Nederduits

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederduits is een aantal in het noorden van Duitsland gesproken West-Germaanse dialecten die niet hebben deelgenomen aan de Hoogduitse klankverschuiving. In de dialecten zelf wordt het Nederduits Plattdüütsch of eenvoudig Platt genoemd. Tot het Nederduits worden onder meer volgende (deel)dialecten gerekend: het Noord-Nedersaksisch (inclusief het Oost-Fries en Sleeswijk-Holsteins), het Westfaals, het Oostfaals en het Oostnederduits.

De benaming Nederfrankisch wordt gebruikt voor een aantal ten westen van het Nederduitse taalgebied gesproken taalvariëteiten die in het algemeen als Nederlands of daarmee zeer verwant worden beschouwd. Door sommige (met name vroegere) Duitse taalkundigen echter worden de Nederfrankische taalvariëteiten ook "Nederduits" genoemd. Deze visie is thans verouderd, onder meer omdat zij voorbijgaat aan het feit dat het Standaardnederlands voor de meeste Nederfrankische dialecten de cultuurtaal en daktaal is. (Zie hieronder bij Het begrip Nederduits.)

Geografische spreiding[bewerken]

Verspreiding van de Nederduitse dialecten (weergegeven in helder geel) vóór 1945

De verzamelnaam Nederduits verwijst naar een tweetal dialectgroepen, die ruwweg met westelijk en oostelijk aan te duiden zijn:

Als gemeenschappelijke voorloper is het Oudsaksisch geattesteerd vanaf de 9e eeuw (Heliand). Sinds de reformatie won echter het Hoogduits meer terrein. De aanduiding Nederduits is in de late 19e eeuw voor de in Nederland en Vlaanderen gesproken variëteiten in onbruik geraakt.

Tegenwoordige verspreidingsgebied van de typologisch Nederlandse (in roodachtige tinten) en de Nederduitse dialecten (geel- en bruinachtig)

Het begrip daktaal[bewerken]

De Nederfrankische dialecten worden door sommigen tegenwoordig niet meer tot het Nederduits gerekend,[bron?] omdat de moderne taalwetenschap een andere voorstelling heeft van de indeling van de Germaanse talen. Bijgevolg behoren de Nederfrankische dialecten die in Duitsland aan de Nederrijn worden gesproken typologisch gezien tot de Nederlandse dialecten. Deze taalkundige indeling wordt echter doorkruist door de staatkundige en daarmee in belangrijke mate ook de socio-culturele realiteit. Daarom houden veel taalwetenschappers nu rekening met de standaardtaal door welke een dialect wordt overkoepeld. Als deze evenzeer een verwante taal ofwel daktaal is, kunnen op grond van dit aanvullend criterium de Nederfrankische dialecten die in Duitsland aan de Nederrijn worden gesproken toch tot de Duitse dialecten worden gerekend, zij het niet tot het Nederduits. Op overeenkomstige wijze worden de in Nederland gesproken Nedersaksische dialecten ook tot de Nederlandse dialecten gerekend, ofschoon ze typologisch gezien tot de Nederduitse dialecten behoren. Het is zo duidelijk dat bij dergelijke verwante talen typologie en taalsociologie tot verschillende uitkomsten kunnen leiden. De typologie boort diepere lagen aan dan de alledaagse realiteit.

Diets en Nederduits[bewerken]

De betwijfelde woorden Diets en Duits gaan terug op het Middelnederlandse dietsc naast duutsc ‘Nederlands, (Neder-)Duits’, streeksynoniemen, afleiding van diet ‘volk, lieden’ (vgl. Oudsaksisch þiudisk, Oudengels þēodisc), en deze naam werd al door de Franken gebruikt als aanduiding van de Germaanse volkstaal (in 786 gelatiniseerde theodiscus) in tegenstelling tot het Latijn van de kerk (of de Romaanse dialecten die daaruit ontstaan waren - wahlisc). Het onderscheid Nederlands en (Neder-)Duits werd in vroeger eeuwen nog niet zo scherp gemaakt. Zie ook: Nederlands (naam). Illustratief is, dat de Nederlandse Hervormde Kerk tot 1816 nog officieel Nederduitse Gereformeerde Kerk heette en in Zuid-Afrika is er nog steeds een kerk met die naam.

Nog meer dan het Hoogduits lijkt de woordenschat van het Nederduits op die van het Nederlands. Nederlandstaligen kunnen met relatief weinig moeite Nederduits verstaan en andersom.

Het begrip Nederduits[bewerken]

Het begrip Nederduits werd als eerste beschreven door taalkundigen. Deze ontdekten dat dialecten in het noorden van het hedendaagse Duitsland verschilden van die in het zuiden. Later ontdekten zij ook overeenkomsten met het Nederlands en met Nedersaksische dialecten in Noord-Duitsland. Het Nederlands werd vervolgens ingedeeld bij het Nederduits, dat toen als de voorouder van het Nedersaksisch en het Nederlands werd gezien. Heden is het taalkundige beeld erg veranderd. Er wordt nu aangenomen dat Nederlands en Nederduits geen gemeenschappelijke voorouder hebben gehad, behalve het Oergermaans.[bron?] Nederduits betekent nu vooral hetzelfde als Noord-Duits.

De begrippen Nederduits en Platduits als benaming voor hedendaagse variëteiten kennen dus nogal uiteenlopende betekenissen:

  1. Noemer voor alle West-Germaanse variëteiten die niet hebben deelgenomen aan de Hoogduitse klankverschuiving en ook niet behoren tot het Nederfrankisch of Anglo-Fries. Dit is het thans gangbare gebruik.
  2. Als bredere noemer voor de hele nauw verwante continentaal West-Germaanse taalfamilie waarbinnen de Hoogduitse klankverschuiving niet heeft gewerkt, en die ook niet behoort tot het Anglo-fries. Deze opvatting sluit alle Nederfrankische variëteiten in, en dus ook het Nederlands.
  3. De term "Platt" in de omgangstaal heeft betrekking zowel op het Nederduits als op alle andere non-standaard variëteiten van het Duits. Deze term is taalkundig dan ook niet correct.

Bovendien zorgt de staatsgrens tussen Nederland en Duitsland met betrekking tot het dialectcontinuüm voor terminologische verwarring. De Belgische taalwetenschapper Jan Goossens telde zo'n tien verschillende betekenissen.[1] De verschillen hebben vooral betrekking op de oost-westdimensie van het taalgebied.

  • Volgens sommige taalwetenschappers slaat het begrip Nederduits uitsluitend op de talen of dialecten van Noord-Duitsland, vandaar dat Nedersaksisch als alternatief wordt gebruikt.
  • Volgens anderen slaat het op het noordoosten van Nederland en op het noorden van Duitsland.
  • Weer anderen noemen zo de talen en dialecten van het noorden van Duitsland en van het volledige Nederlandse taalgebied (Nederduits in ruimere betekenis).[1]

Ook voor de zuidelijke grens van het Nederduits bestaan er verschillende definities: De verschillende taalwetenschappers noemen de Uerdinger linie, de Benrather linie, de Eifel-linie of een linie die verder in het Zuiden verloopt (Hunsrück-linie of Spierse linie / Mainlinie).[1]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Rijnlandse waaier

Sommige van de betekenissen die Goossens noemt zijn echter verouderd en worden in de moderne taalwetenschappelijke literatuur nauwelijks nog gebruikt. Daarbij horen de definities van het begrip Nederduits die de Nederfrankische dialecten insluiten[2].

Nuvola single chevron right.svg Zie ook het artikel Plautdietsch voor de vorm van Nederduits die door de mennonieten werd meegenomen naar Rusland en Zuid-Amerika.


Wikipedia-logo-v2.svg Zie de Nederduitse uitgave van Wikipedia.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c Jan Goossens, "Niederdeutsche Sprache - Versuch einer Definition"; in: "Niederdeutsch - Sprache und Literatur", red. Jan Goossens, Band 1 - Sprache, Neumünster 1973, p. 9-27
  2. Dieter Stellmacher, "Niederdeutsche Sprache", zweite Auflage, Berlin 2000, ISBN 3-89693-326-4; p. 112/113