Hertogdom Pommeren
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
|
||||
|
||||
| Kaart | ||||
| Algemene gegevens | ||||
| Hoofdstad | Stettin | |||
| Talen | Duits, Pools, Kasjoebisch | |||
| Religie(s) | lutheranisme | |||
| Regering | ||||
| Regeringsvorm | hertogdom | |||
| Staatshoofd | Hertog | |||
Pommeren (Pools: Księstwo Pomorskie) was een tot de Opper-Saksische Kreits behorend hertogdom binnen het Heilige Roomse Rijk
Op 21 januari 1466 werd een erfverdrag gesloten met Brandenburg, waardoor na het uitsterven van de dynastie de keurvorsten van Brandenburg in het hertogdom zouden opvolgen (1637).
[bewerk] Pommeren van 1478 tot 1618
In 1478 waren alle gebieden van Pommeren weer herenigd onder hertog Bogislaw X. Hij was de belangrijkste hertog in de Pommerse geschiedenis. In 1493 werd het land bevrijd van de leenhuldiging aan het keurvorstendom Brandeburg, waardoor het hertogdom totaal Reichsunmittelbar werd. In 1530 beleende de keizer de beide hertogen met Pommeren als rijksleen. Zij voerden in 1534 de reformatie in.
De eenheid duurde niet lang, want na de dood van Bogislaw X in 1523 deelden zijn nakomelingen in 1541 het gebied.
- Philips I (zoon van Georg I) kreeg Wolgast (Voor-Pommeren)
- Barnim IX (broer van Georg I) kreeg Stettin (Achter-Pommeren)
In tegenstelling met de vroegere delingen was dit geen deling in een noordelijk en een zuidelijk deel, maar in een oostelijk en een westelijk deel.
Barnim IX deed in 1569 afstand van zijn hertogdom, waarna de vier zoons van de in 1560 overleden hertog Philips I een nieuwe deling uitvoerden:
- Johan Frederik kreeg Stettin (uitgestorven in 1600)
- Bogislaw XIII kreeg Barth (uitgestorven in 1637)
- Ernst Lodewijk kreeg Wolgast (uitgestorven in 1625)
- Barnim X kreeg Rügenwalde (uitgestorven in 1603)
Na het uitsterven van Pommeren-Stettin in 1600, werd dit gebied eerst verenigd met Pommeren-Rügenwalde. Na het uitsterven van Rügenwalde in 1603 kwam Stettin aan Pommeren-Barth. Na het uitsterven van Pommeren-Wolgast in 1625 was het hele gebied weer herenigd onder Bogislav XIV. Op verzoek van de standen bleef er een apart bestuur voor Pommeren-Wolgast bestaan.
[bewerk] Pommeren van 1618 tot 1815
Tijdens de Dertigjarige Oorlog moest de lutherse hertog zich in 1627 overgeven aan de roomse keizer. Deze beleende vervolgens in 1629 zijn veldheer Wallenstein met het hertogdom. De Zweedse koning, beschermheer van de lutherse partij in deze godsdienstoorlog, landde met zijn leger in 1630 in Pommeren, en verdreef er de keizerlijke troepen zodat de hertog kon terugkeren. Nadat hertog Bogislaw XIV een beroerte had gekregen, werd er een regentschap van negen personen gevormd om de regering na het overlijden van de hertog over te nemen. Op 10 maart 1637 overleed de hertog als laatste van de dynastie. De raad nam de regering over, maar trad al in 1638 af omdat zij niet in staat was iets te betekenen te midden van de oorlogshandelingen. De keizer had inmiddels in 1635 de keurvorst van Brandenburg met het hertogdom beleend, maar door de Zweedse bezetting kon ook hij geen regeringsmacht uitoefenen. De strijd om Pommeren kreeg Europese dimensies en uiteindelijk waren Nederland, Frankrijk, Denemarken en Polen bij de kwestie betrokken.
In artikel 10 van de Vrede van Osnabrück van 1648 werd het inmiddels zwaar geteisterde - de helft van de bevolking was in de oorlog omgekomen - hertogdom verdeeld.
- In paragraaf 2 werden aan Zweden toegekend:
- Voor-Pommeren binnen de grenzen zoals deze golden onder de laatste hertog.
- Van Achter-Pommeren: de plaatsen Stettin (Szczecin, in het vervolg worden de na 1945 in het door Polen geannexeerde deel van Pommeren ingevoerde Poolse benamingen tussen haken toegevoegd), Garz, Damm (Dabie), Gollnow (Goleniow) en het eiland Wollin (Wolin) inclusief de Stettiner Haf (Zalew Szczecinski) en de drie mondingen van de Peene, de Swine en de Dievenow.
- In paragraaf 3 werd vastgelegd dat deze delen van het hertogdom Pommeren en het vorstendom Rügen voor altijd als (Duits) rijksleen aan de koning van Zweden zullen behoren.
- In paragraaf 5 deed Brandenburg afstand van zijn rechten in het Zweedse deel van Pommeren.
- In artikel 11 paragraaf 1 kreeg Brandenburg als vergoeding voor het verlies van het betreffende deel van Pommeren het hertogdom Maagdenburg en het vorstendom Halberstadt toegewezen.
Verder was er in 1637 een klein deel van Pommeren in het uiterste oosten aan Polen gekomen, namelijk het gebied rondom de steden Lauenburg (Lebork) en Bütow (Bytów). Daarbij werd de autonomie in zoverre gegarandeerd dat de bevolking luthers mocht blijven.
Met de bijzetting van de laatste hertog in 1654 (17 jaar na zijn dood!) werd de zelfstandigheid van het land ook symbolisch beëindigd.
Brandenburg wist, gebruik makend van de Zweeds-Poolse successieoorlog, in 1657 Lauenburg en Bütow weer met Pommeren te herenigen. Verder slaagde Brandenburg het stadje Draheim (Drawsko Pomorskie) en omgeving van Polen te panden.
In de oorlog die in 1672 tussen Frankrijk en Nederland uitbrak, stond Zweden aan de Franse kant en Brandenburg aan de Nederlandse. Brandenburg wist heel Zweeds-Pommeren te veroveren, maar moest het grotendeels ontruimen na de Vrede van St. Germain van 1679. Allen het Zweedse gebied op de oostelijke oever van de Oder (maar zonder Damm (Dabie) en Gollnow (Goleniow) kwamen nu aan Brandenburg.
De Noordse Oorlog van Polen, Rusland en Denemarken tegen Zweden was een volgende kans voor Brandenburg om zijn aandeel te vergroten. In de Vrede van Stockholm van 1719 kreeg Brandenburg het Zweedse deel van Voor-Pommeren tot aan de Peene tegen betaling van 2 miljoen daalders. Tot deze uitbreiding behoorden ook de eilanden Wollin en Usedom en de stad Stettin. Het Brandenburgse bestuur verhuisde naar Stettin en het Zweedse bestuur naar Stralsund en Greifswald.
In 1814 sloten Zweden en Denemarken de vrede van Kiel. Hierin werd afgesproken dat Denemarken zijn koninkrijk Noorwegen aan Zweden zou afstaan in ruil voor Zweeds-Pommeren. Zowel de Noorse als de Pommerse standen maakten hiertegen bezwaar. Op het Congres van Wenen van 1815 werd uiteindelijk geregeld dat Denemarken afzag van Pommeren. Zweden kreeg daartegenover als schadeloosstelling een bedrag van 3,5 miljoen daalders en zo kon Pommeren herenigd worden als provincie binnen het koninkrijk Pruisen.

