Grote Depressie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Voor de gelijknamige crisis van 1873 tot 1896, zie Grote Depressie (1873-1896).
"Migrantenmoeder" (Dorothea Lange, 1936), een toonbeeld van de Amerikaanse Grote Depressie. Het onderschrift luidt "Berooide erwtenplukkers in Californië. Moeder van zeven kinderen. Leeftijd: 32 jaar. Nipomo, Californië." De vrouw op de foto is Florence Owens Thompson
Het BBP van enkele landen gedurende de crisisjaren
Artikel uit het Leidsch Dagblad van 20 mei 1938 over de kanalisering van de Maas en de tewerkstelling van 1850 werklozen daarbij, die deels in Rijkswerkkampen waren gehuisvest. Aanklikken voor een leesbaar artikel

De Grote Depressie (The Great Depression) is de naam die vooral in de Verenigde Staten wordt gegeven aan de economische crisis die het gevolg was van een bankencrisis en internationale schuldencrisis in de jaren dertig van de 20e eeuw. In het Nederlands spreekt men meestal van de crisisjaren. Deze economische crisis of depressie was van invloed op de levensomstandigheden van zeer vele mensen over de hele wereld. Het was de grootste en belangrijkste economische depressie in de nieuwste tijd, en wordt in de 21e eeuw als voorbeeld aangehaald van hoe diep de wereldeconomie kan vallen.[1]

Oorzaken[bewerken]

Voor de Grote Depressie kunnen twee belangrijke oorzaken aangewezen worden, waarbij voor beide geldt dat onvoldoende kennis van economische processen zorgde voor een verergering.

De eerste oorzaak ligt in de landbouw. In de jaren twintig ontstond een grote overproductie. Amerika had tijdens de Eerste Wereldoorlog veel voedselhulp verleend aan Europa. De Amerikaanse boeren hadden zich zo ingesteld op deze hulpverlening, dat toen Europa eenmaal weer zelf zijn voedsel ging verbouwen de Amerikaanse boeren met een geweldige overproductie kwamen te zitten waardoor de prijzen daalden. Dit zorgde voor enorme schulden, wat nadelig was voor de plattelandsbanken. De plattelandsbanken op hun beurt hadden weer nauwe banden met de grote banken. De grote banken konden deze grote klap niet opvangen en een crisis was het gevolg. Daarbij kwam dat de boeren dachten dat alleen een nog grotere productie hen uit de problemen kon helpen, aangezien men vanwege de lagere prijs meer moest produceren om hetzelfde te verdienen. Dit leidde echter tot nog meer overproductie, die werd verbrand of in zee gegooid terwijl velen honger leden maar het voedsel niet konden betalen.

Een tweede oorzaak ligt in de industrie, waarin destijds de meeste Amerikanen werkzaam waren. Tijdens de jaren twintig nam daar de productie enorm toe, dankzij de mechanisering, maar de lonen stegen niet mee omdat de vakbonden zwak waren en omdat er veel immigranten uit arme delen van Europa kwamen die bereid waren voor weinig geld te werken. Door de lage lonen konden veel mensen de producten die in fabrieken geproduceerd werden niet betalen, waardoor ook de fabrieken met een overproductie kampten.

De overproductie in de landbouw en industrie werd niet voldoende erkend, laat staan de gevaren ervan. Men dacht dat het een tijdelijke verstoring van de economische verhoudingen was die vanzelf over zou gaan. Bovendien was 'non-interventie' een heilig uitgangspunt van de Republikeinse regering van Calvin Coolidge.

Oostenrijkse Economische school[bewerken]

Een andere verklaring komt van de Oostenrijkse economische school. Theoretici van de "Oostenrijkse School" die schreven over de Grote Depressie zijn onder andere de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek en de Amerikaanse econoom Murray Rothbard, die America's Great Depression (1963) schreef. In hun ogen en ook die van de monetaristen, is de Federal Reserve, gecreëerd in 1913, de grote schuldige; maar in tegenstelling tot de monetaristen, stellen zij dat de hoofdoorzaak van de depressie, de expansie van het geldaanbod in de jaren twintig, heeft geleid tot een onduurzame krediet-gedreven bubbel. In deze Oostenrijkse kijk was het de inflatie van het geldaanbod dat leidde tot een onduurzame bubbel in zowel prijzen van activa (aandelen en obligaties) en kapitaalgoederen. Tegen de tijd dat de FED haar beleid aanscherpte in 1928, was het veel te laat en was, volgens de Oostenrijkers, een depressie onvermijdelijk. Volgens de Oostenrijkers was de kunstmatige ingreep in de economie een ramp voor de Depressie, en hebben de overheidsinspanningen om de economie na de crash van 1929 overeind proberen te houden het alleen maar erger gemaakt. Volgens Rothbard, vertraagde de overheidsinterventie de aanpassing van de markt en maakte dit de weg naar een volledig herstel moeilijker. [2]

Zwarte Donderdag[bewerken]

Op de aandelenbeurs speculeerden veel mensen met geleend geld. Dit geld zat weer in de banken die in crisis verkeerden. Op 24 oktober 1929 (Zwarte Donderdag) barstte de zeepbel en klapten de aandelenkoersen in elkaar. Er kwam een run op de spaarbanken van mensen die al hun tegoeden wilden opnemen. Een groot aantal banken ging over de kop en velen verloren al hun spaargeld. De Amerikaanse middenklasse verloor zo een groot deel van haar koopkracht en bezuinigde meer dan strikt noodzakelijk was. Veel industrieën hadden al een slechte orderpositie en gingen nu acuut failliet. Ze konden nergens geld meer lenen en als ze schulden hadden gemaakt bij een failliete bank werden die zonder coulance ingevorderd. De ontslagen arbeiders zagen door het ontbreken van sociale voorzieningen hun koopkracht tot nul dalen.

De ontwikkelingen gingen zo snel dat de normale evenwichtsmechanismen (rentedaling en loonkostendaling) niet meer functioneerden. Banken die er niet meer waren, konden ook geen geld meer uitlenen, zodat er hoe dan ook minder geïnvesteerd werd. Door het wegvallen van vertrouwen gingen de mensen thuis hun geld oppotten zodat de rente juist steeg. De vraaguitval leidde tot de gevreesde deflatoire spiraal: de prijzen daalden zo snel dat de consument, hopend op een nog verdere daling, zijn bestedingen uitstelde in plaats van vergrootte. Deflatie betekent ook dat de reële rente stijgt, zodat externe sturing door verlaging van de officiële rentestand geen effect meer heeft. Investeren was dus duur en leek gezien de enorme overproductie ook onzinnig. De kapitaalinvesteringen vielen dan ook vrijwel stil. Omdat de lonen al zo laag waren, hadden loonkostendalingen weinig positieve invloed op de investeringen en ze versterkten de deflatoire spiraal.

Grote Depressie[bewerken]

Dergelijke crises hadden zich in het verleden al veel vaker voorgedaan, maar deze keer was de neergang ongekend fel. Het Bruto Nationaal Product van de VS daalde in 1930 40%. Toen eind 1931 de economie stabiliseerde — voornamelijk omdat de prijzen niet verder konden dalen en de consument gedwongen was zijn geld uit te geven — bleek de welvaart dat jaar met nog eens 10% te zijn afgenomen. Wat een hele generatie had opgebouwd, leek in één klap tenietgedaan.

De crisis bleef niet tot de VS beperkt. Om te beginnen verminderde bij andere landen de export, doordat de Amerikaanse burger niets meer inkocht en de Amerikaanse deflatie de Europese en Japanse producten uit de markt prijsde. Toch leidde dat voor Amerika niet tot een compensatie van het falen van de interne markt. De VS hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog astronomische bedragen uitgeleend aan de Entente; het land was de "Schuldeiser van de Wereld" geworden. Na de oorlog was men heel coulant geweest met het invorderen van die schulden. De bankencrisis veroorzaakte nu echter een internationale schuldencrisis. Door acuut geldgebrek gedwongen begonnen de Amerikaanse banken de schulden op te eisen. De rentestand in de hele wereld sprong omhoog. Overal klapten de investeringen en bestedingen in elkaar. Om de eigen markt te beschermen, stelden de meeste landen hogere importheffingen in, met als gevolg dat de wereldhandel sterk kromp. In het ene na het andere land stortte de economie ineen, met massale werkloosheid en verpaupering tot gevolg, ook in Nederland en België. Door het blijven vasthouden aan de koppeling tussen de munt en de gouden standaard bleef de depressie in Nederland lang duren ten opzichte van de rest van Europa.

Gevolgen[bewerken]

Toen de directe neergang voorbij was, stelde zich de prangende vraag hoe politiek gereageerd moest worden op de nijpende situatie. In het verleden had men een crisis steeds laten uitzieken: men wachtte net zo lang tot de economie zichzelf in evenwicht bracht en de groei zich weer herstelde. Als men dat ditmaal ook zou doen, zou het echter (aangenomen dat de economie per hoofd van de bevolking net zo hard zou groeien als voor de oorlog) dertig jaar duren voordat men weer het niveau van 1929 bereikt zou hebben. Tegelijkertijd was er een enorme stilliggende productiecapaciteit die de oude welvaart onmiddellijk zou kunnen herstellen als zij maar benut werd. Onder die omstandigheid werd het wel heel verleidelijk om toch maar eens aan overheidsingrijpen te denken.

In de VS was de gedachte aan staatsinterventie voor de oorlog al heel populair geweest en tijdens de oorlog hadden gedwongen investeringen al tot een forse economische groei geleid, maar erna had het idee van de vrije markt de overhand gekregen. Nu sloeg de stemming weer om. De Republikeinse regering van Herbert Hoover was echter zeer afhoudend. Ze vreesde een precedent te scheppen en was bang voor een blijvende invloed van de staat op de economie. Als alternatief stimuleerde ze de zelfregulering van industrie en bankwezen en riep ze de burger op tot optimisme en bestedingsdrift. Hoewel deze boodschap ruime weerklank vond bij het meer welgestelde deel van de bevolking, wilden de nu een meerderheid vormende armen niet jarenlang op de welvaart blijven wachten en verkozen in 1932 Franklin Delano Roosevelt tot president. Hij voerde de politiek van de New Deal door die zich kenmerkte door streng overheidstoezicht op het bankwezen. Roosevelt deed echter weinig aan het stimuleren van de economie, afgezien van werkgelegenheidsprojecten en directe armoedebestrijding. In 1940 was de schade nog lang niet hersteld. Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog zou daadkrachtige staatsinterventie de industriële productie in vier jaar meer dan verdubbelen, de basis leggend van de huidige welvaart.

Effecten buiten de Verenigde Staten[bewerken]

Duitsland[bewerken]

De Duitse economie leek tijdens de jaren twintig op te bloeien, maar was in wezen op meerdere punten niet gezond en kwetsbaar, met name door de afhankelijkheid van de Amerikaanse steun. Toen de Verenigde Staten in 1929 door de crisis in eigen land deze steun opzegden, werd Duitsland meteen in de recessie meegezogen. Werkloosheid nam enorm toe, bestedingen en investeringen namen af. De problemen leidden tot een groei van links- en rechtsextremistische bewegingen. In 1932 trachtten de geallieerden daarom een regeling over herstelbetalingen met Duitsland te onderhandelen op de Conferentie van Lausanne. De Duitse regering kondigde echter een volledig moratorium op de betalingen van buitenlandse schulden af. Adolf Hitler erfde in 1933 een zwakke economie die kampte met een chronisch deviezentekort en die absoluut niet in staat was zichzelf te voorzien.

Japan[bewerken]

De recessie veroorzaakte in eerste instantie een krimp van 8% in de Japanse economie. De verovering van Mantsjoerije in 1931 betekende echter toegang tot nieuwe markten, die de effecten van de recessie in Japan beperkten. Uiteraard betaalde China hier het gelag voor. De gunstige economische effecten, gecombineerd met een gebrek aan respons van de traditionele grootmachten, moedigden Japan aan tot nieuwe veroveringen in de jaren dertig.

Latijns-Amerika[bewerken]

De crisis in de Verenigde Staten leidde tot een sterke afname van investeringen in Latijns-Amerika. Hierdoor werd de crisis naar Latijns-Amerika geëxporteerd. De economische malaise zorgde dat fascistoïde en corporatistische denkbeelden werden omarmd, onder andere in het Brazilië van Vargas en het Argentinië van Peron. Chili, Peru, en Bolivia hadden het zwaarst te lijden onder de Grote Depressie.

Nederland[bewerken]

Werklozen in een stempellokaal in Amsterdam-Noord, 1933

Nederland werd hard getroffen door de recessie, die door het vasthouden aan de Gouden Standaard bijzonder hardnekkig bleek.[3] Hoewel de economie zich na het loslaten van de Gouden Standaard eind september 1936 leek te herstellen, werd Nederland in het kielzog van de Verenigde Staten in 1937 door een tweede kleinere recessie getroffen. Ook de toenemende spanning in Europa trof de Nederlandse economie hard. De economische problemen leidden tot verpaupering en ontevredenheid, die zich onder andere uitten in onrust (Jordaanoproer) en de groei van de NSB. Pas na de Tweede Wereldoorlog zou de Nederlandse economie daadwerkelijk opbloeien.

Sovjet-Unie[bewerken]

De economie van de Sovjet-Unie was geïsoleerd en zelfvoorzienend, en werd daarom vrijwel niet beïnvloed door de Grote Depressie. Integendeel, het land herstelde zich van de burgeroorlog en breidde zijn industrie in hoog tempo uit. De Sovjetregering van Stalin en communistische partijen overal ter wereld haalden de vergelijking tussen het door de recessie getroffen Amerika en de opbloeiende Sovjet-Unie aan als een voorbeeld dat het Westers kapitalisme niet werkte en gedoemd was tot de ondergang. De steun voor communisten nam ook buiten de Sovjet-Unie toe. In een reactie hierop nam de steun voor rechtse anticommunistische bewegingen ook toe, wat polarisatie in de hand werkte.

Opgenomen in de Canon van Nederland[bewerken]

De Grote Depressie (Crisisjaren) is als één van de vijftig thema's opgenomen in de canon van Nederland van de commissie-Van Oostrom.

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. C. Duhigg, Depression, You Say? Check Those Safety Nets, in New York Times (23 maart 2008). Cf. T.J. Kehoe - E.C. Prescott (edd.), Great Depressions of the Twentieth Century, Minneapolis, 2007 ([GreatDepressionsBook.com]). ISBN 9780978936006
  2. ((Harvnb | Rothbard | 2002 | p = 25)), http://mises.org/rothbard/agd/contents.asp
  3. Jan Luiten van Zanden, De dans om de gouden standaard. Economisch beleid in de depressie van de jaren dertig. Inaugurele rede, Vrije Universiteit te Amsterdam, 18 mei 1988. http://depot.knaw.nl/2298/1/18597_291_zanden.pdf