Dode taal
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Dode talen zijn - in tegenstelling tot levende talen - talen die niet meer in het dagelijks leven als voertaal gebruikt worden. Over de vraag of een taal een dode taal is, kan men van mening verschillen, men zou bijvoorbeeld kunnen stellen dat het Latijn voortleeft in de liturgie of in moderne Romaanse talen zoals het Italiaans.
Deze talen worden wel nog onderwezen in het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs, maar vaak ligt de nadruk daar op het vertalen van teksten die geschreven zijn in de dode taal, en niet zozeer op het kunnen spreken ervan. Bijvoorbeeld staat in België het kunnen vertalen van Nederlands naar Latijn niet meer in de eindtermen van een richting Latijn uit het middelbaar onderwijs.
Sommige dode talen worden kunstmatig weer tot leven gewekt, bijvoorbeeld het Cornish. Ook het Hebreeuws is lange tijd niet meer als voertaal in het dagelijks leven gebruikt, zodat het feitelijk ook een dode taal was.
Er bestaan echter onder taalkundigen twijfels of het überhaupt mogelijk is, een dode taal terug op te wekken. Vooral in gevallen waarin tussen de dood van de laatste spreker en de eerste reanimatiepogingen meerdere jaren of zelfs eeuwen liggen, is het onwaarschijnlijk dat de oorspronkelijke accenten, intonaties en idiomatische bijzonderheden dezelfde zijn als in de oude, uitgestorven taal. Het argument is dat hier in feite, op basis van de oude bronnen, een nieuwe taal wordt gecreëerd. David Crystal beweert dat een taal uitsterft, zodra er nog één spreker overblijft; taal is immers een communicatieproces, en bestaat slechts in zoverre twee mensen ze gebruiken om met elkaar te communiceren. Een dode taal blijft in die zin voor altijd dood; mensen die zich een oude taal eigen maken, leren in feite in een vreemde taal met elkaar spreken, die nooit meer de oude taal als dusdanig kan zijn.
Voorbeelden zijn:
Voor een overzicht van artikelen over dode talen, zie Categorie dode taal.
[bewerk] Zie ook
| Bronnen, noten en/of referenties: |
|

