William Wallace

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
William Wallace
William Wallace.jpg
Geboren circa 1272
Elderslie
Overleden 23 augustus 1305
Londen
Land/partij Koninkrijk Schotland Koninkrijk Schotland
Slagen/oorlogen Eerste Schotse Onafhanklijkheidsoorlog
Slag bij Stirling Bridge

William Wallace van Ellerslie (Elderslie (bij Paisley (Schotland)), circa 1272 - Londen, 23 augustus 1305) was een Schotse patriot die zijn land leidde tegen de Engelse bezetting en tegen koning Eduard I van Engeland tijdens delen van de Schotse oorlog voor de onafhankelijkheid van Schotland.

Levensloop[bewerken]

William Wallace was een lid van een lagere adellijke familie, maar weinig is bekend van zijn familie achtergrond of zelfs zijn afkomst. Het 15e eeuwse gedicht van Blind Harry benoemd zijn vader als Sir Malcolm of Elderslie, echter werd Williams eigen zegel terug gevonden in de archieven van de Hanse stad Lübeck, daterend uit 1297, daar word zijn vaders naam genoemd als Alan Wallace. Deze Alan Wallace kan mogelijk dezelfde naam zijn die genoemd word in de uit 1296 stammende Ragman Rolls, daar komt hij voor als koninklijk gezant in Ayrshire, maar verdere gegevens ontbreken. Blind Harry's benoeming dat William de zoon was van Sir Malcolm of Elderslie hebben gesuggereerd dat de geboorteplaats van William Elderslie in Renfrewshire is. Er is verder geen bewijs gevonden dat hem met een andere geboorteplek linkt, al worden twee locaties gelinkt aan familie leden van de Wallace-clan. Geschriften die gevonden zijn van eerdere Wallace afstammelingen noemen bezittingen in Riccarton, Tarbolton en Auchincruive in Kyle en Stenton in Haddingtonshire. Ze waren meestal vazallen van James Stewart (High Stewart van Schotland), omdat hun landen onder zijn gezag vielen. Broers van William als Malcolm en John komen in andere bronnen voor.

Toen Wallace opgroeide was Alexander III van Schotland heerser van het land. Zijn regeerperiode kende een rustige en economische stabiliteit. Op 19 maart 1286 overleed Alexander III echter, na een val van zijn paard. De opvolger voor de troon was Alexander's kleindochter Margaretha, de maagd van Noorwegen. Ze was echter nog te jong en in Noorwegen om het land te leidde, waarna de Schotse adel een bestuur van 'beschermheren' oprichtte. Margaretha voelde zich ziek op haar reis naar Schotland en overleed op Orkney op 26 september 1290. Het gebrek aan erfopvolging, leidde tot een periode van onrust onder de bevolking, met daarbij vele adelijke familie's die elkaar de troon van Schotland betwiste. Schotland dreigde in een burgeroorlog te raken, waarna de Schotse adel de koning Edward I van Engeland uitnodigde in Berwick-Upon-Tweed voor bemiddeling. Voordat de bemiddeling kon beginnen, eiste Edward I als 'Lord Paramount van Schotland' erkent te worden. In het begin van november 1292 werd besloten dat uit een meerderheid van de adel, dat John Balliol de sterkste claim tot het koningschap leek te hebben. Edward I begon echter de adel van Schotland te dwarsbomen en nodigde John Balliol uit aan het Engelse hof om de koning te erkennen als zijn heerser. John bleek een zwakke Schotse koning te zijn en erkende Edward in maart 1296 als zijn koning, vervolgens liet Edward de grensstad Berwick-upon-Tweed plunderen en moest John Balliol aftreden als Schotse koning.

De eerste beschreven actie van Wallace na het aftreden van John Balliol was de moord op William Heselrig, de Engelse hofgezant in Lanark in mei 1297. Hij sloot zich daarna aan bij William the Hardy, heer van Douglas en legde zich op plunderingen rond en in Scone. Dit was een onderdeel van vele rebelse akties binnen Schotland, inclusief die van andere adellijke heren in het noorden van Schotland zoals Andrew Moray. De opstand leek te stoppen toen de Hoge Schotse adel zich onderworpen aan de Engelse in Irvine in juli. Wallace en Moray waren hier echter niet bij betrokken en gingen vervolgens door met hun opstand. Wallace gebruikte het Ettrik bos als uitgangspunt van plunderingen en viel onder andere het paleis van bisschop Wishart aan in Ancrum. Wallace bond zijn strijdkrachten samen met die van Moray en samen begonnen ze het beleg van Dundee in het begin van september.

Beeld van William Wallace bij de ingang naar Kasteel Edinburgh

Op 11 september 1297 vond de Slag bij Stirling Bridge plaats Wallace en Andrew Morray sloten met hun mannen bij een klein Schots leger aan en behaalde onverwachts de overwinning op de Engelse overmacht onder leiding van John de Warenne en Hugh de Cressingham. Rond november ging Wallace plundertochten houden in Noord-Engeland, zoals in Northumberland en Cumberland. Wallace werd kort daarna tot ridder geslagen en kreeg de titel 'beschermheer van Schotland'. In april 1298 besloot Edward I van Engeland tot een nieuwe Schotse invasie, ze plunderde Lothian en kregen diversen kastelen in bezit, maar Wallace werd niet gevangen. Op 22 juli 1298 kwam het tot de Slag bij Falkirk, Edward I van Engeland versloeg Wallace dit keer, maar Wallace wist te ontsnappen. Rond september gaf Wallace zijn titel van 'beschermheer van Schotland' op en namen Robert de Bruce, de graaf van Carrick en de toekomstige koning, en John III Comyn, de neef van John Balliol zijn functie over. Wat er tussen september 1298 en begin 1305 verder met Wallace gebeurd is, blijft vaag en er zijn slechts speculaties over zijn verdere acties.

Gevangenschap & dood[bewerken]

Op 5 augustus 1305 werd hij door een aan de Engelse koning loyale Schotse ridder aan de Engelsen uitgeleverd. Hij werd veroordeeld voor hoogverraad en de executie van burgers en gevangenen. Wallace zei daarop: "I could not be a traitor to Edward, for I was never his subject" (Ik kan geen verrader van Eduard zijn, want ik was nooit zijn onderdaan), Wallace was namelijk nog altijd trouw aan John Balliol (koning van Schotland), ondanks dat deze door de Engelsen gedwongen was af te treden en in Frankrijk in ballingschap was.

Op 23 augustus 1305 werd Wallace in Londen ter dood veroordeeld. Eerst werd hij gemarteld; hij werd opgehangen en vlak voor het intreden van de dood omlaag gehaald. Daarna werd hij gecastreerd, opengesneden en ontdaan van zijn ingewanden, welke met zijn geslachtsorgaan voor zijn ogen verbrand werden. Daarna werd het hart uit het lichaam gehaald. Tot slot werd hij onthoofd en gevierendeeld. Deze stukken werden naar alle uithoeken van het Engelse rijk gestuurd als waarschuwing niet in opstand te komen tegen het Engelse gezag. Zijn hoofd werd op een spies bij de toegang van de London Bridge geplaatst; een voor die tijd gebruikelijke methode om gezag af te dwingen.

In fictie[bewerken]

In de film Braveheart (1995), over de brute onafhankelijkheidsstrijd van de Schotten in de 13e eeuw tegen de Engelsen, vertolkt Mel Gibson de rol van William Wallace. Hij regisseerde en produceerde tevens deze film. De film is een geromantiseerde versie van het gedicht The Acts and Deeds of Sir William Wallace, Knight of Elderslie, geschreven door de 15e-eeuwse minstreel, Blind Harry. Dit gedicht was weer gebaseerd op het levensverhaal van William Wallace. Sir William Wallace was niet zoals in de film wordt beweerd een soort boer van lage komaf. Hij was wel degelijk van adel.

Zie ook[bewerken]

Bibliografie & Referenties[bewerken]

  • Barrow, G.W.S. (1989), Kingship and Unity: Scotland 1000-1306, The New History of Scotland 2 (2nd ed.) Edinburgh University Press, ISBN 0-7486-0104-X, 4th edition (2005)
  • Brown, Michael (2004), The Wars of Scotland 1214-1371, The New Edinburgh History of Scotland 4, Edinburgh University Press, ISBN 0-7486-1238-6

Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) vertaald vanaf de Engelstalige Wikipedia, die onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.