Oost-Pruisen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Provinz Ostpreußen
Provincie van Pruisen
 Hertogdom Pruisen
 Ermland
1773–1829
1873-1918
Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek 
Oblast Kaliningrad 
Ermland-Mazurië 
Memelland 
Flagge Preußen - Provinz Ostpreußen.svg Coat of Arms of East Prussia.svg
Kaart
Map-Prussia-EastPrussia.svg
Algemene gegevens
Hoofdstad Koningsbergen (Königsberg)
Oppervlakte 36.993,9 km²
Bevolking 1.933.936 (1880)
1.996.626 (1900)
2.488.122 (1939)
RBOostP1878.png

Oost-Pruisen was een provincie van Pruisen in het uiterste noordoosten van het land. Oorspronkelijk was het het stamland van de Baltische Pruzzen (Oude Pruisen, waarvan de naam later overging op de Duitstalige bevolking en weer later op de bevolking van de staat Pruisen). Later maakte het deel uit van de staat van de ridders van de geestelijke Duitse Orde. Sinds 1525 was het een seculier hertogdom Pruisen onder het vorstengeslacht Brandenburg, later aangeduid als Hohenzollern. In 1618 werd het gebied verenigd met de veel westelijker, rondom Berlijn gelegen, Mark Brandenburg. Toen dit hertogdom in 1701 tot koninkrijk verheven werd, nam het de naam koninkrijk Pruisen aan. Formeel bleef de provincie Oost-Pruisen buiten het verband van het Duitse Rijk, dat overigens zelf weinig meer dan een formaliteit was geworden. Van 1871 tot 1945/47 maakte Pruisen deel uit van het nieuwe Duitse Rijk.

Sinds 1945 behoren het midden en zuiden van het voormalige Oost-Pruisen tot Polen als woiwodschap Ermland-Mazoerië. Het noorden behoort grotendeels tot Rusland als oblast Kaliningrad, en voor een klein deel tot Litouwen als Memelland. Dit laatste gebied was in 1923 door het kort tevoren opnieuw onafhankelijk geworden Litouwen geannexeerd, moest in 1939 aan Duitsland teruggegeven worden, en werd in 1945 opnieuw bij (inmiddels Sovjetrepubliek) Litouwen gevoegd.

Geschiedenis[bewerken]

Middeleeuwen[bewerken]

De oorspronkelijke bewoners van de streek waren Baltische stammen als de Pruzzen (Pruisen), en de aan hen verwante Litouwers. Vanuit de Pruisische nederzetting Truso (nabij het huidige Poolse Elbląg) werd handel gevoerd met Scandinavië. Nadat de Duitse Orde het gebied in het begin van de 13de eeuw veroverd had, werd de bevolking gekerstend. Op en rond de locatie van een voormalige Pruisische burcht ontstond de latere hoofdstad Koningsbergen. In Koningsbergen en de andere steden woonden overwegend Duitsers terwijl het platteland lange tijd Baltisch bleef. In het oosten bleef de Litouwse variant van het Baltisch in gebruik. In Koningsbergen en de kleinere steden woonden overwegend Duitsers terwijl op het platteland naast de verschillende (Neder-)Duitse dialecten van toestromende kolonisten nog lange tijd ook Baltisch, meer precies: Pruzzisch, gesproken bleef worden. (Zie ook Nederpruisisch).

Pruisen, verdeeld in West- en Oost-Pruisen, werd sinds ca. 1220 het land van de Duitse Orde, een orde van ridders die een geestelijke gelofte hadden afgelegd en na hun terugtrekking uit het Heilige Land, met steun van Rome, hun bekeringkruistocht mochten voortzetten als een kruistocht tegen de heidense Pruzzen. In een aantal veldtochten werden de Pruzzen met geweld onderworpen door de ridders, die daarna het land bestuurlijk inrichtten op een voor de tijd zeer moderne wijze. Zij stichtten een dicht netwerk van tientallen burchten, legden daarbij versterkte stadjes aan en bevolkten deze met immigranten uit het westen van Duitsland. Op het platteland werden honderden dorpen ingericht en eveneens bevolkt met kolonisten uit het westen van Duitsland en uit de Nederlanden. Zie hiervoor Oostkolonisatie. Lange tijd bleven de dorpen van de overgebleven Pruzzen voortleven, maar in de 16de eeuw waren de oude en nieuwe bevolkingsgroepen met elkaar vermengd. Naast de heersende geestelijke ridders ontwikkelde zich een plattelandsfeodaliteit, voor een deel uit lagere adel uit het westen van Duitsland, voor een ander deel uit Pruzzische stamhoofden. Zij vormden tezamen de basis van het latere Pruisische Junkertum.

Verzwakking en secularisatie[bewerken]

De Duitse Orde moest bij de Vrede van Thorn (1466) de Poolse koning als leenheer erkennen. In 1525 werd het gebied geseculariseerd als erfelijk hertogdom (Hertogdom Pruisen) onder de laatste grootmeester van de Orde Albrecht van Brandenburg-Ansbach, die met zijn ridderschap was overgegaan naar het Lutheranisme. Om het Lutherse geloof ook onder de plattelandsbevolking post te laten vatten, liet Albrecht een catechismus in het Pruzzisch maken, het eerste en laatste document in die taal, die weldra zou uitsterven. Ook voor de Litouws- en de Poolssprekende onderdanen in dit multi-etnische hertogdom verschenen catechismusboeken, uitgegeven door de theologische faculteit van de universiteit van Königsberg waar 7 van de 24 stipendium-studenten werden voorbereid op een pastoraat onder deze twee bevolkingsgroepen. De hertogen waren zich bewust van hun zwakke positie en het belang van goede betrekkingen met de omringende vorsten, vooral met de Poolse koning die ze als leenheer moesten erkennen. Het in het midden van Oost-Pruisen gelegen bisdom Ermland, dat een grote enclave vormde van ongeveer een zevende deel van wat later de provincie Oost-Pruisen zou heten, maar door zijn vruchtbaarheid dichtbevolkt, bleef als Roomskatholiek bisdom onder rechtstreekse bescherming van de Poolse koning: Ermland, of in het Pools Warmia met steden als Frauenburg (Frombork) en Allenstein (Olsztyn).

Hertogdom en Koninkrijk Pruisen[bewerken]

Na de dood van Albrecht Friedrich (1608) viel het hertogdom toe aan Johann Sigismund, keurvorst van Brandenburg. Deze hertog had voorkeur voor de Calvinistische richting binnen het Protestantisme en riep daarmee grote weerstand van de steden op. Na hem volgden Georg Wilhelm (1619-1640), Friedrich Wilhelm (1640-1688) en Friedrich III die in 1701 zichzelf het koningschap toekende en Pruisen en Brandenburg onder zijn soevereiniteit verenigde. De Poolse koning had inmiddels als leenheer zijn positie grotendeels verloren en als formaliteit werd ze nu afgedaan. In januari 1701 werd in de Koningsberger domkerk Frederik I tot eerste koning in Pruisen gekroond, wat Koningsbergen enkele decennia lang de status van hoofdstad van het nieuwe Koninkrijk Pruisen verleende. Pas een eeuw later, toen het Duitse keizerrijk (Heilige Roomse Rijk) werd ontbonden en de keizerlijke soevereiniteit over het Brandenburgse deel werd afgeschaft, kon de koning in Pruisen de koning van Pruisen worden.

Oorlogen, misoogsten, hongersnood en ten gevolge daarvan uitgebroken pestepidemieën, met name in de jaren 1706-1711, roeiden grote delen van de bevolking uit, die daardoor van 600 duizend tot 360 duizend afnam. Vooral in het oosten vond op het platteland een grootschalige ontvolking plaats en kwamen meer dan 26 duizend boerderijen leeg te staan. De lasten voor de overgebleven boeren stegen en velen moesten hun zelfstandigheid opgeven en zich verkopen in lijfeigenschap. Voor de herbevolking werden op grote schaal verdrukte minderheden – calvinisten uit Frankrijk (Hugenoten) en Naussau-Giessen, mennonieten uit de Palts en Zwitserland, en lutherse Salzburgers uit Salzkammergut – geworven en vooral in het ontvolkte oosten gevestigd. Ook landloze boeren uit Litouwen en Polen werden uitgenodigd om zich daar te vestigen. Twintig dorpen in het getroffen gebied kregen de stadstatus en daarmee ruimere economische armslag. De tienduizenden nieuwe inwoners vermeerderden zich zo snel dat rond het midden van de eeuw het oude bevolkingsaantal weer was bereikt. De bezetting door Rusland tijdens Zevenjarige Oorlog ging gepaard met zware heffingen en confiscaties, maar eind 18e eeuw was Oost-Pruisen hersteld van de door epidemieën en oorlogen toegebrachte slagen.

De hoofdstad Koningsbergen bloeide als tevoren omdat haar economie gevestigd was op de handel met Rusland en Polen. De wereldberoemde filosoof Immanuel Kant, hier ook geboren, werkte aan de universiteit welke een grote reputatie had en uit het Balticum en geheel oostelijk Midden-Europa studenten aantrok.

De Napoleontische tijd[bewerken]

In 1806 werd het Koninkrijk Pruisen door Napoleon verslagen. In het verlengde hiervan trok zijn leger in 1807 Oost-Pruisen binnen en leverde twee veldslagen bij Preußisch Eylau en Friedland. In deze veldslagen werd het land gebrandschat en vielen aan beide zijden tezamen zo'n 100 duizend soldaten. Kort daarop sloot Napoleon in de stad Tilsit vrede met de koning van Pruisen en de tsaar van Rusland, de zogenaamde Vrede van Tilsit. Bij die gelegenheid probeerde Koningin Louise van Pruisen de Franse keizer in een gesprek tot mildere vredesvoorwaarden te bewegen, zonder resultaat. Wel heeft dit optreden belangrijk bijgedragen tot Louises grote populariteit. Oost-Pruisen was in deze laatste fase van Napoleons heerschappij, met het oog op de invasie van Rusland, de verzamelplaats van honderdduizenden soldaten van de Grande Armée die het land van zijn welvaart beroofden en berooid achterlieten. Zoals een eeuw daarvoor braken weer hongersnoden en epidemieën uit waaraan opnieuw een aanzienlijk deel van de bevolking ten offer viel. Opnieuw was minstens een halve eeuw nodig om het bevolkings- en welvaartspeil van vóór de eeuwwisseling te herstellen.

Daarbij speelde een bestuurlijke hervorming een grote rol. Zij werd eerst in Oost-Pruisen en daarna in het overige koninkrijk doorgevoerd met als begin de opheffing van de horigheid van de boeren. Dit had als gevolg dat het bevolkingsaantal eerst verdubbelde om dan weer te gaan dalen door emigratie. De 'boerenbevrijding' gaf de plattelandsbevolking eigendom en vestigingvrijheid die velen gebruikten om hun schamele bezit te verkopen en vrijheid elders te gaan vormgeven. De liberale hoofdstad Koningsbergen groeide in de eerste helft van de 19de eeuw uit tot de tweede stad van Pruisen na Berlijn. Haar economische basis lag in de transithandel vanuit Rusland en Polen.

De provincie Oost-Pruisen, 1772-1918[bewerken]

De naam Oost-Pruisen was ingevoerd nadat Frederik de Grote, de kleinzoon van Frederik I, bij de Eerste Poolse Deling (1772) Ermland, en de Westpruisische gebieden Pommerellen en Kulmerland had verworven. Deze nieuwe aanwinsten kregen in 1773 officieel de naam West-Pruisen een naam die zij al in de middeleeuwen hadden bezeten toen dit gebied nog onder de Duitse Orde behoorde. Oost- en West-Pruisen waren van 1824 tot 1829 in personele unie en van 1829 tot 1878 in reële unie als provincie Pruisen verenigd. Sinds 1871 maakte de provincie deel uit van het in dat jaar opgerichte Duitse Keizerrijk.

De regionale landadel (de preussische Junker) die grote domeinen bezat, was, samen met de adel in de overige provincies ten oosten van de Elbe, de basis van een belangrijke politiek-conservatieve factie in het Duitse Rijk, waarop kanselier Otto von Bismarck zijn macht kon vestigen. Hoewel in de hoofdstad Koningsbergen een liberaal klimaat heerste, behield het platteland een uitgesproken feodaal karakter. Na 1855 kwam er een bredere basis voor regionale economische groei door de ontwikkeling van een spoorwegnet dat de verwerking en het vervoer van landbouwproducten en het toerisme aan de Oostzeekusten bevorderde.

De Eerste Wereldoorlog, 1914-1918[bewerken]

De Eerste Wereldoorlog bracht opnieuw oorlog in het land. Russische legers vielen in augustus 1914 binnen en veroverden het gehele oosten en zuiden. De nederlaag in de Slag bij Tannenberg drong ze na een maand terug, maar ze probeerden het – tevergeefs – nog twee maal. In die periode sneuvelden er 100 duizend Russische soldaten en vielen er 10 duizend burgerslachtoffers, een moesten half miljoen mensen vluchten, werden 40 duizend gebouwen geheel of ten dele verwoest, werden 40 stadjes en 1.900 dorpen platgebrand en verdween alle vee naar Rusland. Herhaaldelijk had de bevolking in de oorlogsjaren sindsdien te lijden aan gebrek aan voedsel en na de Duitse nederlaag werden in de hoofdstad Koningsbergen communistische arbeidersraden geïnstalleerd waartegen de 'Gutsbesitzer' op het platteland zich bewapenden.

Oost-Pruisen, de Vrije Stad Danzig en de Poolse corridor in 1923

Verdrag van Versailles, 1919[bewerken]

Na de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog moest het land conform het Verdrag van Versailles (1919) verschillende gebieden afstaan. Van Oost-Pruisen kwam Soldau aan het heropgerichte Polen dat geheel Oost-Pruisen had willen annexeren. Om daaraan tegemoet te komen, besloten Engeland en Frankrijk de bevolking te laten beslissen, althans de 700 duizend inwoners van het zuidelijk deel van de provincie, die voor 40% Pools (Mazoers) als moedertaal spraken. Slechts een handvol procenten koos voor aansluiting bij Polen want de lutherse Mazoeren in dit gebied waren politiek uitgesproken Duitsgezind. En onder protest en tot teleurstelling van het heropgerichte Polen bleef het gebied dan ook bij Duitsland. Het in kleine meerderheid Litouwssprekende Memelland in het noord-oosten van de provincie werd door de nieuw opgerichte staat Litouwen opgeëist, maar in afwachting van een mogelijke volksraadpleging onder geallieerd toezicht geplaatst. De bedoeling was om hier evenals in de Vrije Stad Danzig een vrijstaat te vestigen. Litouwen bezette het gebied met 140 duizend inwoners in 1923 en de geallieerden legden zich daarbij neer onder voorwaarde van een zekere autonomie die werd geregeld in het Memelstatuut.

Aangezien Duitsland West-Pruisen, nu aangeduid als 'Poolse Corridor', grotendeels aan Polen had moeten afstaan, was Oost-Pruisen sindsdien een exclave die door deze Poolse Corridor en de Vrije Stad Danzig geografisch van de rest van Duitsland was afgescheiden. Op Koningsbergen na had zich geen moderne economische ontwikkeling voorgedaan in het voornamelijk agrarische Oost-Pruisen. Het isolement zorgde dat het economisch bergafwaarts ging nu het gebied afgesneden was en door Polen nadrukkelijk geïsoleerd werd met het opwerpen van hindernissen voor het verkeer met overig Duitsland. De geïsoleerde en bedreigde provincie had voor Duitse nationalisten een iconische betekenis gekregen. Weliswaar werden de provincie grote rijkssubsidies toegekend, en de verwoeste steden in het zuidelijk deel in moderne vormen wederopgebouwd, de onvrede onder de Oost-Pruisische bevolking groeide weer door de economische crisis die in 1929 uitbrak en dat deed de aanhang van de nationalistische partijen toenemen. Een bijkomend gevolg van de integratie in het modere Duitsland was dat het gebruik van Pools (Mazoers) en Litouws - in de 19de eeuw nog door een derde van de bevolking als moedertaal gesproken – na de Eerste Wereldoorlog verminderde tot minder dan een tiende onder de jongste generatie. Bij lokale verkiezingen eind 1932 kreeg de NSDAP al de absolute meerderheid in Oost-Pruisen. Zodoende werd Oost-Pruisen een van de eerste bolwerken voor de nieuwe orde van de nationaal-socialisten, die in de volgende jaren een grootschalig grondontginnings- en werkgelegenheidsprogramma opzetten met als gevolg dat de landbouw- en veeteeltproductie alleen al in het economisch marginale zuiden en oosten met de helft steeg. De nationale aanpassing in deze gebieden werd onder de Pools- en de Litouwstaligen tijdens de nazi-periode geïntensiveerd door een verbod in het openbaar en in de kerk op het gebruik van andere talen dan het Duits. De topografie onderging een cosmetische germanisering door de vervanging van 1.500 dorps- en stadsnamen met een Poolse of Litouwse achtergrond. In het door Polen geannexeerde West-Pruisen (zie ook Poolse Corridor) werd daartegenover de Duitse bevolking gediscrimineerd en verdwenen de Duitstalige topografische namen op hun beurt. Ook in het Memelland was sprake van achterstelling en rechtsongelijkheid van Duitstalige bewoners, al ging de Litouwse overheid hierbij veel minder ver dan de Poolse. In 1939 dwong Duitsland Litouwen om Memelland weer af te staan. Niet veel later zou ook West-Pruisen na de Duitse inval in Polen geannexeerd worden.

In 1940 omvatte Oost-Pruisen 39.840 km² en 2.649.017 inwoners.

Tweede Wereldoorlog, 1939-1945[bewerken]

In de Tweede Wereldoorlog diende Oost-Pruisen als uitvalsbasis voor de invasie van de Sovjet-Unie. Later in de oorlog bleef de provincie belangrijk als voorpost en, toen de Duitse legers teruggedreven werden, als verdedigingsbastion. Door de moeilijke bereikbaarheid voor de geallieerde luchtmacht werd de provincie ook een toevluchtsoord voor enkele tienduizenden Duitsers die hun huizen haden verloren in de massale bombardementen op de steden, en voor de nazi-autoriteiten die in Berlijn steeds meer bedreigd werden. In de zogenaamde Wolfschanze bij Rastenburg vestigde Hitler het hoofdkwartier voor het Oostfront. Daar vond de (mislukte) aanslag op Hitler plaats door officieren onder leiding van Stauffenberg. In de laatste fase van de oorlog en de naderende val van het Derde Rijk riep Hitler de stad Koningsbergen uit tot vesting en dat zou haar ondergang worden.

Nadat de legers van de Sovjet-Unie in het najaar van 1944 al een klein gedeelte van Oost-Pruisen hadden bezet, liepen zij in januari 1945 de de rest van deze oostelijkste provincie van Duitsland onder de voet, dit ondanks heftige Duitse militaire weerstand. Inmiddels werd het de bevolking door de nationaalsocialistische autoriteiten verboden om te vluchten. Nadat de nazi-leiding zelf de wijk had genomen, werden per dorpsgemeenschap karavanen van paarden en wagens georganiseerd die door een extreme winterkoudegolf naar het westen trokken, onderweg beschoten en gebombardeerd door het Sovjetleger. Honderdduizenden kwamen daarbij om het leven.

De plunderingen, massamoorden en massaverkrachtingen door Sovjet-soldaten in Oost-Pruisen en later in andere delen van Duitsland worden vaak als reactie op de onmenselijke bezettingspolitiek van de nationaalsocialisten in de Sovjet-Unie gezien, een handelwijze die ook in andere door Sovjet-troepen bezette gebieden en vooral ten aanzien van daar wonende Duitsers plaatsvond, zoals in delen van Roemenië en Joegoslavië. In Oost-Pruisen werd daarvoor vooral het uitgemoorde dorp Nemmersdorf als symbool bekend, omdat het al in 1944 werd veroverd en daarna door Duitse troepen heroverd. Wat in dit dorp werd aangetroffen diende de propaganda van Joseph Goebbels om de Duitsers in bioscoopjournaals te waarschuwen dat overgave alleen maar een gruwelijke dood kon betekenen, zodat er geen andere weg was dan verzet tot het laatste en het uiterste.

Annexatie en verdeling door Polen en de Sovjet-Unie na 1945[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na de oorlog verloor Duitsland de soevereiniteit over Oost-Pruisen en werd het gebied in tweeën verdeeld. Het noordelijk deel ging naar de Sovjet-Unie en werd opgenomen in de RSFSR als Oblast Kaliningrad (Koningsbergen werd hernoemd tot Kaliningrad). Het zuidelijk deel werd opgenomen in Polen ter compensatie van de annexatie van een groot deel van Oost-Polen door de Sovjet-Unie in 1939 (zie het Molotov-Ribbentroppact), die na 1945 niet ongedaan werd gemaakt. Het Pools geworden deel van Oost-Pruisen vormt nu de woiwodschap Ermland-Mazoerië.

De oorspronkelijk aanwezige bevolking – 2,4 miljoen mensen – was in de laatste dagen van de oorlog al voor een groot deel naar westelijkere streken van Duitsland gevlucht voor het oprukkende Rode Leger. Minstens 300 duizend kwamen om het leven tijdens de vlucht en door oorlogsgeweld, en na de Sovjetbezetting door moord, honger en ziekten en ook door deportatie naar dwangarbeiderskampen in de Sovjet-Unie. De overlevenden werden van 1945 tot 1947 bijna allemaal naar Duitsland gedeporteerd. Aanvankelijk mochten nog 200 duizend bewoners van Mazoerië blijven, althans voor zover zij het Poolse dialect van deze landstreek machtig waren. Deze autochtone bevolking werd verboden Duits te gebruiken, ook, wat zij gewoon waren te doen, in hun lutherse kerkdiensten. Zij moesten hun kerken delen met de roomskatholieke Poolse immigranten die hen vaak de toegang ontzegden. Uiteindelijk vertrok in de latere jaren vijftig de helft van de Mazoeren – en na 1970 nog eens ruim 55 duizend – voornamelijk naar West-Duitsland. In Mazoerië zijn er hooguit 20 duizend van hen nog aanwezig. De geïmmigreerde Polen noemen zich overigens ook Mazoeren.

In de Bondsrepubliek Duitsland ontstonden verenigingen van vluchtelingen uit Oost-Pruisen en andere vroegere Duitse gebieden (zie Bund der Vertriebenen). Deze probeerden de annexatie van hun woongebieden als onrechtmatig op de politieke agenda te houden. Formeel was dat inderdaad zo omdat de definitieve grenzen tussen Polen en Duitsland nog steeds op een internationale vredesconderentie moesten worden vastgelegd. Pas in 1990 zou het zover komen, maar dan in een bilateraal verdrag tussen Polen en het herenigde Duitsland. De organisaties van verdrevenen hielden en houden het historisch erfgoed van hun voormalige woongebieden hoog, nu vaak in samenwerking met de huidige bevolking aldaar.

In 1970 deed de Bondsrepubliek Duitsland voorwaardelijk, in 1990 na de hereniging van Duitsland definitief, afstand van aanspraken op Oost-Pruisen en de andere gebiedsdelen. Enkele Duitsers, waaronder nakomelingen van de verdreven Junkers, hebben na de toetreding van Polen tot de EU gebruikgemaakt van hun EU-burgerrecht om hun voorvaderlijke bezit terug te kopen. Om dat te bemoeilijken stelt Polen de eis dat buitenlanders alleen onroerend goed mogen kopen als Poolse staatsburgers daarin voor meer dan de helft participeren. Vermogende Polen en Russen zijn begonnen andere landgoederen op te kopen en te restaureren, maar de meeste zijn nog steeds in een staat van verval en afbraak.

Bestuurlijke indeling[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Lijst van steden in Oost-Pruisen.
Bestuurlijke indeleing van Oost-Pruisen
31 december 1937 1 januari 1945
Regierungsbezirk Allenstein
Stadtkreis
  1. Allenstein
  1. Allenstein
Landkreise
  1. Allenstein
  2. Johannisburg
  3. Lötzen
  4. Lyck
  5. Neidenburg
  6. Ortelsburg
  7. Osterode
  8. Rößel (zetel: Bischofsburg)
  9. Sensburg
  1. Allenstein
  2. Johannisburg
  3. Lötzen
  4. Lyck
  5. Neidenburg
  6. Ortelsburg
  7. Osterode
  8. Rößel(zetel: Bischofsburg)
  9. Sensburg
Regierungsbezirk Gumbinnen
Stadtkreise
  1. Insterburg
  2. Tilsit
  1. Memel
  2. Insterburg
  3. Tilsit
Landkreise
  1. Angerburg
  2. Darkehmen
  3. Goldap
  4. Gumbinnen
  5. Insterburg
  6. Niederung (zetel: Heinrichswalde)
  7. Pillkallen
  8. Stallupönen
  9. Tilsit-Ragnit (zetel: Tilsit)
  10. Treuburg
  1. Angerapp
  2. Angerburg
  3. Ebenrode
  4. Elchniederung (zetel: Heinrichswalde)
  5. Goldap
  6. Gumbinnen
  7. Heydekrug
  8. Insterburg
  9. Memel
  10. Schloßberg (voor 1938: Pillkallen)
  11. Sudauen
  12. Tilsit-Ragnit (zetel: Tilsit)
  13. Treuburg (voor 1928: Marggrabowa)
Regierungsbezirk Königsberg
Stadtkreis
  1. Koningsbergen (Königsberg (Pr))
  1. Koningsbergen (Königsberg (Pr))
Landkreise
  1. Bartenstein
  2. Braunsberg
  3. Fischhausen
  4. Gerdauen
  5. Heiligenbeil
  6. Heilsberg
  7. Koningsbergen
  8. Labiau
  9. Mohrungen
  10. Preußisch Eylau
  11. Preußisch Holland
  12. Rastenburg
  13. Wehlau
  1. Bartenstein
  2. Braunsberg
  3. Gerdauen
  4. Heiligenbeil
  5. Heilsberg
  6. Labiau
  7. Mohrungen
  8. Preußisch Eylau
  9. Preußisch Holland
  10. Rastenburg
  11. Samland (zetel: Koningsbergen)
  12. Wehlau
Regierungsbezirk West-Pruisen (zetel: Mariënwerder)
Stadtkreis
  1. Elbing
Landkreise
  1. Elbing
  2. Mariënburg
  3. Mariënwerder
  4. Rosenberg
  5. Stuhm
Regierungsbezirk Zichenau
Landkreise
  1. Mackeim
  2. Mielau
  3. Ostenburg
  4. Plöhnen
  5. Praschnitz
  6. Scharfenwiese
  7. Schröttersburg
  8. Sichelberg
  9. Zichenau

Eerste presidenten (Oberpräsidenten)[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • T. Schieder (red.), Dokumentation der Vertreibung der deutschen Bevölkerung aus Ost-Mitteneuropa Deel I: Die Vertreibung der deutschen Bevölkerung aus den Gebieten östlich der Oder-Neisse, Bonn (1953)
  • H. Graf von Lehndorff, Ostpreussisches Tagebuch 1945-1947, München 1985
  • H. Boockmann, Ostpreussen und Westpreussen, Berlin 1995
  • E. Opgenoorth, Handbuch der Geschichte Ost-und Westpreussens, Lüneburg 1993-1998
  • P. Mast, Ostpreussen und Westpreussen, München 2001
  • A. Kossert, Ostpreussen, Geschichte und Mythos, München 2005