Silezië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Dit artikel gaat over de historische regio Silezië. Zie Silezië (woiwodschap) voor het Poolse woiwodschap en Silezië (provincie) voor de Pruisische provincie.
Silezië in de huidige landsgrenzen (rood). Geel de grenzen in 1871, blauw die van 1763.
Wrocław (Breslau), de grootste stad en de hoofdstad van Silezië
Katowice (Kattowitz) - Altus

Silezië (Latijn: Silesia, Silezisch Duits: Schläsing, Silezisch-Slavisch: Ślůnsk; Pools: Śląsk; Duits: Schlesien; Tsjechisch: Slezsko) is een historische regio in Midden-Europa die zich uitstrekt aan weerszijden van de midden- en bovenloop van de Oder. Ze is te verdelen in Neder-Silezië met de hoofdstad Wrocław (Breslau), en Opper-Silezië, dat rijk is aan delfstoffen en waarin een van de grootste industriegebieden van Europa ligt. Het gebied wisselde in de loop der eeuwen verschillende malen van staatkundig gezag. Het behoorde vanaf 900 afwisselend tot Bohemen (Tsjechië) en Polen, maar kwam onder toenemende invloed van het Heilige Roomse Rijk waarvan het in 1236 deel ging uitmaken. Eerst onder gezag van het koninkrijk Bohemen, en nadat het Boheemse koningschap was overgegaan op het Habsburgse Huis kwamen Silezië, Bohemen en Oostenrijk in 1526 onder dezelfde Habsburgse vorsten, die sindsdien tegelijk ook keizer van het Duitse (zogezegd Heilige Roomse) Rijk waren. In 1742 veroverde Pruisen Silezië grotendeels - een klein deel bleef Oostenrijks: de hertogdommen Teschen en Bielitz. Sindsdien was Silezië een provincie van het Koninkrijk Pruisen, en na de Duitse staatkundige eenwording in 1870 een provincie binnen het Duitse keizerrijk. Sinds 1945 behoort de regio, na 700 jaar staatkundig tot het Duitse Rijk te hebben behoord, tot het huidige Polen. Kleine delen zijn bij Duitsland en Tsjechië gebleven (respectievelijk de Niederschlesischer Oberlausitzkreis en Tsjechisch (vroeger Oostenrijks-) Silezië.

Geschiedenis[bewerken]

Middeleeuwen[bewerken]

Silezië dankt mogelijk zijn naam aan de Oost-Germaanse stam der Silingen, die zich aan het begin van de 1e eeuw n.Chr. aan weerszijden van Oder en zuidwaarts tot aan het Reuzengebergte vestigde. Zij trokken in de 5e eeuw tijdens de Grote Volksverhuizingen verder naar het westen, waarna de regio werd gekoloniseerd door West-Slavische stammen, waaronder de Ślężanen, die ook wel als naamgevers worden aangewezen door Poolse historici.

In de tiende eeuw betwistten de Poolse Piasten en de Boheemse (Tsjechische) Přemysliden elkaar het gebied. De strijd werd in 990 beslist in het voordeel van de Poolse prins (Piast) Mieszko I. Deze stichtte daarna ook in 1000 het bisdom Wratislaw (Latijn: Vratislavia, Duits: Breslau). Kort kwam Silezië weer onder Bohemen maar Polen herkreeg zijn greep op het land en in 1138 verenigde de koning de verschillende Silezische vorstendommen onder één hertog, zijn oudste zoon Władisław. Diens alleenrecht werd betwist door zijn broers en dat leidde ertoe dat hun nakomelingen toenadering zochten tot de Duitse keizer en in 1136 hun leenmanschap aan de Poolse koning opzegden en de Rooms-Duitse keizer als leenheer aanzochten in 1147. Silezië werd nu een samenhangend geheel van Piastische hertogdommen binnen de machts- en invloedssfeer van het Heilige Roomse Rijk.

Rond 1220 wierf hertog Hendrik I mijnwerkers uit westelijkere mijnbouwgebieden: Saksen en Thüringen. Zij bevolkten de nederzettingen Goldberg (Złotoryja) en Löwenberg (Lwówek) die als eerste (vanaf 1202) Maagdenburgse en lokale stadsrechten verwierven en dat was het begin van een massale instroom van handwerkslieden, handelaren en boeren. Zij waren bij de grondbezitters zeer welkom en werden door dezen actief geworven in de Duitse landen, waaronder toentertijd ook de Nederlanden vielen. Deze voorkeur van de adellijke en geestelijke grondbezitters was een gevolg van hun hogere technische ontwikkeling die hen in staat stelden de enorme moerasgebieden langs de Oder (Odra) en dichte oerbossen in het bergland (Reuzengebergte) te ontginnen en tot economische waarde te brengen en omdat hun stadsrecht een moderne vorm wijze van het organiseren van gemeenschappen van handwerkers en handelaren garandeerde. Eerst nog vond een verwoestende inval plaats van Tataars-Mongoolse legers (de Gouden Horde) en de vernietigende veldslag in 1241 bij Liegnitz (Legnica) plaats. Toen zij zich, ondanks hun overwinning, teruggetrokken hadden, was de Duitse oostkolonisatie voor de wederopbouw des te meer noodzakelijk.

In de 13de eeuw werden ruim 1.200 nieuwe dorpen gesticht en oude dorpen vernieuwd door Duitstalige en, opvallend in de stad Breslau, ook Waalse immigranten, die ruime eigendomsrechten en in de eerste vestigingsjaren belastingvrijheid kregen en die daarnaast naar hun eigen recht hun geschillen mochten berechten. Te midden van die dorpen werden 130 steden ingericht of op een oudere basis heringericht met een autonoom bestuur naar Duits (als regel Maagdenburger, maar soms ook Löwenberger) stadsrecht. Het stedelijk bestuur werd vanaf 1220 in het Duits naast het Latijn gevoerd. Het vorstelijk en kerkelijk bestuur gebruikten sinds de 12de eeuw naast Latijn ook het Tsjechisch en pas in de derde plaats het Pools als schrijftaal omdat de Silezische hertogen de Boheemse koningen als hun directe leenheren erkenden. Sinds de 14de eeuw gingen zij aan hun hoven het Duits de voorrang geven.

Ook kloostergemeenschappen uit het Duitse Rijk, voornamelijk Cisterciënsers, kregen in ruime mate land ter ontginning geschonken en stichtten daar dorpen. Rond 1300 werd Silezië bewoond door 450.000 mensen, waarvan waarschijnlijk minder dan de helft uit de oorspronkelijke Slavische (Poolse of Tsjechische) bevolking bestond, en de andere helft reeds uit nieuwe ‘Duitse’ immigranten. In Neder-Silezië kregen de immigranten al in de 14de eeuw de overhand en ging de Slavische bevolking in de komende drie eeuwen geleidelijk in hen op. In Opper-Silezië werden de daar afnemende aantallen immigranten echter opgenomen in de talrijker Slavische bevolking en konden voornamelijk enkele steden zich enkele eeuwen als 'Duits' blijven onderscheiden. In de grensgebieden trad onder Duitse gemeenschappen soms zelfs een verpoolsing op onder invloed van contacten met het koninkrijk Polen en later door geestelijkheid van de universiteit van Krakau.

In de strijd voor een centraal Pools koningschap kozen de Silezische vorsten (Piasten) er in 1326 voor om aan een Poolse koning als hun leenheer niet langer de voorkeur te geven maar de Boheemse koning te erkennen. Zo kwamen zij ook onder de leenheer van deze koning, de Duitse keizer, te staan. Zoals aan het Boheemse hof werd nu ook de hofcultuur in het Duitse Rijk maatgevend aan de Silezische vorstenhoven em het Duits de definitieve hoftaal. Overigens was de Duitse culturele invloed toen al sinds meer dan een eeuw aan het toenemen, mede omdat de adel en ook de hertogen bij voorkeur vrouwen uit de adel van het Duitse Rijk hadden gehuwd en zich via familierelaties met de Duitse feodaliteit hadden verbonden. De bekendste was de echtgenoot van de Piastenhertog Hendrik I, de heilige Hedwig von Andech-Meran - in Polen Św. Jadwiga genoemd - die na haar goede werken in 1267 heilig werd verklaard, en sindsdien de patrones is van Silezië. Haar graf, in het door haar gestichte en vanuit het moederklooster in haar geboortestreek Franken (nu noordelijk Beieren) bevolkte Cisterciënserinnenklooster in Trebnitz (Trzebnica), is nog steeds een drukbezocht bedevaartsoord.

Hertogdom Silezië[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie hertogdom Silezië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Bolesław III Scheefmond bepaalde dat het Poolse koninkrijk na zijn dood zou worden verdeeld onder alle erfgerechtigde zoons, waardoor na zijn dood in 1138 een zelfstandig hertogdom Silezië ontstond. In 1163 viel ook dit uiteen in de hertogdommen Breslau (Wrocław) en Ratibor (Racibórz), waarvan zich in de dertiende eeuw in Neder-Silezië de hertogdommen Liegnitz (Legnica), Glogau (Głogów), Jauer (Jawor) en Schweidnitz (Świdnica) afsplitsten en in Opper-Silezië Oppeln (Opole) en Teschen (Cieszyn/Těšín). Ook daarna vond nog een reeks opdelingen en samenvoegingen plaats, zodat er eind vijftiende eeuw maar liefst zestien Silezische staten bestonden. Jan de Blinde van Bohemen bracht aan het begin van de veertiende eeuw vrijwel alle Silezische hertogdommen onder de Boheemse kroon en daarmee bij het Heilige Roomse Rijk. In 1335 bewoog hij de Poolse koning Casimir III de Grote ertoe officieel af te zien van zijn aanspraken op Silezië.

Silezië schaarde zich in de strijd tegen de Boheemse Hussieten aan de zijde van de katholieke keizer Sigismund en had daardoor erg te lijden onder de brute hussitische plundertochten gedurende de Hussietenoorlogen (1425-1436). Tijdens de Lutherse reformatie gingen de meeste steden en feodale heerschappen, waaronder de hertogen, over tot het protestantisme. De bisdommen en hun uitgestrekte territoria bleven Rooms-katholiek.

Habsburgse tijd[bewerken]

Tesamen met Bohemen viel Silezië in 1526 toe aan Habsburg en zo kwam het rechtstreeks onder de keizer van het Duitse Rijk. Het in de jaren 1522-1555 grotendeels luthers-protestants geworden gebied (vooral de laaggelegen delen van Neder-Silezië), schaarde zich in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), met Bohemen en Saksen, in de coalitie van de protestantse vorsten en steden tegen de Habsburgers. Maar na de grote verwoestingen die deze oorlog teweegbracht en die twee eeuwen lang een economische en bevolkingsteruggang veroorzaakten, moesten de lutheranen zich schikken in een tweederangspositie en hun kerken definitief aan de katholieke eredienst afstaan, behalve in de vorstendommen Liegnitz (Legnica), Ohlau (Oława) en Brieg (Brzeg), die pas in 1675 onder Habsburg kwamen. Met keizerlijke steun domineerden de rooms-katholieken, ondanks dat zij numeriek maar een derde van de bevolking uitmaakten. De contrareformatie en katholieke mystici brachten grote delen van de Silezische bevolking terug naar het katholieke geloof, terwijl protestantse vluchtelingen zich soms in Poolse grensgebieden vestigden vanwege de godsdienstvrijheid aldaar.

Lutherse vorsten, zoals de Pruisische hertogen, later koningen, stelden zich op als beschermers van de protestanten en dwongen in de vredessluitingen na de herhaaldelijke militaire conflicten af, dat de protestanten het recht kregen om in verschillende steden buiten de stadspoorten hun eigen kerken te bouwen (Friedenskirchen). Met het oog op de uitvoering van een eventueel bevel tot directe afbraak wanneer de aanscherping van de Contrareformatie dit zou eisen, stonden de Habsburgers dit alleen toe wanneer zulke kerken een provisorisch karakter (van hout) behielden. Ook vlak over de grens gaven enkele katholieke Poolse vorsten de gelegenheid om zulke kerken (Gnadenkirchen) te bouwen in een reeks grensstadjes, niet primair uit religieuze tolerantie maar om rijke protestantse handwerkslieden aan te werven en van hun economische bedrijvigheid en belastingafdrachten te kunnen profileren. In 1742 veroverde Frederik de Grote van Pruisen Silezië, hoewel ternauwernood en tegen grote financiële inspanning. De religieuze verhoudingen en bezitsrechten liet hij ongewijzigd, hoewel nu overal met staatssteun extra lutherse kerken gebouwd konden worden.

De meest indrukwekkende bewaard gebleven houten vredeskerken staan in Schweidnitz (Świdnica) en Jauer (Jawor), de Vredeskerken in Jawor en Świdnica, sinds 2001 werelderfgoed. Zij werden, nadat de oorspronkelijke Duitse bevolking verjaagd en verdreven was, in 1945 overgedragen aan het consistorium van de Pools-lutherse kerk in Warschau, maar hebben nu alleen een museale functie omdat zich ter plaatse geen lutherse gemeenten meer bevinden.

Pruisisch-Duitse tijd[bewerken]

De provincie Silezië in 1905

De Pruisische koning Frederik II de Grote viel na de dood van de Habsburgse keizer Karel VI in 1740 Silezië binnen. Formeel kon hij aanspraak maken op een deel van Silezië op grond van een in 1537 met Frederik II van Liegnitz (Legnica) gesloten erfovereenkomst, maar het was hem ook om economisch gewin te doen want Silezië was door zijn mijnbouw en textielindustrie in de achttiende eeuw het welvarendste deel van het Habsburgse rijk. In de drie Silezische Oorlogen (1740-1742, 1744-1745 en 1756-1763) wist Pruisen Silezië te veroveren en te behouden, met uitzondering van het zuidelijke deel, sindsdien Oostenrijks Silezië bestaande uit Teschen, Troppau (Opava) en Jägerndorf (Krnov).

Onder het Pruisische bestuur vormde Silezië sinds 1815 een provincie, die ook delen van de Lausitz omvatte. Het gebied industrialiseerde in de negentiende eeuw sterk en werd een van de belangrijkste Duitse industriegebieden. Hoewel Neder-Silezië al vroeg vrijwel geheel Duitstalig geworden is, zou Opper-Silezië pas door deze industrialisatie en verstedelijking een groeiende verduitsing ondergaan. Maar op het platteland bleef de bevolking er overwegend het Silezisch-Poolse dialect spreken.

Als provincie van het koninkrijk Pruisen behoorde Silezië sinds 1871 tot het Duitse Keizerrijk. Na de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog organiseerden de geallieerden een volksraadpleging over de vraag of Opper-Silezië Duits moest blijven of Pools moet worden. Ondanks het feit dat 60% vóór Duitsland stemde, werd het delfstofrijke oosten van het gebied met het grootste deel van de industrie toch aan de Polen toegekend. Daarmee werd een roerige periode (1919-1921) besloten van pro-Poolse zogenaamde "Silezische Opstanden" en daartegen in het geweer komende Duitse vrijkorpsen. Een grote Duitstalige, althans Duitsgezinde, bevolkingsgroep onder de Opper-Sileziërs in dit afgestane deel kwam nu binnen de Poolse grenzen terecht. Om spanningen in goede banen te leiden werd door de Volkenbond een minderheidsstatuut opgesteld voor de bescherming van hun rechten.

Het Opper-Silezische Hultschiner Ländchen viel - ook ondanks een Duitsgezinde meerderheid - aan de nieuwe staat Tsjecho-Slowakije toe, evenals het grootste deel van Oostenrijks Silezië. Tsjecho-Slowakije en Polen betwistten elkaar Teschen, dat naast een Duitse stedelijke ook een aanzienlijke Poolse en Tsjechische bevolking had. Dit leidde tot een opdeling van het gebied in Cieszyn (Polen) en Český Těšín (Tsjecho-Slowakije), die het conflict echter niet oploste.

Tsjechisch Silezië werd na de Conferentie van München (1938) als deel van Sudetenland, Duits, met uitzondering van Teschen, dat door Polen werd bezet en geannexeerd in datzelfde jaar. De bevolking werd aan een verpoolsingspolitiek onderworpen en Tsjechische dissidenten gearresteerd. Dit duurde tot september 1939 toen Duitsland Polen binnenviel en zowel Opper-Silezië als ook Teschen veroverde en annexeerde. Begin 1945 kwam Silezië in handen van het Rode leger. Na de Tweede Wereldoorlog werd geheel Silezië ten oosten van de Oder-Neissegrens onder toezicht van de regering van de Volksrepubliek Polen geplaatst. Dit kwam in feite neer op een de facto-annexatie door Polen. Een klein deel van de provincie Silezië met steden als Niesky en Hoyerswerda, gelegen ten westen van de Neisse en historisch tot de Opper-Lausitz behorend, bleef deel van Duitsland in de Duitse Democratische Republiek. De stad Görlitz waar de Neisse doorheen liep, werd verdeeld in een Duits en een Pools deel dat sinds 1945 Zgorzelec heet. Ook Frankfurt an der Oder verloor door de nieuwe grensrivier haar oostelijke voorstad, die sindsdien Słubice heet. Guben verloor op dezelfde wijze de oostelijke voorstad, nu Gubin, terwijl Küstrin als Kostrzyn nad Odrą nu Pools werd maar daarmee haar westelijke voorstad Küstriner Vorland verloor.

Poolse tijd[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog

Van de 4,5 miljoen Duitstalige Sileziërs was een groot deel in 1945 gevlucht voor of verdreven door de Sovjets. Een deel van hen keerde na de oorlog terug, maar in 1946-1947 verdreef de Poolse regering het grootste deel van de achtergebleven Duitse bevolking. Pools- of anderszins Slavischtaligen, wonend in Opper-Silezië, mochten blijven. Ook tweetalige burgers konden in Opper-Silezië vaak aan deportaties en etnische zuiveringen ontkomen door hun kennis van de Poolse taal. Vele honderdduizenden Duitse burgers kwamen in interneringskampen en bij vlucht of tijdens deportatie om. De meeste Duitsers die de Poolse nationaliteit aan hadden mogen nemen, of nut voor de economie bezaten, mochten voorlopig blijven, emigreerden in de loop van de eeuw naar West-Duitsland. Ook thans leeft er in Silezië echter nog een oorspronkelijke Duitse minderheid (ooit meerderheid), met name rond Opole (Oppeln). Zie Duitse minderheid in Polen. Polen herbevolkte Kłodzko, het oude Graafschap Glatz in Neder-Silezië in het kader van Operatie Wisła (1947) met gedwongen verhuisde Oekraïners, onder wie Bojken en Lemken, afkomstig uit de Poolse gebieden die door de Sovjet-Unie waren geannexeerd en uit het gebied rond Sanok en de Pools gebleven delen van West-Galicië waar Oekraïense separatisten een guerilla-oorlog tegen de Poolse communisten en tegen de Sovjet-Unie bleven uitvechten.

Polen nam de industrialisering van Silezië voortvarend ter hand. Het gebied rond Katowice (Kattowitz) groeide uit tot één groot industriegebied, maar door afwezigheid van enig milieubewustzijn, werd de streek ook een van de meest vervuilde streken van Polen. Sinds het eind van de twintigste eeuw krijgt milieubescherming meer aandacht.

Geografie[bewerken]

Silezië wordt verdeeld in Neder-Silezië in het noordwesten en Opper-Silezië in het zuidoosten. Binnen Neder-Silezië onderscheidt men de agrarische Silezische laagvlakte tussen Opole en Głogów met de grootste stad van het gebied, Wrocław; het voorgebergte van de Sudeten tussen Jawor en Nysa, een landbouw- en industriegebied; en de Sudeten zelf langs de Tsjechische grens, rijk aan steenkool en bekend om het landschap. Neder-Silezië behoort in Polen tot het gelijknamige woiwodschap Neder-Silezië, Duits Neder-Silezië tot de deelstaten Brandenburg en Saksen. De grootste steden van het gebied zijn Wrocław (Breslau), Wałbrzych (Waldenburg), Legnica (Liegnitz), Jelenia Góra (Hirschberg) en Lubin (Lüben) in Polen en Görlitz en Hoyerswerda in Duitsland.

Opper-Silezië, verdeeld over de Poolse woiwodschappen Opole en Silezië en met een klein deel in Tsjechië, kent een grote industriële agglomeratie rond Katowice met circa 2,5 miljoen inwoners (Zwart Silezië), maar kent ook een groen gebied in het zuiden (Groen Silezië) en in het oosten de Beskiden, waar wintersport kan worden beoefend. De grootste steden zijn Katowice (Kattowitz), Częstochowa (Tschenstochau), Sosnowiec (Sosnowitz), Gliwice (Gleiwitz), Zabrze (Hindenburg), Bytom (Beuthen), Bielsko-Biała (Bielitz-Biala), Ruda Śląska, Rybnik, Tychy (Tichau), Dąbrowa Górnicza (Dombrowa) en Opole (Oppeln).

Statistiek[bewerken]

Taalgroepen in Silezië (ca. 1900)
categorie Pruisisch Oostenrijks totaal
aantal procentueel aantal procentueel aantal procentueel
totaal 4.942.611 100 % 680.422 100,0% 5.623.033 100,0%
Duits 3.741.300 75,7% 304.149 44,7% 4.045.449 71,9%
Pools 1.100.831 22,3% 225.900 33,2% 1.326.731 23,6%
Moravisch 100.480 2,0% 150.373 22,1% 250.853 4,5%

Zie ook[bewerken]