Poolse Corridor

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Poolse Corridor (1923)

De Poolse Corridor is de toegang tot de Oostzee die Polen in 1919 krachtens het Verdrag van Versailles na de Eerste Wereldoorlog kreeg. In deze corridor bouwden de Polen het vissersdorpje Gdynia (Duits: Gdingen) uit tot een voor Danzig concurrerende havenstad. Polen maakte bezwaar tegen de in haar ogen relativerende benaming corridor omdat zij het gebied als eeuwig integraal deel van Polen beschouwde dat ooit ten onrechte aan Duitsland was toegekend.

Geschiedenis tot 1919[bewerken]

Het gebied verschijnt als bestuurlijke eenheid aan het einde van de 10de eeuw: een hertogdom Pommerellen, onder het gezag van het geslacht van de Samboriden. Dit geslacht voegde zich korte tijd onder de Poolse en de Deense kroon, totdat het in 1227 een onafhankelijker positie kon innemen. Daar kwam een einde aan in een opvolgingsstrijd tussen de erfgenamen van de laatste hertog. Als gevolg daarvan viel Pommerellen toe aan de hertog van Brandenburg die het gebied in 1308 verkocht aan de staat van de Duitse Orde, ook wel Pruisen genoemd. Sindsdien heette het West-Pruisen. De Poolse koning betwistte de legitimiteit van deze overdracht maar wilde er in 1343 toch mee instemmen, nadat de Orde zich op haar beurt had willen terugtrekken uit het zuidelijker gelegen Kujavië. De tegenstelling bleef bestaan en uitte zich in strijd. In 1466 werd de Duitse Orde definitief verslagen door Polen en haar verbondenen. De Tweede Vrede van Thorn bepaalde vervolgens dat West-Pruisen als "koninklijk Pruisen" een autonoom deel van het verenigd koninkrijk Polen-Litouwen zou worden, terwijl de Duitse Orde alleen Oost-Pruisen zou mogen behouden. West-Pruisen verloor gaandeweg zijn autonomie maar Danzig wist ook in de Poolse tijd een autonome stad te blijven. In 1772 werd "koninklijk Pruisen" bij de eerste van de Poolse delingen toegewezen aan het koninkrijk Pruisen dat eerder uit Brandenburg, Pommeren en Oost-Pruisen was samengesteld. Daarin werd het als een provincie onder de oude naam West-Pruisen opgenomen, en verbond het de twee gebiedsdelen waaruit Pruisen tot dan toe was samengesteld tot één geografisch geheel. Danzig werd twintig jaar later, in 1793, ook Pruisisch en kon tot hoofdstad van de provincie West-Pruisen verheven worden, toen deze in 1878 weer van Oost-Pruisen was gescheiden. Al even eerder, in 1871, werden beide Pruisische provincies onderdeel van het nieuw opgerichte Duitse keizerrijk.

Toewijzing aan Polen in 1919[bewerken]

Na de verloren Eerste Wereldoorlog moest Duitsland West-Pruisen bij de Vrede van Versailles in 1919 grotendeels afstaan aan Polen. Na protesten van de bevolking tegen inlijving door Polen werd de oude provinciehoofdstad Danzig (Pools: Gdańsk) echter een vrijstaat (Vrije Stad Danzig) onder toezicht van de Volkenbond, waarin Polen evenwel een vrije doorvoer naar de zee kreeg onder een eigen douanereglement. Door de gebiedsafstand werd de provincie Oost-Pruisen een exclave die alleen via Pools grondgebied of over zee was te bereiken. Het platteland van West-Pruisen werd grotendeels aan Polen toegewezen, overigens zonder dat de bevolking in die gebiedstoewijzing een stem kreeg. Engeland en Frankrijk vreesden namelijk dat een grensbepalende volksraadpleging, zoals elders - in Opper-Silezië en zuidelijk Oost-Pruisen - wel werd toegestaan, wel eens een Duitse meerderheid kon opleveren. Het afgestane gebied telde in 1910 950.000 inwoners waarvan 285.000 (45%) zich bij de volkstelling als Duitstalig hadden opgegeven maar ook velen die zich als Pools- of Kasjoebischsprekend opgaven, waren voor 1919 Duitsgezind. Na de vestiging van het Poolse gezag werden in 1921 nog maar amper 180.000 Duitsers geteld omdat 100.000 van hun inmiddels geëmigreerd waren als voormalige Duitse ambtenaren, die ontslagen waren en waarvan de pensioenen niet werden erkend. In de komende twee decennia ging deze emigratie door vooral naar aanleiding van grootschalige onteigeningen van Duits grondbezit. Zodoende kwam in 1930 de Duitse minderheid nog maar amper op 100.000 inwoners. In totaal waren in de periode 1918-1930 ca. 200.000 Duitse inwoners geëmigreerd naar Duits gebleven staatsgebied of naar de Vrije stad Danzig, en hadden veelal tweetalige rooms-katholieken zich aangepast aan de nieuwe staatkundige verhoudingen en de Poolse identiteit aangenomen.

Oplopende spanning na 1932[bewerken]

Het vervoer vanuit Danzig en Oost-Pruisen naar Duitsland, door het Poolse gebied van de Corridor, ondervond in de jaren twintig hinder van zeer strenge Poolse persoonscontroles die in extreme vorm gepaard gingen met de blindering van de spoorwegwaggons, zolang zij over Pools staatsgebied reden. Om dit ongemak te vermijden werd de Seedienst Ostpreussen ingesteld, die het vervoer voortaan per schip over de Oostzee van en naar Stettin liet verlopen. Echter, na de nationaalsocialistische machtsovername in Duitsland uitten zich in toenemende mate eisen tot een grensherziening. De druk op Polen nam toe in de late jaren dertig met Duitse dreigementen. De climax werd eind 1938 en begin 1939 bereikt met Duitse eisen tot een volksraadpleging waaraan de inmiddels geëmigreerden deel zouden mogen nemen maar de Polen die zich na 1919 in de Corridor hadden gevestigd zouden moeten worden uitgesloten. Duitsland beoogde in feite een opheffing van de Corridor door een wederinlijving van het gebied. Engeland wilde over deze voorstellen onderhandelen, Frankrijk en uiteraard Polen wezen ze af.

Tweede Wereldoorlog en daarna[bewerken]

Vervolgens lokte de Duitse marine op 1 september 1939 een incident uit op de Westerplatte in de haven van Danzig. Toen een Poolse gewapende reactie op deze provocatie volgde, verklaarde Duitsland aan Polen de oorlog. Daarmee was de Tweede Wereldoorlog een feit, omdat Frankrijk en Engeland zich hadden verplicht Polen militair bij te staan ingeval van een vijandelijke invasie van zijn grondgebied. Danzig werd militair overgenomen, de Corridor werd bezet. De meeste Polen die zich na 1918 in de Corridor hadden gevestigd werden door de terreur van het nazi-regime verjaagd, vaak eerst geïnterneerd, en niet zelden in massa executies geliquideerd. Voor hen in de plaats kwam een ambtenaren- en politie-apparaat van Rijksduitsers, ten dele bestaand uit teruggekomenen die na 1918 geëmigreerd waren. De autochtone bevolking van de Corridor kon zich weer - zij het onder dwang en dreiging van represailles - als Duitser laten registreren. Wie dat deed voorkwam uitzetting en bezitsverlies, maar moest verplichtingen van arbeidsdienst en militaire dienstplicht aanvaarden. Begin 1945 werd de Duitse bezetting verdreven door het Sovjetleger en met de Poolse annexatie van Oost-Pruisen en Pommeren verdween de Corridor definitief als geografisch begrip. De bevolking werd na verdrijving van de Duitse inwoners - zie Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog - en de politieke zuivering van de autochtone Polen en Kasjoeben aangevuld met immigranten elders uit Polen. Het gebied werd ingedeeld bij de woiwodschap (provincie) Pomorskie (Pommeren), waarvan het vroegere Danzig, nu Gdańsk, de hoofdstad is.

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • J. Brown Mason, The Danzig Dilemma; a Study in Peacemaking by Compromise, 1946
  • R. Blanke, Orphans of Versailles: The Germans in Western Poland 1918-1939, 1993
  • T. Hunt Tooley, National identity and Weimar Germany: Upper Silesia and the eastern border, 1918-1922, 1997
  • S. Wolff, The German Question Since 1919: An Analysis with Key Documents, 2003
  • H. Boockmann, Ostpreussen und Westpreussen, 2002