Albert Camus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nobelprijs voor de literatuur, 1957 Albert Camus
Albert Camus in 1957
Albert Camus in 1957
Algemene informatie
Geboren Mondovi, 7 november 1913
Overleden Villeblevin, 4 januari 1960
Land Frankrijk
Werk
Stroming Absurdisme
Bekende werken De vreemdeling (1942), De pest (1947)
Franstalige schrijvers
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Albert Camus (Mondovì, Algerije, 7 november 1913Villeblevin, 4 januari 1960) was een Frans filosoof, journalist en schrijver van romans, essays en toneelstukken. Hij ontving in 1957 de Nobelprijs voor de Literatuur.

Camus wordt vaak naast Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir als een van de leidende figuren van het existentialisme beschouwd, maar hij weigerde het label 'existentialisme' pertinent.[1] Zijn denken verschilt van dat van Sartre waar het de aard van het bestaan betreft: bij Camus staat het lichamelijke centraal, waar Sartre zich meer op het intellectuele bestaan toelegde.

Jonge jaren[bewerken]

Camus werd geboren in een Frans-Algerijns (pied noir) gezin. Zijn moeder, Catherine Sintes, was van Spaanse afkomst. Vader Lucien sneuvelde in de Slag bij de Marne in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog. Camus leefde in armoedige omstandigheden tijdens zijn jeugd in Algiers.

In 1923 werd Camus toegelaten tot een lyceum en uiteindelijk tot de Universiteit van Algiers. In 1930 kreeg hij tuberculose, hetgeen een eind maakte aan zijn voetbalcarrière (hij was keeper van het universiteitsteam) en hem dwong zijn studies in deeltijd voort te zetten. Camus nam allerlei baantjes aan, onder meer als privéleraar en automonteur en bij het Meteorologisch Instituut. Hij volbracht zijn licence de philosophie in 1935; in mei 1936 presenteerde hij succesvol zijn scriptie over Plotinus, Néo-Platonisme et Pensée Chrétienne voor zijn diplôme d'études supérieures.

Camus werd lid van de Franse Communistische Partij in 1934, waarschijnlijk meer omdat hij bezorgd was over de politieke situatie in Spanje (die uiteindelijk zou leiden tot de Spaanse Burgeroorlog) dan dat hij de Marxistisch-Leninistische doctrine verdedigde. De onafhankelijk denkende Algerijnse Communistische Partij (PCA) werd in 1936 opgericht. Maar Camus deed mee met de activiteiten van de Parti du Peuple Algérien (PPA), waardoor hij in de problemen kwam met zijn kameraden van de communistische partij. Het resultaat was dat hij van trotskisme werd beschuldigd en in 1937 uit de partij werd gezet.

Hij trouwde in 1934 met Simone Hié, die verslaafd was aan morfine. Ze scheidden wegens wederzijdse ontrouw. In 1935 richtte hij het Théâtre du Travail op (in 1937 omgedoopt tot Théâtre de l'Equipe) op, dat standhield tot 1939. Van 1937 tot 1939 schreef hij voor de socialistische krant Alger-Républicain, onder meer een stuk over de armoedige woonomstandigheden van de Berbers in Kabylië, wat hem waarschijnlijk zijn baan kostte.[bron?] Van 1939 tot 1940 schreef hij kort voor een vergelijkbare krant, Soir-Républicain. Hij was uit het Franse leger ontslagen vanwege zijn ziekte.

In 1940 trouwde Camus met Francine Faure, een pianiste en wiskundige, die ook betrokken was in het Manhattanproject, en begon hij te werken voor het tijdschrift Paris-Soir. In de eerste fase van de Tweede Wereldoorlog was Camus een pacifist. Hij maakte in Parijs de bezetting door de Wehrmacht mee, en was op 19 december 1941 getuige van de executie van Gabriel Péri, wat naar eigen zeggen zijn opstandigheid tegen de Duitsers kristalliseerde. Daarna verhuisde hij met de rest van de werknemers van Paris-Soir mee naar Bordeaux in 1942.

Literaire loopbaan[bewerken]

Albert Camus

In 1935 begon hij te schrijven aan L'Envers et l'endroit. In 1941 voltooide hij zijn eerste gepubliceerde werken De vreemdeling en De mythe van Sisyphus, waarin hij existentialistische ideeën invoerde. Niet lang daarna keerde hij korte tijd terug naar Oran. Tijdens de Duitse bezetting voegde Camus zich bij een Franse verzetsgroepering genaamd Combat, die in het geheim een krant publiceerde met dezelfde naam. In die tijd kreeg Camus de bijnaam "Beauchard". Camus werd in 1943 redacteur van de krant. Toen de geallieerden Parijs bevrijdden, werd Camus geïnformeerd over de laatste gevechten. Hij verliet Combat in 1947, toen het een commerciële krant werd, en kwam in contact met Jean-Paul Sartre.

Na de oorlog maakte Camus deel uit van Sartres omgeving en bezocht hij regelmatig Café de Flore op de Boulevard St. Germain in Parijs. Camus toerde ook door de Verenigde Staten om lezingen te houden over het Franse existentialisme. Hoewel hij politiek links georiënteerd was, kreeg hij geen vrienden in de communistische partijen met zijn zware kritiek op de communistische stalinistische doctrine en vervreemdde hij uiteindelijk ook van Sartre met wie hij in 1952 brak.

Toen in 1949 zijn tuberculose terugkeerde, leefde hij 2 jaar in afzondering. In 1951 publiceerde hij L'Homme révolté, (De mens in opstand), een filosofische analyse van opstand en revolutie, waarmee hij zijn afkeer van het communisme verduidelijkte. Het boek zorgde voor veel controverse onder zijn collega's en tijdgenoten in Frankrijk en leidde tot de uiteindelijke breuk met Sartre. De kritische ontvangst maakte hem depressief en hij begon toneelstukken te vertalen.

Camus' kenmerkende bijdrage aan de filosofie was zijn idee van het absurde, dat inhield dat het leven geen betekenis of bedoeling heeft. Hij legt dit uit in De mythe van Sisyphus en nam het op in vele van zijn andere werken. Sommigen vinden dat Camus beter omschreven kan worden als een absurdist dan een existentialist.

In de jaren vijftig spande Camus zich in voor de rechten van de mens. In 1952 stopte hij echter met zijn werk voor UNESCO wegens de toelating tot de VN van het door de dictator Generaal Franco geleide Spanje. In juni 1953 was hij een van de weinige linkse intellectuelen die de methodes van de Sovjet-Unie bij het neerslaan van de arbeidersopstand in Oost-Berlijn bekritiseerden. In 1956 protesteerde hij tegen de nog veel ergere praktijken bij de opstand in Hongarije. Hij handhaafde zijn pacifisme en verzette zich tegen de doodstraf overal in de wereld.

Het begin van de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog in 1954 leidde tot een moreel dilemma voor Camus. Hij identificeerde zich aanvankelijk met de pied-noirs, zoals de Europese kolonisten genoemd werden, omdat hij er zelf een geweest was, en verdedigde de Franse regering. Deze zag Algerije niet als een van de vele koloniën, maar als een overzees Frans grondgebied. De opstand zou een integraal deel zijn van een nieuw Arabisch imperialisme, dat door Egypte werd geleid en als een anti-westers offensief werd gesteund door de Sovjet-Unie om Europa te omsingelen en van de Verenigde Staten te isoleren.[bron?] Hoewel Camus een grotere Algerijnse autonomie of zelfs federatie goedkeurde, al dan niet in volledige onafhankelijkheid, geloofde hij dat de pied-noirs en de Arabieren in vrede konden samenleven. Tijdens de oorlog bepleitte hij een bestand dat de burgers zou sparen, maar dat door beide partijen als onzin werd verworpen. Hij werkte heimelijk voor gevangengenomen Algerijnen die de doodstraf onder ogen zagen.

Van 1955 tot 1956 schreef Camus voor het magazine L'Express. In 1957 werd hem de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend, officieel niet voor zijn roman La Chute (De val), het voorafgaande jaar gepubliceerd, maar voor zijn schrijven tegen de doodstraf in het essay Réflexions sur la Guillotine (de guillotine werd destijds in Frankrijk nog gebruikt.) Toen hij met studenten van de Universiteit van Stockholm sprak, verdedigde hij zijn duidelijke inactiviteit in het Algerijnse vraagstuk en verklaarde dat hij ongerust was over wat er met zijn moeder kon gebeuren die nog in Algerije leefde. De Franse linkse intellectuelen gebruikten dit als een ander voorwendsel om hem te verketteren.

Zijn grafsteen

Camus overleed op 46-jarige leeftijd toen hij begin 1960 in een Facel Vega FV3B terugkwam van zijn landgoed in Lourmarin. De auto, bestuurd door zijn vriend Michel Gallimard (neef van de uitgever Gaston Gallimard) verongelukte, waarbij Camus en Gallimard om het leven kwamen. Camus werd begraven op de begraafplaats van Lourmarin, Vaucluse, Provence-Alpes-Côte d'Azur, Frankrijk. Zijn nalatenschap wordt beheerd door zijn twee kinderen, Catherine en Jean, die de auteursrechten van zijn werk hebben.

Eind 2009 drukte de Franse president Nicolas Sarkozy de wens uit om de stoffelijke resten van Camus over te brengen naar het Panthéon, maar het voorstel veroorzaakte controverse in Frankrijk en het blijft wachten op de toestemming van Camus' nabestaanden.

Absurdisme[bewerken]

Camus wordt over het algemeen gezien als de grondlegger van het absurdisme, een filosofie die gerelateerd is aan het existentialisme. Volgens het absurdisme zijn mensen fundamenteel irrationeel en is het menselijk lijden het resultaat van vergeefse pogingen door individuen om rede of betekenis in een redeloos en zwijgend universum te vinden.

Camus beweerde dat de enige ware filosofische vraag die van zelfmoord was. Namelijk: zouden wij ons intensief bezig moeten houden met het leven of zouden wij ons eenvoudigweg moeten doden? Camus beargumenteerde dat historisch gezien de meeste mensen ofwel geloofd hebben dat het leven zonder betekenis is en concludeerden ten gunste van zelfmoord, of een soort kunstmatige betekenis zoals godsdienst gecreëerd hebben om hun leven te vullen. Camus beweert dat er ook een derde optie is: wij kunnen ons realiseren dat het leven zonder betekenis is en niettemin onszelf in leven houden. Mensen die voor deze derde optie kiezen zijn absurde helden.

De Rebel, de Don Juan en de Artiest zijn drie figuren die Camus identificeert als absurde helden. Elk van deze mensen vindt betekenis in zijn of haar bezigheden/leven. Zij leven zo het voorbeeld van het Grieks mythologische figuur Sisyphus, die werd veroordeeld tot het voor eeuwig omhoog rollen van een kei op een heuvel, volledig bewust van het feit dat de kei simpelweg weer naar beneden zou vallen zodra hij zijn taak schijnbaar had beëindigd. Maar toch is Sisyphos gelukkig, want terwijl de steen naar beneden rolt, heeft hij weer heel even de tijd om zich ervan bewust te zijn dat hij sterker is dan zijn rotsblok. .[2]

Werken[bewerken]

Romans[bewerken]

  • 1937 - Keer en tegenkeer (Envers et l'endroit)
  • 1942 - De vreemdeling (L'Étranger)
  • 1947 - De pest (La Peste)
  • 1956 - De val (La Chute)
  • 1970 - De gelukkige dood (La Mort heureuse) (eerdere versie van De Vreemdeling, postuum gepubliceerd)
  • 1995 - De eerste man (Le premier homme) (onaf, postuum gepubliceerd)

Korte verhalen[bewerken]

  • 1957 - Koninkrijk en ballingschap (L'exil et le royaume)
  • 1959 - De gast (L'Hôte)

Toneel[bewerken]

Non-fictie[bewerken]

  • 1936 - Révolte dans les Asturies. In samenwerking.
  • 1939 - Noces, essays en schetsen
  • 1942 - De mythe van Sisyphus (Le Mythe de Sisyphe)
  • 1947 - Réflexions sur la Guillotine
  • 1948 - Lettres à un ami allemand onder pseudoniem Louis Neuville
  • 1950 - Actuelles I, Chroniques 1944-1948
  • 1953 - Actuelles II, Chroniques 1948-1953
  • 1951 - De mens in opstand (L'homme révolté)
  • 1954 - L'été (Essay, De zomer)
  • 1957 - Réflexions sur la peine capitale, met Arthur Koestler
  • 1958 - Chroniques algériennes, Actuelles III, 1939-1958
  • 1962 - Carnets I, mai 1935-février 1942
  • 1964 - Carnets II, janvier 1942-mars 1951

Noten

  1. Camus's critiques of existentialism Engelstalige tekst met Franstalige citaten, in de noten vertaald.
  2. "C'est pendant ce retour, cette pause, que Sisyphe m'intéresse. Un visage qui peine si près des pierres est déjà pierre lui-même. Je vois cet homme redescendre d'un pas lourd mais égal vers le tourment dont il ne connaîtra pas la fin. Cette heure qui est comme une respiration et qui revient aussi sûrement que son malheur, cette heure est celle de la conscience. A chacun de ces instants, où il quitte les sommets et s'enfonce peu à peu vers les tanières des dieux, il est supérieur à son destin. Il est plus fort que son rocher."

Boeken over Camus

Externe links

Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Albert Camus.