Nederduits

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Oude en nieuwe betekenissen[bewerken]

schrijftalen[bewerken]

Nederduits (in toenmalige spelling Nederduytsch) was tot de 19de eeuw de gangbare aanduiding voor Nederlands. Met anderen richtte de literator Bredero in Amsterdam de rederijkerskamer ‘Nederduytsche Academie’ op en beoefende Joost van den Vondel naar eigen zeggen de ‘Nederduytsche Dichtkunste’. Ook in de zuidelijke Nederlanden (Vlaanderen) werd 'Nederduytsch' de term om de Nederlandse schrijftaal mee aan te duiden. Weliswaar kwam de naam 'Nederland' ook al in de 16de eeuw voor, eerst als de aanduiding voor het geheel van de zuidelijke en noordelijke Nederlanden en later vooral als aanduiding van het grondgebied van de Republiek der Verenigde Nederlanden, en maar zelden voor de op dat grondgebied gebruikte taal. Die taal werd Nederduytsch of kortweg Duytsch genoemd en waarschijnlijk hebben de Engelsen die betiteling in hun ‘Dutch’ overgenomen. Nederlands werd pas algemeen in de 19de eeuw als naam voor de taal en ook als naam van de ’Nederduitsche Gereformeerde Kerk’, die in 1816 veranderde in ‘Nederlandse Hervormde Kerk’. In Zuid-Afrika bleef de oude kerknaam in gebruik tot op heden. In de zuidelijke Nederlanden (België) werd in de 19de eeuw gekozen voor 'Vlaams' als aanduiding voor de daar gebruikte Nederlandse schrijftaal, die zich vooral in een oudere spellingsvorm van het noordelijke Nederlands onderscheidde, maar ook daar zou in de 20ste eeuw 'Nederlands' definitief de geëigende term gaan worden.

streektalen[bewerken]

Naast de oude aanduiding Nederduits voor Nederlands verwijst de moderne verzamelnaam Nederduits naar een tweetal groepen streektalen, gebruikt om dialecten mee aan te geven die in het oosten van Nederland en het noorden van Duitsland gesproken worden of werden.

Nederduits is dan een aantal in het noorden van Duitsland en het noorden en oosten van Nederland gesproken West-Germaanse dialecten die niet hebben deelgenomen aan de Hoogduitse klankverschuivingen welke zich tussen de 8ste en de 11de eeuw voltrokken. Deze taalvernieuwingen, op basis waarvan het Hoogduits zich vestigde, kwamen uit het zuiden van Duitsland en de Alpenlanden en werden uiteindelijk tot stilstand gebracht op de zogenaamde Benrather Linie. Ten noorden daarvan worden de dialecten Nederduits Plattdüütsch of eenvoudig Platt genoemd. Tot het Nederduits worden onder meer volgende (deel)dialecten gerekend: het Noord-Nedersaksisch (inclusief het Oost-Fries en Sleeswijk-Holsteins), het Westfaals, het Oostfaals en het geografisch wijd naar het oosten verbreidde Oostnederduits.

In de tijd van de Hanze was dit Nederduits ook tot ver in het Baltische gebied (Estland en Letland) te horen (zie daarvoor ook Baltische Duitsers).

Als gemeenschappelijke voorloper is het Oudsaksisch op schrift gesteld vanaf de 9e eeuw (als eerste en voornaamste geldt de Heliandtekst). De Hanzesteden hanteerden als hun schrijftaal in verschillende varianten een Nederduitse standaardtaal die in de 15de en 16de eeuw ook in Skandinavië werd gebruikt. Veel schriftelijke bronnen uit het commerciële en juridische verkeer tussen de Hanzesteden zijn in het Nederduits verwoord. Er is niettemin geen blijvende standaardtaal uit ontstaan en vooral na de 16de eeuw is de rol gaan domineren van het Hoogduits enerzijds en anderzijds het Standaardnederlands, dat tot in moderne tijd verwarrend nog lang Nederduits werd genoemd. Sinds de 16de eeuw won het Hoogduits in het Nederduitse taalgebied steeds meer terrein ondanks dat de lutherse Bijbel ook het het Nederduits werd vertaald en gebruikt. Zoals boven aangegeven is de aanduiding Nederduits in de late 19e eeuw voor de in Nederland en Vlaanderen gesproken variëteiten in onbruik geraakt.

De benaming Nederfrankisch wordt gebruikt voor een aantal ten westen van het Nederduitse taalgebied gesproken taalvariëteiten die in het algemeen als Nederlands of daarmee zeer verwant worden beschouwd. Historisch kunnen deze dialecten ook Nederduits worden genoemd en dat deden tot in recente tijden (met name vroegere) Duitse taalkundigen en vooral ook politici die in een hun nationale programma een eenheid tussen Duitsland, Nederland en Vlaanderen zagen. Deze benaming is thans verouderd, onder meer omdat zij voorbijgaat aan het feit dat het Standaardnederlands voor de meeste Nederfrankische dialecten de cultuurtaal en daktaal is. (Zie hieronder bij Het begrip Nederduits.) Overigens zouden de Nedersaksische dialecten in het oosten van Nederland om diezelfde daktaal-reden dan ook 'Nederlandse dialecten' genoemd moeten gaan worden. Dat gebeurt echter dan weer niet en hierin weerspiegelen zich taalpolitieke belangen. Als 'Nedersaksisch' of nog ruimer als 'Nederduits' krijgen deze dialecten meer taalstatus, die zij willen bevestigen in het Europees handvest voor regionale en minderheidstalen.

Geografische spreiding[bewerken]

Tegenwoordige verspreidingsgebied van de typologisch Nederlandse (in roodachtige tinten) en de Nederduitse dialecten (geel- en bruinachtig)

De verzamelnaam Nederduits verwijst naar een tweetal dialectgroepen, die ruwweg met westelijk en oostelijk aan te duiden zijn:

Het begrip daktaal[bewerken]

De Nederfrankische dialecten worden door sommigen tegenwoordig niet meer tot het Nederduits gerekend,[bron?] omdat de moderne taalwetenschap een andere voorstelling heeft van de indeling van de Germaanse talen. Bijgevolg behoren de Nederfrankische dialecten die in Duitsland aan de Nederrijn worden gesproken typologisch gezien tot de Nederlandse dialecten. Deze taalkundige indeling wordt echter doorkruist door de staatkundige en daarmee in belangrijke mate ook de socio-culturele realiteit. Daarom houden veel taalwetenschappers nu rekening met de standaardtaal door welke een dialect wordt overkoepeld. Als deze evenzeer een verwante taal ofwel daktaal is, kunnen op grond van dit aanvullend criterium de Nederfrankische dialecten die in Duitsland aan de Nederrijn worden gesproken toch tot de Duitse dialecten worden gerekend, zij het niet tot het Nederduits. Op overeenkomstige wijze worden de in Nederland gesproken Nedersaksische dialecten ook tot de Nederlandse dialecten gerekend, ofschoon ze typologisch gezien tot de Nederduitse dialecten behoren. Het is zo duidelijk dat bij dergelijke verwante talen typologie en taalsociologie tot verschillende uitkomsten kunnen leiden. De typologie boort diepere lagen aan dan de alledaagse realiteit.

Diets en Nederduits[bewerken]

De betwijfelde woorden Diets en Duits gaan terug op het Middelnederlandse dietsc naast duutsc ‘Nederlands, (Neder-)Duits’, streeksynoniemen, afleiding van diet ‘volk, lieden’ (vgl. Oudsaksisch þiudisk, Oudengels þēodisc), en deze naam werd al door de Franken gebruikt als aanduiding van de Germaanse volkstaal (in 786 gelatiniseerde theodiscus) in tegenstelling tot het Latijn van de kerk (of de Romaanse dialecten die daaruit ontstaan waren - wahlisc). Het onderscheid Nederlands en (Neder-)Duits werd in vroeger eeuwen nog niet zo scherp gemaakt. Zie ook: Nederlands (naam). Illustratief is, dat de Nederlandse Hervormde Kerk tot 1816 nog officieel Nederduitse Gereformeerde Kerk heette en in Zuid-Afrika is er nog steeds een kerk met die naam.

Nog meer dan het Hoogduits lijkt de woordenschat van het Nederduits op die van het Nederlands. Nederlandstaligen kunnen met relatieve moeite Nederduits verstaan en andersom. Deze moeite is voor de sprekers van het Nedersaksisch aanzienlijk geringer.

Het begrip Nederduits[bewerken]

Het begrip Nederduits werd als eerste beschreven door taalkundigen die het verschil wilden benoemen tussen dialecten in het noorden van het hedendaagse Duitsland tegenoer die in zuidelijker streken, die de overkoepelende benamingen Middenduits en Opperduits kregen. Er bestonden evidente overeenkomsten tussen dialecten in Nederland en België en noordelijk Duitsland. Het Nederlands werd vervolgens ingedeeld bij een Nederduitse oertaal die toen als de voorouder van het Nedersaksisch en het Nederlands werd gezien. Heden is het taalkundige beeld herzien en wordt aangenomen dat Nederlands en Nederduits als gemeenschappelijke voorouder dezelfde uit het Oergermaans ontwikkelde West-Germaanse variant hebben. Als wetenschappelijke term is hiervoor ook wel Istvaeoons (Rijn-Wezer-Germaans) in gebruik.

De begrippen Nederduits en Platduits als benaming voor hedendaagse variëteiten kennen dus nogal uiteenlopende betekenissen:

  1. Noemer voor alle West-Germaanse variëteiten die niet hebben deelgenomen aan de Hoogduitse klankverschuiving en ook niet behoren tot het Nederfrankisch of Anglo-Fries. Dit is het thans gangbare gebruik dat Nederduits in wezen beperkt tot Nedersaksisch.
  2. Als bredere noemer voor de hele nauw verwante continentaal West-Germaanse taalfamilie waarbinnen de Hoogduitse klankverschuiving niet heeft gewerkt, en die ook niet behoort tot het Anglo-fries. Deze opvatting sluit, naast de Nedersaksische, ook alle Nederfrankische variëteiten wel in, en daarmee als consequentie dus ook het Nederlands als cultuur- en standaardtaal.
  3. De term "Platt" in Duitsland heeft betrekking zowel op het Nederduits als op alle andere non-standaard variëteiten van het Duits. Deze term is weliswaar algemeen gangbaar maar taalkundig niet correct omdat zij een sociaal en geen consistent taalgeheel aangeeft.

Bovendien zorgt de staatsgrens tussen Nederland en Duitsland met betrekking tot het dialectcontinuüm voor terminologische verwarring. De Belgische taalwetenschapper Jan Goossens telde zo'n tien verschillende betekenissen.[1] De verschillen hebben vooral betrekking op de oost-westdimensie van het taalgebied.

  • Volgens sommige taalwetenschappers slaat het begrip Nederduits uitsluitend op de talen of dialecten van Noord-Duitsland, vandaar dat Nedersaksisch als alternatief wordt gebruikt.
  • Volgens anderen slaat Nedersaksisch toch ook op de streektalen in het noordoosten van Nederland, naast op die in het noorden van Duitsland.
  • Weer anderen noemen zo de talen en dialecten van het noorden van Duitsland en van het volledige Nederlandse taalgebied (Nederduits in de ruimste betekenis).[1]

Voor de zuidelijke grens van het Nederduits bestaan er verschillende definities maar de die variëteit aan grenzen loopt alleen in het westen en dan met name in het Rijnland en aansluitend in Limburg als een waaier uiteen. Deze uitwaaiering laat zien dat verschillende kenmerken van het Nederduits, elk voor zich, over langere tijd vanuit het zuiden zijn 'opgerold' door taalvernieuwingen die samenhangen met kenmerken die het Hoogduits zouden gaan bepalen. Hoe zuidelijker men in het Rijnland komt, deste 'Hoogduitser' de oorspronkelijke taal werd. Hoe noordelijker men afdaalde deste 'Nederduitser' de oorspronkelijke taal kon blijven. Dit dynamische proces is uiteindelijk in een geografische waaier van kenmerken gestold. Oostelijker ondergaat die grenswaaier een sterke bundeling en kan van een geografische scheiding tussen Neder- en Hoogduits (of exacter: Middenduits) worden gesproken: De verschillende taalwetenschappers geven in de westelijke waaier bepalende grenslijnen aan met de Panninger linie, de Uerdinger linie, de Benrather linie, de Eifel-linie of een linie die nog verder in het Zuiden verloopt zoals de (Hunsrück-linie of Spierse linie / Mainlinie).[1]

1rightarrow blue.svg Zie ook het artikel Nederlands in Duitsland voor de historische rol van de Nederlandse standaardtaal in Duitsland
1rightarrow blue.svg Zie ook het artikel Plautdietsch voor de vorm van Nederduits die door de mennonieten werd meegenomen naar Rusland en Zuid-Amerika
1rightarrow blue.svg Zie ook het artikel Nederlandse invloed op het Nederduits voor de beïnvloeding van de Nederduitse dialecten door het Standaardnederlands


Sommige van de betekenissen die Goossens noemt zijn echter verouderd en worden in de moderne taalwetenschappelijke literatuur nauwelijks nog gebruikt. Daarbij horen de definities van het begrip Nederduits die de Nederfrankische dialecten insluiten[2].


Wikipedia-logo-v2.svg Zie de Nederduitse uitgave van Wikipedia.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c Jan Goossens, "Niederdeutsche Sprache - Versuch einer Definition"; in: "Niederdeutsch - Sprache und Literatur", red. Jan Goossens, Band 1 - Sprache, Neumünster 1973, p. 9-27
  2. Dieter Stellmacher, "Niederdeutsche Sprache", zweite Auflage, Berlin 2000, ISBN 3-89693-326-4; p. 112/113