Pruisen (volk)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De vestigingsgebieden van de Baltische stammen rond 1200; West-Balten in groen.

De (Oude) Pruisen waren een Baltische stam die het gebied ten zuidoosten van de Oostzee bewoonden, tussen de monding van de Wisła en het Koerse Haf. Hun taal was het Oudpruisisch. In de loop van de 13e eeuw werden ze overwonnen door de ridders van de Duitse Orde, en de eeuwen daarna volgde een geleidelijke germanisering en polonisatie. De voormalige staat Pruisen ontleende zijn naam aan deze Baltische stam, hoewel de staat geleid werd door Duitsers en niet door Oude Pruisen. Het gebied dat de stam bewoonde komt ongeveer overeen met het centrale en zuidelijke deel van het voormalige Oost-Pruisen. Na de Tweede Wereldoorlog is het gebied opgedeeld over Rusland (westelijk deel oblast Kaliningrad) en Polen (oosten van woiwodschap Pommeren, noordwesten van woiwodschap Ermland-Mazurië) en de bewoners (deels van oud-Pruisische afkomst) verdreven.

Etymologie[bewerken]

De namen van de Pruisische stammen waren gebaseerd op de kenmerken van hun respectieve landschappen. De meeste namen waren gebaseerd op water, wat aannemelijk is voor een land met vele meren, stromen en moerassen. Dit landschap werkte de isolatie van de Baltische taalgroep in de hand. In het zuiden loopt dit gebied over in de Pripjatmoerassen, die gedurende millennia een doeltreffende buffer vormden.

De vóór-Baltische bevolking vernoemde haar nederzettingen doorgaans naar stromen, meren, zeeën of bossen waaraan de nederzetting zich bevond. De stam waarin men zich organiseerde ontleende zijn naam aan de nederzettingen. Barta bijvoorbeeld, de heimstee van de Barten (zie ook Bartoszyce, Duits: Bartenstein), is nauw verwant aan de naam van de rivier de Bartis, in Litouwen en verder verwant aan het Albanese berrak en het Bulgaarse bara, die beide "moeras" betekenen. Zo kan de wortel *bor- (moeras) gereconstrueerd worden, die afkomstig is van het Indo-Europese *bher-. Het Proto-Indo-Europees heeft meerdere *bher- wortels, maar de exacte betekenis van deze wortel is vooralsnog onduidelijk. Deze wortel is misschien de wortel die voorkomt in de benaming Prusa (Pruisen), waarvan een nog vroeger Brus- gevonden werd in een kaart van de "Beierse Geograaf".

De naam Pameddi (de stam uit Pomesanië) is afgeleid van de woorden pa (bij) en meddin (bos) of meddu (honing). Nadruvië zou een samenstelling zijn van de woorden na (op) en drawē (hout) of de wortel *dhreu- (stroom). De naam van de Barten, een Pruisische stam en de naam van de rivier de Bārta in Letland zijn waarschijnlijk cognaten.

In de 2e eeuw voor Christus vermeldde de geograaf Claudius Ptolemaeus de Borusci, die in Europees Sarmatië leefden, en van Germanië gescheiden waren door de Wisła. Zijn kaart is zeer verwarrend in dit gebied, maar de Borusci lijken verder oostwaarts geleefd te hebben dan de Pruisen, namelijk aan de monding van de Wisła.

Vroege geschiedenis[bewerken]

Aan het begin van de Baltische geschiedenis was het gebied van de Oude Pruisen omgeven door de Wisła en de Memel, met een zuidelijkste punt in de omgeving van Toruń, dat Pruisisch was, en de rivier de Narew. De Kasjoeben zaten in het westen, de Polen in het zuiden, de Sudoviërs (die soms als een apart volk, soms als een Pruisische stam beschouwd worden) in het oosten, de Koeren in het noorden en de Litouwers in het noordoosten.

Net als de andere Balten waren de Oude Pruisen georganiseerd in een stammenstructuur. Deze structuur wordt het meest volledig beschreven in de Chronicon terrae Prussiae van Peter van Dusburg, een priester van de Duitse Orde. Dit werk dateert uit 1326, en er worden elf landen en tien stammen in beschreven, die alle vernoemd zijn naar geografische elementen. Deze waren:

  1. Pomesanië (Litouws Pamedė, gereconstrueerde Pruisische naam Pameddi)
  2. Ermland of Warmië (Litouws Varmė, gereconstrueerde Pruisische naam Wārmi)
  3. Pogesanië (Litouws Pagudė, gereconstrueerde Pruisische naam Paguddi)
  4. Natangen (Litouws Notanga)
  5. Samland (Litouws Semba)
  6. Nadrauen (Litouws Nadruva)
  7. Bartië (Litouws, Oudpruisisch Barta)
  8. Schalauen (Litouws Skalva)
  9. Sudauen (Litouws Sūduva, gereconstrueerde Pruisische naam Sūdawa)
  10. Galindië (Litouws, Oudpruisisch Galinda)

Peter van Dusburg vermeldde dat het elfde land, Kulmerland, in het zuidwesten van Pomesanië, nauwelijks bewoond was. Na de Duitse verovering van Pruisen werd het land bijna helemaal verdeeld volgens de grenzen van deze gebieden. Er werd echter een twaalfde land, Sassen, toegevoegd.

Middeleeuwse geschiedenis[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: Duitse Ordensstaat

De eerste historische bron waarin de Oude Pruisen worden vermeld wordt in verband gebracht met Adalbert van Praag, die in 997 gedood werd in een poging de Pruisen tot het christendom te bekeren. In de jaren 1220 zocht hertog Koenraad I van Mazovië externe hulp in het conflict tussen de heidense Pruisen en het katholieke Polen. Hoewel de Pruisen een beroep deden op de Orde van Dobrzyń, werden ze neergeslagen door de Duitse Orde na een bloedig conflict van enkele decennia in de 13e eeuw. Vele overlevende Pruisen vestigden zich in Samland. Verscheidene revoltes, de Pruisische opstanden, met een hoogtepunt in 1286, werden neergeslagen door de Duitse Orde.

Gekerstende Pruisen werden onderwezen door het Aartsbisdom Maagdenburg, terwijl Duitse en Dietse kolonisten het land van de Oude Pruisen bevolkten. Ook Polen en Litouwers vestigden zich respectievelijk in het zuidelijke en oostelijke deel van Pruisen. Een handvol Pruisen bleef in leven, verspreid over heel Pruisen tussen de Duitsers levend. Afhankelijk van het gebied waar ze woonden germaniseerden of poloniseerden ze geleidelijk aan vanaf de 15e eeuw.

De monniken van de Duitse Orde vertoonden later interesse in de taal van de Oude Pruisen, en probeerden haar te documenteren. Daarenboven was de kennis van het Oudpruisisch nodig om de Pruisen te bekeren. Hierdoor zijn er enkele fragmenten van de taal overgebleven, samen met enkele fragmenten van het Galindisch en het Sudovisch. Dit is echter alles wat er overblijft van de schriftelijke neerslag van de West-Baltische talen. Zoals verwacht kan worden is dit een zeer archaïsch Baltisch, dat enkele overeenkomsten vertoont met het Oergermaans. Het Oudpruisisch is tevens een bewijs voor het (vroegere) bestaan van een gemeenschappelijke Balto-Slavische taal.

De Duitse Orde werd geleidelijk aan verslagen door de Pools-Litouwse Unie gedurende de 15e eeuw. In 1525 seculariseerde Albrecht van Brandenburg de Pruisische gebieden van de Orde in het Hertogdom Pruisen, een vazalstaat van Polen. Opnieuw ondernamen de Oude Pruisen een opstand, maar deze werd neergeslagen door de Duitse overheden. Tijdens de reformatie raakte het lutheranisme wijdverspreid over de gebieden, officieel in het Hertogdom Pruisen, maar onofficieel in de Poolse provincie Koninklijk Pruisen; in Ermland, dat direct onder de Poolse Kroon viel, bleef het katholicisme overeind. Door de komst van het protestantisme geraakte de volkstaal in gebruik tijdens kerkdiensten, in plaats van het Latijn. Daarom liet Albert de catechismussen vertalen in het Oudpruisisch.

Doordat de Oude Pruisen geassimileerd werden door de Duitsers, de Polen en de Litouwers was het Oudpruisisch al uitgestorven tegen het einde van de 17e eeuw. Maar vertalingen van de Bijbel, Oudpruisische gedichten en enkele andere teksten overleefden, waardoor onderzoekers de taal hebben kunnen reconstrueren.