Balten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Baltische stammen c. 1200;
West-Balten in groen, Oost-Balten in bruin.
(Grenzen bij benadering; de Dnjepr-Balten zijn niet aangegeven)

De Balten of Baltische volkeren, gedefinieerd als de sprekers van een van de Baltische talen, een tak van de Indo-Europese taalfamilie, zijn de afstammelingen van een groep Indo-Europese stammen, die zich vestigden in het gebied tussen de benedenstroom van de Weichsel, de Westelijke Dvina en de Dnjepr, aan de Zuid-Oostkust van de Oostzee.

Het grote aantal meren en moerassen in het gebied isoleerde de Balten, en als resultaat hiervan hebben de Baltische talen enkele conservatieve en archaïsche eigenschappen. Onder de Baltische volkeren bevinden zich de hedendaagse Litouwers, Letten en Letgallen (allen Oost-Baltisch) en de Oude Pruisen, Jatvingen en Galinden, wier talen en culturen nu uitgestorven zijn.

De term "Balten" werd evenwel uitgevonden door de Duitse taalkundige Georg Nesselmann in 1845 om gelijkaardige etnische groepen aan de Oostzee (Baltische Zee) te beschrijven.

Geschiedenis[bewerken]

Prehistorie[bewerken]

De Urheimat van de Baltische volkeren was volgens archeogenetisch onderzoek en archeologische studies aan het einde van de IJstijd en het begin van het Mesolithicum het gebied aan de Oostzee en Centraal-Europa. De Balten verspreidden zich van het Oostzeegebied in het westen naar de Wolga in het oosten (Fatjanovo-Balanovocultuur). Ten zuiden bevond zich de Slavische Urheimat, in het gebied rond de Prypjatmoerassen.

Baltische volkeren en stammen[bewerken]