een propagandabijeenkomst van Hitler en de NSDAP werd het huwelijk tussen oud Pruisen en jong Duitsland gevierd om de Pruisische jonkers, de conservatieven en de nationalisten voor de Machtigingswet te laten stemmen. De wet werd op 23 maart 1933 aangenomen. Dit zorgde ervoor dat Hitler de wettelijke dictatoriale macht kreeg.

Tijdens het bezoek van Von Papen aan Vaticaanstad in april 1933, maakte de NSDAP gebruik van zijn afwezigheid en nam Göring de post van Von Papen in. Met deze zet had Hitler de mogelijkheid om de macht in Duitsland helemaal over te nemen, nu hij de Pruisische regering en politie volledig in zijn macht had. In 1934 waren bijna alle Pruisische ministeries opgegaan in de gelijknamige Rijksministeries.

Ontmanteling van Pruisen[bewerken]

In de nieuw gestichte gecentraliseerde nationaalsocialistische staat, werden via de Wet op de hernieuwde opbouw van het rijk Gesetz über den Neuaufbau des Reiches van 30 januari 1934 en het Reichsstatthaltergesetz (Rijksstadhouderswet) van 30 januari 1935, de staten en Provincies van Pruisen feitelijk of zelfs formeel ontbonden door de NSDAP. De regering van de eerder federale staat werd nu bestuurd door rijksstadhouders, die werden aangewezen door de Rijkskanselier. Parallel hieraan deelde de partij de organisatie van de staat op in districten, gouwen genaamd, die steeds belangrijker werden. Deze gouwen werden bestuurd door een Gauleiter die ook aangewezen werd door de Rijkskanselier. Hitler benoemde zichzelf formeel tot Rijksstadhouder van Pruisen, waarna hij zijn bevoegdheden als Rijksstadhouder overdroeg aan Göring.

Territoriale veranderingen tijdens nazi-Duitsland[bewerken]

Gedurende de nazitijd onderging Pruisen enkele territoriale reorganisaties. Onder de Groot-Hamburgwet van 1937 gingen gebieden van de provincies Hannover en Sleeswijk-Holstein over naar Hamburg, het gebied van het Hamburgse Geesthacht en de Vrije en Hanzestad Lübeck naar Sleeswijk-Holstein, en het Hamburgse Cuxhaven naar de provincie Hannover. In 1939 vonden gelijksoortige wijzigingen plaats rond Bremen en Bremerhaven en de provincie Hannover. Wilhelmshaven werd van Hannover bij Oldenburg gevoegd. In 1942 werden de territoria van de provincies Saksen en Hannover en Brunswijk gereorganiseerd.

De Pruisische gebieden die bij de Vrede van Versailles aan Polen verloren gingen, werden na de inval in Polen in 1939 weer door het Duitse Rijk geannexeerd. De voormalige provincies Posen en West-Pruisen van deze gebieden werden niet opgenomen in de Vrijstaat Pruisen, maar werden ingericht als aparte Rijksgouwen in het Duitse Rijk.

Ontmanteling van Pruisen na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Met het einde van het nationaalsocialistische regime in 1945 werd Duitsland verdeeld in geallieerde bezettingszones en werd de macht overgedragen van al het gebied ten oosten van de Oder-Neissegrens aan Polen en de Sovjet-Unie. Net als na de Eerste Wereldoorlog betroffen de meeste Duitse gebiedsverliezen Pruisisch gebied. Oost-Pommeren, Silezië en de overige territoria ten oosten van de Oder-Neisse grens gingen naar Polen; het noordelijke gedeelte van Oost-Pruisen inclusief Koningsbergen werd geannexeerd door de Sovjet-Unie. Het verloren gebied besloeg tweevijfde van het Pruisische gebied en een kwart van het Duitse gebied van voor 1938. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog werden tien miljoen Duitsers verdreven uit deze gebieden als onderdeel van de verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog uit Oost-Europa.

Wat overbleef van Pruisen besloeg meer dan de helft van het Duitse gebied en drievijfde van het gebied dat Pruisen had voor 1944. In wet #46 van 25 februari 1947, verklaarde de Geallieerde Controleraad Pruisen wettelijk als ontbonden. Hoewel de geallieerden de geschiedenis van Pruisen militaristisch vonden zoals hun gehele rechtvaardiging voor het ontmantelen van Pruisen en het laten voortbestaan van Pruisen zou onpraktisch geweest zijn, vanwege de Koude Oorlog en de Opdeling van Duitsland.

Ministers-president van de Vrijstaat Pruisen[bewerken]

Provincies en territoriale veranderingen[bewerken]

Gevolgen van de Eerste Wereldoorlog voor de verschillende regio's[bewerken]

  • Oost: Het Memelland van Oost-Pruisen werd overgedragen aan Litouwen. Het restant van de Pruisische provincie Silezië dat niet werd overgedragen aan Polen of Tsjechoslowakije werd opgedeeld in twee provincies Neder-Silezië en Opper-Silezië in 1919.
  • Noord: In de provincie Sleeswijk-Holstein vormden de geallieerden twee provincies Noord-Sleeswijk en Centraal-Sleeswijk op 10 februari en 14 maart 1920. In Noord-Sleeswijk koos 75% voor aansluiting bij Denemarken, 25% wenste onderdeel uit te blijven maken van Duitsland. Het nu Deense gebied werd ingericht in vier nieuwe gemeenten Aabenraa, Haderslev, Sønderborg en Tønder. In Centraal-Sleeswijk was het andersom: hier koos 80% ervoor bij Duitsland te blijven en 20% koos ervoor om bij Denemarken te komen. In Zuid-Sleeswijk vond geen referendum plaats, dit gebied bleef dus Pruisisch.
  • West: Het zuidelijke gedeelte van de Rijnprovincie werd onderdeel van het Saarland dat onder de Volkerenbond werd gesteld. Het gebied van Eupen en Malmedy in het westen van de Rijnprovincie werd aan België overgedragen en vormt nu de Duitstalige Gemeenschap.

Veranderingen tijdens de Weimar-republiek[bewerken]

In 1920 nam de Pruisische Landdag de Groot-Berlijnwet aan, waarmee Groot-Berlijn werd gecreëerd en de Pruisische hoofdstad werd uitgebreid met delen van de provincie Brandenburg, waarvan Berlijn in 1881 was afgescheiden. Met de Groot-Berlijnwet werd het gebied van de stad Berlijn dertien keer groter.

De restanten van de provincies Posen en West-Pruisen werden in 1922 gecombineerd tot een provincie Grensmark Posen-West-Pruisen.

Veranderingen na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

De provincies van Pruisen werden opgedeeld in de volgende staten: