Thomas Mann

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Icoontje doorverwijspagina Zie Thomas Mann (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Thomas Mann.
Nobelprijswinnaar  Thomas Mann
6 juni 187512 augustus 1955
Thomas Mann, 1939
Thomas Mann, 1939
Geboorteplaats    Lübeck, Duitsland
Nationaliteit    Duitse, vanaf 1945 Amerikaanse
Plaats van overlijden    Zürich, Zwitserland
Nobelprijs voor de    Literatuur
In    1929
Reden    Met name voor de "Buddenbrooks"
Voorganger(s)    Sigrid Undset
Opvolger(s)    Sinclair Lewis
Bekende werken    Buddenbrooks, De Toverberg, De dood in Venetië, Dr.Faustus

Paul Thomas Mann (Lübeck, 6 juni 1875 - Zürich, 12 augustus 1955) was een van de grootste Duitse schrijvers uit de twintigste eeuw. Hij kreeg in 1929 de Nobelprijs voor de Literatuur.

Leven en werk[bewerken]

1875 - 1895, eerste levensjaren[bewerken]

Heinrich en Thomas Mann, 1899

Thomas Mann was de zoon van de koopman Thomas Johann Heinrich Mann en de half-Braziliaanse Julia da Silva-Bruhns. Hij was de jongere broer van schrijver Heinrich Mann (1871-1950). Verder had hij twee jongere zusters, Julia en Carla, en een jongere broer Viktor. Thomas beschreef zijn kindertijd later als gelukkig en zorgeloos, maar in 1891 stierf zijn vader aan de gevolgen van blaaskanker. In zijn testament had hij aangegeven dat het door hem opgerichte bedrijf en het familiehuis verkocht moesten worden. De familie Mann kon dan leven van de rente van de verkoop.

Thomas Mann bleek geen vlijtige leerling, hoewel hij duidelijk begaafd was. Hij schreef liever, bijvoorbeeld voor het tijdschrift Der Frühlingssturm, waarvan hij in 1893 mede-uitgever werd. Hij was zich al vroeg bewust van zijn roeping als schrijver, zoals blijkt uit een bewaard gebleven brief uit 1889, waarin de 14-jarige afsluit met "Thomas Mann, lyrisch-dramatisch dichter". In 1894 verliet hij het gymnasium en verhuisde naar München, waar zich inmiddels ook zijn moeder en de andere kinderen gevestigd hadden.

De voogd van Thomas bepaalde dat hij na het gymnasium een burgerlijk beroep moest kiezen. Hij accepteerde dit en ging voor een verzekeringsmaatschappij werken: saai en pretentieloos werk, naar zijn mening. Hij bleef dan ook stiekem schrijven en debuteerde in 1894 met de novelle Gefallen, in het tijdschrift Wohlgefallen.

In 1895 stopte Mann met zijn werk bij de verzekeringsmaatschappij en begon aan een studie aan de Technische Hochschule te München. Maar ook die kon hem niet boeien. Toen Thomas Mann op zijn 21ste meerderjarig werd en hem het geld van zijn vaders erfenis ter beschikking kwam, had hij genoeg van school en werk en besloot hij definitief schrijver te worden.

1895 - 1905, eerste publicaties, Buddenbrooks[bewerken]

In 1895 reisde Thomas zijn broer Heinrich in een impulsieve bui achterna, naar Italië. Hij verbleef eerst een tijdje in Rome en huurde daarna, samen met Heinrich, een huisje in het nabijgelegen stadje Palestrina. Daar verbleven ze uiteindelijk twee jaar. Thomas schreef in deze periode een aantal novellen, waaronder Der kleine Herr Friedemann. Evenals Heinrich werkte hij rond deze tijd ook af en toe voor Das Zwanzigste Jahrhundert – Blätter für deutsche Art und Wohlfahrt, een nationaal-conservatief Duits tijdschrift met een antisemitische inslag. De toon van het blad stond hem echter snel tegen. In 1898 verruilde hij het blad voor het tijdschrift Simplicissimus, waarvan hij een jaar lang redacteur zou blijven.

Reeds tijdens zijn verblijf in Palestrina begon Thomas Mann aan zijn groots opgezette realistische roman Buddenbrooks - Verfall einer Familie. Buddenbrooks verscheen uiteindelijk in 1901. Gebruik makend van zijn eigen familiegeschiedenis verhaalt Thomas Mann hierin van de ondergang in de loop van vier generaties van een Lübeckse koopmansfamilie. Duidelijk herkenbaar is Schopenhauers cultuurpessimisme, zich uitend in een grote sensibiliteit, kunstzinnigheid en een zekere decadentie. Binnen het beschreven milieu is een voortdurende spanning herkenbaar tussen het zakelijke en het artistieke. Een sterk aspect van deze roman is ontbreken van gemoraliseer: ondanks de neergang blijft een onmiskenbare sympathie van de schrijver herkenbaar voor vrijwel al zijn romanfiguren, hoe verschillend ook.

Buddenbrooks werd al snel een succes en vestigde de naam van Thomas Mann als schrijver. In 1929, 28 jaar na verschijnen, werd hem hiervoor de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend.

1905 - 1912, huwelijk en kinderen[bewerken]

Katia Mann, 1905

Na het succes van Buddenbrooks vestigde Thomas Mann zich definitief in München. In 1905 huwde hij, ondanks homoseksuele neigingen, Katharina „Katia“ Pringsheim en koos daarmee voor een ordelijk en min of meer burgerlijk leven. Thomas en Katia kregen zes kinderen, van wie er velen zelf een bekend schrijver of wetenschapper werden.

Naam Beroep Geboren. Overleden
Erika actrice, schrijver 9 november 1905 27 augustus 1969
Klaus schrijver 18 november 1906 21 mei 1949
Golo schrijver, geschiedkundige 29 maart 1909 7 april 1994
Monika schrijver 7 juni 1910 17 maart 1992
Elisabeth schrijver, jurist 24 april 1918 8 februari 2002
Michael musicus, literatuurwetenschapper 21 april 1919 1 januari 1977

1912 - 1924, Dood in Venetië, De Toverberg[bewerken]

Eerste editie van De Toverberg, 1924

In 1912 werd bij Katia tbc geconstateerd, waardoor ze lange tijd in een sanatorium in Davos verbleef. Hier snoof Mann de sfeer op die hij later gebruikte als basis voor zijn grote ideeënroman De Toverberg, waaraan hij in 1913 begon en die hij pas in 1924 afrondde.

Mann begon pas goed te werken aan De Toverberg nadat hij de novelle De dood in Venetië in juli 1912 had voltooid, die een hoogtepunt vormt binnen zijn kortere werk. Het is het verhaal van een eminent en pragmatisch kunstenaar, Gustav von Aschenbach, die in een opwelling afreist naar het door cholera geteisterde Venetië en daar verliefd wordt op een mooie jongeling. Terwijl hij toegeeft aan steeds ongeremdere dromen wordt hij door de decadente en door ziekte bezwangerde Venetiaanse omgeving meegesleurd in de dood, hetgeen hij uiteindelijk aanvaardt als een romantisch noodlot.

Net als Von Aschenbach reist Hans Castorp in het begin van De Toverberg naar een 'andere wereld' met een andere beleving van de tijd, een wereld waarin hij een reeks van grenzen zal overschrijden die hem zullen scheiden van alles wat hem vertrouwd is. Uiteindelijk zal dit symbolisch blijken voor de tijdsbreuk die de Eerste Wereldoorlog teweeg brengt.

Ook voor Mann zelf betekende het werken aan De Toverberg het uitwerken en veranderen van diep gewortelde opvattingen. De Eerste Wereldoorlog betekende onder andere een ommekeer in zijn wereldbeschouwelijke ontwikkeling, van niet politiek geïnteresseerd tot conservatief democratisch liberaal. Dit blijkt in eerste instantie uit Betrachtungen eines Unpolitischen (1918), waarin hij zich aangetrokken toont tot de Duits-conservatieve cultuur, die berust op de romantiek van Eichendorff’s Taugenichts, Wagner, het nationale en de jeugd. In de jaren na 1918 trad Mann echter steeds meer uit zijn dichterlijke isolement, liet zijn conservatieve standpunten geleidelijk varen en werd meer en meer tot een strijdbaar humanist. Daarmee schaarde hij zich in eerste instantie ook achter de idealen van de Weimarrepubliek.

Mann’s innerlijke ideologische strijd tussen het conservatisme en het humanisme wordt in De Toverberg duidelijk weerspiegeld in de diepgravend filosofische, maar met veel humor gebrachte twistgesprekken tussen de personages Settembrini en Naphta.

De Toverberg verscheen in 1927 in een Nederlandse vertaling van C.J.E. Dinaux. De vertaling van Pé Hawinkels stamt uit 1975. In 2012 verscheen een vertaling door Hans Driessen.[1]

1924 - 1939, Lotte in Weimar[bewerken]

Thomas Mann in Hotel Adlon, 1929

In de late jaren twintig schreef Thomas Mann tal van belangrijke essays waarin hij zijn ideologische standpunten nader bepaalde. Met name trachtte hij Duitsland en Frankrijk nader tot elkaar te brengen. Daarbij toonde hij zich rond 1930 ook actief tegenstander van het opkomende nationaalsocialisme. In 1933 moest hij echter ervaren dat zijn humanistisch-liberale idealen tot niets hadden geleid en trok hij zich teleurgesteld weer voor jaren terug in zijn werk.

Vanaf 1933 woonde Thomas Mann regelmatig in Zwitserland, om in 1936 definitief te kiezen voor emigratie. Hij ging wonen in Zürich en gaf daar van 1937 tot 1940 het bekende emigrantentijdschrift Masz und Werth uit.

Toen Mann in de loop der jaren dertig merkte dat het nationaalsocialisme zich geleidelijk meester had gemaakt van zijn idealen, de jeugdliefde voor romantiek, Nietzsche en Wagner, greep hij eind jaren dertig steeds meer terug op de anti-romantische, klassiek-humanistische kracht van de Duitse traditie. Uiting daarvan is zijn mooie, erudiete maar ook licht spottende roman Lotte in Weimar (1939), waarin hij op basis van een enorme belezenheid en feitenkennis de ontmoeting beschrijft van de oud geworden Goethe en de eveneens oud geworden Lotte uit diens Werther.

Thomas Mann, 1949

1939 - 1955, Doctor Faustus, Felix Krull[bewerken]

Vanaf 1938 ontwikkelde Thomas Mann zich geleidelijk tot een energiek antifascist, die in toespraken en radiovoordrachten het “andere Duitsland” (klassiek, filosofisch) tegenover het nationaalsocialisme stelde. Deze houding bereikt in literaire zin haar hoogtepunt in een analyse van de fascistisch-demonische trekken van de Duitse aard in zijn roman Doctor Faustus (verschenen in 1947). In deze filosofische roman over de fictieve demonische componist Adrian Leverkühn, verkent Mann het idee dat toewijding aan de kunst kan verworden tot een contract met de duivel, waarmee hij zich tevens rekenschap tracht te geven van de romantisch-muzikale, maar tegelijkertijd nihilistische factoren binnen de Duitse traditie. In Doctor Faustus geeft Thomas Mann ook eens te meer blijk van zijn grote kennis van klassieke muziek.

Eind 1939 vertrok Thomas Mann met zijn vrouw en dochter Elisabeth naar de Verenigde Staten en in 1944 verwierf hij er het Amerikaans staatsburgerschap. De jaren na 1945 worden geestelijk en literair gekenmerkt door een zekere ontspanning. Op het diepgravende Doctor Faustus volgde bijvoorbeeld een roman als Felix Krull (1954), waarin het louter literaire en humoristische weer de overhand krijgen. Politiek gezien toont hij zich in deze jaren opvallend tolerant.

In 1952 keerden de Manns terug naar Zwitserland. Zij gingen weer wonen bij Zürich, aan het meer.

1955, overlijden, dagboeken[bewerken]

In juli 1955 verbleef Mann met zijn vrouw in Noordwijk aan Zee. Hij kreeg er pijn in zijn been en er werd trombose gediagnosticeerd. Hij keerde terug naar Zwitserland voor verdere behandeling, maar zijn toestand verslechterde (“het lijkt alsof ik het Toverberg-tijdperk weer ben ingetreden”, schreef hij aan Theodor W. Adorno). Hij stierf op 12 augustus 1955 te Zürich aan de gevolgen van arteriosclerose. Thomas Mann werd begraven in Kilchberg.

Twintig jaar na Manns dood, in 1975, verschenen zijn dagboeken (periodes 1918-1921 en 1933-1955). Zij geven niet alleen veel informatie die van belang is voor een begrip van zijn werk, maar ook een diepgaand beeld van de mens achter de schrijver. Mann blijkt een dikwijls gekweld persoon, voortdurend onderhevig aan irritaties en complexen. Aan de ene kant zien we hem gestaag aan zijn oeuvre bouwen, aan de andere kant vervalt hij vaak in gepieker over klein dagelijks ongemak. Ook worstelt hij met zijn (homo-)erotische belangstelling, die naar buiten verborgen moest blijven maar van binnen bleef branden.

Een ruime selectie van Manns dagboeken verscheen in drie delen in de reeks Privé-domein, in een vertaling van Paul Beers.

Bibliografie (selectie)[bewerken]

Der kleine Herr Friedemann (1898)
  • 1898 De kleine heer Friedemann
  • 1901: Buddenbrooks
  • 1903: Tonio Kröger en andere verhalen
  • 1903: Tristan
  • 1909: Koninklijke hoogheid
  • 1912: Der Tod in Venedig (Dood in Venetië)
  • 1918: Betrachtungen eines Unpolitischen
  • 1919: Baas en hond (in 2003 in het Ned. vertaald door Alfred Krans, in 1975 in het Ned. vertaald door Pé Hawinkels)
  • 1924: De Toverberg (in 2012 opnieuw in het Nederlands vertaald door Hans Driessen)
  • 1933-1943: Joseph und seine Brüder
  • 1939: Lotte in Weimar
  • 1940: De verwisselde hoofden: een Indische legende
  • 1944: De wet
  • 1947: Doctor Faustus. Het leven van de Duitse toondichter Adrian Leverkühn verteld door een vriend.
  • 1951: De uitverkorene
  • 1953: De bedrogene
  • 1954: Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull
  • 1975: Dagboeken

Literatuur[bewerken]

  • Margreet den Buurman: Schrijverschap tegen de vergankelijkheid (biografie), Soesterberg, 2010, ISBN 9059118766
  • Peter de Mendelssohn: Der Zauberer. Das Leben des deutschen Schriftstellers Thomas Mann. (biografie), Frankfurt
  • Joachim Fest: Die unwissenden Magier - Über Thomas und Heinrich Mann, Berlijn 1998, ISBN 3-442-75535-2.
  • Hans-Peter Haack: Erstausgaben Thomas Manns. Ein bibliographischer Atlas. Mitarbeit Sebastian Kiwitt, Antiquariat Dr. Haack, Leipzig 2011, ISBN 978-3-00-031653-1.
  • Thomas Mann: Duitsland heeft mij nooit met rust gelaten, Amerikaans dagboek 1940-1948 (Nederlandse vertaling van de originele Duitse dagboeken, Tagebucher 1940-1948 uitgegeven bij uitgeverij S.Fisher Verlag GmbH, Frankfurt am Main), Privé-domein (nr. 203), De Arbeiderspers, 1995, ISBN 90-295-3029-4/CIP.
  • Rob Riemen: Adel van de geest, een vergeten ideaal, Atlas, 2009, ISBN 978-90-450-1732-7.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties