Hertogdom Pruisen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Herzogtum Preußen
Prusy Książęce
Vazalstaat van het Pools-Litouws Gemenebest
 Duitse Ordensstaat 1525–1618 Brandenburg-Pruisen 
Flag of Ducal Prussia.svg POL Prusy książęce COA.svg
(Details) (Details)
Kaart
Hertogdom Pruisen (gearceerd), in de 16de eeuw
Hertogdom Pruisen (gearceerd), in de 16de eeuw
Algemene gegevens
Hoofdstad Koningsbergen
Talen Duits, Oudpruisisch
Religie(s) Lutheranisme
Regering
Regeringsvorm Monarchie

Het Hertogdom Pruisen was een hertogdom dat ontstond in 1525 en daarmee de Duitse Orde opvolgde in het oosten van Pruisen. Het was de eerste Lutherse staat met een overwegend Duitstalige bevolking.

Het hertogdom met hoofdstad Koningsbergen (Königsberg) werd door de keurvorsten van Hohenzollern van het Markgraafschap Brandenburg geërfd in 1618. Daarna werd het een personele unie onder de naam Brandenburg-Pruisen totdat het werd verheven naar de status van koninkrijk in 1701.

Tot 1657 bleef het hertogdom Pruisen een autonome vazalstaat van het Pools-Litouwse Gemenebest, totdat de Grote Keurvorst Frederik Willem van Brandenburg in het Verdrag van Wehlau volledige soevereiniteit verkreeg. Dit werd nog eens officieel erkend in het Verdrag van Oliva in 1660.

Geschiedenis[bewerken]

Achtergrond[bewerken]

Het Protestantisme verspreide zich in de 16e eeuw door de voorheen katholieke Pruisische regio van de Duitse-Ordestaat . De protestantse inwoners van het gebied begonnen zich onafhankelijk van de katholieke overheersers te ontwikkelen. De grootmeester van de orde, Albrecht van Brandenburg, had niet genoeg geld om de autonomie van de orde op te heffen.

Nadat de Duitse Orde in de Poolse Teutoonse Oorlog van het Koninkrijk Polen verloor, na de aanstelling van Albrechts persoonlijke bisschop, Georg von Polenz in Pomesanië die zich in 1523 tot het Lutheranisme had bekeerd en een aantal protestantse ridders die hem steunden kreeg Albrecht de kans om aan een oplossing voor het Pruisische probleem.

De oplossing kwam toen Maarten Luther Albrecht hem in 1522 In Wittemberg en in 1524 in Neurenberg aanmoedigde om de Ordestaat te laten seculariseren tot een hertogdom waarvan Albrecht, als grootmeester van de Duitse Orde, de Reformatie te laten overleven.

Uitroeping hertogdom[bewerken]

Pruisische Hommage, schilderij door Jan Matejko (1882). Albert van Pruisen krijgt het hertogdom Pruisen als Heerlijkheid van de Poolse koning Sigismund I

Op 1 maart 1526 huwde Albrecht met prinses Dorothea van Denemarken, de dochter van de Deense koning Frederik I, waardoor er politieke banden kwamen tussen het lutheranisme en Scandinavië. Albrecht kreeg steun van zijn oom Sigismund van het katholieke Polen, terwijl het Heilige Rooms Rijk en de Rooms-katholieke Kerk hem verbannen had omdat hij protestant geworden was. De protestantse bevolking van Pruisen aanvaardde de hulp van de Georg die het protestantisme in het Hertogdom Franken, en Neder-Silezië. Albert vond dat hij tekort steun kreeg van zijn oom Sigismund van het katholieke Polen, het Heilige Roomse Rijk en hij werd verbannen uit de katholieke kerk omdat hij protestant was.

De overgang van de Duitse Orde naar het hertogdom verliep goed. Voor de adel veranderde er weinig, maar de greep van de adel over de boeren nam wel toe. Administratief gezien was het hertogdom een vazalstaat van het Pools-Litouwse Gemenebest maar Hertog Albrecht beschikte wel over een eigen leger, eigen munteenheid en een provinciale regering, bovendien had hij ook een aanzienlijke zeggenschap voor buitenlandse zaken.

Op religieus ebied wist de Duitse Orde de bevolking op het platteland te bekeren er waren weinig kerken gebluwd. Er waren weinig inwoners die terugverlangden naar het katholicisme. Baltische Pruisen en Pruisische Litouwers bleven hun heidense gewoontes trouw. Ze geloofden bijvoorbeeld in Perkūnas, die gesymboliseerd werd door geit. Bisschop George van Polentz verbood in 1524 het aanbidden van heidense goden en herhaalde dit in 1540 met een ban.

Bisschop George had op 18 januari 1524 geëist dat de mis alleen in de landstaal gebruikt mocht worden waardoor de mis voor meer mensen toegankelijk was. Er was weinig weerstand bij de nieuwe gelovigen. Doordat de Duitse Orde het katholieke geloof in het gebied gebracht hadden, was de overgang naar het protestantisme makkelijker.

De kerkekelijke wet van 1525 zorgde ervoor dat er priesters en kerkgangers in het gebied kwamen en deze wet werd uitgevoerd dor bisschop George in 1538 Omdat hertogdom Pruisen een Luthers land was, reisden autoriteiten door het hertogdom om ervoor te zorgen dat de Lutherse dogma’s opgevolgd werden en dat er straffen voor heidenen en dissidenten werden uitgevaardigd. De plattelandsbevolking werd tijdens de Reformatie in Pruisen pas gekerstend.

In 1525 brak er een boerenopstand uit in Samland. Het heffen van belastingen in combinatie met de Reformatie en de secularisatie van de Duitse Orde zorgde voor onrust. De rebellenleiders waaronder een molenaar Kaimen en een kastelein Schaaken,werden gesteund door sympathisanten uit Koningsbergen. Ze eisten een belastingverlaging voor de adel en de terugkeer van de oude belasting van twee mark voor elke Hufe (Pruisische maat van ongeveer een meter). Prins Albrecht ging akkoord om de rebellenleiders te ontmoeten en lokte hen daarmee in de val. Ze werden gearresteerd en later geëxecuteerd.De opstandelingen zeiden dat ze tegen de adel die hen slecht behandelde en niet tegen hertog Albrecht in opstand kwamen. Hij was op reis in het Heilige Roomse rijk en de rebellenleiders wilden Albrecht perrsoonlijk spreken. Hertog Albrecht kwam terug naar Pruisen en hij ging akkoord om de rebellenleiders in het opnbaar te ontmoeten. Hij lokte hen daarmee in de val, omdat hij de rebellenleiders door zijn ridders had omsingeld. De rebellenleiders werden gearresteerd en later geëxecuteerd. Hierna waren er geen grote opstanden meer en Pruisen werd een protestant ladn

In 1544 richtte hertog Albrecht de Universiteit van Koningsberg op en deze universiteit werd bekend als de school waar lutherse pastors en theologen opgeleid werden om in de lutherse kerkorde in Pruisen dienst te doen. Het gebruik van volkstalen bij de dienst maakte het mogelijk dat uit het Heilige Roomse Rijk verbannen lutheraanse pastoors en professoren, zoals Stanislovas Rapolionis en Abraomas Kulvietis, naar de universiteit kwamendie vervolgens een centrum van het lutheranisme werd.

Er kwam na de overgang van de ordestaat naar het hertog niet meer vrijheid voor de boeren. De boeren op het Pruisische platteland werden afhankelijk van de adel. De Pruisische vrije boeren, ook Kölmer naar het Kölmer recht genoemd, kregen maar een zesde van het land in vergelijking met andere gebieden in de feodale tijd. De boerenopstand had de adel bang gemaakt en deze vroegen hertog Albrecht om hulp. De samenstelling van de adel ten opzichte van de boeren was niet veranderd.

De rechtspositie was door de overgang van de ordestaat naar het hertogdom amper veranderd. Albrecht was vazal van de Poolse kroon, maar hij wilde nog steeds een onafhankelijk Pruisen. Dit liet hij zien door een eigen leger op te zetten, een eigen munt te laten slaan, een provinciale Landdag en autonomie op het gebied van buitenlandse zaken.

Gebrek aan erfgenamen[bewerken]

Toen Albert stierf in 1568 erfde zijn zoon Albrecht Frederik het hertogdom. In 1569 werd Albrecht Frederik door koning Sigismund II August van Polen in Lublin tot hertog van Pruisen gekroond. Joachim II werd gekroond als zijn co-regent, omdat Albrecht op dat moment 15 jaar oud was.

Albrecht Frederik voreg op 18 juli 1569 aan koning Sigismund II August of hij van het co-regentschap af kon komen, wat niet gebeurde door de tirannie van zijn bestuurders. Hij werd namelijk omringd door fanatieke orthodoxe lutheranen, waaronder Joachim II Hector van Brandenburg, die in 1539 tot het lutheranisme had bekeerd. Hij vroeg aan Sigismund II August of hij Albert Frederik het hertogdom mee mocht belenen (Mitbelehnung) en Joachim II Hector zette zijn lijn van het huis Hohenzollern voort in het hertogdom Pruisen. Hij probeerde de volledige belening van het gebied van zijn zwager Sigismund II August te verkrijgen. Dit lukte hem, maar hij werd door Albrecht Frederik niet als hertog erkend. Het bestuur van het hertogdom bleef in handen van Albrecht Frederik, maar dat ging door zijn slechte geestesgesteldheid achteruit. Doordat joachim en zijn bestuurders tiranniseerden Albrecht Frederik waardoor hij drie jaar later een zenuwinzinking kreeg. In 1577 werd George Frederik I van Brandenburg-Ansbach regent van Pruisen. Albrecht zelf kreeg geen zonen, enkel dochters

Overgang naar Brandenburg-Pruisen in 1618[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Brandenburg-Pruisen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Omdat Albrecht Frederik geen mannelijke nakomelingen had werd in het Verdrag van Warschau besloten dat zijn schoonzoon Johan Sigismund van Brandenburg hem mocht opvolgen. In 1618 brak de Dertigjarige Oorlog uit en Albrecht Frederik stierf waardoor Johan Sigismund hertog werd. Hij was ook keurvorst van Brandenburg en regeerde in een personele unie met Pruisen dat nu de naam Brandenburg-Pruisen aannam. Een jaar later overleed Johan Sigismund zelf en volgde zijn zoon George Willem hem op. Vele Pruisische jonkheren waren er tegen dat het huis Hohenzollern over Berlijn zou regeren en deden een oproep aan de Poolse koning Sigismund III om het hertogdom Pruisen bij Polen in te lijven, echter zonder succes.

Koning Sigismund III van Polen verleende het regentschap van Pruisen in 1605 door een contract aan Joachim Frederik van Brandenburg, de kleinzoon van Joachim II Hector. In 1611 werd bij het Verdrag van Warschau het mederegentschap van Johan Frederik erkend. Deze twee mederegenten verzekerden het lutherse Pruisen. Hierdoor warden een aantal lutherse kerken, waaronder de Nicolaaskerk in Elbing in 1612, omgebouwd tot katholieke kerken.

Het Pools-Litouwse Gemenebest na de Vrede van Deoelino

██ het Poolse deel

██ het Litouwse deel

██ Hertogdom Lijfland

██ Hertogdom Pruisen, Poolse vazal

██ Hertogdom Koerland en Semgallen, gezamenlijke vazal

Omdat Albrecht Frederik geen mannelijke nakomelingen had, kreeg Joachim Frederik van Brandenburg de zoon van Johan George van Brandenburg, die gehuwd was met Albrecht Frederiks dochter Eleonora van Pruisen, het hertogdom Pruisen. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Johan Sigismund van Brandenburg (1618-1619), uit het huis Hohenzollern uit Brandenburg, die erkend werd als de wettige erfgenaam. Na de dood van Albrecht Frederik in 1618 hertog van Pruisen. Brandenburg en Pruisen waren hiermee definitief in één hand verenigd.

In 1618 brak de Dertigjarige Oorlog uit en Albrecht Frederik stierf waardoor Johan Sigismund hertog werd. Hij nam in 1619 deel aan de oorlog. Hij was ook keurvorst van Brandenburg en regeerde in een personele unie met Pruisen dat nu de naam Brandenburg-Pruisen aannam. Een jaar later overleed Johan Sigismund zelf en volgde zijn zoon George Willem hem op. George Willem investeerde in 1623 succesvol in het hertogdom waardoor de personele unie met Brandenburg bevestigd werd. Vele Pruisische Junkers waren er tegen dat het huis Hohenzollern uit Berlijn over Pruisen zou regeren en deden een oproep aan koning Sigismund III van Polen om het hertogdom Pruisen bij Polen in te lijven, echter zonder succes.

Brandenburg was een vazal van het Heilige Roomse Rijk en het hertogdom Pruisen was een vazal van de Poolse kroon en dit maakte een echte unie over de bestaande grenzen heen onmogelijk maakte. De facto werden Brandenburg en Pruisen steeds meer geregeerd al seen eenheid aangeduid als Brandenburg-Pruisen.

Frederik Willem I van Brandenburg de grote keurvorst was keurvorst van Brandenburg, veroverde Koninklijk Pruisen om een territoriale eenheid te creëren. Tijdens de Tweede Noorse Oorlog viel Karel X Gustaaf van Zweden het hertogdom Pruisen binnen. Bij het verdrag van Königsberg in 1656 werd Pruisen een Zweedse vazal en bij het verdrag van Marienburg in 1656 beloofde Karel X Gustaf dat hij aan Fredereik Willem de woiwodschappen Chelmino, Malbork, Pommeren en het Prinsbisdom Emsland zou overdragen als Frederik Willem hem zou steunen. De overeenkomst was een schijnovereenkomst, want Frederik Willem had militaire steun nodig en de extra gebieden kwamen alleen bij een overwinning van Frederik Willem bij Pruisen. Aan het einde van de oorlog keerde Frederik Willem zich tegen Karel X Gustaaf en bij het Verdrag van Lablau in 1656 verkreeg Frederik Willem de volledige soevereiniteit over het hertogdom Pruisen en het prinsbisdom Ermland.

Koning Jan II Casimir van Polen vertrouwde het Zweeds-Pruisische bondgenootschap niet en hij deed een eigen voorstel dat door Frederik Willem geaccepteerd werd. Op 29 juni 1657 ondertekenden ze het Verdrag van Wehlau. Als tegenprestatie voor het ontbinden van het Zweeds-Pruisische bondgenootschap erkende Johan Casimir de volledige soevereiniteit van Frederik Willem over het hertogdom Pruisen. Hiermee kwam een einde aan 200 jarige Poolse suzereiniteit over de Duitse ordestaat en zijn opvolger het hertogdom Pruisen en kreeg het gebied haar volledige soevereiniteit terug. De volledige soevereiniteit was een vereiste om de status van het hertogdom Pruisen te laten verhogen tot het Koninkrijk Pruisen.

Koninkrijk in 1701 en opheffing[bewerken]

De volledige soevereiniteit gaf keurvorst Frederik III van Brandenburg om in 1701 koning in Pruisen te worden zonder Keizer Leopold I voor de voeten te lopen. De regering bestuurde de facto Brandenburg en Pruisen vanuit Berlijn, de hoofdstad van Mark Brandenburg. De bestuurders kregen de hoogste adellijke titels die in het bestuur van Pruisen aanwezig waren. Een jaar na dat annexatie van Koninklijk Pruisen in 1772, werden de Pruisische gebieden ingedeeld in provincies. Het gebied van het hertogdom Pruisen en het prinsbisdom Ermland werden hervormd tot de provincie Oost-Pruisen en het gebied van koninklijk Pruisen werd hervormd tot de provincie West-Pruisen. Door de opdeling van het Pruisische gebied in de provincies Oost en West-Pruisen werd het koninkrijk Pruisen een soevereine staat en werd de status van hertogdom de jura opgeheven. Brandenburg bleef een vazal van het Heilige Roomse Rijk en werd wettelijk pas na de opheffing van het rijk in 1806 samengevoegd met Pruisen.