Geschiedenis van Europa

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geschiedenis van de wereld

Theatrum Orbis Terrarum



Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

Dit artikel is een overzicht van de (menselijke) geschiedenis van het werelddeel Europa. Deze valt ruwweg chronologisch in te delen in de prehistorie, de klassieke oudheid, de middeleeuwen, de nieuwe tijd, de moderne tijd en de eigentijdse tijd.

Een Europese economische eenheid bestond in de oudheid in de vorm van het Romeinse handelsnetwerk; dit besloeg echter vooral het zuidelijke deel van het continent. Vanaf de middeleeuwen is een groeiende culturele eenwording waar te nemen, die hand in hand ging met de verspreiding van het christendom over het gehele continent; dit verdrong langzaamaan vrijwel alle andere religies, zij het dat het noordelijk deel veel langer aan de oude cultus[1] vasthield. Een mate van economische eenheid, vergelijkbaar met die in Romeinse tijden, werd pas weer bereikt in de 16e eeuw met de opkomst van het kapitalisme. Desondanks werd Europa nooit een staatkundige eenheid en was het getuige van bloedige strijd, die zijn dieptepunt vond in de Eerste en Tweede Wereldoorlog, beide Europese conflicten die zich over de aardbol verspreidden.

Vanaf de 16e eeuw begonnen Europese koloniale mogendheden andere delen van de wereld te overheersen, een overheersing die leidde tot een Europese hegemonie op het wereldtoneel in de 19e eeuw. In de wetenschappelijke- en industriële revoluties ontstane nieuwe ideeën en technieken konden door deze hegemonie vanuit Europa over de rest van de wereld worden verspreid.

De opkomst van de Verenigde Staten (van oorsprong een Europese kolonie) en de Sovjet-Unie (die deels in Europa lag) en de twee wereldoorlogen verdeelden het continent in de tweede helft van de 20e eeuw grofweg in twee gescheiden economisch-politieke blokken. Tegelijkertijd begon een groeiende groep landen door middel van economische en politieke samenwerking aan een proces dat de Europese eenwording wordt genoemd, vanuit de wens verdere oorlogen te voorkomen.

Inhoud

Pre- en protohistorie[bewerken]

De prehistorie (de tijd voor de geschiedschrijving) wordt ingedeeld in grofweg: steentijd (vanaf 2 miljoen jaar terug tot ca. 5.000 jaar geleden), bronstijd (vanaf ca. 3.000 v.Chr. tot 1.200 jaar voor onze jaartelling) en wordt dan gevolgd door de protohistorische ijzertijd. In noordelijk Europa begon de ijzertijd pas rond 800 voor onze jaartelling.

Het vroegste, met zekerheid te dateren, materiaal afkomstig van mensachtigen in Europa stamt uit Isernia La Pineta in het zuiden van Italië, waar stenen werktuigen en dierlijke beenderen werden gedateerd op ongeveer 730.000 v.Chr. De mensensoort die daar leefde werd door de archeologen Homo Aeserniensis gedoopt. Tegen 375.000 v.Chr. waren de meeste gebieden, behalve Scandinavië, de Alpen en het noorden van Eurazië bewoond.

Steentijd[bewerken]

De geschiedenis van Europa begint met de komst van de mens, of een voorloper daarvan. De eerste periode in de geschiedenis van Europa is de steentijd. In de steentijd maakte de mens gebruiksvoorwerpen van steen, maar waarschijnlijk ook van hout, hoorn en been. De steentijd wordt ingedeeld in 'oude steentijd' (Paleolithicum) en 'nieuwe steentijd' (neolithicum). Daartussenin geldt vooral voor noordelijk Europa een 'tussensteentijd' (Mesolithicum).

Paleolithicum[bewerken]

In het Paleolithicum, ook de oude steentijd genoemd, kwamen de Homo erectus en de neanderthalers Europa binnen. De oudste menselijke resten zijn ongeveer twee miljoen jaar oud: Homo georgicus.[2] Schedels en zelfs hele geraamtes van de voorhistorische mens werden in heel Europa ontdekt. Hij maakte hier twee ijstijden door, waarna de Homo sapiens Europa rond 35.000 v.Chr. zou bereiken.[3] In Zuid-Europa brengt de Homo sapiens grotschilderingen aan en maakt beeldhouwwerken, waarvan de Venus van Laussel in de Dordogne het bekendste is.

Er zijn aanwijzingen dat Neanderthaler en Homo Sapiens een tijdlang samen zijn voorgekomen. Er bestaat geen bewijs dat Neanderthaler en Homo sapiens samen nakomelingen hebben verwekt en de meeste wetenschappers wijzen de theorie dat vermenging tussen de twee soorten zou hebben plaatsgevonden af. Als er al uitwisseling van genen heeft plaatsgevonden tussen de twee soorten, is dat op zeer beperkte schaal, met nauwelijks evolutionaire effect.[4]

Mesolithicum[bewerken]

Het Mesolithicum (middensteentijd) is de aanduiding voor de cultuurperiode in Noordelijk Europa die begint na het aflopen van de laatste ijstijd ca. 10.500 v.Chr. en eindigt wanneer een samenleving overschakelt op landbouw en veeteelt en tal van nieuwe technologieën ontwikkelt of overneemt (neolithicum). Jagen, vissen en verzamelen waren de middelen van bestaan van de mensen in Mesolithische culturen, die doorgaans als rondtrekkende jagers-verzamelaars leefden; nederzettingen zijn zeldzaam en meestal tijdelijk. Vondsten uit het Mesolithicum tonen aan dat steenbewerkingstechnieken verfijnder werden en dat magisch-religieuze gebruiken veelvuldiger voorkwamen.

Neolithicum[bewerken]

Europa in het late neolithicum.

In het neolithicum, de nieuwe steentijd, bestond er niet zoiets als één cultuur in Europa. Er waren, in het algemeen matrilineaire, samenlevingsvormen van plaatselijke volksstammen, die soms enige samenhang vertoonden, waardoor er van een "cultuur" sprake kon zijn. Het neolithicum begon in Centraal-Europa al in het 6e millennium v.Chr., terwijl het omwille van de zich terugtrekkende ijstijd pas duizend jaar later in Noord-Europa zou aanbreken.

Na het einde van de ijstijd leefden de mensen in het noorden van Europa nog lange tijd overwegend van jagen en verzamelen. Meer in het zuiden van Europa begon het neolithicum - gekenmerkt door de overgang op landbouw en veeteelt - al vroeg. De eerste vaste huizen die zijn gevonden, bij Sesklo in Griekenland, dateren uit het 7e millennium v.Chr.: de Sesklocultuur.

Bronstijd[bewerken]

Na de steentijd volgde rond 3000 v.Chr. de bronstijd, al begon die niet overal op hetzelfde moment. In Midden-Europa en Anatolië was er tussen de nieuwe steentijd en de bronstijd nog een kopertijd. Brons verving vanuit Zuid-Europa geleidelijk vuursteen als belangrijkste materiaal voor gereedschap en wapens en werd ook gebruikt voor sieraden.

In de bronstijd zagen de eerste beschavingen het licht. Op de Cycladen kwam de Cycladische beschaving tot bloei. De eerste geletterde beschaving in Europa die we op dit moment kennen is de Minoïsche beschaving op Kreta, die daar ontstond rond 3000 v.Chr.[7] Daar werd het Lineair A ontwikkeld. De sedentaire culturen rond het Middellandse Zeegebied breidden naar alle kanten even snel uit en behielden Kreta als centrum. Het was daar een intens centrum van handelsverkeer over zee met de Cycladen, Anatolië, Mesopotamië, het Oude Egypte en, via het eerste Suezkanaal (dat van oost naar west liep en de Nijl verbond met de Rode Zee) ook met het Verre Oosten via Elam tot de bloeiende Indusbeschaving toe.

Rond 2200 v.Chr. kwamen de Indo-Europeanen vanuit hun stamgebied in de Oekraïne Europa binnen. Zo'n twee eeuwen later splitsten zij op in afzonderlijke volkeren en trok een westelijke groep richting Balticum (later bekend als de Letten en Litouwers). Een subgroep trok nog westelijker en vestigde zich in Centraal-Europa (de latere Italiërs, Germanen, Slaven en Kelten). Na ca. 1900 v.Chr. begonnen enkele Indo-Europese stammen die zich in Griekenland hadden gevestigd, die samen de Achaeërs worden genoemd, een Griekse identiteit te vormen.

Rond 1800 v.Chr. begon de kolonisatie van West-Europa door de (nog altijd mysterieuze) Liguriërs. Zij kwamen ofwel voort uit de klokbekercultuur in de regio, ofwel waren dit Indo-Europeanen uit Zuid-Rusland die lang vóór de uittocht van de andere Indo-Europeanen naar westelijk Europa trokken.

Voor 1600 v.Chr. hadden de Achaeërs het schiereiland Peloponessus bereikt en er de Pelasgen de oorspronkelijke voor-Griekse bevolking onderworpen. Voortaan zouden de Achaeërs de Myceners genoemd worden. De Myceners woonden aanvankelijk naast de Minoïsche en Cycladische beschaving en ze zouden veel van de oorspronkelijke bewoners van Griekenland overnemen. De Myceners waren echter een krijgsvolk, ze woonden in burchten, vestingen boven op akropolissen. Hun rijk bestond uit verschillende kantons en sub-kantons met elk een eigen hoofdplaats, en een hiërarchie geleid door een militaire aristocratie. De Myceners leefden vooral van landbouw en veeteelt, handel maar ook plunderingen van buurvolken. Zo kwamen zij in conflict met de Minoïsche beschaving. Ze hebben veel op het eiland Kreta geplunderd en waren verantwoordelijk voor de ondergang van deze beschaving, die ergens in de 14e of 15e eeuw v.Chr. plaats vond, al namen zij er veel van over. De Myceners zouden tegelijk de Cycladische beschaving ten val brengen. Tussen 1400 en 1200 v.Chr. kende het Myceense rijk een periode van expansie en had het door intensief scheepvaartverkeer zijn invloed in het oostelijke deel van de Middellandse Zee en tot in Italië vergroot. In dit hele gebied hadden de Myceners handelscontacten met andere volken; plunderen deden ze daarnaast nog steeds. De Myceners werden tussen 1200 en 1000 v.Chr. door de eveneens Griekse Doriërs onderworpen, waarmee de Griekse klassieke oudheid begon.

De Fenicische en Filistijnse handelaars, ook wel 'Zeevolken' genoemd, betrokken bij de uitwisseling van goederen en cultuurelementen ook Spanje en Portugal, en zelfs het zuiden van Engeland. Ook te land was er vanouds de 'Zijderoute' die zorgde voor uitwisseling van goederen, personen en cultuur met India en verder verwijderde streken in Azië.

IJzertijd[bewerken]

Na de bronstijd volgde de ijzertijd. Deze begon in Europa niet overal op hetzelfde moment. In West-Europa was dat pas rond de 8e eeuw v.Chr., in Zuid-Europa was dat al 400 jaar eerder. De uitvinding van de ijzerbewerking wordt wel toegeschreven aan de Doriërs maar was al eerder ontwikkeld in Anatolië en Noord-Syrië. Wat het gebruik van ijzer lange tijd bemoeilijkte, is dat het in tegenstelling tot koper weinig als zuiver metaal, dus in gedegen vorm voorkomt. Oorspronkelijk kende men alleen het gebruik van het zeldzame meteoritisch ijzer, en het smeltpunt van ijzer ligt aanzienlijk hoger dan dat van koper. Het duurde lang voordat men leerde het ijzer uit zijn erts vrij te maken. Daarna verdrong dit metaal al snel het gebruik van brons, omdat het op veel meer plaatsen kon worden gevonden dan koper. Bovendien is het sterker en harder dan koper, wat vooral voor de wapenfabricage een voordeel is. De gevestigde machtsgroepen, die tot dan het gebruik van koper en tin hadden beheerst, kregen steeds meer concurrentie van min of meer losse groeperingen en benden, die vaak als huurlingen voor nieuwe leiders optraden. De oude aristocratische orde verloor hierdoor steeds meer macht.

Griekenland[bewerken]

IJzerbewerking woei naar Griekenland over vanuit Cyprus, waar voorheen reeds de koperontginning en -bewerking hoogtij had gevierd. Pas in 900 v.Chr., 300 jaar na het begin van de IJzertijd in Griekenland was de techniek echter overal in Griekenland goed bekend en benaderden ijzeren voorwerpen de kwaliteit die bronzen voorwerpen 300 jaar eerder kenmerkten. De Myceense beschaving werd, samen met andere beschavingen aan de Middellandse Zee verwoest tijdens de brandcatastrofe. De Doriërs drongen met hun ijzeren wapens door naar Peloponnesos. Dit zou het begin zijn van de Duistere eeuwen, die rond 800 v.Chr. gevolgd zouden worden door de archaïsche periode, waarin de meest typische staatsvorm van Hellas zich ontwikkelde: de polis.

In verscheidene stadstaatjes namen tirannen de macht in handen. Vaak stonden ze aan de kant van het gewone volk tegenover de aristocratie en bereidden ze een democratische regeringsvorm voor. Er groeide een rivaliteit tussen de zeemogendheid Athene, die de Delisch-Attische Bond voorzat en overheerste, en de landmogendheid Sparta, die op haar beurt de Peloponnesische Bond voorzat en overheerste. Het is waarschijnlijk dat er in de Archaïsche periode een bevolkingsgroei heeft plaatsgevonden. Er werd nieuwe landbouwgrond ontgonnen en er kwam een grote variëteit aan gewassen, waardoor vee steeds minder belangrijk werd. Ook waagden de Grieken zich in navolging van de Feniciërs steeds meer op zee om in hun levensonderhoud te voorzien. De dorpen groeiden uit tot steden. De meeste stadsbewoners waren boeren, die hun land buiten de stad hadden liggen.

Van de 8e eeuw tot de 6e eeuw begonnen de Grieken de kusten van de Middellandse Zee en de Zwarte Zee te koloniseren. Het was een uitlaatklep voor de bevolkingsgroei en de oplossing voor interne conflicten binnen de stedelijke elites. Het schiep de mogelijkheid voor een bedreigde groep om een nieuw bestaan op te bouwen. bevorderde de Griekse handel, scheepvaart, kennis van de geografie en ruimdenkendheid. Het woord kolonisatie is misleidend. De Griekse kolonie was niet een wingewest, maar een nieuwe onafhankelijke polis.

De Grieken ontwikkelden de filosofie en dan vooral de natuurfilosofie. Er werd nagedacht over hoe de natuur in elkaar zou moeten steken, en er werden veelal natuurfilosofische discussies gehouden. Er werden weinig experimenten uitgevoerd om te controleren of de gevonden beweringen op waarheid berustten, in tegenstelling tot later in de West-Europese ontwikkeling van de wetenschap, waar dit testen aan de werkelijkheid standaard zou worden. Aan deze aversie tegen het praktische en empirische werk lagen wellicht ten grondslag dat de Grieken die konden lezen en schrijven sowieso weinig ophadden met handenwerk, aangezien dat werd geassocieerd met slavenwerk. Verder bestond het idee dat de natuur een evenwicht was, en dat bevindingen die je deed wanneer je de natuur uit haar evenwicht bracht, niet noodzakelijkerwijs ook zouden gelden wanneer de natuur in evenwicht zou zijn gebleven. Als grondleggers van de Griekse filosofie worden de Zeven Wijzen genoemd, al is het niet precies duidelijk wie er tot de Zeven Wijzen behoorden. Grote Griekse filosofen die later kwamen zijn Plato en zijn leerling Aristoteles.

Verspreiding Kelten over Europa
1: Oorsprongsgebied ten noorden van de Alpen
L: La Tène
H: Hallstatt
2: Grootste verspreiding in ongeveer 400 v.Chr.
B: Britse eilanden
G: Galatië in Klein-Azië
I: Iberisch Schiereiland

Kelten[bewerken]

Tegen 800 v.Chr. ontstond de Hallstatt-cultuur in het oosten van de Alpen, wat het begin zou zijn van de Keltische beschaving, een cultuur met veel gemeenschappelijke elementen. De Kelten maakten gebruik van prehistorische bouwwerken (nemetonen) en heilige bomen om er hun feestelijkheden te houden en hun religie te bedrijven.

De Keltische cultuur breidde zich uit over West-Europa en onderhield aanvankelijk goede handelsbetrekkingen met het Oude Griekenland. Rond 500 v.Chr. was de verspreiding op haar hoogtepunt. Vanaf dat moment spreekt men van de La Tène-periode. Waarschijnlijk gingen de niet-Indo-Europese volkeren die ze tegenkwamen na verloop van een paar generaties in de Kelten op. Zij onderhielden aanvankelijk ook goede contacten met de Etrusken, met wie ze handel dreven via de Griekse kolonie aan de Gallische zuidkust Massilia. In de 3e eeuw v.Chr. vielen Kelten Griekenland en Turkije binnen, op het moment dat ook de Etrusken het al met de Grieken aan de stok hadden en met hen een zeeslag hadden geleverd die de Grieken hadden gewonnen. Daar werden de Kelten bekend als de Galaten. In de 4e en 3e eeuw v.Chr. bezetten de Kelten Noord-Italië en bedreigden de toen nog kleine Romeinse Republiek. Een Keltische stam onder leiding van Brennus bezette in 387 v.Chr. de stad Rome en was slechts bereid te vertrekken nadat de Romeinen een grote afkoopsom aan hem betaald hadden. Een eeuw later, in 279 v.Chr. leidde een andere Brennus een veldtocht naar het Griekse Delphi.

Vanaf 100 v.Chr. begonnen de Romeinen de meeste Keltische gebieden in Europa te veroveren, behalve de uiterst westelijke delen in het tegenwoordige Ierland en Schotland. In afgelegen streken op het minder dichtbevolkte platteland wist de Keltische identiteit zich langer dan een paar generaties te handhaven. Maar de invloed van de Romeinse cultuur was dusdanig, dat spoedig sprake was van de Gallo-Romeinse periode, waarin de La Tène periode overging.

Germanen[bewerken]

Germaanse stammen voor de volksverhuizingstijd.

In de 6e eeuw v.Chr. leefden in Scandinavië en rond de Oostzee de Germanen. Hier verdreven ze wellicht de eerder gearriveerde Saami, Kelten en Baltische stammen, maar waarschijnlijker is dat ze zich er gedeeltelijk mee vermengden. Dat de Germanen toen nog niet erg talrijk waren lijkt te kunnen worden afgeleid van de veronderstelling dat een aanzienlijk aantal woorden in de Germaanse 'oertaal' overgenomen is van de vroegere niet-Indo-Europese bevolking van rond de Oostzee (zie Germaanse-substraathypothese). Hun overwicht bestond eerder uit betere wapens, zoals de strijdwagen, dan uit grotere aantallen krijgers. Na verloop van eeuwen ontstond er in deze streken toch een zekere overbevolking en velen van hen migreerden steeds verder naar het zuiden (het huidige Duitsland), om zich van daaruit geleidelijk naar het oosten, zuiden en het westen te verspreiden. Er ontstonden op die manier vele verschillende volksstammen, die op verschillende tijdstippen en plaatsen met andere namen werden aangeduid zoals de Friezen, Toxandriërs, Chatten en Cananefaten.

Leven en cultuur van al deze volken verschilden onderling niet zo veel, zeker niet in de tijd dat de Romeinen een groot deel van Europa veroverden. In hoofdzaak leefden zij in agrarische nederzettingen niet groter dan kleine dorpen. De westelijke volksstammen bestonden voornamelijk uit landbouwers, de oostelijke voornamelijk uit schaapherders en veehoeders (nomaden). De Germanen waren erg gesteld op hun onafhankelijkheid en hadden geen sterke stamverbanden. De Germanen waren waarschijnlijk constant in kleine, weinig serieuze oorlogjes betrokken. Het schrift was dat van de runen. Echt veel werd er door de Germanen niet opgeschreven, en er was geen uitgebreide literatuur. Wel hadden de Germanen waarschijnlijk een rijke orale cultuur, waarin voorgedragen poëzie een belangrijke rol speelde, zoals die nog deels tot ons is gekomen in de Germaanse mythologie. Over de godsdiensten die de Kelten en Germanen aanhingen is echter weinig bekend. De Romeinse beschrijvingen zijn oppervlakkig en gekleurd en het is onwaarschijnlijk dat de Germaanse mythologie van die tijd, rond het begin van de westerse jaartelling, nog sterk overeenkwam met de Noordse en Germaanse mythologie zoals die in de dertiende eeuw door Snorri Sturluson in Proza-Edda beschreven werd.

Bij dit alles moet worden opgemerkt dat het onderscheid tussen Kelten en Germanen niet goed duidelijk is. De benamingen werden gegeven door de oude Grieken en Romeinen en worden tegenwoordig vooral als taalkundig begrippen beschouwd, die onafhankelijke volken beschrijven zonder gezamenlijke identiteit.

Italië[bewerken]

Van 9e eeuw tot ca. 650 v.Chr. was er in Italië de Villanovacultuur, een cultuur die zeer verwant is met de Hallstatt-cultuur. De rijkdom van de Villanovacultuur berustte op de rijke koper- en ijzerertsen van Toscane. De ijzerindustrie produceerde wapens en werktuigen, de bronsindustrie verlegde het accent naar vaatwerk, helmen en sieraden. Deze rijkdom legde de basis voor de Etruskische beschaving. Een beschaving die al in 850 v.Chr. ontstond, maar de Villanovacultuur pas in 650 v.Chr. compleet zou verdringen.

De Etrusken vormden een bevolkingsgroep die het gebied tussen de rivieren de Arno en de Tiber in Italië bewoonde. Rond 850 v.Chr. vestigden Griekse kolonisten zich in Campanië. Ze kwamen in contact met de Etrusken omdat die de ijzermijnen op Elba bezaten. Gestimuleerd door de Grieken ontwikkelden de Etrusken zich tot een hoogstaande cultuur. Dit kon ook door de al genoemde rijkdommen van de Villanovacultuur. De Etrusken zijn groot geworden door hun zeehandel, maar waren ook beruchte zeerovers. Ze handelden voornamelijk in keramiek, wijn en ijzer.

In de 7e eeuw v.Chr. bouwden zij op hun beurt hun zeemacht uit en stichtten verschillende havensteden. De 6e eeuw v.Chr. was hun belangrijkste periode: zij breidden hun "rijk" uit, in noordelijke richting tot aan de voet van de Alpen, en in het zuiden tot Campanië. Op zee bereikten zij de oostkust van Corsica, en zij sloten met de Carthagers een bondgenootschap tegen de Grieken van Magna Graecia. De stad Rome werd misschien niet door hen "gesticht", maar alleszins toch beheerst (de eerste Romeinse koningen waren Etrusken) en zij begonnen met de urbanisatie van Rome.

Toch konden zij in Italië géén eenheid bewerken: de Etruskische steden vormden een zeer losse federatie zonder een sterke leider. Tegen het einde van de 6e eeuw v.Chr. begon hun machtspositie af te takelen. Eerst leden zij in 474 v.Chr. een nederlaag tegen de Grieken onder Hiëro I van Syracuse. Zij verloren langzaam hun greep op Campanië en Latium, en de Tarquinii werden uit Rome verjaagd. Pas rond 400 kwam het einde nader: hun machtige stad Veii werd in 396 v.Chr. door de Romeinen veroverd. Kort daarop kregen zij de genadeslag door de invallende Galliërs, zoals de Romeinen de Kelten noemden, in 390 v.Chr. De Romeinen veroverden toen, na de uitdrijving van de Galliërs, langzaam maar zeker het territorium dat eens aan de Etrusken had toebehoord.

In 256 v.Chr. capituleerde de laatste stadstaat Volsinii en in 90 v.Chr. kregen de Etrusken het Romeinse burgerrecht, waardoor zij definitief in het Romeinse Rijk werden geïntegreerd en hun identiteit als volk langzaam verloren ging.

Klassieke Oudheid[bewerken]

Na de ijzertijd brak de Klassieke Oudheid aan, die in de westerse geschiedenis de periode tussen pakweg 600 v.Chr. en 500 n.Chr. bestrijkt. De Klassieke Oudheid drukte een blijvend stempel op Europa. Nog steeds zijn sporen van de Klassieke Oudheid terug te vinden in de huidige literatuur, rechtspraak en de filosofie.

Oude Griekenland[bewerken]

Zie voor meer informatie hierover ook: Geschiedenis van Griekenland.

Het begin van de Europese literatuur wordt gemarkeerd door de epische dichtwerken Ilias en Odyssee, vermoedelijk in de 8e eeuw v.Chr. geschreven door Homerus aan de oostkust van Klein-Azië. De Grieken stichtten overal langs de kust van de Middellandse Zee en de Zwarte Zee koloniën. In de Griekse stadstaten (poleis) en ook wel in die koloniën kwam de klassieke Griekse cultuur tot bloei, vooral in de 5e eeuw v.Chr., nadat tijdens de Perzische oorlogen verovering door het Perzische Rijk was voorkomen. De coalitie van Griekse stadstaten die hiervoor nodig was, viel echter snel weer uit elkaar en onderlinge rivaliteit leidde tot de Peloponnesische Oorlog, die pas in 404 v.Chr. afgelopen was. De grote rivalen Athene en Sparta waren hierdoor beide ernstig verzwakt. De belangrijkste stadstaten waren Sparta, Athene, Korinthe, Thebe en Syracuse op Sicilië. Deze hadden sterk van elkaar verschillende politieke structuren. Zo had Athene, de belangrijkste polis, al een door Clisthenes bedachte directe democratie. In die democratie stemde men vooral volgens het eigen belang, iets waar Socrates verandering in probeerde te brengen. Het eerste georganiseerde rijk in Europa was het Macedonische Rijk, dat in de 4e eeuw v.Chr. opkwam doordat koning Philippus II van Macedonië de meeste tot dan toe onafhankelijke Griekse stadstaten onderwierp.

Zijn zoon Alexander de Grote startte een veroveringsoorlog tegen de Perzen, bedoeld als een vergelding voor de Perzische oorlogen, en bracht met zijn militair genie inderdaad het Perzische rijk ten val. Hij bereikte zelfs de Indus, waar weer een heel andere beschaving dan de Perzische opdoemde: India. Vanuit Grieks gezichtspunt was dat de grens van de bekende wereld. Zijn mannen weigerden verder op te marcheren. Niettemin werd de Griekse cultuur over een groot gebied verspreid. De op Alexanders veroveringen volgende periode wordt aangeduid met Hellenisme. Na Alexanders dood (323 v.Chr.) viel zijn rijk uiteen in elkaar bestrijdende diadochenrijken. Deze hellenistische rijken zouden stand houden tot zij veroverd werden door de Romeinen.

Het Oude Griekenland heeft grote namen voortgebracht, zoals de wetenschappers Eratosthenes, Archimedes, Aristarchus van Samothrace, Aristarchus van Samos en Euclides, filosofische scholen als die van de Epicuriërs, de Stoïcijnen en het neo-platonisme, en de grote en belangrijke bibliotheken van Alexandrië en Pergamum. Grote veranderingen vonden plaats in de literatuur, zoals in de poëzie, romanverhalen, reisverhalen en avonturenverhalen.

Het Romeinse Rijk[bewerken]

Rome werd vanaf de 8e eeuw geregeerd door koningen, maar na het schrikbewind van Lucius Tarquinius Superbus werd rond 500 v.Chr. de Romeinse republiek uitgeroepen. Het was toen nog niet veel meer dan een stadstaat. Nadat de Romeinen eerst de omliggende steden hadden veroverd, versloegen ze de in de 4e eeuw v.Chr. de Etrusken ten noorden van Rome en in de 3e eeuw v.Chr. de Samnieten en de Griekse koloniën in het zuiden. Zij kregen uiteindelijk het gehele Italiaanse schiereiland onder controle, door onderlinge verdeeldheid van hun tegenstanders uit te buiten en aantrekkelijke voorwaarden te bieden als zij bondgenoot wilden worden.

Het Romeinse Rijk op zijn hoogtepunt, onder keizer Trajanus

In de 3e en 2e eeuw v.Chr. werden de Punische oorlogen tegen de stad Carthago uitgevochten. In de 3e eeuw v.Chr. was Carthago, een zelfstandig geworden Phoenicische kolonie, de gevaarlijkse rivaal van Rome, die vooral in de westelijke helft van de Middellandse Zee de dominante maritieme en commerciële mogendheid was. De Eerste Punische oorlog werd vooral op Sicilië en ter zee uitgevochten; met zeeslagen moesten de Romeinen toen nog ervaring opdoen. De Carthaagse generaal Hannibal verwierf roem en beruchtheid in de Tweede Punische oorlog door met zijn grote leger, met olifanten, vanuit Hispania via Gallië over de Alpen te trekken en in heel Italië zware nederlagen toe te brengen aan Rome, evenwel zonder de stad zelf te kunnen belegeren. De Romeinen bestreden de Carthagers nog het effectiefst op hun eigen gebied in Hispania en later in Noord-Afrika, zodat Hannibal onverrichter zake naar Carthago moest terugkeren, waar hij verslagen werd bij Zama in 202 v.Chr. Toen beheerste Rome de westelijke helft van de Middellandse Zee. In 146 v.Chr. werden zowel Carthago als Korinthe door de Romeinen verwoest, waarmee Rome de hegemonie in het Middellandse Zeegebied verwierf. Veel oorspronkelijk Carthaagse en Griekse koloniën in Africa, Frankrijk en Spanje behoorden nu tot het Romeinse Rijk. Rond 200 v.Chr. kwam ook Griekenland zelf onder Romeinse heerschappij en daarmee ook de Griekse koloniën in het oosten, zoals Klein-Azië, Syrië, Palestina en Egypte.

Marcus Tullius Cicero roept de Senaat op om actie te ondernemen tegen Lucius Sergius Catilina's poging om de Republiek te verwerpen.

Onder leiding van Julius Caesar onderwierp Rome tussen 60 en 50 v.Chr. de Kelten in Gallië, die op dat moment bezig waren een stedelijke beschaving te ontwikkelen. Caesar werd vooral dankzij dit succes dictator voor het leven. Omdat de senaat vreesde voor een nieuwe koning, werd Caesar vermoord in 44 v.Chr. Caesar werd opgevolgd door Augustus, die het principaat stichtte. Keizer Claudius zou 80 jaar later Britannia aan het rijk toevoegen. Trajanus was de laatste grote veroveraar. Hij veroverde aan het begin van de 2e eeuw Dacië en grote delen van het Parthische rijk, al moest dat gebied al snel weer opgegeven worden. Rond 110 n.Chr. strekte het grondgebied zich uit van Noord-Engeland tot Egypte, een omvang die het nooit meer zou overtreffen. Alle pogingen om de Germanen noorden van de Donau en ten oosten en noorden van de Rijn te verslaan en hun grondgebied permanent te bezetten mislukten, waarna een lange periode van vrede aanbrak. De Romeinen verspreidden het Latijn en hun cultuur over hun rijk. Germaanse stammen werden aan de grenzen toegelaten en mochten in het rijk wonen, als ze zich maar aan de Romeinse wetten hielden. De crisis van de derde eeuw, toen het rijk in het oosten en in het westen grote stukken dreigde te verliezen, werd effectief bezworen.

De natuurwetenschappen maakten weinig ontwikkeling door. Het empirische onderzoek, waar de oude Grieken toch al niet erg de nadruk op legden, kwam vrijwel volledig stil te liggen; de ontwikkelingen vonden in het Romeinse Rijk vooral plaats op het technische, praktische vlak. Een gedeelte van de geschriften van de Griekse natuurwetenschappers, die eigenlijk meer natuurfilosofen waren, werd vertaald in het Latijn, maar die vertalingen waren dikwijls uittreksels.

Het christendom ontstond in de 1e eeuw en had bijna drie eeuwen lang te kampen met vervolging, zij het met wisselende mate. Een aantal martelaren uit die tijd zijn later heilig verklaard. Rond het jaar 300 was toch ongeveer acht tot tien procent van de bevolking christen. In 313 stond keizer Constantijn de Grote het christendom echter toe en werd zelf christen. Keizer Theodosius de Grote riep het in 380 zelfs uit tot staatsgodsdienst. Daarmee was het christendom de belangrijkste godsdienst in Europa en zou rond het jaar 1000 in vrijwel heel Europa dominant worden.

Omdat het Romeinse Rijk zo'n grote omvang had, ging de samenhang verloren en was het niet goed te verdedigen; het werd uiteindelijk opgedeeld in twee verschillende rijken. In 330 verhuisde Constantijn de Grote de hoofdstad van Rome naar Byzantium dat hij Nova Roma noemde, maar al gauw als Constantinopel bekendstond. Aan het begin van de 4e eeuw kwam ook de Grote Volksverhuizing op gang als gevolg van invallen van de Hunnen uit Azië via de Zuid-Russische vlakten. Dit zorgde ervoor dat Germaanse en andere barbaarse volkeren de Romeinse grens overstaken en de volken die daar al woonden verdreven of onderwierpen. Dit leidde tot grote onrust en al snel trokken de Romeinen zich uit Noordwest-Europa terug. De macht van het West-Romeinse Rijk was duidelijk in verval en de laatste keizer werd door een Germaan in Romeinse dienst in 476 afgezet.

Vroege middeleeuwen (± 400 - ± 1000)[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook artikelen in hetzelfde tijdvak als Germaanse invasie in West-Europa (341-597) en Invasies in Europa (793-1000)

Na het uiteenvallen van het West-Romeinse Rijk begonnen de vroege middeleeuwen. West-Europa bleek na de val van het West-Romeinse Rijk totaal te vervallen. Germaanse volkeren liepen het, samen met de Hunnen, onder de voet, terwijl het Oost-Romeinse Rijk nog duizend jaar zou bestaan als het Byzantijnse Rijk. Er waren vele volkeren op drift die alles plunderden wat ze tegenkwamen. Dit zou als de grote volksverhuizing de geschiedenis ingaan. De Oostelijke Germanen (de Vandalen, Sueven en Alamannen) staken de Rijn over en rukten op naar het zuiden, terwijl de Visigoten de Balkan binnenvielen. De Vandalen trokken plunderend door Gallië en staken de Pyreneeën over, maar werden daar verdreven door de Visigoten. Veel volkeren zouden zich in het veroverde gebied vestigen. De Ostrogoten vestigden zich in Ravenna, de Angelen en Saksen vestigden zich ten koste van de Kelten in Groot-Brittannië en de Salische Franken zouden Frankrijk stichten. De Hunnen, die het Romeinse Rijk ook binnenvielen, zouden nooit een rijk stichten in Europa, mede doordat Germaanse volkeren tegen de Hunnen in opstand kwamen na de dood van Attila de Hun. Het Byzantijnse Rijk, onder leiding van Justinianus, veroverde in een poging om het Romeinse Rijk te herstellen het Italische schiereiland van de Ostrogoten, maar verloor dat weer aan de Longobarden. Vanaf 711 veroverden de Moren in korte tijd bijna heel Iberië op de onderling ruziënde Visigoten. De Moren zouden daarna de Pyreneeën oversteken, maar uiteindelijk in de Slag bij Poitiers gestopt worden door Karel Martel, de hofmeier van de Franken.

Door de plunderingen die gepaard gingen met de grote volksverhuizing zou de levensstandaard en het bevolkingsaantal in West-Europa behoorlijk dalen in vergelijking met de voorafgaande Romeinse periode. Veel van de barbaren kwamen in contact met de vroegere Romeinse bevolking en cultuur en zouden bepaalde elementen, zoals het christendom, dat door keizer Theodosius rond 380 tot staatsgodsdienst was gemaakt[9], overnemen. Er is weinig schriftelijke informatie overgeleverd over de toestanden in die chaotische periode.

Het enige instituut dat de val van het West-Romeinse Rijk had overleefd, was de rooms-katholieke Kerk. De bisschop van Rome, beter bekend als de Paus, was de leider van de kerk. Zuidelijk West-Europa was in de Romeinse tijd gekerstend. Invallende volken, zoals de Visigoten in Iberië en de Franken in Gallië, pasten zich daarbij aan: de Franken bekeerden zich onder koning Clovis I rond 496 tot het christendom, de Visigoten waren al ariaans-christelijk en werden rond 600 katholiek-christelijk. In de 8e eeuw kwam echter bijna heel het Iberisch Schiereiland onder heerschappij van de islamitische Moren, die de islamitische cultuur daar tot bloei brachten en daarmee ook elders in Europa invloed uitoefenden.

Karel de Grote bracht als leider van de Franken een groot gedeelte van het vroegere West-Romeinse Rijk (en grote gebieden die erbuiten lagen) onder zijn heerschappij. In 800 werd hij door Paus Leo III gekroond tot keizer van het West-Romeinse Rijk, een titel die al sinds 476 niet meer was gebruikt. Na de dood van Karels zoon Lodewijk de Vrome (840) werd het rijk eerst in drieën gedeeld, maar enkele jaren later werd het middelste rijk herverdeeld en werd het een splitsing tussen West-Francië, de basis van het Franse Koninkrijk dat vanaf 987 Frankrijk genoemd wordt, en Oost-Francië, dat in 962 het Heilige Roomse Rijk genoemd zou worden.

In het late Karolingische rijk ontstond een standenmaatschappij, waaruit het feodalisme zou groeien. De Frankische koningen baseerden hun macht oorspronkelijk vooral op de jaarlijkse veld- (lees: plunder-) tochten. De koning kon zijn mannen belonen uit de buit die daarbij behaald werd. Toen Karel de Grote een groot deel van Europa veroverd had, en er buiten zijn landsgrenzen eigenlijk geen rijke gebieden over waren om te plunderen, moest hij een andere methode bedenken om zijn mannen aan zich te verplichten. Bovendien was het rijk veel te groot voor de primitieve communicatiemiddelen van die dagen. De koning was gedwongen eindeloos rond te reizen om plaatselijk zijn gezag af te kunnen dwingen en zijn belastingen ter plaatse op te eten, want deze werden veelal in natura voldaan. Hij had daarom plaatselijke vertegenwoordigers nodig en uit deze - aanvankelijke - ambtenaren is de adelstand ontstaan.

In Noord-Spanje ontstonden in de 8e tot 10e eeuw kleine christelijke rijkjes, die probeerden de islamitische macht weer uit Spanje te verdrijven, maar pas vanaf 1085 zouden ze daarmee belangrijke vorderingen gaan maken.

Militair, economisch en politiek beleefde Europa een diepe crisis in de 9e en de 10e eeuw. De Vikingen, die op zee zeer vaardig met hun drakkars om wisten te gaan, vielen binnen vanuit het noorden, de Magyaren vanuit het oosten en de Saracenen vanuit het zuiden. Al deze volkeren lieten een spoor van verwoesting na. Het centrale gezag van de twee Frankische rijken wist geen weerstand te organiseren, waardoor de bevolking het vertrouwen in hun heersers verloor. Lokale machtige individuen zagen nu hun kans schoon om het machtsvacuüm op te vullen. Dikwijls waren dat kinderen van medewerkers van Karel de Grote.

In Centraal- en Oost-Europa ontstonden in de 9e eeuw een aantal nieuwe rijken. Het Groot-Moravische Rijk ontstond rond 833 ongeveer op de plek van het huidige Tsjechië en Slowakije, maar werd in 908 alweer ingenomen door de Hongaren, die als nomadenvolk vanuit de Zuid-Russische steppe Europa plunderend binnentrokken en zich vestigden in het Karpatenbekken. Het Kievse Rijk ontstond rond 880 door het samengaan van de gebieden der Waregers in Oost-Europa. In de 10e eeuw was het rijk op zijn hoogtepunt, toen vorst Svjatoslav I het rijk van de Chazaren vernietigde en vervolgens gebieden in de noordelijke Kaukasus innam en doordrong tot de Zee van Azov. Ook veroverde hij grote delen van de Balkan, met als laatste grote wapenfeit het Bulgaarse koninkrijk aan de Donau.

De Europese bevolking, die bij het begin van de jaartelling ongeveer 70 miljoen zielen telde (ter vergelijking: China 60 miljoen), kromp in de vroege middeleeuwen in tot 20-30 miljoen. Dit was niet door bloedige oorlogen of grote hongersnoden, hoewel die er ook wel waren, maar door voorheen onbekende epidemische ziektes, die de invallende steppevolkeren met zich meebrachten. De Europese bevolking had hiertegen nog geen enkele weerstand opgebouwd en het sterftepercentage bij besmetting kon oplopen tot meer dan 50%.

Het dagelijks leven in de vroege middeleeuwen[bewerken]

In de vroege middeleeuwen was bijna iedereen boer. De mensen waren erg arm en vaak ondervoed. Bijna iedereen leefde op het platteland. Edellieden en de Kerk hadden heel veel macht. Omdat iedereen lid was van de Kerk, konden de geestelijken iedereen via de preekstoel beïnvloeden. Het aardse bestaan was in de middeleeuwen van ondergeschikt belang en het hele leven was gericht op het hiernamaals. De angst om in de hel te komen, maakte de mensen zeer onderdanig aan de machthebbers. In de vroege middeleeuwen lag het in de meeste gevallen al bij de geboorte vast of men tot de groep van de boeren of van de edelen zou horen. Men kon alleen uit zijn stand komen door geestelijke te worden.

Byzantijnse kunst en de Karolingische renaissance[bewerken]

Een mozaïek in de Hagia Sophia

De kunst in de vroege middeleeuwen was voornamelijk gebaseerd op de Klassieke Oudheid. Het zou tot het einde van de hoge middeleeuwen duren tot er een echt vernieuwende kunststroming zou komen (de gotiek).

In Oost-Europa, waar het Byzantijnse Rijk een voortzetting was van het Romeinse Rijk, ontstond in de 4e eeuw al de Byzantijnse kunst. De Byzantijnse kunst was een voortzetting van het Hellenisme. Er waren veel landen met nauwe banden met het Byzantijnse Rijk, zoals Bulgarije, Servië, het Kievse Rijk, Republiek Venetië en Koninkrijk Sicilië, die de Byzantijnse kunst overnamen. Byzantijnse mozaïekkunstenaars decoreerden verscheidene kerken en andere belangrijke gebouwen in Italië[10].

In West-Europa duurde het tot 750 totdat er weer een opbloei kwam van de kunst. Onder invloed van de regeerperiode van Karel de Grote ontstond de Karolingische renaissance, die gebaseerd was op de Byzantijnse kunst. Dit was een opleving van cultuur en wetenschap tussen ca. 750 en ca. 950, onder invloed van de regeerperiode van Karel de Grote. Ze werd vooral gecultiveerd aan diens hof en gedragen door de clerus. Tijdens de regeerperiode van de Karolingen was er sprake van een hernieuwde belangstelling voor de klassieke cultuur. Byzantijnse invloeden, culminerend in het afbeelden van de menselijke figuur, werden versmolten met de Germaanse, grotendeels abstracte, ornamentiek. Zo zijn veel klassieke teksten in het Latijn tot in onze tijd bewaard gebleven in de vorm van kopieën die in de Karolingische tijd zijn vervaardigd. Dit gebeurde vooral in kloosterbibliotheken, waarvan het aantal en de omvang sterk toenam tijdens en vlak na de regeerperiode van Karel de Grote.

Hoge middeleeuwen (± 1000 - ± 1270)[bewerken]

De hoge middeleeuwen duurden van de 10e tot de 13e eeuw. Langzamerhand begonnen de oude steden, veelal daterend uit de Romeinse tijd, weer te groeien en werden er nieuwe steden en dorpen gesticht om de groeiende bevolking te huisvesten. In de landbouw vonden er belangrijke verbeteringen plaats (drieslagstelsel), waardoor meer geproduceerd kon worden. De handel kende zijn eerste bloeiperiode sinds de val van het West-Romeinse Rijk. In Vlaanderen, het Rijnland en Noord-Italië maakte de handel een explosieve groei van de welvaart in de steden mogelijk. De steden werden vooral door hun muren een machtsfactor van belang en dit leidde uiteindelijk vooral in Vlaanderen en Italië tot het ontstaan van machtige steden die in verzet konden komen tegen de alleenheerschappij van de adel en de geestelijkheid. Dit werd het begin van de afbraak van het feodale stelsel. De eerste scholen en universiteiten werden gesticht. De onder Karel de Grote begonnen Karolingische renaissance werd aldus voortgezet.

Bij aanvang van de hoge middeleeuwen was de kerstening ook tot het noorden van Europa doorgedrongen. De oude Germaanse en noordse mythologie werd nu ook in het noorden bijna geheel verlaten en als 'heidendom' beschouwd. De IJslandse dichter Snorri Sturluson heeft de restanten van de mondelinge overlevering uit de heroïsche tijd vastgelegd in de Edda, samen met de voorschriften die de skaldische dichtkunst regelden, welke anders ook verloren was gegaan.

Een detail van het tapijt van Bayeux, een tapijt dat de Slag bij Hastings beschrijft. Bij die slag veroverde Willem de Veroveraar Engeland
Kaart van Europa rond 1097 met routes van de eerste kruistochten

Engeland werd vanaf 1066 in korte tijd veroverd door Willem de Veroveraar, hertog van Normandië. Zijn opvolgers beheersten in de hierop volgende eeuwen nog steeds ook grote delen van Frankrijk, hetgeen talloze conflicten veroorzaakte met de Capetingen.

De Slag bij Bouvines kan beschouwd worden als de eerste pan-Europese oorlog. De slag werd in 1214 geleverd tussen keizer Otto IV van het Heilige Roomse Rijk en zijn bondgenoten en koning Filips Augustus van Frankrijk. Otto IV werd, alhoewel hij numeriek in de meerderheid was, verpletterend verslagen. Als gevolg van deze overwinning nam de macht van de Franse koning sterk toe.

Ondanks kleine overwinningen van christelijke staatjes in het noorden, zouden Spanje en Portugal deze eeuwen, overwegend in handen van de islamitische Moren blijven.

De rooms-Katholieke Kerk liet veel schitterende kathedralen bouwen. De Mariaverering nam toe en het huwelijk kreeg een volwaardige sacramentele betekenis. Er vond een breuk plaats tussen de Oosters-orthodoxe Kerk en de rooms-katholieke Kerk. Deze scheuring staat ook wel bekend als het Oosters Schisma. Hoewel de breuk gewoonlijk gedateerd wordt in 1054, toen Paus Leo IX en de patriarch van Constantinopel, Michaëlis Caerularius, elkaar wederzijds excommuniceerden, was het oost-west schisma feitelijk het resultaat van een hieraan voorafgaande eeuwenlange periode van vervreemding tussen het Latijnse westen en het Griekse oosten.

De paus kreeg steeds meer macht en riep op tot verscheidene kruistochten naar het Heilige Land en vervolgde verscheidene ketterse bewegingen, zoals de katharen. Ook de Joden hadden van vervolgingen te lijden, al werden die niet door de kerk op touw gezet. De kruistochten begonnen als een poging van de christenen om Jeruzalem op de moslims te heroveren. Het verlies van het Byzantijnse leger tegen de Seltsjoekse Turken in de Slag bij Manzikert in 1071 zorgde voor de eerste verzoeken om hulp en troepen uit het westen. Het ging dus niet alleen om het heroveren van Jeruzalem, maar ook om het bijstaan van het Byzantijnse Rijk tegen de Turken, het tegenhouden van de islam, en een vermeerdering van de invloed van het Latijnse Westen in het oosten. Ook berichten (of geruchten) dat de Seltsjoeken, nadat ze Palestina veroverd hadden, christelijke pelgrimages naar Jeruzalem en andere steden moeilijk of zelfs onmogelijk maakten, motiveerden westerse christenen tot de kruistochten. Christelijke pelgrimage was in de voorgaande periode wel mogelijk geweest, hoewel het gebied toen ook onder islamitisch bestuur stond.

In de eerste helft van de 13e eeuw probeerden kerkelijke leiders zichzelf meer macht toe te eigenen en een waarachtig christelijk leven te bevorderen. Hiertoe moest de zeggenschap van wereldlijke leiders over de benoeming van kerkelijke ambten ongedaan gemaakt worden. Paus Innocentius III begon verschillende oorlogen en slaagde er in zijn invloed op de vele koninkrijken en vorstendommen in Europa te laten gelden. De bedelorden die aan het begin van de 13e eeuw ontstonden, leverden een bijdrage aan de opleving van een nieuwe vroomheid in de steden.

Vanaf ongeveer 1000 kwam in christelijk Europa Jodenvervolging op gang. Met het begin van de kruistochten in 1095 nam die Jodenvervolging gruwelijke vormen aan. Men breidde namelijk deze strijd tegen de islamieten uit tot de strijd tegen de evenmin christelijke joden. In islamitisch Spanje en Portugal kenden de joden in deze eeuwen ook goede en slechte tijden, hoewel men hier wel toleranter was.[11]

De romaanse en vroeggotische stijl[bewerken]

Caen: Kerk van de Vrouwenabdij

De hoge middeleeuwen begonnen op het gebied van de kunst eigenlijk al rond 900 met de romaanse stijl. Ondanks de benaming is het romaans als bouwstijl slechts indirect gebaseerd op de bouwstijl van de Romeinen. Feitelijk komt zij voort uit de Karolingische bouwkunst, waarin principes uit de Romeinse architectuur werden herontdekt.

De romaanse stijl werd gekarakteriseerd door kleine rondboogvensters en decoraties met eveneens ronde bogen. De stenen muren droegen het grootste deel van het gewicht van het gebouw op zich, waardoor grotere ramen niet mogelijk waren. Omdat veel gebouwen in die tijd van hout gemaakt werden, bleven feitelijk vrijwel alleen kerken en kloosters in de romaanse bouwstijl bewaard. Hoewel de kenmerken vrij algemeen zijn, kent de romaanse stijl grote regionale verschillen. Bovendien maakte de stijl een geleidelijke ontwikkeling door die uiteindelijk, door de grootschalige toepassing van het kruisribgewelf, zou leiden tot het ontstaan van de gotische bouwstijl, waardoor de romaanse stijl werd verdrongen.

De vroeggotiek was de eerste vernieuwende kunststijl sinds de val van het West-Romeinse Rijk en begon als bouwstijl in het jaar 1122. In de abdij van Saint-Denis bij Parijs, zette abt Suger een grote verbouwing in gang. Dit resulteerde in het eerste vroeggotische bouwwerk.

Het verschil tussen de gotiek en het romaans is dat de gotiek voorheen noodzakelijke bouwelementen weglaat. Dit was mogelijk door de toepassing van kruisribgewelf, spitsboog en pilaren. Buitenwaartse krachten, die de neiging hebben de muren naar buiten te drukken, waren in de romaanse architectuur met zijn dikke muren geen probleem, maar moesten bij deze veel lichtere constructie op de een of andere manier afgevoerd worden. Hiervoor werd de luchtboog verder ontwikkeld. Hierdoor ontstond een sterke constructie die in de romaanse stijl onmogelijk was en die een grotere verticaliteit toeliet. Dit zorgde ervoor dat de kerken veel hoger konden worden en dat er ruimte vrijkwam in de kerk, door het weglaten van dragende onderdelen. De vroeggotiek werd opgevolgd door de hooggotiek, die zich vooral kenmerkte doordat de gotiek nog meer zou worden toegepast.

Late middeleeuwen (± 1270 - ± 1500)[bewerken]

Europa in 1328
Verspreiding van de pest over Europa tussen 1347-1351

Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw wordt gesproken over de late middeleeuwen. De handel was tot bloei gekomen, waardoor de cultuur was opgebloeid. Desondanks waren de late middeleeuwen voor Europa in velerlei opzicht een periode van crisis. In economisch opzicht was er zelfs sprake van een algemene malaise die tot ~1475 duurde.

Rond 1300 begon de verkoop van de aflaten, waarmee de Kerk veel geld binnenhaalde. In de 14e eeuw kwam er kritiek op de Kerk van onder anderen John Wyclif, die stelde dat Christus het hoofd van de Kerk is en niet de paus. Dit zou uiteindelijk de basis leggen voor de protestantse leer van Maarten Luther.

In de 14e eeuw werd de handel op de Oostzee steeds belangrijker, mede dankzij de verzwakking van de Vikingen. Dit zorgde voor de oprichting van de Hanze. Polen en Litouwen werden door een koninklijk huwelijk samengevoegd tot Polen-Litouwen. De huisnijverheid groeide uit tot grootschalige industrie, in handen van kooplieden, die de grondstoffen en eindproducten in heel Europa verhandelden. De schaalvergroting had verregaande gevolgen voor de steden. In hoog tempo verrezen er kantoren voor handelscompagnieën, beursgebouwen, banken, wisselkantoren en koeriersdiensten. De prijs voor deze snelle stedelijke groei was vervuiling van de stad, ongevallen, brandgevaar en epidemieën.

In de late middeleeuwen verkeerde Europa in een langdurige en diepe economische depressie, door talloze oorlogen en plunderingen, onder andere door Engeland en het Ottomaanse Rijk. Ook een verslechtering van het klimaat kan een rol gespeeld hebben. De pest vierde hoogtij: meer dan een derde van de bevolking stierf tijdens de grote epidemie van 1347 tot 1351.
De grote pestepidemie van 1347 maakte een einde aan een periode van stabiele bevolkingsgroei en het wankele evenwicht tussen de oogst en de voedselbehoefte. Omdat een derde van de plattelandsbevolking was gestorven en veel land daarom onbebouwd bleef, konden de horigen en boeren in 1352 viermaal zoveel voor hun graan vragen, wat zorgde voor een forse loonstijging en meer rechten voor de arbeiders.

De Lage Landen werden (tussen 1384 en 1443) samengevoegd tot de Bourgondische Nederlanden. De Honderdjarige Oorlog (1337-1453) zou uitbreken tussen Engeland en Frankrijk. Engeland zou Frankrijk tijdens deze oorlogen plunderen, maar uiteindelijk zou het Franse leger, onder leiding van Jeanne d'Arc, de Engelsen uit Frankrijk verdrijven.

Na 1230 veroverde het Spaanse christelijke koninkrijk Castilië aanzienlijk terrein op de Moren in het zuiden. Pas na de samenvoeging (middels huwelijk) met het andere belangrijke christelijke koninkrijk Aragon lukte het om in 1492 het laatste Moorse koninkrijk in Spanje, Granada, te veroveren.

Rond 1345 drongen de Ottomanen bij de Dardanellen door naar Europa. Langzaam maar zeker rukten ze verder op. Onder sultan Murat I veroverden zij gebieden in Macedonië, Bulgarije en Servië, waarmee ze een zeer sterke aanwezigheid in Europa kregen. Sofia werd in 1385 veroverd, Thessaloniki in 1387, later werd ook Albanië veroverd. In de 15e eeuw gingen de veroveringen door, meer gebieden in onder andere Servië werden veroverd en in 1453 viel de Byzantijnse hoofdstad Constantinopel, die de nieuwe hoofdstad van het Ottomaanse Rijk werd. Zelfs in Italië hadden zij voor korte tijd een basis in 1480 na de Ottomaanse aanval op Otranto.

In de 15e eeuw, aan het einde van de middeleeuwen, kwamen er steeds meer nieuwe staten. De nieuwe koningen centraliseerden de macht, zoals in Frankrijk, Spanje en Engeland. In het oosten werd Polen-Litouwen steeds belangrijker. Doordat de macht gecentraliseerd werd, zouden de landen een eigen cultuur kunnen vormen. De landen zouden bijvoorbeeld een eigen taal ontwikkelen in plaats van het Latijn. Er kwamen steeds meer parlementen. Hertogin Maria van Bourgondië, heerseres van de Nederlanden, huwde in 1477 met de kroonprins van het Oostenrijkse koninkrijk en het Heilige Roomse Rijk, maar de Lage Landen bleven als eenheid functioneren onder eigen heersers. In de Slag bij Vaslui deelde Stefan cel Mare een zware klap uit aan het Ottomaanse Rijk, waardoor het niet door kon dringen tot Centraal-Europa.

Tijdens de 15e eeuw verloor het feodalisme veel invloed in West-Europa. Steeds meer lenen vervielen in de handen van steeds minder adellijke families door het proces van vererving. Zo hadden Vlaanderen, Holland en Luxemburg oorspronkelijk ieder hun eigen graaf of groothertog, maar uiteindelijk was dat dezelfde persoon. Uiteindelijk ontstonden daardoor meestal twee grote bondgenootschappen in de vorm van een lappendeken die elkaar de macht bestreden zoals de Hoeken en Kabeljauwen of de Lancasters en de Yorks. Rond 1500 was het feodalisme tot zijn bloedige eindstrijd gekomen en waren er weer koningen die trachtten hun absolute macht te herstellen. De adel bleef wel bestaan, maar werd tot hofadel gereduceerd.

Jodenvervolging was in christelijk Europa vooral op gang gekomen tijdens de kruistochten vanaf 1095. Toen dan eenmaal het moorden op, en vervolgen van Joden vanuit christelijke motieven bezig was, vond men al snel nog extra 'redenen' om de Joden te haten. In de late middeleeuwen moest de Joodse bevolking het bijvoorbeeld ook ontgelden wegens de pest en de eerdergenoemde economische crisis. De Joden hadden een groot deel van het bankverkeer in handen gekregen door kerkelijke renteverboden (die alleen voor christenen golden) en omdat Joden uit andere beroepen geweerd werden. In tijden van economische crisis en pest werd het aantrekkelijk om woede en onmacht op de Joodse schuldeisers en hun families af te reageren. De toch al geminachte, in christelijke ogen 'ongelovige' Joden werden vermoord omdat ze er van beschuldigd werden, waterbronnen te hebben vergiftigd met pestkiemen.[12]

Nadat Spanje vanuit het noorden door christelijke staten werd veroverd op de Moren, kwam ook in christelijk Spanje Jodenvervolging op gang. De Spaanse Inquisitie deed veel Joden uit Iberië op de vlucht slaan naar Frankrijk, Vlaanderen en Holland, maar ook naar Noord-Afrika. Pas in 1492 was heel Spanje weer in handen van christelijke staten.

Wetenschap en cultuur in de late middeleeuwen[bewerken]

De eerste tekenen van de Renaissance zijn te zien in de beschaving van West-Europa. De zogeheten "renaissance van de 12e eeuw" ging op geestelijk gebied gepaard met een sterke opleving van de wetenschap. Na 1200 leerden ook koopmanszonen op de kloosterscholen lezen, schrijven en rekenen. Veel van deze niet-geestelijke geschoolde burgers kregen een baan in de handel of het bestuur. Halverwege de 12e eeuw ontstonden uit de kathedraalscholen van Bologna en Parijs de eerste universiteiten. Studenten konden zich daar specialiseren in geneeskunde, recht of theologie. Deze opleving van de wetenschap zorgde ervoor dat in korte tijd de hoofdwerken van Arabische en Griekse filosofen en zuiver wetenschappelijke teksten in het Latijn werden vertaald. Tegen 1200 beschikte men in het Westen slechts over een beperkt aantal van de hoofdwerken van Aristoteles in vertaling, die als de tolk van de natuurlijke orde werd beschouwd. De dominicaan Willem van Moerbeke en anderen vertaalden in de eerste helft van de 13e eeuw de rest van Aristoteles' oeuvre.

De uitvinding van de boekdrukkunst met losse letters was een mijlpaal in de Europese geschiedenis. In het begin van de 15e eeuw werden zogenaamde 'blokboeken' gemaakt. Tekst en afbeeldingen werden in hout uitgesneden, waarna ze handmatig konden worden afgedrukt. De nieuwe techniek voorzag duidelijk in een behoefte en verbreidde zich snel. In de halve eeuw die volgde werden op diverse plaatsen in Europa drukkerijen ingericht. De opkomst van het humanisme en de renaissance werd gestimuleerd door de uitvinding van de boekdrukkunst.

Thomas van Aquino

Thomas van Aquino was de eerste theoloog die onderscheid maakte tussen het goddelijk en het menselijk recht, tussen geestelijke en wereldlijke macht. Hij stelde dat "het goddelijk recht dat op genade gebaseerd is, het menselijk recht dat uit de rede voortkomt niet uitsluit."

Na 1300 waren de vele middelbare scholen in de steden van grote betekenis voor de middeleeuwse geestelijke cultuur. De kracht van de menselijke rede werd ontdekt: Anselmus van Canterbury opende de deur voor de 'redenerende theologie'. Het grote vertrouwen in de menselijke rede leidde tot de scholastieke methode: een rustige, objectieve benadering waarbij de auteur geheel in dienst staat van het zoeken naar de waarheid. De scholastiek gebruikt gezaghebbende auteurs: in de Summa theologiae van Thomas staan 25.000 citaten uit de Bijbel, 2500 van Augustinus, en 2500 uit de werken van Aristoteles, naast vele aanhalingen uit Dionysius de Areopagiet en anderen, onder wie ook joodse schrijvers als Maimonides en islamitische auteurs als de filosofen Avicenna en Averroes.

De gotiek[bewerken]

De late middeleeuwen waren een overgang tussen de gotiek en de renaissance, behalve in Italië waar de gotiek nooit echt heeft plaatsgevonden en waar de renaissance al rond 1450 begon. De gotiek zat duidelijk tijdens de late middeleeuwen in de laatste fase. Het begin van de late middeleeuwen was de periode van de internationale gotiek. De internationale gotiek verspreidde zich vanuit Bourgondië over andere Europese landen. De internationale gotiek wordt gekenmerkt door een verbinding van middeleeuwse stijlelementen met realistischere uitvoeringen van landschappen en kostuums. De motieven kwamen vooral uit de hoofse wereld. Daarbij komt een sterk gevoel van diepte en een ornamentele gedetailleerdheid.

De internationale gotiek werd gevolgd door de flamboyante gotiek, de laatste fase van de gotiek. In figuurlijke zin betekent flamboyant fonkelend of schitterend. De flamboyante stijl is een stijl met vlamvormige elementen zoals de buitendecoraties die op vele bouwkundige onderdelen werden aangebracht. Een bekend voorbeeld is het stadhuis van Leuven.

Aan het einde van de late middeleeuwen werd de gotiek in Italië verdrongen door de vroege renaissance, doordat de Italianen zich gingen verdiepen in de Klassieke Oudheid. Het zou in de rest van Europa nog 150 jaar duren voordat de renaissance zou beginnen.

De Nieuwe Tijd (± 1500 - ± 1800)[bewerken]

Kaart van Europa door Willem Blaeu, 1644

Rond 1500 liepen de middeleeuwen af en begon de Nieuwe Tijd. Historici zijn het er niet over eens wanneer de Nieuwe Tijd precies begon, maar er zijn verschillende gebeurtenissen rond 1500 die aangemerkt kunnen worden als het begin van de Nieuwe Tijd. Gebeurtenissen die dikwijls als beginpunt worden genomen zijn onder andere de val van Constantinopel (1453), de ontdekking van Amerika door Columbus (1492) en het begin van de Reformatie (1517).

De Europese en wereldbevolking in deze tijd worden als volgt geschat door Braudel:[13]

Jaar Europa (× 1 mln.) Wereld (× 1 mln.)
1650 100 à 103 470 à 545
1750 140 à 144 660 à 694
1800 187 836 à 916

Renaissance[bewerken]

De renaissance kan beschouwd worden als een overgangsperiode tussen de middeleeuwen en de 'nieuwe tijd'. Deze periode begon al tijdens de late middeleeuwen toen verschillende ontwikkelingen die vooruitwezen naar de volgende periode zich aankondigden. In Italië zijn deze nieuwe ontwikkelingen traceerbaar vanaf de veertiende eeuw. Er was geen politieke eenheid in Italië meer geweest sinds de val van het Romeinse Rijk en de paus was tussen 1309 en 1377 gezeteld in Avignon (de Babylonische ballingschap der pausen). De steden waren feitelijk zelfstandig, terwijl de rest van Italië weinig aanzien genoot. De belangrijkste stadstaten waren Florence, Venetië, Milaan en Genua. In de latere fasen van de renaissance zou ook Rome een belangrijke rol spelen. De elite in de steden van Italië ging zich richten op de klassieke oudheid, omdat meer en meer Romeinse en Griekse kennis en kunst werd teruggevonden en er een grote interesse was voor Romeinen. Aldus kwam het tot een herontdekken van de Romeinse en Griekse beschaving: recht, dichtkunst, architectuur, kunst en cultuur.

Wetenschap en cultuur[bewerken]

Leonardo da Vinci's Vitruvische Mens, een voorbeeld van de synthese van kunst en wetenschap tijdens de renaissance

De renaissance verspreidde zich langzamerhand over West-Europa. Van 1300 tot 1450 bleef de renaissance vooral in Italië, daarna beïnvloedde de renaissance tot ~1600 heel West- en Midden-Europa. Hoewel algemeen bekend als een opleving in de kunsten, is de renaissance vooral belangrijk doordat veel kennis uit de oudheid opnieuw bekend werd in Europa, waaronder wiskunde.

Vóór de renaissance was de wetenschap vrijwel geheel gebaseerd op een relatief klein aantal traditionele boeken en schrijvers, zoals de Bijbel en een aantal Griekse en Romeinse schrijvers zoals Plato, Aristoteles en Galenus. Het werk van de wetenschappers bestond uit het geven van commentaren op deze boeken en het toepassen van deze werken op actuele situaties.

De humanisten vormden de eerste groep die zich tegen dit strakke corpus verzette. Ze bleven zich baseren op klassieke werken, maar stelden dat op bepaalde punten fouten zaten in de vertaling vanuit het Grieks (of voor het Oude Testament het Hebreeuws) in het Latijn. Om dit te voorkomen moesten de gezaghebbende teksten in hun oorspronkelijke taal worden bestudeerd, bij voorkeur in een versie die het origineel zo dicht mogelijk benaderde. Latere toevoegingen en uitleggingen waren veel minder belangrijk. Daarnaast wilden de humanisten ook meer schrijvers en geleerden aan het standaardwerk toevoegen.

Belangrijk voor de renaissance was de uomo universale. Dit ideaal stamde ook uit de oudheid; zo was Aristoteles een belangrijke uomo universale. Voorbeelden van een uomo universale zijn Leon Battista Alberti en Leonardo da Vinci.

Renaissancekunst[bewerken]

De nieuwe tijd startte met de Italiaanse renaissance. In de periode van de renaissancekunst waren heel wat kunstschilders actief met het maken van schilderijen. Door economische vooruitgang was het ook mogelijk om onder patronaat realistische schilderijen te laten maken. Deze schilderijen waren zeer kostbaar omdat het veel tijd kostte om ze te maken. Vooral in Italië was er een periode van artistieke hoogtepunten. Het waren tijden van opvallende technische inventiviteit; de olieverftechniek werd uitgewerkt tot een ultieme verfijning, houtsnede en kopergravure waren veelgebruikte nieuwe technieken, er was de boekdrukkunst en het wiskundig en esthetisch uitwerken van het lineair perspectief. In de Lage Landen, vooral in Brussel, veranderden de onderwerpen naar alledag. Wat ook heel kenmerkend was voor de Renaissance was het feit dat door het opkomende individualisme de werken gesigneerd werden. In de middeleeuwen werd dit nooit gedaan, vanwege het feit dat men vond dat de kunstenaar het werk deed in de naam van God en niet in de naam van zichzelf. In de beeldhouwkunst kwamen een aantal innovaties voor, types als de portretbuste en het ruiterstandbeeld die rechtstreeks werden overgenomen van de klassieke oudheid. Bekend uit de Italiaanse renaissance waren vooral Donatello, Michelangelo en Leonardo Da Vinci. Te onderscheiden is de vroegrenaissance en de hoogrenaissance. De gebouwen van de voorbije eeuwen moesten verdwijnen: Constantijns hoofdkerk boven Petrus' graf moest plaatsmaken voor een nieuwe kerk. De terugkeer van de oudheid kwam vooral naar voren in de architectuur. Men bestudeerde de verhandeling van de Romein Vitruvius en mat antieke gebouwen op om zich vertrouwd te maken met de 'taal' van die architectuur (met vormen zoals frontons, eierlijsten, Dorische, Ionische, Korinthische zuilen; met de 'grammatica', de regels voor het bijeenvoegen van de onderdelen). Italiaanse architecten waren onder anderen Filippo Brunelleschi, Palladio en Donato Bramante. Ook in andere landen is de renaissancearchitectuur terug te zien in de vele grote Franse kastelen vooral in het departement Loire. Het bekendste renaissancekasteel in Frankrijk is het kasteel van Fontainebleau.

Zestiende eeuw[bewerken]

De zestiende eeuw was de tijd van de reformatie en de eerste koloniale expansie. Gedurende de 16e eeuw was Spanje, dat geregeerd werd door de Habsburgers, de dominante macht in Europa. Ook het Ottomaanse Rijk was een macht van betekenis.

Ontdekkingsreizen; de eerste koloniale expansie[bewerken]

Vanaf begin 15e eeuw stichten West-Europese machten handelsnederzettingen langs de Afrikaanse, Aziatische en Amerikaanse kusten, en vanaf het einde van de 16e eeuw werd Siberië gekoloniseerd door Rusland. Aanvankelijk zetten Portugal en Spanje de toon. Toen zij elkaar gingen beconcurreren werden in het Verdrag van Tordesillas hun invloedssferen afgebakend. Spanje kon zich richten op Amerika en Portugal op Afrika en Azië. Vanaf het einde van de 16e eeuw gingen Engeland en de Republiek en in iets mindere mate Frankrijk zich bemoeien met de buiten-Europese handel en ook zij vestigden de nodige handelsposten. In beperkte mate wisten ook Denemarken, Brandenburg-Pruisen en Zweden buiten Europa handelsposten te vestigen.

Reformatie[bewerken]

De reformatie was een baanbrekende ontwikkeling die de Nieuwe Tijd inluidde. Het was aanvankelijk een beweging die de katholieke Kerk wilde hervormen.[14] Maarten Luther leidde in Duitsland de reformatie[15], Huldrych Zwingli deed dat in Zwitserland[16] en Johannes Calvijn leidde de reformatie in Frankrijk.[17] Door de rooms-katholieke Kerk werd de hervorming afgewezen en bestreden, hierbij gesteund door katholieke vorsten onder leiding van de jonge keizer Karel V.[15] De aanhang van de reformatoren groeide echter snel, onder andere dankzij de verbreiding van de, in de middeleeuwen uitgevonden, boekdrukkunst[15]. Ook voedde de reformatie politieke tegenstellingen tussen Europese vorsten en edelen, met als gevolg verschillende godsdienstoorlogen en opstanden. De Kerk zette een contrareformatie in, die zich onder meer richtte op verbetering van priesteropleidingen, herstel van misstanden, invloed op het onderwijs, geloofspropaganda en bestrijding van de protestantse ketterij.[18] Vooral dominicanen en jezuïeten waren de bedenkers en leiders van de Inquisitie, de heftige bestrijding van de reformatie.[19][20]

Habsburg-Valois, natiestaten en godsdienstoorlogen[bewerken]

Keizer Karel V zou een hele lijst aan titels en gebieden erven, waaronder het machtige Spanje, zodat hij naar schatting vanaf ca. 1540 over de helft van de bevolking van het westelijk halfrond heerste. De Habsburgse macht in Europa was ongeëvenaard, hooguit Frankrijk kwam in de buurt. De ambitie van Frans I van Frankrijk, die zichzelf als kandidaat voor het keizerschap naar voren had geschoven, leidde tot de voortzetting van de Italiaanse Oorlogen. Hoewel deze in 1559 werden afgesloten met de Vrede van Cateau-Cambrésis, zou het Habsburg-Valois-conflict (later Habsburg-Bourbon) nog twee eeuwen de Europese politiek bepalen. De oorlogen zorgden ervoor dat Karel V afgeleid werd van het probleem van de reformatie. Het zorgde ook voor een aderlating van de macht van Spanje. Voor de Fransen bracht het invasies en armoede, voor hun koningen frustraties. Voor Italië betekenden de oorlogen het einde van de stadsrepublieken en werden de kusten geplunderd door Ottomaanse en Franse schepen. Dat het christendom geen eenheid was bleek wel uit de alliantie tussen Süleyman I en Frans I. Waarschijnlijk was dit alleen een goede tijd voor de Ottomanen, waar de Republiek Venetië haar gebieden in het oosten van de Middellandse Zee aan verloor. De strijd in Italië en die tegen de Ottomanen was zelfs voor de Habsburgse schatkist te veel, ondanks de stroom zilver uit Amerika.

De reformatie maakte een einde aan de religieuze eenheid van West- en Midden-Europa. Niet alleen werden de staten verdeeld door religie, maar sommige staten werden ook intern verscheurd door oorlogen tussen katholieken en protestanten. Tot aan de Dertigjarige Oorlog in de 17e eeuw was religie een belangrijker bindmiddel dan nationalisme, waardoor een land makkelijk verscheurd werd door verdeeldheid op religieus gebied. Alleen in Polen-Litouwen, dat extreem tolerant was, werd men niet gebonden door religie.

Na de troonsafstand van Karel V (1556) werd zijn rijk verdeeld tussen zijn zoon en zijn jongere broer Ferdinand. Filips kreeg Spanje met koloniën en de Nederlanden, terwijl zijn broer Ferdinand het Heilige Roomse Rijk kreeg. Filips II startte de contrareformatie onder andere in de Nederlanden, hetgeen resulteerde in de Tachtigjarige Oorlog, en in 1581 het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tot gevolg had. Daarnaast waren er ook nog spanningen tussen Filips II en Engeland en was er rond de Middellandse Zee een continue dreiging van invasies van de Ottomanen. Aan het einde van de 16e eeuw richtte Spanje zijn militaire inspanningen vooral op Frankrijk, om te voorkomen dat Frankrijk een protestants bolwerk zou worden. Die oorlog met Frankrijk droeg ertoe bij dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zich rond die tijd definitief kon losvechten van Spanje. Frankrijk werd na de Italiaanse Oorlogen geplaagd door een reeks conflicten die nu bekendstaan als de Hugenotenoorlogen. Uiteindelijk werd de oorlog gewonnen door het Huis Bourbon.

Wetenschap en cultuur[bewerken]

De vernieuwing in de wetenschap zette door. Andreas Vesalius sneed zelf in lijken ter onderzoek van de anatomie (wat lange tijd taboe was geweest), en kwam tot de conclusie dat Galenus op bepaalde punten fout was geweest. Copernicus introduceerde het heliocentrisch wereldbeeld. Galilei gebruikte de telescoop om meer over hemellichamen te weten te komen. Cartografen maakten kaarten, nauwkeuriger dan die van Ptolemeus, die het in de Oudheid onbekende werelddeel Amerika toonden.

Langzamerhand drong het besef door dat men de kennis uit de Oudheid waar men zo bewonderend naar opkeek aan het voorbijstreven was. Dit stimuleerde flink het zelfvertrouwen en zelfbewustzijn van de onderzoekers en men ging enthousiast steeds vaker de tot dan toe geaccepteerde 'waarheden' van de autoriteiten uit de antieke cultuur in twijfel trekken en toetsen op waarheid. En zo groeide eind 16e, begin 17e eeuw het besef bij wetenschappers dat niet contemplatie op de historische grootheden van het vakgebied, maar eigen observatie en experiment de sleutels tot kennis waren. De moderne wetenschap was geboren.

Engeland beleefde onder koningin Elizabeth I een periode van grote culturele bloei. Het magistrale werk van William Shakespeare is hiervan slechts één voorbeeld.

Zeventiende eeuw[bewerken]

Europa in 1648

Gedurende de zeventiende eeuw begon in West-Europa een ontwikkeling met verstrekkende gevolgen: een geleidelijk steeds snellere toename van wetenschappelijke en technische kennis. Tegelijkertijd nam aan de kusten van de Atlantische Oceaan de welvaart toe. Het nieuwe vooruitgangsgeloof bevorderde kritisch onderzoek en ondermijnde traditionele autoriteiten.

Absolutisme en mercantilisme[bewerken]

De belangrijkste machten in het zeventiende-eeuwse Europa waren het koninkrijk Frankrijk, het koninkrijk Spanje, het koninkrijk Engeland en de Nederlandse Republiek. Andere belangrijke machten waren de Habsburgse monarchie, het koninkrijk Zweden en het keurvorstendom Beieren.

Op het grondgebied van het Heilige Roomse Rijk zou de Dertigjarige Oorlog woeden van 1618 tot 1648. De oorlog zou oorspronkelijk gaan tussen de protestanten en de katholieken, maar na verloop van tijd zou het een puur politieke oorlog worden. Zo zou het katholieke Frankrijk de protestanten steunen. De meeste Europese grootmachten zouden deelnemen aan deze oorlog. De oorlog, die verloren werd door de keizer van het Heilige Roomse Rijk, zorgde ervoor dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden als soevereine staat erkend werd en dat Frankrijk het machtigste land in Europa werd. Nadat Frankrijk de Dertigjarige Oorlog had omgevormd van een religieuze naar een politieke oorlog, was de toon gezet, zodat religie voortaan niet meer bepalend zou zijn voor bondgenootschappen binnen Europa. Als gevolg van de oorlog hield het Heilige Roomse Rijk de facto op te bestaan; de keizerstitel had nog slechts symbolische betekenis. Duitsland was voortaan een lappendeken van ongeveer 300 onafhankelijke staten en staatjes. Voor de Duitse bevolking was de oorlog een catastrofe: naar schatting een derde van de bevolking kwam om.

Na de ineenstorting van het feodalisme kwam er eindelijk weer een economische organisatie in West-Europa. Ditmaal in de vorm van het mercantilisme, een variant op het kapitalisme. De Republiek der Nederlanden liep hierin in de 17e eeuw (de Gouden Eeuw) voorop. Hoewel het continent staatkundig geen eenheid ging vormen, begon er wel een Europese economie te ontstaan uit de verbinding van de handelsnetwerken. Iberische uitbuiting van de Nieuwe Wereld zorgde voor een prijsrevolutie.

Na de Vrede van Westfalen (1648) werd de absolute monarchie het ideaal dat alle vorsten probeerden te verwezenlijken. Hierbij werd de macht gecentreerd in de koning, die steunde op een professionele bureaucratie. Het was doorgaans vooral de adel die zich tegen de versterking van de koninklijke macht verzette. Als prototype van het absolutisme kan koning Lodewijk XIV gelden. Onder zijn bewind voerde Frankrijk een op expansie gerichte politiek en zou, met 20 miljoen inwoners, het dichtbevolkte Frankrijk toonaangevend worden op cultureel gebied. De economie bloeide vooral op door het protectionistische beleid dat Frankrijk onder Jean-Baptiste Colbert, de minister van Financiën, zou voeren.

De belangrijkste tegenspeler van Lodewijk XIV en de leider van verschillende anti-Franse coalities was Willem III, prins van Oranje, die later koning van Engeland en Schotland werd. In Engeland werd de macht van de koning beperkt door de Engelse Burgeroorlog en de Glorious Revolution. Deze bewerkstelligde dat de koning voortaan niet kon regeren zonder de toestemming van parlement en volk. Engeland en Schotland zouden in de Act of Union 1707 besluiten samen te gaan onder de naam Groot-Brittannië.

In Polen-Litouwen kwam juist, totaal tegengesteld aan wat elders op het continent gebeurde, een quasi-democratie door de Gouden Vrijheid.

Tijdens de 17e en 18e eeuw werden de Engels-Nederlandse Oorlogen gevoerd tussen het Engelse Gemenebest -en dus sinds 1707 Groot-Brittannië- en de nieuwe Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden om de controle over de zee- en handelsroutes. Daarnaast werd in deze periode de Hollandse Oorlog tegen de Republiek gevoerd. De Republiek zou de oorlogen overleven, maar zou veel van de macht verliezen die het tijdens de Gouden Eeuw had opgebouwd.

Oost-Europa werd een arena van gevechten tussen Zweden, Polen-Litouwen en het Ottomaanse Rijk. Deze rijken zouden langzamerhand verdrongen worden door verlichte absolute monarchieën zoals Rusland, Pruisen en Oostenrijk, mede omdat zij veel gebied veroverden op hun voorgangers.

In 1529, en in 1683 opnieuw, stonden de Ottomanen voor de poorten van Wenen. Het beleg van Wenen in 1683 eindigde met de overwinning van de Poolse koning Jan III Sobieski, die de Ottomanen versloeg en daarmee hun opmars in Europa stuitte.

Verbreding van de horizon; de handelscompagnieën[bewerken]

In Afrika en Azië werd het grondbezit rond de handelsposten steeds groter. De koloniale expansie droeg bij aan de welvaart en rijkdom van de landen met veel bezit en handel buiten Europa, maar kon soms negatief uitwerken op de welvaart in de koloniën (zie ook Moderne tijd, tweede koloniale expansie). Met name monopolies, zoals dat van de Nederlandse VOC op specerijen zoals nootmuskaat en kruidnagelen, bleken zeer winstgevend.

Verlichting[bewerken]

René Descartes ontwikkelde een radicale systematische twijfel en werd de grondlegger van het rationalisme. Vanaf 1650 kreeg in Europa de Verlichting vorm, een politieke en filosofische beweging die de opvattingen over politiek, filosofie, wetenschap en religie grondig wijzigde. Het belangrijkste principe van de aanhangers van de verlichting was dat men de waarheid omtrent bepaalde zaken kon vinden met behulp van de ratio, in plaats van wat bijvoorbeeld kerkelijke autoriteiten zeiden zonder meer voor waar aan te nemen. Zo meende Isaac Newton dat in het heelal wetten golden die door de mens ontdekt konden worden. In 1687 publiceerde Newton zijn belangrijkste werk, "Philosophiae Naturalis Principia Mathematica". Het tegenovergestelde van de visie van de verlichting wordt wel obscurantisme genoemd. Vele aanhangers van de verlichting hebben vanwege hun ideeën in de gevangenis gezeten of moesten vluchten naar het buitenland.

De Verlichting speelde zich vooral af in West-Europa. In Frankrijk was het vanwege de strenge censuur vooral een tegenbeweging, waardoor velen moesten vluchten. In Amsterdam bijvoorbeeld, waar veel hugenoten naartoe waren gevlucht, waren enkele Franse drukkerijen, waarvan de producten naar Frankrijk werden gesmokkeld.

Barok[bewerken]

Na de renaissance ontstond de barok. De barok bouwde voort op de renaissancekunst, maar sloeg snel zijn eigen weg in. In de loop van de tijd ontdekten veel heersers het effect van de dramatische barok; zo werd de stijl benut door het Vaticaan ten dienste van de contrareformatie. Door veel pracht en praal te gebruiken in de bouwstijl van de kerken en in de daarin tentoongestelde kunstwerken probeerde de katholieke kerk haar gezag terug te winnen. In Frankrijk werd de barok aan het koninklijk hof toegepast. Lodewijk XIV maakte dankbaar gebruik van deze stijl, die hij leerde kennen dankzij kardinaal de Mazarin, om zijn absolutistische ideeën kracht bij te zetten. Hij liet het kasteel van Versailles bouwen. De barok werd dus vooral gebruikt om het publiek te imponeren en het nietig te doen voelen bij het betreden van het kasteel. De bouwkunst uit de barokperiode wordt gekenmerkt door het gebruik van dieptewerking met perspectieven en door veelvuldig gebruik van ovalen. Verder wordt er gebruikgemaakt van rijk en weelderig materiaal, asymmetrie, veel versieringen en ingewikkelde patronen. Een van de bekendste barokke bouwwerken is de baldakijn van Bernini in de Sint-Pietersbasiliek, die is ontworpen door Gian Lorenzo Bernini. De schilderkunst tijdens de barok kenmerkt zich door het gebruik van extreem realisme, dramatische effecten en clair-obscur. Belangrijke schilders van de barok zijn Caravaggio en Peter Paul Rubens.

Achttiende eeuw[bewerken]

Langzaam werden door Europese christelijke staten meer gebieden heroverd op de Ottomanen. Hoewel het Ottomaanse Rijk nog veel invloed zou uitoefenen op Europa, zou het niet meer meestrijden in Oost-Europa. De voortgaande Europese kolonisatie van gebieden in Azië en Afrika zou het Ottomaanse Rijk nog meer macht doen verliezen, omdat de handelsroute die door het Ottomaanse Rijk richting Azië liep daardoor minder belangrijk werd.

Er werden een aantal oorlogen gevoerd over de troonopvolging. De Spaanse Successieoorlog (17011714) werd tussen aan de ene kant Frankrijk en Spanje en aan de andere kant voornamelijk het Heilige Roomse Rijk, Groot-Brittannië en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gevoerd. De oorlog werd hoofdzakelijk gevoerd, omdat men vond dat Frankrijk, dat onder Lodewijk XIV een erg op expansie gerichte politiek voerde, te groot werd. Het doel van Frankrijk, een kleinzoon van Lodewijk XIV op de Spaanse troon, werd niet bereikt. Spanje werd in deze oorlog gereduceerd tot speelbal van andere Europese mogendheden. Bij de Vrede van Utrecht werd besloten dat Oostenrijk over de Zuidelijke Nederlanden en wat Spaanse gebieden in Italië zou regeren. De Britse koloniën werden uitgebreid, doordat ze Gibraltar kregen van de Spanjaarden en een aantal koloniën in Noord-Amerika van de Fransen. De Vrede van Utrecht was de eerste vrede die gebaseerd was op het principe van het machtsevenwicht. Verder vonden tussen 1740 en 1763 de Silezische Oorlogen plaats. De Silezische Oorlogen waren drie oorlogen tussen Pruisen en Oostenrijk om het gebied Silezië, dat ten tijde van de oorlogen een rijk en industrieel vooruitstrevend gebied was. Tijdens de Derde Silezische Oorlog, ook wel de Zevenjarige Oorlog genoemd (1756-1763), kon Groot-Brittannië nog meer koloniën op Frankrijk veroveren en Pruisen werd een grootmacht in Europa.

Met de Poolse delingen werd Polen-Litouwen verdeeld over de drie naburige machthebbers: Rusland, Pruisen en Oostenrijk. In 1793 verdween Polen zelfs helemaal van de kaart. Veel joden kwamen naar West-Europa, aangezien het tolerante Polen-Litouwen was verslagen en de Jodenvervolging haast niet meer bestond in West-Europa.

De achttiende eeuw was bij uitstek de eeuw van de Verlichting. Frankrijk was het centrum van deze geestelijke stroming. Van de bepleite politieke hervormingen kwam echter voorlopig niets terecht. In andere landen waren het vaak de heersers die belangstelling toonden en probeerden hervormingen door te voeren. Frederik de Grote bijvoorbeeld was gedurende een deel van zijn leven een groot aanhanger van Voltaire. In Rusland drong de Verlichting nauwelijks door, ondanks de inspanningen van de met Voltaire bevriende tsarina Catharina de Grote.

Het liberalisme kwam als gevolg van de Verlichting op. John Locke wordt over het algemeen gezien als de grondlegger van het liberalisme. Andere filosofen die bijgedragen hebben aan het liberalisme zijn David Hume, Immanuel Kant, John Stuart Mill en Adam Smith.

Industriële revolutie in Groot-Brittannië[bewerken]

Door verbeterde agrarische technieken, de wetenschappelijke revoluties vanaf de 17e eeuw en een ondernemend klimaat vond er vanaf 1750 in Groot-Brittannië de industriële revolutie plaats; de stoommachine speelde een zeer belangrijke rol, bijvoorbeeld voor het aandrijven van weefmachines. Niet iedereen was het eens met de invoering van sneller werkende machines. Er waren verscheidene boycotacties tegen fabrikanten en zelfs regelrechte opstanden van werkloos geworden thuiswerkers zoals veel kleine wevers. Deze werden veelal uit de markt gedrongen door de goedkoper werkende nieuwe fabrieken. Pas in de loop van de 19e eeuw volgde de rest van Europa het spoor van Groot-Brittannië.

Rococo en classicisme[bewerken]

Als uitloper van de barok ontstond de rococo. Soms wordt rococo echter ook wel eens gezien als laatste fase van de barok.[21] Kenmerkend voor de rococo is de genoemde asymmetrie, de nadruk op elegantie en het lieflijke en luchtige karakter. Het kleurgebruik typeerde zich door de zachte tinten, met veel gebruik van pastel. Bekende kunstschilders die in deze stijl werkten waren Jean Antoine Watteau en Canaletto. Met betrekking tot de decoratie zette de beweging van de barok zich in de rococo voort, maar werd op kleinere schaal uitgedrukt. Monumentaliteit werd vervangen door lossere vormen, vrolijkheid en frivoliteit; de onderwerpen worden minder ernstig. Dit viel samen met het minder streng worden van de sociale en morele codes in de samenleving. In de muziekgeschiedenis verstaat men onder rococo de stijl die zich ontwikkelde uit de barokmuziek. Rococo kenmerkte zich door intieme kamermuziek met uiterst verfijnde versieringsvormen. Bekende rococo-componisten waren Johann Christian Bach en Carl Philipp Emanuel Bach.

Het dagelijks leven in de Nieuwe Tijd[bewerken]

In de nieuwe tijd begon in West-Europa geleidelijk aan de welvaart toe te nemen. Dit uitte zich op allerlei manieren en bevorderde weer de economische activiteit. Het bankwezen begon zich te ontwikkelingen en er ontstonden nieuwe vormen van krediet. De landbouw werd productiever en dankzij technische verbeteringen nam ook de productiviteit in de mijnbouw en de ijzergieterijen toe. Er werden meer zeewaardige schepen gebouwd, evenals grotere havens en pakhuizen. Huizen werden ruimer en comfortabeler, terwijl het voedselpakket zich verbreedde.

Ondanks de toenemende welvaart gingen de leefomstandigheden van de armen er niet noemenswaardig op vooruit. Omdat er meer monden gevoed moesten worden werd een groter deel van het landbouwareaal dan voorheen gebruikt voor akkerbouw. Er werd minder vlees gegeten dan in de middeleeuwen. De tarwe die de boeren verbouwden werd opgegeten door de welgestelden. Zelf aten zij voornamelijk brood gemaakt van rogge, gerst of haver en in tijden van voedselschaarste eikels en wortels. In Frankrijk at men in de achttiende eeuw hoofdzakelijk brood, ongeveer een pond per dag. Het menu werd aangevuld met bonen en kool. Na 1750 konden meer mensen zich witbrood permitteren.

Ook wat betreft hun huisvesting waren de verschillen tussen rijk en arm groot. Het was in de regel ongezond om in de dicht opeengebouwde steden te leven. Alleen de welgestelden konden zich spiegels en vensterruiten van glas veroorloven. Op het platteland was zelfs een schoorsteen een teken van maatschappelijk succes. De armen aten uit houten kommen, die langzamerhand werden vervangen door vaatwerk van tin. Porselein werd in toenemende mate aangeschaft door de welgestelden. Ook meubels waren een luxeartikel. De middenklasse bezat gewoonlijk een bed en stoelen.

In 1600 waren geïmporteerde producten zoals koffie, thee, suiker en tabak een noviteit. Rond 1800 was de consumptie hiervan sterk toegenomen en voor iedereen behalve de allerarmsten betaalbaar. Ook wijn en bier werden goedkoper. Het aantal taveernes en koffiehuizen nam toe. In de grote steden waren dit populaire ontmoetingsplaatsen. De verschillende koffiehuizen hadden elk hun eigen clientèle. In de zeventiende eeuw begon men ook brandewijn, jenever en whisky te verhandelen.

Hierdoor werden -vooral in de steden- drankmisbruik en openbare dronkenschap onder de lagere klassen meer en meer een probleem. Het toenemend aantal onwettige kinderen, die vervolgens vaak te vondeling werden gelegd, zal hierdoor mede veroorzaakt zijn. In 1780 werden in Parijs ongeveer 30.000 kinderen geboren en 7.000 te vondeling gelegd. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat deze deels afkomstig geweest zullen zijn van het omringende platteland.

Bij de maatschappelijke elites kreeg de vrouw een nieuwe positie: talrijker werden de vrouwen die een sociale rol speelden. Tegelijkertijd echter eiste de heksenvervolging ook in Italië slachtoffers onder het volk, met uitzondering van de republiek Venetië.

Dankzij de toenemende welvaart ontvingen regeringen grotere belastingopbrengsten, zodat zij grotere legers en meer ambtenaren konden bekostigen. De vraag naar boeken en kranten nam toe. Bovendien kon een groter deel van de bevolking dan voorheen zich met andere zaken bezighouden dan het primaire productieproces; meer mensen konden zich toeleggen op bestuur en organisatie, op onderwijs en wetenschap, op het doen van uitvindingen en het maken van ontdekkingsreizen, en op kunst en literatuur.

De moderne tijd (± 1800 - ± 1945)[bewerken]

Rond 1800 begon de moderne tijd. Zoals vaker bij periodisering is er geen algemeen geaccepteerd beginpunt. Jaartallen die vaak gehanteerd worden zijn 1789 (Franse Revolutie), 1815 (nederlaag van Napoleon), 1848 (Revolutiejaar) en 1870 (het begin van de Frans-Duitse Oorlog). Het gebruikelijkst is om de Moderne tijd met de Franse Revolutie te laten beginnen.

De Europese en wereldbevolkingen in deze tijd worden als volgt geschat door Braudel:[13]

Jaar Europa (× 1 mln.) Wereld (× 1 mln.)
1800 187 836 à 916
1850 266 à 274 1091 à 1176
1900 401 à 423 1530 à 1608
1950 594 2416

Franse Revolutie[bewerken]

De bestorming van de Bastille

De Moderne Tijd begon met de Franse Revolutie. In juni 1789 werd na meer dan 175 jaar de Staten-Generaal bijeengeroepen.[22] Op 14 juli werd de Bastille bestormd.[23] De macht van adel en geestelijkheid werd teruggedrongen en in het derde jaar van de revolutie werd het koningshuis afgeschaft. Frankrijk werd een republiek met een grondwet waarin de burgerij de macht overnam. De Franse Revolutie werd veroorzaakt doordat de klassenverschillen te groot werden, de situatie van de gewone man structureel niet verbeterde en omdat de Franse staat al twee jaar bankroet was.[24] De verlichting en het liberalisme waren een extra impuls voor de Franse Revolutie.[24] De Franse Revolutie was een opstand tegen het Ancien Régime en zorgde ervoor dat de heerlijkheden werden opgeheven en vervangen door één algemeen lokaal bestuursmodel, de gemeente. Verder zorgde het voor de invoering van de burgerlijke stand, de opheffing van het leenstelsel en het tiendenstelsel. Daarnaast werden alle ambtelijke en adellijke titels afgeschaft en werd het gewoonterecht vervangen door de Code Napoléon.

Napoleontische oorlogen[bewerken]

Na de Franse Revolutie kwam Napoleon Bonaparte aan de macht. In 1799 wierp deze generaal de regering omver en verving die door het Franse Consulaat.[25] Op 2 december 1804 kroonde hij zich, na een mislukte aanslag, tot keizer.[26] Napoleon probeerde tevergeefs als onderdeel van de Derde Coalitieoorlog Groot-Brittannië binnen te vallen. Vervolgens zou de Franse vloot verslagen worden in de Zeeslag bij Trafalgar, wat een honderdjarige heerschappij op zee van Groot-Brittannië zou betekenen. Op 2 december 1805 wist Napoleon de Derde Coalitieoorlog uiteindelijk in zijn voordeel te beslissen en versloeg hij een in aantallen superieur Oostenrijks-Russisch leger in de Slag bij Austerlitz.[27] Dit zorgde voor de terugtrekking van Oostenrijk uit de Derde Coalitie en de ondergang van het Heilige Roomse Rijk. Napoleon zou de Rijnbond oprichten, een vervanger van het Heilige Roomse Rijk dat onder Frans gezag stond. In 1806 werd een Vierde Coalitie opgezet, maar Napoleon versloeg de Pruisen in de Slag bij Jena-Auerstedt en de Russen in de Slag bij Friedland. De Vrede van Tilsit verdeelde Europa tussen Frankrijk en Rusland, wat het begin zou worden van een Frans-Russische oorlog.

Europa in 1812
Napoleons terugtocht uit Rusland (door Northern)

Napoleon viel met een leger van 500.000 man op 24 juni Rusland binnen vanuit Polen, waarna de Russen de tactiek van de verschroeide aarde toepasten. Confrontaties met het Russische leger werden door Napoleon gewonnen, maar doordat de Russen zich steeds verder terugtrokken werd hij steeds dieper Rusland ingelokt. Op het moment dat Napoleon Moskou bereikte was hij al de helft van zijn leger kwijt. Moskou was compleet verbrand achtergelaten, waarna Napoleon besloot zich terug te trekken.

Slechts 18.000 soldaten overleefden de terugtocht vanuit Rusland. De rampzalig verlopen veldtocht leidde tot een anti-Franse stemming. In augustus 1813 rukten drie tegen Napoleon verbonden legers op naar Saksen. Napoleon werd verpletterend verslagen in de grote Volkerenslag en hij werd verbannen naar Elba. Lodewijk XVIII nam de macht in Frankrijk over en ging over tot de Witte Terreur om zich te ontdoen van alle resterende aanhangers van Napoleon.

Congres van Wenen[bewerken]

Nadat Napoleon verslagen was moest Europa opnieuw verdeeld worden. Dit gebeurde op het Congres van Wenen. Dat was een congres in 1814 en 1815 gehouden door de overwinnende mogendheden Pruisen, Oostenrijk, Rusland en Engeland. Reactionaire machten achtten een dergelijke herordening noodzakelijk, want de Franse Revolutie had die kaart hertekend. Zo was het eeuwenoude Heilige Roomse Rijk verdwenen. Napoleon had veel staatjes en staten samengevoegd en het veelal plaatselijke recht vereenvoudigd en nationaal gelijkgeschakeld.

Het congres van Wenen (tekening door J. B. Isaben)

Europa werd opnieuw verdeeld. Noorwegen kwam toe aan Zweden, Lombardije-Venetië aan Oostenrijk, Polen werd verdeeld over Rusland, Pruisen en Oostenrijk en de Duitse Bond werd opgericht en zou onder leiding staan van Pruisen en Oostenrijk. Noord-Italië ging naar de Habsburgse dynastie, maar in de rest van Italië werden veel staten hersteld. Het Koninkrijk der Nederlanden werd gesticht.

Na het Congres van Wenen[bewerken]

Europa na het Congres van Wenen.

De nieuwe orde zou echter niet lang standhouden. De ideeën van de Franse Revolutie hadden overal al wortel geschoten, en leidden tot staatkundige veranderingen. Het Osmaanse Rijk werd ontbonden, het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden viel uiteen, wat in 1830 leidde tot de nieuwe staat België, en in Servië braken opstanden uit, wat de eerste barst vormde in de nieuwe constellatie.

In het Revolutiejaar 1848 zouden veel regeringen omver worden geworpen. In Italië en Roemenië werd een poging gedaan om een eenheidsstaat te stichten. In Pruisen vond de oprichting van het Frankfurter Parlement plaats. In Nederland zorgde Thorbecke ervoor dat er een constitutionele monarchie kwam. De revoluties die in 1848 in Europa plaatsvonden zouden veelal mislukken, waarna de meeste liberale concessies weer teruggedraaid werden. Enkele verworvenheden, zoals het afschaffen van de lijfeigenschap in de gebieden waar dat nog niet was gebeurd en een grotere rechtszekerheid, bleven echter behouden. De pers won na het versoepelen van de censuur tijdens de revoluties aan invloed.

Er zou voortaan veel centraal bestuurd worden. In Oostenrijk begon na 1849 de periode van het neo-absolutisme en kwam er een centraal bestuur. In 1859 zouden Walachije, Moldavië en Roemenië zich onafhankelijk verklaren. Pas in 1862 kwamen ze formeel samen als Roemenië. In Italië kwam er, onder leiding van Giuseppe Garibaldi, toch omstreeks 1860 een Italiaanse eenheidsstaat. In Frankrijk zouden de Bourbons plaatsmaken voor het Tweede Franse Keizerrijk. Otto von Bismarck probeerde door middel van de zogenaamde Realpolitik een verenigd Duitsland te realiseren. Hij zou oorlogen tegen Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk uitlokken, zodat Pruisen uiteindelijk de macht zou krijgen in het gebied. In 1870 zou het Duitse Keizerrijk gevormd worden. De gevreesde Duitse eenwording vond zestig jaar na het Congres van Wenen toch plaats, mede door de Realpolitik van Bismarck.

Na de Russisch-Ottomaanse Oorlog in 1877 en 1878 zouden Roemenië, Servië, Montenegro en Groot-Bulgarije onafhankelijk worden. Er dreigde een oorlog tussen Rusland en Engeland, omdat Rusland te veel macht in Oost-Europa kreeg. Bismarck loste dit op met het Congres van Berlijn. Hierin zouden de kleinere landen verdeeld worden over de grootmachten in Europa. Bismarck zorgde ervoor dat de Europese grootmachten tegen elkaar werden uitgespeeld. De kans op een anti-Duitse coalitie was hierdoor kleiner dan ooit, waardoor Bismarcks Duitsland zich op kon maken voor de Eerste Wereldoorlog.

Industrialisatie op het vasteland en de arbeidersbeweging[bewerken]

Op het vasteland volgden na 1830 eerst België, Frankrijk en Pruisen, Engeland in de Industriële revolutie. Omstreeks 1880 volgde aarzelend pas de rest van Europa. Veel Europese landen bleven voornamelijk agrarisch tot na de Eerste Wereldoorlog. Toen pas zette een grote industrialisatiegolf door.

De gevolgen van de industrialisatie waren te zien in het proces van de snelle verstedelijking van voorheen relatief kleine dorpen en stadjes waar de nieuwe fabrieken kwamen. Verarmde plattelanders stroomden er massaal heen voor werk. Er ontstond daardoor een nieuwe sociale klasse: de arbeiders, oftewel het industriële proletariaat. De Industriële revolutie zou versneld worden door de eerste spoorwegen in het begin van de 19e eeuw. De spoorwegen zouden samen met de fabrieken het landschap ingrijpend veranderen. Aan het einde van de 19e eeuw zou ook de auto ontwikkeld worden, waardoor het landschap nooit meer hetzelfde zou zijn. De groei van de arbeidersbevolking, de concentratie in de steden en verbeteringen op het gebied van onderwijs maakten in de loop van de 19e eeuw een politieke beweging mogelijk, op socialistische of anarchistische grondslag. Tegen het einde van de eeuw begon de arbeidersbeweging in sommige staten een serieuze bedreiging voor de gevestigde orde te vormen. Het mercantilisme werd vervangen door het kapitalisme, de handel zou niet meer in dienst staan van de staat, maar in dienst van de bedrijven.

Tweede koloniale expansie[bewerken]

In de 2e helft van de 19e eeuw gingen steeds meer Europese mogendheden er toe over om koloniën onder hun bestuur te brengen.[28] Voortaan zouden de Europeanen niet meer alleen handelsposten op de kust van de koloniën plaatsen, maar de uitgestrekte gebieden zouden ingelijfd worden in het rijk.[28] Deze manier van kolonisatie zou bekend worden als imperialisme.[28] Amerika was rond deze tijd al gedekoloniseerd, waardoor de Europeanen nu Afrika, Oceanië en Azië gingen koloniseren. Het imperialisme werd gemotiveerd door de toenemende industrialisering en nationalisering van de handel, waarbij het gevaar aanwezig leek dat grondstoffen- en afzetgebieden onbereikbaar of veel duurder zouden worden. Daarnaast werd imperiumvorming belangrijk. Een kolonie gaf veel aanzien, waardoor er kolonies ontstonden waarvan de kosten hoger waren dan de opbrengsten. De veroveringen werden mede mogelijk door de snelle technische ontwikkeling die in Europa had plaatsgevonden, waardoor moderne snelvuurwapens beschikbaar waren, waartegen een primitieve legermacht niet opgewassen was.

De gevolgen voor Europa waren groot. De koloniën betekenden een uitbreiding van de Europese economie op wereldniveau. Doordat er nieuwe grondstoffen en nieuwe markten beschikbaar kwamen heeft dit het economische leven sterk gestimuleerd. Psychologisch gezien betekende het modern imperialisme dat de superioriteitsgevoelens en het zelfvertrouwen van de Europeanen sterk werden gestimuleerd. Maar ook de gevolgen voor de koloniën waren groot. Vooral vanaf de 19e eeuw zou de westerse uitbuiting van de koloniën de daar bestaande traditionele economische structuren ernstig verstoren, waardoor die gebieden minder goed konden voorzien in de eigen binnenlandse behoeften, afhankelijk werden van importen, en verarmden.

Europa in 1914

Eerste Wereldoorlog[bewerken]

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. De oorlog had veel aanleidingen en de grote schaal is te verklaren door de vorming van allianties die geleid werden door de grote mogendheden Duitsland en Oostenrijk enerzijds en Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland anderzijds. Het Duitse Keizerrijk was een laatkomer in het imperialisme en voelde zich achtergesteld in de verdeling van de koloniën. Het kreeg er enkele in Afrika en in de Stille Oceaan, maar dat was weinig vergeleken met Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en zelfs Nederland. Verder kwamen er steeds meer sterk nationalistische stromingen op. Veel volken wilden hun eer en/of onafhankelijkheid herstellen. Duitsland had een grote bevolking en had de Britten ingehaald in industriële ontwikkeling en de Fransen achter zich gelaten en het had een sterk en gemoderniseerd landleger. Het was vol vertrouwen in het winnen van een oorlog. Bij sommige landen, zoals Italië en Roemenië, bestond bereidheid om met de meestbiedende zijde mee te gaan. Oorlog werd daarnaast door nationalisten, sociaal darwinisten, militairen en andere groeperingen gezien als "zuivering". Door oorlog zou de sterkste cultuur (de eigen) overwinnen, en zouden "ziektes" als feminisme, homoseksualiteit, marxisme, socialisme en vrijmetselarij worden uitgebannen. Het woord 'militarisme' had nog niet de negatieve klank die tegenwoordig vanzelfsprekend is.

Na de moord op kroonprins Frans Ferdinand van Oostenrijk en zijn vrouw door een Servische nationalist stelde Oostenrijk-Hongarije ultimatums aan Servië. Toen deze niet ingewilligd werden, verklaarde Oostenrijk-Hongarije op 28 juli 1914 aan Servië de oorlog. De gesloten verbonden zorgden ervoor dat de andere landen bij de oorlog betrokken werden.

Soldaten in een loopgraaf

In het westen voerden de Fransen een vergeefse aanval uit richting het Ruhrgebied. Onderwijl trokken de Duitse legers door de Ardennen, volgens het aangepaste von Schlieffenplan, België de oorlog in slepend. De Duitse opmars naar Parijs werd echter door Franse troepen tot staan gebracht. Het Westfront kwam muurvast te zitten in de loopgravenoorlog. Gifgas, prikkeldraad, mitrailleurs, bunkers en artillerie maakten dat elk offensief tot het verlies van tienduizenden soldaten leidde.

Ter zee wist de Duitse marine de numeriek veruit superieure Britse marine in de Slag bij Jutland in juni 1916 en bij kleinere acties stevige klappen te geven, maar kon niet de Britse blokkade doorbreken. De Duitsers begonnen zich toen op de onderzeeboten te richten en begonnen effectief handelsschepen uit te schakelen. Tot afgrijzen van Engeland, waar de voedselvoorraden snel slonken. De Engelse marine kwam met het antwoord dat schepen in konvooien moesten gaan varen, dit bleek erg effectief. Ook bleven de Engelsen de Duitse havens blokkeren en zo de Duitse bevolking uithongeren. De Duitse onbeperkte duikbotenoorlog leidde in april 1917 tot deelname van de Verenigde Staten aan de oorlog. Het zou tot 1918 duren voordat verse Amerikaanse troepen het westelijke front bereikten.

Aan het oostfront sloot de grote frontlengte een loopgravenoorlog zoals in het westen uit. Rusland had wel een groot leger, maar kwalitatief was het veel minder dan het Duitse en het Oostenrijkse en verloor gestaag gebied aan Duitsland; de voortdurende verliezen leidden in 1917 tot de Russische revolutie. Het nieuwe Sovjet-regime sloot met Duitsland en Oostenrijk de Vrede van Brest-Litovsk, waarbij het veel grondgebied opgaf. Hierna zetten de Duitsers de vrijgekomen troepen in aan het westfront, waar de Amerikanen de uitgeputte Britten en Fransen te hulp waren gekomen. De Duitse offensieven tussen maart en juli 1918 liepen echter met veel verlies aan manschappen vast, waardoor de westelijke geallieerden in november 1918 een wapenstilstand konden afdwingen en de oorlog in hun voordeel konden beslissen met de Vrede van Versailles (1919). De regimes van de verliezende keizerrijken Duitsland en Oostenrijk kwamen ten val en werden vervangen door republikeinse regimes. Het Ottomaanse rijk had aan de kant van de Centrale mogendheden meegestreden en in 1915 een Brits-Franse expeditie afgeslagen in de Slag om Gallipoli, maar moest ook tot de verliezers gerekend worden. In 1922 werd het definitief ten val gebracht door het seculiere bewind van Mustafa Kemal Atatürk.

Interbellum[bewerken]

Europa in 1929-1939

De periode tussen de twee wereldoorlogen is het interbellum (tussen oorlogen). In de Vrede van Versailles (1919) straften de winnaars Duitsland hard.[29] De Duitsers kregen een rekening van 66 biljoen pond te betalen in gelijke delen, die tot aan de jaren 80 zou moeten worden betaald. Ze perkten het leger van Duitsland enorm in, 100.000 manschappen en geen luchtmacht en een kleine vloot. Ook werd de Volkenbond opgericht en er werden nieuwe staten erkend, zoals Polen, Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Oostenrijk, Joegoslavië, Finland, Estland, Letland en Litouwen. Deze landen werden opgericht in gebieden die voordien in handen waren van Rusland, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Ze werden opgericht op basis van het zelfbeschikkingsrecht. De meeste van deze landen raakten verstrikt in oorlogen, zoals de Pools-Russische Oorlog. Het Ottomaanse Rijk zou vanaf 1921 Turkije heten. Het zou een seculiere democratie worden met Atatürk als eerste president. De grenzen werden bepaald in het Vrede van Lausanne, die getekend zou worden na de door de Turken gewonnen Grieks-Turkse Oorlog. In Rusland was het communisme aan de macht gekomen, de Sovjet-Unie zou ontstaan. Autoritaire ideologieën zoals communisme en fascisme kwamen op. Nationalistische leiders wilden het prestige van hun land herstellen. Zij vonden hun heil in diverse knokploegen die zich lieerden aan politieke bewegingen. Gematigden zaten klem tussen deze twee gewelddadige vuren. In veel landen werd de democratie dan ook door een autoritair regime vervangen. Er ontstonden fascistische regimes in Italië (Benito Mussolini; 1922), Duitsland (Adolf Hitler; 1933), Spanje (Francisco Franco; 1939, na de Spaanse Burgeroorlog) en andere landen als Hongarije. Vrouwen hadden de open plaatsen in fabrieken en werkplaatsen moeten invullen, dit vanwege de totale oorlog. Dit leverde hen een vrijheid op die ze vroeger nooit hadden gehad. Ze beseften dat ze veel mannenwerk best zelf konden doen, en kregen meer zelfvertrouwen. Vrouwen gaven na de oorlog hun positie niet op, waardoor het feminisme een enorme impuls kreeg.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Europa in 1941-42

Nadat nazi-Duitsland met Italië een alliantie vormde door middel van het Staalpact en een non-agressiepact sloot met de Sovjet-Unie onder de naam Molotov-Ribbentroppact, startten Jozef Stalin en Adolf Hitler de Tweede Wereldoorlog. Op 1 september 1939 viel nazi-Duitsland Polen binnen, op 17 september 1939 gevolgd door de Sovjet-Unie.[30] Hitler had in de loop vanaf 1934, terwijl dit in Versailles verboden was, een behoorlijk leger opgebouwd.[30] Nadat Polen, delen van Scandinavië, Frankrijk en de Balkan nog voor 1941 veroverd werden, begonnen de asmogendheden zichzelf te overschatten. Hitlers ideologische tegenstanders waren de communisten in de Sovjet-Unie, maar vanwege het Duitse falen in het Verenigd Koninkrijk en de Italiaanse nederlagen in Noord-Afrika en het gebied rondom de Middellandse Zee, werden de troepen van de asmogendheden verdeeld. De ene helft moest Europa bewaken, terwijl de andere helft Afrika moest aanvallen. Hierdoor bleven er niet genoeg krachten over om de Sovjet-Unie aan te vallen, maar Hitler deed toch een poging in juni 1941, aangezien er weinig tegenslagen waren. Ondanks het succes van het Duitse leger, werd het leger in december 1941 gestopt voor de poorten van Moskou. Tijdens deze periode begon Hitler de systematische genocide van elf miljoen mensen in de Holocaust, onder wie de meerderheid van de Europese Joden.

In 1943 keerde het tij. De Duitsers werden onder andere verslagen in de Slag om Stalingrad en de Slag om Koersk. In de rest van de wereld barstte de oorlog nu ook los en Duitsland maakte zijn zelfoverschatting compleet door eind 1941 de Verenigde Staten de oorlog te verklaren, nadat deze door Duitslands bondgenoot Japan waren aangevallen. De oorlog liep nu hoog op tussen de asmogendheden en de geallieerden. De geallieerden wonnen in Noord-Afrika en vielen in 1943 Italië binnen. In 1944 werd bezet Frankrijk binnengevallen. In de lente van 1945 werd Duitsland via het oosten binnengevallen door de Sovjet-Unie. De westelijke geallieerden zouden hierna in maart de Rijn oversteken. Hitler pleegde op 30 april zelfmoord en op 8 mei 1945 werd de oorlog in Europa beëindigd.

Kunst in de Moderne Tijd[bewerken]

Francesco Hayez als voorbeeld van de romantiek.

Vanaf het einde van de 18e eeuw kwam de Romantiek op. De Romantiek was een stroming in het westerse denken die zich sterk deed gelden in de kunst en het intellectuele leven van met name Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. In de Romantiek werd, onder invloed van de Verlichting en de filosofie van Immanuel Kant, de subjectieve ervaring als uitgangspunt genomen. Hierdoor kwamen introspectie, intuïtie, emotie, spontaniteit en verbeelding centraal te staan. De mentaliteit van de volbloed romanticus valt samen te vatten met het nog steeds modieuze begrip jezelf ontdekken. De romanticus zag de hartstocht die hij in zichzelf ontwaarde terug in andere levensvormen. Plekken die nog niet door de menselijke ratio waren bezoedeld kregen de eretitel natuur. Diverse onder invloed van de Romantiek tot bloei gekomen verschijnselen zijn nog lang invloedrijk gebleven. Sommige cultuurbeschouwers menen zelfs dat we, vanwege onze grote waardering voor het individuele gevoelsleven, nog steeds in het tijdperk van de Romantiek leven.

Portret van Madame de Verninac door Jacques Louis David

Naast de Romantiek ontstond het classicisme, een beweging tussen 1770 en 1830, die de speelse gratie van de rococo en het statische pathos van de barok afwijst. Tijdens de architectuur van het classicisme wordt gebruikgemaakt van het herleven van de stijl van literatuur, beeldende kunst en architectuur van de Klassieke Oudheid en dus ook van de renaissance.

Als reactie op de Romantiek ontstond het realisme. Het realisme streefde naar het weergeven van de (maatschappelijke) werkelijkheid. Dit was een grote verandering ten opzichte van de Romantiek. In de bouwkunst uitte het realisme zich doordat men liet zien hoe een bouwwerk is gemaakt, door middel van moeren, bouten en stalen binten.

Als uitloper van het classicisme ontstond het neoclassicisme, een stroming in de kunst waarbinnen opnieuw de vermeende puurheid van de klassieken werd nagestreefd. Waar de grens tussen classicisme en neoclassicisme ligt, is niet altijd even duidelijk. Met neoclassicisme omschrijft men het werk van laat-18e- en 19e-eeuwse kunstenaars als Jean Auguste Dominique Ingres en Jacques Louis David in Frankrijk.

Als reactie op het classicisme en als voortzetting van het realisme ontstond het impressionisme. Qua inhoud en techniek was het impressionisme een reactiebeweging tegen de heersende conservatiefclassicistische opvattingen van de salonjury's. De bedoeling bij de jongeren was het onmiddellijke beeld weer te geven van het direct geziene en op dat moment precies. Zelfs bij de onderwerpkeuze richtte men zich op het alledaagse leven. De elementaire kleuren werden in los naast elkaar geplaatste toetsen op doek gebracht, zodat ze op afstand de gewenste kleurvariaties vormden en aldus subtielere nuancering toelieten. Belangrijk was hierbij niet meer de stoffelijke preciesheid van de vormen in de natuur, dan wel de kleurrijke oplossing die zon, licht en lucht als indruk weergeven. Door de uitvinding van de tube kon men voortaan mengen op het doek en was men dus niet meer genoodzaakt om te schilderen in een atelier.

Paul Signac: De haven van Rotterdam, 1907

Als uitloper van het impressionisme ontstond het pointillisme. Het was de bedoeling het licht te accentueren door het analyseren van de kleuren. In het pointillisme werden verfstippen in primaire kleuren op het doek aangebracht. De werking van de menselijke hersenen maakt dan dat er een secundaire kleur wordt waargenomen. Door bijvoorbeeld kleine rode en gele stippen naast elkaar te zetten ziet men oranje.

Als reactie op het impressionisme ontstond de jugendstil. Het jugendstilornament was samengesteld uit motieven die gewoonlijk asymmetrische composities vormen met een tweedimensionaal karakter, zoals men dit ziet op meubels, sieraden, lampen, bedrukte stoffen enz. De belangrijkste inspiratiebron was de natuur. De bewogen lijnen waren een middel om emoties uit te drukken. De jugendstil werd in veel kunstvormen toegepast, omdat het heel gebruikelijk was dat een architect ook meubels, zilver, glaswerken, wandversieringen en affiches ontwierp.

In de 20e eeuw ontstond het modernisme. Het modernisme uitte zich in heel nieuwe vormen op alle culturele gebieden, zoals beeldende kunst, muziek en film. Binnen het modernisme waren er talloze richtingen. De belangrijkste waren expressionisme, dadaïsme, surrealisme, kubisme, futurisme, constructivisme en Nieuwe zakelijkheid. De beeldende kunst veranderde het meest. Een schilderij hoefde in het modernisme niet meer realistisch te zijn. Ook in de muziek liet deze evolutie zich gelden. In de jaren 20 kwam jazz overwaaien uit de VS. Met de komst van jazz was muziek niet langer een melodie, maar een verzameling van klanken.

Eigentijdse tijd (± 1945 - heden)[bewerken]

De periode na de Tweede Wereldoorlog wordt de eigentijdse tijd genoemd. Deze wordt gekenmerkt door de opkomst van moderne elektronica, een massacultuur in West-Europa, de oprichting van communistische dominantie in Oost-Europa tot ca. 1990 en een geleidelijk proces van Europese eenwording.

De Koude Oorlog[bewerken]

Nog voordat in Europa de Tweede Wereldoorlog op 8 mei 1945 was geëindigd,[31] werd de Conferentie van Jalta gehouden. Daar werd Europa in twee delen opgedeeld. Aan de ene kant het Oostblok met steun van de Sovjet-Unie en aan de andere kant West-Europa met steun van de Verenigde Staten. Het Oostblok en de Sovjet-Unie werden verenigd in het Warschaupact, wat ervoor zorgde dat de Sovjet-Unie veel invloed kreeg op de landen van het Oostblok. West-Europa en de Verenigde Staten werden verenigd in de NAVO.

In West-Europa begon een proces van politieke en economische integratie. Dit proces zorgde uiteindelijk voor de oprichting van de Europese Unie en de Raad van Europa. In de jaren 1980 verzwakte het communistische regime en Michail Gorbatsjov, de leider van de SU, begon de perestrojka en de glasnost, wat de invloed van de SU op Oost-Europa drastisch verminderde. In 1990 en 1991 viel de SU en alle daarbij behorende landen. De staten vielen uiteen. De grootste staat die uit de splitsing van de SU voortkwam was Rusland. De meest gewelddadige splitsing was in Joegoslavië, waar uiteindelijk Kosovo zich als laatste pas in 2008 van Joegoslavië zou afsplitsen.

De Europese eenwording[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Geschiedenis van de Europese Unie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De groei van de Europese Unie tussen 1957 tot 2013

In 1985 werden de Akkoorden van Schengen getekend, waardoor vrij reizen in Europa mogelijk werd. In 1992 werd het Verdrag van Maastricht getekend, waardoor de Europese Unie werd opgericht. Voortaan was de samenwerking in Europa niet alleen meer economisch, wat in de tijd van de EEG nog wel was.

In 2002 kwam een Europese valuta in omloop; de euro. Maar drie landen (Denemarken, Verenigd Koninkrijk en Zweden) van de 15 leden van de Europese Unie deden niet mee met de euro. In 2004 werden er 10 staten aangesloten bij de Europese Unie, in 2007 nog twee en in 2013 nog één. Voortaan had de Europese Unie 28 lidstaten.

In 2004 werd de Europese Grondwet opgesteld, maar dit verdrag zou nooit van kracht worden. Het Verdrag van Lissabon werd toen opgesteld, wat alle bestaande Europese verdragen amendeerde. Door dit verdrag krijgt de Europese Unie zijn eerste president.

Het dagelijks leven in de eigentijdse tijd[bewerken]

Het dagelijks leven in Europa veranderde enorm door een aantal technologische ontwikkelingen. Het huishouden werd vooral ingrijpend veranderd door de komst van de magnetron, de televisie, vanaf de jaren negentig de mobiele telefoon, computer en het internet.

De infrastructuur werd veranderd door de komst van veel snelwegen, waarmee Hitler in zijn eigen land in de jaren dertig begonnen was. De burgerluchtvaart kwam tot bloei en ook het openbaar vervoer verbeterde. Zo werden de spoorwegen enorm verbeterd door de komst van de hogesnelheidstrein. Door het Verdrag van Schengen heeft men geen last meer van grenscontroles tussen de lidstaten. Werken of wonen in een ander Europees land is ook steeds makkelijker geworden door de Europese Unie. Er is hierdoor wel een verhevigde discussie ontstaan over een gemeenschappelijk toelatingsbeleid ten aanzien van migranten van buiten Europa.

De gevolgen van de val van het communisme in Oost-Europa waren enorm voor de Oost-Europese landen en verschilden van land tot land. Dit was deels toe te schrijven aan de verschillende transities van een planeconomie naar een markteconomie en deels aan de mate van democratisering na de omwenteling. Zo onderging Polen van alle landen de hardste transitie van een planeconomie naar een markteconomie (shocktherapie) maar koos het bewust om geen algemene zuivering van het communistische apparaat door te voeren. Inmiddels is die zuivering door de huidige rechtse regering wel ingezet. Hongarije en Tsjechië deden dat vrij snel na het ineenstorten van het communisme. Bijna alle landen voerden wel direct de democratische vrijheden in, dat wil zeggen persvrijheid, algemeen kiesrecht, enz. De bevolking, die grotendeels achter de omwentelingen stond, was aanvankelijk zeer enthousiast, maar dat enthousiasme werd enigszins getemperd toen ze de gevolgen van de nieuwe markteconomie ondervonden. Desondanks is er weinig nostalgie naar de periode vóór de omwenteling en is er een groeiende middenklasse in de meeste voormalige Oostblok-landen.

Kunst in de eigentijdse tijd[bewerken]

1945 tot het einde jaren 1960[bewerken]

Jardin d'émail door Jean Dubuffet. Een voorbeeld van popart.

De ontnuchtering na de Tweede Wereldoorlog zorgde voor een nieuwe opvatting in de kunst: kunst moet niet alleen maar interessant zijn voor de elite, maar ook voor de 'gewone man'. Een van de eerste stromingen die zich duidelijk profileerde met dit idee is popart, een stroming die was ontstaan in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk, al enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog. De 'handreiking aan de gewone man' werd bereikt door thema's te kiezen die aansloten bij die cultuur, zoals reclame, televisie, kranten en tijdschriften.

Ook werd de voor de oorlog ingeslagen weg van abstractere kunst verder verkend. De traditionele schilderkunst zou abstracter worden, maar daarnaast werden ook andere soorten kunst belangrijker. In musea kwamen performances, videokunst, lichtkunst en minimal art aan bod, ten koste van de traditionele schilderkunst. De conceptuele kunst, het concept van het kunstwerk, was belangrijker geworden dan de gebruikte techniek van verf op doek. Deze trend kende zijn hoogtepunt tijdens de jaren zestig en zeventig bij conceptuele bewegingen als happening, fluxus, videokunst, en kunstenaars als Joseph Beuys, Nam June Paik, Wolf Vostell en Wim T. Schippers.

Hedendaagse kunst[bewerken]

De huidige tijd, zeg maar vanaf de jaren 60, wordt in de kunstgeschiedenis aangemerkt als actuele of hedendaagse kunst. De laatste decennia van de twintigste eeuw werden gekenmerkt door het postmodernisme, een brede culturele stroming (ook in onder andere filosofie, literatuur en architectuur) die zich afzette tegen het modernisme uit het begin van de twintigste eeuw. De 'grote verhalen' en ideologieën waren voorbij: in plaats daarvan moest de kunst zich richten op kleinere gebeurtenissen en onderwerpen en werd het subjectivisme weer belangrijker geacht dan de ratio, de maakbaarheid van de samenleving werd bestreden. Ook de versmelting tussen hoge en lage cultuur was een in het oog springend kenmerk van het postmodernisme. Desondanks is het postmodernisme niet zo'n duidelijk afgebakende stroming als bijvoorbeeld de barok. Typisch voor de hedendaagse kunst is dan ook het grote pluralisme: het is moeilijk om nog duidelijke kunststromingen te onderscheiden, die zo karakteristiek waren voor de moderne kunst.

Verder lezen[bewerken]

Literatuur en algemene bronnen

Referenties

  1. Dit door de christenen tot heidendom gewaarmerkt geloof hield het langst stand in de Scandinavische landen, en werd door een IJslands geleerde min of meer te boek gesteld in de Edda.
  2. A. Vekua, D. Lordkipanidze, G. P. Rightmire, J. Agusti, R. Ferring, G. Maisuradze, et al. (2002). "A new skull of early Homo from Dmanisi, Georgia". Science, 297:85–89.
  3. "De archaïsche Homo sapiens", andrebogeart.be
  4. "Neanderthal-human hybrid 'a myth'" BBC News
  5. a b Quaternary Science Reviews 26 (2007) 2036–2041, Catastrophic early Holocene sea level rise, human migration and the Neolithic transition in Europe, Chris S.M. Turneya, Heidi Brown
  6. Volkskrant
  7. Drs. W. Jansen Heijtmajer, "De Geschiedenis van de schrijftaal".
  8. Arthur Evans weet dit onder meer aan de Myceners, die het eiland vanaf de 15e eeuw v.Chr. binnengevallen zouden zijn.
  9. "Hel, hemel en christendom", geschiedenis.nl.
  10. De kerken van Ravenna zoals de Basiliek van San Vitale. De goudmozaïeken van San Marco in Venetië en de grandioze mozaïekreeksen voor de Normandische heersers op Sicilië.
  11. deze paragraaf is grotendeels gebaseerd op H.P.H. Jansen (1981): Geschiedenis van de Middeleeuwen, derde druk, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht - Antwerpen, pp. 141-285.
  12. "Pest", geschiedenis.nl.
  13. a b Fernand Braudel (1992). Civilization and Capitalism, 15th–18th Century. The Structures of Everyday Life. University of California Press, ISBN 0-520-08114-5.
  14. "Gereformeerde Kerk vrijgemaakt", Zendtijd voor kerken.
  15. a b c "De Hervorming", digischool.
  16. "Protestantisme", Kunstbus.
  17. "Calvijn, Johannes (1509-1564)", Geschiedenis (VPRO).
  18. "Censuur in het Vaticaan", UvA.
  19. "Jezuïeten", Isodorusweb.
  20. "Ontstaan en geschiedenis van de RK Kerk", Isodorusweb.
  21. "Rococo", kunstbus.nl
  22. "De Franse Revolutie", geschiedenisleraar.nl.
  23. "Quatorze juillet, nationale feestdag", de Franse ambassade.
  24. a b "De Franse Revolutie", Bibliotheek Den Haag.
  25. "Napoleon Bonaparte", worldwidebase.
  26. (en) "Emperor of France", channel 4.
  27. (en) "Russia breaks with Napoleon", channel 4.
  28. a b c "De Ismen", Hisotheek.
  29. "Operatie Safehaven", Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (De periode 1919 - 1933).
  30. a b (1967). Sesam Atlas bij de Wereldgeschiedenis. Deel 2. Van Franse Revolutie tot heden, Baarn: Bosch en Keuning, pp. 197-199.
  31. "Tweede Wereldoorlog", Legermuseum.