Geschiedenis van de wereld

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Dit artikel bespreekt de menselijke geschiedenis van de wereld. Voor een geologische geschiedenis van de wereld, zie geschiedenis van de Aarde.
Geschiedenis van de wereld

Theatrum Orbis Terrarum



Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

De geschiedenis van de wereld behandelt de grote lijnen van de geschiedenis van de mensheid. Het ontstaan, de groei en de veranderingen van samenlevingen en beschavingen worden hierbij met elkaar vergeleken en de effecten van de onderlinge interactie bestudeerd. De studie hiervan is wereldgeschiedenis of globale geschiedenis. Voor een goed begrip wordt hier vaak ook de prehistorie bij betrokken. Bij big history (geschiedenis in het groot) wordt als beginpunt zelfs de oerknal genomen, maar ook deze omvat nog niet alles, zelfs niet alles wat beschrijfbaar is.

Inleiding[bewerken]

De enorme hoeveelheid informatie maakt simplificatie nodig om geschiedenis bevattelijk te maken voor de menselijke geest. Hoewel interpretatie noodzakelijk is om tot een begrip van een situatie te komen, gaat hierbij informatie verloren, wat betekent dat de werkelijke situatie verschilt van de interpretatie. Aangezien dé waarheid niet te kennen is, betekenen nieuwe inzichten dan ook niet noodzakelijk dat oude interpretaties foutief zijn, maar kan dit een ander perspectief zijn. Want hoewel er algemene patronen te herkennen zijn, blijft geschiedenis een verzameling van individuele gebeurtenissen die met elkaar een unieke wisselwerking hebben.

Vooruitgang[bewerken]

Tijdens de Verlichting ontstond het idee dat de eigen tijd superieur was aan het verleden. Het resulterende vooruitgangsgeloof heeft grote invloed gehad op de historiografie, maar onder meer ook de culturele antropologie en sociologie. In de negentiende eeuw ontstond in de antropologie het idee dat er sprake was van een lineaire culturele evolutie van de samenleving. Buiten Europa observeerden antropologen samenlevingen die als primitief werden beschouwd, terwijl uit de archeologie bleek dat er zoiets als een prehistorie had bestaan. Met behulp van de vergelijkende methode kwam men tot de conclusie dat primitieve samenlevingen zich ontwikkelden tot complexe zoals in het superieur geachte Europa.

Deze theorie van sociale ontwikkeling werd al aan het einde van die eeuw door onder meer Boas ondergraven. De theorie werd gezien als etnocentrisch en men verwierp het door het vooruitgangsgeloof ingegeven idee dat de moderne samenleving beter zou zijn dan oudere vormen. In de historiografie wordt deze teleologische benadering presentisme genoemd. Kuhn maakte hier vanuit de wetenschapsgeschiedenis bezwaar tegen.

In de historiografie werd door Febvre het idee van de mentalité geïntroduceerd. Door de verandering van denken konden begrippen en belevingen een andere lading krijgen. Het niet onderkennen van de tijdgeest kon misverstanden veroorzaken als historische gebeurtenissen beschreven werden terwijl de begrippen vanuit de huidige betekenis werden benaderd.

Vanaf 1960 groeide het besef van de beperkingen van de introspectieve, eurocentristische nationale en universele geschiedenis. Om patronen te kunnen herkennen, moesten samenlevingen niet afzonderlijk bestudeerd worden, maar vooral de onderlinge wisselwerking. De laatste decennia wordt geprobeerd om structuur en duiding aan te brengen in het geheel door te zoeken naar patronen die overeenkomsten tonen — mogelijk door interactie — of juist verschillen. Dit is een andere benadering dan van oudsher gebruikelijk binnen de nationale geschiedschrijving waar de rode draad de politieke ontwikkeling is. Dit betekent ook dat bestaande periodiseringen minder zinvol zijn, omdat deze gebaseerd zijn op een afgebakend gebied of cultuur.

Complexiteit, chaos en emergentie[bewerken]

Ondanks de eerder genoemde bezwaren tegen het vooruitgangsgeloof heeft de menselijke samenleving gedurende de geschiedenis steeds complexere vormen aangenomen en steeds meer energie voor eigen doeleinden weten aan te wenden. Complexiteit kon toenemen door het overbrengen van informatie. Dit maakte een Lamarckiaanse evolutie mogelijk; kennis en ervaring kon worden overgebracht door taal. Hiermee kon een groep overwicht verkrijgen over een andere groep en kon sociale en economische ongelijkheid ontstaan binnen, maar ook tussen samenlevingen.

De oorzaken van de Eerste Wereldoorlog lijken achteraf relatief makkelijk te bepalen, maar complexiteit maakt dat wat Taleb de Zwarte Zwaan noemt, niet voorspeld wordt.

Zoals bij andere vakgebieden levert complexiteit ook bij geschiedschrijving problemen op. De geschiedenis wordt gevormd door de interactie van samenlevingen met elkaar en met de omgeving, waarbij het geheel van dynamische systemen zich aanpast aan elkaar. Een belangrijke vorm van interactie is zelforganisatie waarbij in een chaotisch systeem structuren ontstaan waardoor het systeem beter in staat is om controle te houden over de omgeving. Door de interactie kan een groter systeem kenmerken hebben die niet zijn af te leiden uit alleen de kleinere systemen waaruit het is opgebouwd. Het geheel is daardoor meer dan de som der delen, ook wel emergentie genoemd. De veranderingen in deze aggregate complexity kunnen langzaam zijn, maar door bepaalde verstoringen ook zeer abrupt. Zelfs kleine veranderingen kunnen daarbij grote gevolgen hebben, ook wel bekend als het vlindereffect naar de metafoor van Lorenz.

Padafhankelijkheid en instanties[bewerken]

Socioculturele evolutie verloopt dan ook vaak niet geleidelijk, maar in sprongetjes (punctuated equilibrium) en ondervindt soms achteruitgang. Men wordt niet alleen gehinderd, maar ook gestimuleerd door de ecologische, demografische en culturele uitdagingen waarvoor men staat. De reacties kunnen sterk verschillen, maar zelfs als ze op verschillende locaties en tijden overeenkomen, is de uitkomst niet altijd gelijk. Een belangrijke rol daarbij spelen keuzes uit het verleden, waardoor bepaalde opties moeilijk of zelfs uitgesloten zijn. Deze wat David padafhankelijkheid noemde, maakt dan ook dat niet altijd de optimale keuze wordt gemaakt. Daarbij geldt ook dat het menselijk handelen volgens Weber niet alleen doelrationeel, maar ook waarderationeel, affectief en traditioneel gemotiveerd, overigens allen ideaaltypes. Menselijk handelen kan dus nooit alleen vanuit de rationaliteit begrepen worden. Dit wordt versterkt doordat er bij elke beslissing beperkingen zijn in tijd, informatie en cognitie, wat Simon beperkte rationaliteit noemde.

Doordat niet iedereen over dezelfde informatie beschikt en niet dezelfde belangen heeft, kunnen er daarnaast sociale dilemma's ontstaan. Zo stelde Olson met het dilemma van de collectieve actie dat bepaalde problemen niet aangepakt worden omdat de individuele winst nooit groter is dan de individuele kosten. Bij de tragedie van de meent van Hardin is men juist niet af te houden van overexploitatie zolang niet iedereen zich onthoudt van actie. Tegen deze dilemma's kan alleen door middel van instituties iets ondernomen worden. Deze maken ook dat onzekerheid in interacties afneemt, zodat onder meer handel mogelijk wordt en daarmee specialisatie. Instituties kunnen volgens North ook de nadelen de imperfecte markt ten dele compenseren. Instituties zijn echter niet altijd effectief voor de gehele samenleving, aangezien bepaalde groepen door een grote onderhandelingsmacht bepaalde instituties af kunnen dwingen die vooral het eigenbelang dienen en niet de samenleving als geheel.

Mondialisering[bewerken]

Samenlevingen hebben elkaar altijd beïnvloed en met een toenemende mobiliteit werd dit proces versterkt. Waar de diversiteit met de verspreiding van de mens over de aarde aanvankelijk alleen maar toenam, heeft de toegenomen interactie gezorgd voor een economische, politieke en culturele integratie. Niet alleen mensen, goederen en ideeën of wat Dawkins memen noemde, maar ook gewassen en ziektes konden zich zo snel verspreiden. De plotselinge introductie van een nieuw fenomeen kon lokaal voor een crisis zorgen, terwijl door de onderlinge verbondenheid een lokale crisis juist uit kon groeien tot een wereldwijde. Daar staat tegenover dat innovaties zich ook sneller konden verspreiden.

Natuur[bewerken]

In de historiografie groeide ook de interesse naar het effect op de geschiedenis door veranderingen van geologie, klimaat en energiestromen en ecologische processen als verspreiding van ziektes, planten en dieren.

Technische vooruitgang maakte een steeds grotere beheersing van de natuur mogelijk, waarmee niet alleen de overlevingskansen vergroot werden, maar ook de welvaart. Tegelijkertijd werd de mens daarmee steeds afhankelijker van die techniek. De bevolkingsgroei die mogelijk werd gemaakt door de overgang naar landbouw en de industriële revolutie maakte het onmogelijk om zonder grote sterfte terug te keren naar de oude samenleving.

Ondanks ecologische en sociopolitieke tegenslagen is de mensheid uitgegroeid tot de overheersende diersoort op aarde, met een grote invloed op de biosfeer en zelfs de mogelijkheden om de evolutie bij te sturen. Er zijn voldoende nucleaire wapens om de aarde enkele malen te vernietigen, terwijl de bevolkingsgroei de sociale en ecologische druk laat toenemen. De beperkte mogelijkheden om geweld te beteugelen en de ecologische druk te verminderen, maken dat de mensheid voor grote uitdagingen staat. De vraag daarbij is of de tolerantie en technologische vooruitgang voldoende zijn om hiermee om te gaan.

Het begin van de menselijke samenleving[bewerken]

Belangrijke ontwikkelingen
Fylogenetische stamboom van de mens
Fylogenetische stamboom van de mens
Evolutie Tweebenigheid, vachtloze huid, eccriene klieren, hersenen
Communicatie Spraak
Transport Lopen, vaartuigen
Technologieën Stenen werktuigen, kleding
Organisatievorm Jager-verzamelaars, horticulturele samenleving, pastorale samenleving, families, bands
Energie Spierkracht, vuur
Materiaal Steen
Levensverwachting bij geboorte 33

Meer dan 99% van haar geschiedenis leidde de mensheid het bestaan van jager-verzamelaar. Het is ook de periode dat de mens een aantal fundamentele kenmerken ontwikkelde waarmee het zich begon te onderscheiden van andere primaten. Desondanks beslaat deze periode een relatief klein deel van deze geschiedenis. Allereerst hadden deze ontwikkelingen tijd nodig. Naarmate deze ontwikkeling verder vorderde, ontstond een zichzelf versnellend proces waarin veranderingen elkaar steeds sneller opvolgden, met als hoogtepunt de tegenwoordige tijd waarin meer verandert in een generatie dan daarvoor gedurende een millennium. Daarnaast geldt de kennis van de prehistorie beperkt is tot archeologische vondsten en daarop gebaseerde hypotheses. Dat laatste brengt een grote onzekerheid met zich mee. Hoewel inzichten met elke vondst kunnen veranderen, kan er echter wel een beeld geschetst worden van de huidige kennis. Een belangrijke rol in welke richting een geschiedenis zich ontwikkelt, is weggelegd voor de gevaren en mogelijkheden die besloten liggen in de lokale omgeving. In dit landschap moesten de mens en zijn voorlopers zien te overleven, maar konden ook mogelijkheden vinden tot een geriefelijker bestaan.

Evolutie van de mens[bewerken]

De vier belangrijkste kenmerken die zich gedurende deze periode ontwikkelden waren grotere hersenen, spraak, tweevoetigheid en het gebruik van technologische middelen. Dat proces begon zo’n vier miljoen jaar geleden toen de voorouder van de mensachtigen te vinden was in Afrika. Klimaatverandering ten tijde van het Plioceen noodzaakten de mensachtigen tot grote aanpassingen die het proces tot hominisatie in gang zouden zetten. Een daarvan maakte de mens tot de enige naakte primaat.
Zo’n drie tot 2,5 miljoen jaar geleden koelde de het klimaat wereldwijd af. Het woongebied van Australopithecus in Oost- en Centraal-Afrika werd droger, waardoor bossen plaatsmaakten voor savanne. Om voldoende voedsel binnen te krijgen, werd het plantaardige dieet aangevuld met het calorierijkere vlees, daarbij al gebruik makend van stenen werktuigen. Met dat alles moest het territorium groter worden, waardoor de tweebenige Australopithecus langere benen ontwikkelde. De toegenomen activiteit had een grotere interne warmte-opbouw tot gevolg. Waarschijnlijk zo’n 1,6 miljoen jaar geleden vond bij Homo ergaster dan ook een overgang plaats naar een vachtloze huid en eccriene zweetklieren waardoor de warmte beter kon worden afgevoerd. Zeer waarschijnlijk was deze huid aanvankelijk roze om na het verlies van de tegen de zon beschermende haren door tegen uv-straling beschermend huidpigment donker te kleuren.
Niet onbelangrijk voor het verdere verloop van de menselijke geschiedenis was dat door de sterk verbeterde warmtehuishouding het meest temperatuurgevoelige orgaan — de hersenen — zich kon ontwikkelen van 400 cm³ bij Australopithecus en 800 cm³ bij Homo ergaster tot zo’n 1200 cm³ bij de moderne mens, een proces dat encefalisatie wordt genoemd.[1] De verbeterde warmtehuishouding maakte het zelfs mogelijk te jagen op basis van uithoudingsvermogen. Bij de renjacht werden prooidieren net zo lang achtervolgd tot ze door uitputting te overmeesteren waren.

Deze kenmerkte zich door het grote aanpassingsvermogen. De evolutie van de hersenen gaven de voorouders van de mens cognitieve vermogens waarmee andere manieren dan grote hoektanden en spierkracht konden worden gevonden om voedsel te vergaren, zich te verdedigen en beschutting te verschaffen. Houten werktuigen uit die periode zijn niet teruggevonden, maar de oudste vondsten van stenen werktuigen dateren van zo’n 2,6 miljoen jaar geleden, waarmee het begin van het Vroeg-Paleolithicum is gedefinieerd. Daarmee zou Australopithecus garhi de eerste mensachtige zijn geweest die gebruik maakte van stenen werktuigen, al wordt dit ook gedacht van Homo habilis, niet voor niets de handige mens genoemd. De volgende belangrijke stap, de beheersing van vuur, lijkt zo’n 400.000 jaar geleden een feit te zijn geweest, maar mogelijk al eerder. Daarmee verkreeg de mens ecologische dominantie, maar het bracht ook veranderingen op sociologisch en psychologisch gebied. Het in stand houden van het vuur vergde namelijk de nodige discipline en is dan ook door Hough de eerste specialisatie genoemd. Dit had zijn invloed op de sociale structuur binnen een groep, zeker nadat ook het koken zijn intrede had gedaan. De sociale differentiatie nam daarmee toe, maar het droeg ook bij aan het civilisatieproces en mogelijk ook aan de ontwikkeling van de cognitie. Wrangham stelt zelfs dat het heeft bijgedragen aan een veranderd darmstelsel en grotere hersenen, maar daar is nog geen algemene consensus over. In een proces van vele generaties kan het gebruik van vuur zijn uitgebreid tot de jacht en ook landbewerking door onbegaanbare wildernis plat te branden. Daardoor kreeg aan vuur aangepaste vegetatie steeds meer de overhand, zoals op de Noord-Amerikaanse prairies. Dit maakte dat ook diersoorten die goed gedijen op uitgestrekte grasvlaktes de overhand kregen. Zo wist de mens al vroeg zijn omgeving sterk te veranderen.

Waarschijnlijk droeg dit bij aan de trek naar nieuwe gebieden trekken, zoals de gematigde breedtes waar minder ziektes voorkwamen en vuur het leven met kleding en onderdak aangenamer maakte. Meer dan een miljoen jaar geleden vertrokken de eerste bands Homo erectus uit Afrika, eerst richting Azië, daarna ook naar Europa. Door gebruik te maken van kleding konden ze zich aanpassen aan de lagere temperaturen. De oudste resten van Homo sapiens dateren van zo’n 200.000-150.000 jaar geleden. Vooral vanaf zo’n 40.000 jaar geleden beschikte Homo sapiens met zijn zeer goed ontwikkelde hersenen over een groot aanpassingsvermogen, wat het mogelijk maakte dat deze zich tussen 40.000 en 10.000 jaar geleden — een ongekend korte tijd — verspreidde over vrijwel de gehele wereld, daarbij eerdere voorlopers mensachtigen vervangend.

Samenlevingen[bewerken]

Met het ontwikkelde bewustzijn en vooruitziendheid konden de omstandigheden tot op zekere hoogte aangepast worden aan de eigen behoeftes en kon gevaar beperkt worden. Een neveneffect was echter dat men ook in staat was de eigen dood te voorzien. Het animisme kon met een parallelle spirituele wereld een verklaring bieden voor de natuurlijke omstandigheden, maar ook een troost in het lijden en een verlichting van de angst voor de dood. Het was daarmee het eerste grote intellectuele systeem dat de mens ontwikkelde.

De veranderingen aan het bekken die nodig waren om rechtop te lopen en de groei van de hersenen met daarmee ook de schedel noodzaakten tot een vervroeging van de geboorte. Doordat de baby in een eerder stadium van de ontwikkeling ter wereld kwam, was deze hulpbehoevender dan de jongen van andere diersoorten. De benodigde verzorging was aanmerkelijk intensiever en het lijkt waarschijnlijk dat hiermee al vroeg sprake was van een op sekse gebaseerde arbeidsverdeling waarbij de vrouwen de verzorging combineerde met het verzamelen van eetbare planten als vruchten en knollen, terwijl de verdediging tegen roofdieren en de jacht in handen was van de mannen. Jagen werd met de introductie van de werpspeer en pijl en boog geavanceerder en veiliger. Met het verschijnen van de jager-verzamelaars verdween vaak al snel het groot wild en verscheen aan vuur aangepaste vegetatie. De invloed van de mens op de omgeving begon sterker merkbaar te worden.
Specialisatie zorgde voor een grotere efficiëntie in de voedselvergaring, waardoor groepen in deze bestaanseconomie zich hieraan konden onttrekken.[2] De belangrijkste groep hiervan was die van de spirituele leiders. Waar animisme door een groot deel van de groep werd uitgeoefend, ontstond het sjamanisme doordat enkelen zich specialiseerden in de onzichtbare krachten of geesten die verbonden waren met de zichtbare wereld.
De benodigde samenwerking betekende een grotere noodzaak tot planning, organisatie en bewustzijn. Niet alleen samenwerking, ook tegenwerking kon aanzetten tot initiatieven en was waarschijnlijk een van de oorzaken van de snelle expansie.

De snelle verspreiding over de wereld was ook mogelijk door het grote aanpassingsvermogen en de collectieve kennis die opgebouwd werd. Waar de ontwikkeling van de hersenen de voorwaarde daarvoor had gecreëerd, was de ontwikkeling van taal — via symbolen, maar vooral spraak — essentieel om meer kennis te vergaren dan in een enkel leven mogelijk was. Taal maakte het ook mogelijk om een abstracte wereld te verbeelden buiten de directe werkelijkheid zoals deze werd waargenomen. Daarmee kon de socioculturele evolutie vele malen sneller gaan dan de genetische. Ook kon samenwerking veel gerichter plaatsvinden. Dit alles maakte grotere samenlevingen mogelijk dan bij andere mensachtigen. Ook daar waren de bands vooral gebaseerd op verwantschap, maar deze verwantschapssystemen bleven door onderlinge rivaliteit beperkt in grootte. Bij de mens werd de sociale samenhang verder versterkt met zang en dans, wat waarschijnlijk onderlinge rivaliteit en vijandigheid heeft verminderd, daarmee grotere gemeenschappen mogelijk makend.

Met het aflopen van de laatste ijstijd en de ontdekking van methodes om voedsel te conserveren, begon de bevolking zo’n 16.000 jaar geleden sterk te groeien. Om gebruik te maken van zich zo nu en dan voordoende voedseloverschotten begon men zich langer op een plek te vestigen. Sporen van zalmvisserij van zo’n 8000 jaar geleden zijn teruggevonden aan de westkust van Noord-Amerika, terwijl de Inuit de techniek van de walvisjacht rond de Arctis verspreidde. Een andere cultuur, het Magdalénien in Zuid-Frankrijk en Noord-Spanje, maakte gebruik van de migratie van rendieren. Zo’n 15.000 jaar geleden begon de Natufische cultuur in de Levant wilde granen te oogsten. Toen het zo’n 13.000 jaar geleden droger werd, begon een deel van hen manieren te vinden om gewassen toch te laten groeien; de eerste vorm van landbouw.

Ontwikkeling van samenlevingen gebaseerd op landbouw[bewerken]

Nieuwe ontwikkelingen
Evolutie Lactose-tolerantie
Transport Lastdier
Technologieën Landbouw, veeteelt, wiel
Organisatievorm Agrarische samenleving, dorp, stammen
Energie Trekdier
Levensverwachting bij geboorte 20
Ontstaan landbouw
Zuidwest-Azië 11.000 BP
Noord-China 9000 BP
Zuid-China 9000 BP
Centraal-Mexico 6000 BP
Zuidoost-Azië  ?
Sub-Saharisch Afrika 5000 BP
Laagland Zuid-Amerika 5000 BP
Hoogland Zuid-Amerika 5000 BP
Noord-Amerika 4000 BP
De mate van oost-westligging van de continenten is van invloed op de biomen en daarmee op de verspreiding van beschavingen.[3]

Zoals vaker in de geschiedenis werden onder min of meer gelijke omstandigheden min of meer gelijke uitvindingen en ontdekkingen gedaan. Zo werd landbouw tussen 12.000 en 5000 jaar geleden op minstens zeven verschillende plaatsen vrijwel onafhankelijk van elkaar uitgevonden. De oudste vondsten die op landbouw duiden, zijn in Zuidwest-Azië gesitueerd. De overgang naar landbouw werd door Childe de neolithische revolutie genoemd en het belang voor de mens is slechts vergelijkbaar met de industriële revolutie vele millennia later.

Waar jager-verzamelaars echter slechts enkele uren per dag besteedden aan een gevarieerde maaltijd, moesten boeren hard werken voor een eentonig maal. Voor Sahlins was dit reden om te stellen dat juist de jager-verzamelaars de 'oorspronkelijke welvaartssamenleving' vormden. Daar staat tegenover dat men was aangewezen op weinig verfijnde methodes zoals het te vondeling leggen, verwaarlozing, abortus en kinderdoding als geboorteregulering om de bevolkingsgroei binnen de perken te houden en om te gaan met het altijd aanwezige gevaar van hongersnood. Ook het achterlaten van ouderen en gehandicapten zal hier onderdeel van zijn geweest.

Waarom de overstap naar landbouw uiteindelijk dan toch gemaakt werd, is onderwerp van veel onderzoek en discussie. Daarbij waren er wel aanmerkelijke verschillen tussen de verschillende methodes. Zo is zwerflandbouw weinig arbeidsintensief, maar kan deze maar een kleine bevolking onderhouden. Permanente landbouw en irrigatielandbouw kunnen veel grotere bevolkingsdichtheden ondersteunen, maar vooral de laatste vergt ook een aanmerkelijk grotere investering, zowel in arbeid als kapitaal, alsook een hoger organisatieniveau.

Allereerst lijkt het er op dat de overgang zeer geleidelijk was. Men vestigde zich al voor langere tijd waar voedsel in overvloed aanwezig was, waarna het een kleine stap zal zijn geweest om neolithische tuinen te onderhouden. Een sedentaire levenswijze maakte het mogelijk meerdere kinderen te onderhouden. Met de toegenomen bevolkingsdruk kon met jagen en verzamelen niet meer volledig worden voldaan aan de voedselbehoefte, wat een drijfveer was om over te gaan tot landbouw. Hoewel landbouw niet noodzakelijk efficiënter is, is de opbrengst onder de juiste omstandigheden wel groter. Dat betekende dan ook dat de bevolking verder kon groeien, waarna er vrijwel geen weg terug meer was, ook wel ratchet effect of pal-effect genoemd. Zo lopen de schattingen voor het begin van de neolithische revolutie zo'n 10.000 jaar geleden uiteen van 1 tot 10 miljoen mensen, terwijl de wereldbevolking rond het begin van de jaartelling tot tussen de 150 en 300 miljoen was gegroeid. Dit effect zou daarna nog diverse malen optreden.

Landbouw en veeteelt betekende het domesticeren van planten en dieren. Duizenden jaren na de hond werden zo de eerste grazers gedomesticeerd. In eerste instantie ging het hierbij vooral om het vlees, maar dit werd uitgebreid gedurende wat Sherratt de secundaire productenrevolutie noemde. Men begon daarbij ook wol en melk te gebruiken, alsook de arbeid die de dieren konden verrichten. Als trek- en lastdier vergrootten ze de productie- en transportmogelijkheden in belangrijke mate. De mens was echter niet alleen veelzijdiger dan een ezel, os en paard, maar ook relatief energie-efficiënt en kon daardoor met minder voedsel toe. Mankracht, veelal in de vorm van gedwongen arbeid, bleef dan ook lange tijd de belangrijkste vorm van arbeid.

Bij planten, dieren en zelfs mensen had de domesticatie genetische modificaties tot gevolg. Gedomesticeerde planten verspreidden zich relatief gemakkelijk in het oost-west gerichte Eurazië, maar in het noord-zuid gerichte Amerika en Afrika duurde dit langer door de aanpassingen die gemaakt moesten worden met de verandering van dagduur en temperatuur met de breedtegraad.

Bij een vaste woonplaats hoefden de hulpmiddelen niet langer meegenomen te worden en konden zodoende zwaarder worden en in aantal toenemen. Huizen konden beter beschermen tegen weersinvloeden, terwijl onder meer ovens, weefgetouwen het leven aangenamer maakten. Er waren ook nadelen verbonden aan de nieuwe manier van leven. De plaatsgebondenheid en intensiever contact met dieren vergrootte de vatbaarheid voor ziektekiemen en met hongersnood en oorlog zorgde dit er mede voor dat de bevolking in deze periode niet al te snel groeide.

Specialisatie maakte het mogelijk dorpen te vormen met mensen die onttrokken konden worden aan de voedselproductie. Productie kon hierdoor toenemen en ambachtslieden konden meer produceren dan zij voor eigen gebruik ooit nodig hadden. Dit was slechts dan zinvol als er een afzetmarkt was die groot genoeg was. Als dit in de directe omgeving niet het geval was, kon handel gedreven worden door een vorm van transport op te zetten. Lange tijd was transport via water verreweg het efficiëntst, maar lastdieren openden ook grote gebieden voor de handel. In dorpen trad vaak een verzwakking op van de familieband ten gunste van de solidariteit met de buurt. De bands vormden zich tot stammen en men ging meer in dorpen wonen. Dit werd het belangrijkste nederzettingstype in Eurazië, Afrika en Amerika en zou dat lange tijd blijven, ook na de opkomst van steden.

Vroege beschavingen[bewerken]

Nieuwe ontwikkelingen
Communicatie Schrift (spijkerschrift, hiërogliefen, alfabet)
Transport Karavaan, wagen, zeilschip
Technologieën Irrigatie, kanalen, dijken, ploeg
Beschavingen Soemerië, Egypte, Indus, China, Olmeken
Organisatievorm Chiefdom, stedelijke samenleving, stad, rijk, bureaucratie, democratie, res publica
Energie Zeil
Materiaal Brons
Levensverwachting bij geboorte Brons- en ijzertijd: 35+
Griekenland en Rome: 28
Rijken in Mesopotamië en Egypte
Akkadische Rijk ca. 2350 v.Chr.
Amorieten ca. 2000-1650 v.Chr.
Mitanni
Hettieten
Nieuwe Rijk
ca. 1600-1200 v.Chr.
Kleine, lokale staten ca. 1200-1000 v.Chr.
Assyrische rijk 935-612 v.Chr.
Perzische rijk 550-330 v.Chr.

Beschaving wordt wel gekarakteriseerd door geavanceerde landbouw, langeafstandshandel, beroepsmatige specialisatie en stedenbouw. Daar waar de omstandigheden voor zowel landbouw als transport gunstig waren, kon een samenleving zich verder specialiseren. Aangezien water niet alleen belangrijk is voor landbouw, maar grote hoeveelheden goederen lange tijd alleen over water konden worden getransporteerd, is het niet vreemd dat de eerste beschavingen langs grote rivieren te vinden zijn. Stamverbanden groeiden hier tijdens de stedelijke revolutie uit tot chiefdoms. Dat gold zo'n 6000-5000 jaar geleden voor de stadstaten van Soemerië tussen de Eufraat en Tigris, Egypte langs de Nijl, de Indusbeschaving en China rond de Gele Rivier en de Jangtsekiang. De eerste drie beschavingen stonden al in regelmatig contact met elkaar. Door de bestendige passaat- en moessonwinden bestond er al langer scheepvaart tussen Oost-Afrika, Mesopotamië en het Indisch Subcontinent. Karavanen met niet lang daarvoor gedomesticeerde ezels brachten daarna het achterland in verbinding met de kust. De resulterende biologische uitwisseling van planten, dieren en microben is door J.R. McNeill wel de moessonuitwisseling genoemd naar de Columbiaanse uitwisseling van Crosby.

China ontwikkelde zich aanvankelijk grotendeels onafhankelijk, net zoals het circa 3000 jaar geleden ook in Midden-Amerika en de Andes en zo'n 1500 jaar geleden in West-Afrika tot beschavingen kwam.

Ontstaan beschavingen[bewerken]

Zoals het leven van een landbouwer niet noodzakelijk beter is dan dat van een jager-verzamelaar, geldt dat ook voor de urbane samenleving tegenover de agrarische. Zo zijn steden lange tijd zwarte gaten met een sterfteoverschot geweest, waarbij in-migratie vanaf het omringende platteland voor compensatie moest zorgen. Specialisatie met verdeling van arbeid kwam ook met nadelen. Met de sociale differentiatie ontstond een ongelijkheid in welvaart die bij eerdere relatief egalitaire samenlevingen niet voorkwam. Toch kwamen uit landbouwsamenlevingen uiteindelijk toch beschavingen voort die de wereld zouden domineren. Deze beschavingen waren in staat tot organisatievormen waarbij de natuurlijke omstandigheden grootschaliger bewerkt konden worden en concurrerende samenlevingen over het algemeen beter bestreden.

De eerste aanzet was waarschijnlijk net als bij de overgang naar landbouw de bevolkingsdruk wat een efficiëntere landbouw noodzakelijk maakte. In het steppeklimaat was irrigatie noodzakelijk om landbouw te bedrijven. Voor irrigatielandbouw was een grote mate van collectieve sociale organisatie vereist, wat een sterk gecentraliseerd gezag met hiërarchische maatschappelijke verhoudingen voort kon brengen, door Wittfogel de hydraulische samenleving genoemd. Dit gezag bestond deels uit de bescherming die geboden kon worden en deels uit een beroep op religie. Animistische religies werden aangevuld met polytheïsme en het lijkt er op dat de eerste steden rond heiligdommen ontstonden. In deze door Goudsblom religieus-agrarische regimes genoemde samenlevingen bleek een grote groep van arme boeren in staat om een overschot te produceren dat tot uiting kwam in grote rijkdom voor de elite. Daar waar geweldsdreiging nog geen grote verdedigingswerken noodzakelijk maakte, werden grote religieuze bouwwerken geconstrueerd, zoals tempelheuvels in Mesopotamië, het Indusdal en de kust van Peru en piramiden in Egypte, China en Mexico. De grootsheid rond de heiligdommen van de vele honderden Soemerische goden was dusdanig dat invloeden van de zeven Soemerische hoofdgoden van de hemel, lucht, water, aarde, maan, zon en liefde terug zijn te vinden in de Arische, Griekse, Romeinse, Keltische en Germaanse goden.

Veel van de grote rijken ontstegen de etnische banden. Door verovering of allianties kon een groot rijk gecreëerd worden en met religie, economische voorspoed en strakke controle met een uitgebreid belastingsysteem kon het bijeen worden gehouden. Een grotere organisatiegraad en groter potentieel aan mankracht is echter geen garantie tot voortdurende voorspoed. Natuurlijke omstandigheden, overbelasting van natuurlijke hulpbronnen, interne spanningen en druk van buitenaf kunnen het ineenstorten van een rijk tot gevolg hebben. Zo trad in Soemerië door de gekozen methode van irrigatie na enkele eeuwen verzilting op van de landbouwgronden en bleven er na verloop van tijd slechts zoutpannen en woestijn over, waarna het machtscentrum naar het noorden verschoof. De landbouw was tot nu toe bijna helemaal afhankelijk geweest van stenen hulpmiddelen. In Eurazië begonnen rond 3000 v.Chr. koperen en bronzen hulpmiddelen, decoraties en wapens alledaags te worden.

Militarisering en innovatie[bewerken]

Naast een stedelijke samenleving ontwikkelde zich op de uitgestrekte Euraziatische grasvlaktes en steppen een pastorale samenleving van nomaden die met hun vee rondtrokken. Om het vee te kunnen beschermen tegen roof waren vrijwel alle leden van een nomadenstam bekwaam in de krijgskunst. De nomaden konden de welvaart van de stedelijke samenleving bemachtigen met handel, maar de combinatie van mobiliteit en krijgskunst maakte roof een zeer geschikt alternatief.

Steden konden zich verdedigen tegen deze stammen en elkaar door ommuringen en door een elite van krijgers te onderhouden die zich konden bekwamen in de krijgskunst met superieur brons wapentuig. Zo kwam het tot een overgang naar militair-agrarische regimes, waarbij het gezag werd overgenomen door een elite van krijgers. In een aantal gevallen zoals in China werd deze rol door de priesters vervuld die voorheen al een leidende rol hadden. In andere beschavingen zoals Soemerië ontstond een aparte klasse van krijgers die de leiding overnam, waarmee een gespannen relatie tussen priesters en krijgslieden begon die nog millennia zou blijven bestaan. Daarnaast hield het aanhouden van een elite van krijgers altijd het risico in dat deze zich ook tegen de eigen bevolking of heersers kon richten.

Tot in de zeventiende eeuw bleef er een strijd tussen stedelingen en pastorale nomaden, waarbij de beide gemeenschappen afwisselend het overwicht hadden, terwijl de grote meerderheid van de bevolking, de dorpelingen op het platteland, meestal het slachtoffer was. Het strijdtoneel lag aanvankelijk vooral in Mesopotamië, waarbij de resulterende wapenwedloop het gebied een technologische voorsprong gaf op meer geïsoleerde gebieden als Egypte en China.

Desondanks verspreidde de nieuwe technologie zich na verloop van tijd ook naar de randgebieden, een proces dat wel de Euraziatische uitwisseling wordt genoemd. Aangezien de enorme Euraziatische steppe centraal lag tussen de verschillende beschavingen konden de nomaden een spilfunctie daarin een vervullen. Was dit niet goedschiks via handel, dan kon dit ook kwaadschiks door roof en verovering. Zo was Egypte lange tijd een stabiel land geweest door het relatief gemoedelijke karakter van de Nijl en de isolatie van andere landen en had het weinig behoefte aan contacten met de buitenwereld. Met de introductie van de strijdwagen wisten de Hyksos echter in de zeventiende eeuw v.Chr. de Sinaïwoestijn over te steken, waarna Egypte deel uit ging maken van het strijdgewoel in Mesopotamië.

Met het gebruik van ijzeren wapens vanaf de twaalfde eeuw v.Chr. konden voetsoldaten een einde maken aan de hegemonie van de strijdwagen. De verspreiding van ijzerbewerkingstechnologie was minstens gedeeltelijk de oorzaak van de instorting van enkele van de grote staten, toen deze geavanceerde culturen hun technologische voorsprong op hun barbaarse buren verloren. Lokale staten kregen hierdoor de kans zich te ontplooien, maar na verloop van tijd keerden de bureaucratische rijken weer terug. De nomaden verkregen een belangrijk overwicht toen zij het bereden boogschieten onder de knie kregen. Op de vlaktes konden zij in groten getale paarden onderhouden, waar dat voor rijken die niet over grote grasvlaktes beschikten een kostbare zaak was. West-Europa met zijn bossen en Japan lagen grotendeels buiten deze invloedssfeer, maar in de rest van Eurazië maakte hen dit van de val van Nineveh in 612 v.Chr. tot de verovering van China door de Mantsjoes in 1644 dusdanig machtig dat veel van heersers hier afstammelingen van hen waren.

Organisatie[bewerken]

Kleitablet dat de geboorte van Sargon memoreert en zijn ruzie met koning Ur-Zababa van Kisj. Met het spijkerschrift was een rijk beter te organiseren en kon handel vereenvoudigd worden.

De strijd had niet alleen verbeteringen in wapens tot gevolg, maar ook in organisatie. De nomadische stammen gingen grootschalige allianties aan, terwijl de stedelijke beschavingen met een organisatiestructuur en protocollen in staat waren om een groot rijk te besturen. Deze bureaucratie kon werken zolang de overheidsdienaren de autoriteit van hun meerderen accepteerden. Met de invoering van het schrift werd het mogelijk om afspraken en boodschappen vast te leggen. Niet alleen werd hierdoor wetgeving als de Codex Hammurabi toegankelijker, maar werden ook handelsbetrekkingen vereenvoudigd. Van groot belang was ook dat heilige teksten vastgelegd konden worden. Met de introductie van het alfabet, dat eenvoudiger was dan spijkerschrift, werd religie toegankelijker voor leken.

Wereldreligies[bewerken]

Religies waren tot die tijd polytheïstisch en hadden een tribaal of etnisch karakter, waarbij elke stad zijn eigen god kon hebben. Deze gebondenheid was een belemmering bij de verspreiding en kon problematisch zijn bij migratie. Voor dit probleem zagen de Joden zich gesteld tijdens de Babylonische ballingschap (586-538 v.Chr). Waar eerder de Tempel het middelpunt van het jodendom was, werd dit nu het boek, terwijl het nadrukkelijk monotheïstisch werd. Ook het zoroastrisme was vastgelegd in heilige geschriften. Beide waren religies waarvan de god gezag had over de gehele wereld. Hoewel het aantal aanhangers van beide religies beperkt bleef, zouden de hieruit voortgekomen christendom en islam uiteindelijk de twee grootste wereldreligies worden. Bij eerdere religies lag de nadruk op de natuurlijke omstandigheden waarin de mens moest zien te overleven, maar in een steeds meer gestratificeerde samenleving waarin ongelijkheid en onderdrukking sterk toenamen, voorzag profetische spiritualiteit met een hiernamaals in een behoefte aan rechtvaardigheid.

Met bureaucratie en het schrift was religie een belangrijk middel om beschavingen in stand te houden, onder meer doordat het lijden en ongelijkheid dragelijker maakte. Naast het monotheïsme in het Midden-Oosten, ontstonden in China het confucianisme en taoïsme, in India het hindoeïsme en boeddhisme en in Griekenland het filosofisch rationalisme. De periode van 800 v.Chr. tot 200 v.Chr. werd door Jaspers vanwege de radicale culturele veranderingen rond die tijd in meerdere samenlevingen de axiale periode genoemd.

India[bewerken]

Het Mauryarijk tijdens de grootste omvang. Het rijk zelf is donkerblauw, bondgenoten lichtblauw.

Hoewel uit archeologische opgravingen duidelijk is geworden dat de Indusbeschaving hoogontwikkeld was en een groot verspreidingsgebied had, is het Indusschrift nog steeds niet ontcijferd. Er is dan ook niet goed bekend welke religie werd aangehangen en welke regeringsvorm er aanwezig was. Afbeeldingen lijken wel te duiden op overeenkomsten met latere Hindoeïstische goden en het is duidelijk dat er uitgebreide handelsrelaties waren met Mesopotamië. Ook het verloop van het verval is niet duidelijk, maar rond 1700 v.Chr. begonnen de steden te ontvolken. Het zou tot 700 v.Chr. duren tot zich weer steden zouden ontwikkelen, deze keer rond de Ganges. Ondertussen werd het land beheerst door Indo-Iraniërs die een nieuwe taal, gewoontes en religie met zich mee hadden gebracht. In hoeverre dit zich mengde met bestaande gebruiken, is niet duidelijk. Wel duidelijk is dat zich een kastenstelsel ontwikkelde van vier hoofdkasten (varna's) en vele subkasten. Centraal in de Vedische religie stonden de principes van karma en reïncarnatie. Dit droeg bij aan het idee van rechtvaardigheid in de samenleving, omdat men zelf invloed uit kon oefenen op het karma, door in dit of een vorig leven goede daden te verrichten. De hoeveelheid karma bepaalt vervolgens in welke kaste men in een volgend leven wordt wedergeboren.

De strikte wijze waarop de kasten en religieuze riten in de Vedische religie geregeld waren, wekten halverwege het eerste millennium tegenreacties op. Deze nieuwe stromingen hechten groot belang aan ascese, wat een belangrijk onderdeel uit zou gaan maken van het boeddhisme. Boeddhistische monniken richtten zich volledig op het bereiken van het Nirwana. Tegelijkertijd waren de verplichtingen voor leken relatief beperkt, wat het boeddhisme tot de meest succesvolle missionaire religie maakte tot deze rol rond 1000 door de islam over werd genomen. Belangrijk bij de verspreiding was ook het monasticisme waarbij monniken bij elkaar leefden in kloosters. Aryabhata (476 - 550) was één van de grote astronomen en wiskundigen van India.

De bureaucratische methode om een rijk als dat van de Mauryadynastie te besturen was vergelijkbaar met die in Mesopotamië, maar het ontbrak de heersende kasten aan voldoende loyaliteit van de andere kasten om voor langere tijd een stabiel rijk te vormen. Daarbij kwam dat het paard niet kon gedijen op het Indisch Subcontinent, zodat nomadische invallen moeilijk konden worden weerstaan en nomadische heersers daarna verschillende malen een rijk konden stichten.

China[bewerken]

De territoriale ontwikkeling van het Chinese keizerrijk onder de verschillende dynastieën.

China had aanvankelijk weinig contact met de Nijl-Induscorridor en ontwikkelde zich ook geleidelijker. De ommuurde dorpen die de basis vormden van deze beschaving hadden een veel langere geschiedenis dan die in Egypte en Soemerië voor daar landbouw werd bedreven. Landbouw begon op het vruchtbare lössplateau, terwijl de macht aanvankelijk waarschijnlijk in handen lag bij geestelijke leiders van onder meer de voorouderverering. Door de toenemende welvaart en bevolkingsdruk nam het aantal conflicten toe. Anders dan in Mesopotomië kwam ook de militaire leiding in handen van de geestelijken, zodat hier op dit vlak geen tweestrijd ontstond. De macht verschoof van de dorpen naar lokale krijgsheren die onderling veranderende allianties sloten. Tijdens de Xia-dynastie zou er volgens de Chinese traditie voor het eerst sprake zijn geweest van erfopvolging van heersers die het gehele gebied onderworpen hadden. Of deze dynastie werkelijk bestaan heeft, is niet duidelijk. Dat is wel het geval met de Shang-dynastie die composietbogen, bronzen harnassen, paarden en strijdwagens invoerden en daarmee hun greep op de samenleving wisten te verstevigen. Het orakelbottenschrift dat in deze tijd ontstond, staat dicht bij de traditionele Chinese karakters.

Tijdens de Zhou-dynastie (eind 10e eeuw v.Chr.- 256 v.Chr.) werd de overstromingsvlakte van de Gele Rivier gecultiveerd met dijken en drainage. De velden en terrassen hervormden niet alleen het landschap op grote schaal, maar ook de maatschappij. De cultivatie werd ingezet door leenheren die gaandeweg meer macht kregen. Onderlinge rivaliteit mondde uit in de periode van de Strijdende Staten. In 221 v.Chr. werd het land verenigd onder de eerste keizer, Qin Shi Huangdi die de Qin-dynastie stichtte. De daaropvolgende Han-dynastie (206 v.Chr.-220 n.Chr.) zag een periode van grotere stabiliteit. Ook hier kwam het onder militaire druk tot een bureaucratische overheid, maar veel meer dan elders werd dit gesteund door de lokale elite. Van grote invloed hierbij waren de teksten van Confucius (551-479 v.Chr.) waarin de nadruk werd gelegd op de persoonlijke en bestuurlijke moraal, orde en respect voor de meerdere. De confucianistische traditie keek naar voorbeelden uit de tradities voor politieke ethiek.

Waar het confucianisme het land bestuurlijk versterkte, deden de vele rivieren en kanalen dit voor de economie. Via de zijderoute kwam het tot contacten met het westen, mogelijk tot stand gekomen door de zoektocht van keizer Wudi naar bloedzwetende paarden die zijn dienaren uiteindelijk vonden in de vallei van Fergana. Met deze paarden moest een cavalerie gevormd worden die de aanvallen van nomadische ruitervolkeren kon weerstaan. Bij gebrek aan voldoende graslanden was het echter zeer kostbaar deze te onderhouden. Ook de Chinese Muur bleek niet altijd voldoende om de invallen te voorkomen. Ondanks de periodes van onstabiliteit en de opeenvolgende dynastieën bleek het rijk voort te kunnen blijven bestaan, geholpen door het confucianisme en gronden die voldoende vruchtbaar waren om bodemuitputting te voorkomen ondanks een groeiende bevolking.

Middellandse Zeegebied[bewerken]

Griekenland[bewerken]

Griekse en Fenicische koloniën tussen de achtste en zesde eeuw v.Chr.
Routes en plaatsen uit de Periplus van de Erythreïsche Zee1ste eeuw).

Scheepvaart maakte reizen in de gebieden in de oostelijke Middellandse Zee al vroeg relatief eenvoudig. De invloeden van Egypte waren dan ook duidelijk terug te vinden in de Minoïsche beschaving, terwijl de Myceense beschaving grote overeenkomsten had met de Hettieten en de Mitanni. Ook de inval van de Doriërs, vermoedelijk rond 1100 v.Chr., heeft parallellen met het ineenstorten van de grote staten in Mesopotamië rond die tijd. Een duidelijk onderscheid ontstond echter in de daaropvolgende duistere eeuwen. Waar men in Mesopotamië de terugkomst van grote centraal geleide staten zag, ontstond in Griekenland een nieuw instituut; de polis, waarin een tijdelijke leider gekozen werd door alle burgers. Dit vergrootte de kans dat de belangen van de polis in zijn geheel werden gediend en niet slechts die van een kleine elite. Er bestond een sterke band tussen burger en polis die prioriteit had boven verwantschap, religie en arbeidsrelaties. Daarbij gold wel dat het burgerschap slechts openstond voor hen die een bijdrage konden leveren in de verdediging van de polis, volwassen mannen. Vrouwen, slaven en vreemdelingen hadden geen inspraak. De sterke mate van participatie en solidariteit maakte de polis zeer succesvol en tegelijkertijd relatief egalitair.

Het beperkte landbouwareaal gaf aanleiding tot een uitgebreide Griekse kolonisatie langs de kusten van de Middellandse en Zwarte Zee. De komst van de eerste munten vanuit Lydië vereenvoudigde handel enorm, bijdragend aan de sterke toename van de Griekse welvaart. In contrast met de onderlinge solidariteit binnen de polis bestond er een grote rivaliteit met de andere poleis. Tijdens de tweede Perzische oorlog (480-479 v.Chr) wisten een aantal echter onder Perzische dreiging tot een alliantie te komen en tegen alle verwachtingen in de overwinning te behalen in de slag bij Salamis en een jaar later op land in de slag bij Plataeae.

Nadat rond de negende eeuw v.Chr. het Grieks alfabet werd ontwikkeld uit het Fenicisch alfabet werden al snel de Ilias en de Odyssee op schrift gesteld.[4] Het waren de poëzie en filosofie van de Griekse cultuur die de grootste invloed zouden hebben op beschavingen daarna. Waar bij Homerus en Hesiodos de goden nog in groten getale te vinden waren, was er in de Griekse filosofie opvallend weinig aandacht voor hen. In afwezigheid van een dominante priesterklasse was er juist veel ruimte voor wetenschap, vooral logica en in mindere mate observatie. Bewijs gebaseerd op axioma's en deductie speelde een belangrijke rol in de Griekse wiskunde, in tegenstelling tot de eerdere Babylonische en Egyptische wiskunde. Dit culmineerde in de Elementen van Euclides, wel het meest succesvolle handboek ooit genoemd en een van de invloedrijkste werken in de geschiedenis van de wiskunde. Ook Aristoteles (384 v.Chr. - 322 v.Chr.) zou grote invloed hebben op de latere Arabische en westerse wereld.

Het einde van de klassieke periode kwam toen Philippus II van Macedonië in 338 v.Chr. een einde maakte aan de democratie en autonomie van de poleis. Het betekende allerminst het einde van de Griekse invloed. In het rijk van Alexander de Grote trad een hellenisering op van de bovenlaag van de bevolking en verspreidde de Griekse filosofische traditie zich. Met de invoering van een gemonetariseerde economie en banken kon de langeafstandshandel rond de Middellandse Zee zich sterk uitbreiden. Via karavanen was er contact met China, over rivieren met Europa en Azië en over zee blijkens de Periplus van de Erythreïsche Zee tot aan India toe. In Griekenland zelf verdween ondertussen de oude sociale samenhang en werd de kloof tussen arm en rijk groter. Het bleek dan ook niet bestand tegen de opkomst van de Romeinen, die juist zoveel bewondering hadden voor de Griekse cultuur.

Rome[bewerken]

Het Romeinse Keizerrijk dat in 117 na Chr. onder keizer Trajanus zijn grootste omvang bereikte.

De opkomst van Rome vertoont overeenkomsten met die van de Griekse poleis. Dat gold ook voor het leger, hoewel de Romeinen van de falanxformatie overstapten op de flexibelere manipels. Tijdens de tweede Punische oorlog brachten de Romeinen een staand leger in het veld waarbij burgers en boeren vrijgemaakt werden om voltijds als soldaat te dienen. Rome wist hiermee de dominantie over het hele westelijke Middellandse Zeegebied te bemachtigen. Tegen 44 v.Chr. maakte heel Gallia en grote delen van Klein-Azië en Noord-Afrika deel uit van de Romeinse Republiek. Hierbij speelde de Romeinse technologie een belangrijke rol. Terwijl Romeinse techniek bloeide, was er weinig Romeinse wetenschap. Zeer weinig Griekse wetenschap werd ooit vertaald in het Latijn.

Patriciërs wisten de macht van de burgers veel meer in te perken dan het geval was geweest bij de Grieken. Met keizer Augustus kwam een einde aan de Republiek en verdwenen de rechten van de burgers vrijwel volledig. Daar kwam bij dat het aanvankelijk vrije boeren waren die in tijd van oorlog werden opgeroepen. Met de groei van het rijk moesten de legers steeds verder van huis en hadden de boeren steeds minder tijd om hun akkers te verzorgen. De resulterende sterke verarming bracht een grote groep proletariërs naar Rome.

Het als joodse sekte begonnen christendom zou een aantrekkelijke godsdienst blijken voor juist die proletariërs. Door het aardse leven te beschouwen als voorportaal van het hiernamaals kreeg het lijden zin. Het uitsluiten van een andere waarheid dan die van het christelijke geloof bracht hen echter in conflict met de overheid. De resulterende vervolgingen werden juist als bevestiging opgevat, waardoor het geloof een sterk eschatologisch karakter kreeg.

Algemene ontwikkelingen[bewerken]

Millennia van landbouw en meer dan drieduizend jaar beschaving hadden hun sporen nagelaten. Rond het begin van de jaartelling hadden zowel het Romeinse Rijk als het Han-rijk zo'n 60 miljoen inwoners, terwijl ook in de rest van de wereld een sterke bevolkingsgroei was te zien. Jager-verzamelaars moesten steeds meer terrein opgeven voor landbouwsamenlevingen. Het grootste deel van de wereldbevolking leefde in dorpen en een groot deel daarvan droeg belastingen af aan heersers van het rijk waar zij onder vielen. Aanpassing of juist afzetten waren twee manieren om de om zich heen grijpende beschavingen te benaderen. Ondanks de nodige nadelen waren de voordelen van grotere collectieve en mogelijk persoonlijke macht en rijkdom dusdanig aanlokkelijk dat veel samenlevingen zich uiteindelijk aaneensloten. De strijd om overeind te blijven ten opzichte van anderen kon onder de juiste omstandigheden de aanzet geven om tot zeer grote rijken te komen. Waar interne of externe druk te groot werd, konden deze ook weer ineenstorten.

Vaak gingen deze beschavingen gepaard met hiërarchische maatschappelijke verhoudingen en sociale ongelijkheid, dragelijker gemaakt door religie. De Grieken en Romeinen hadden met hun democratie en republieken een tussenvorm gevonden tussen de voordelen van de stedelijke en de stammensamenlevingen. Hoewel deze vormen niet blijvend waren, bleef dit ideaal lang genoeg bewaard om vanaf de achttiende eeuw weer een belangrijke rol te gaan spelen.

Ontbossing was het meest opvallende effect van de veranderingen op het leefmilieu. Dit werd gedreven door de behoefte aan landbouwgronden en aan hout dat lange tijd een van de belangrijkste grondstoffen was, zowel als brandstof en als bouwmateriaal. De resulterende bodemerosie maakte veel landbouwgrond onbruikbaar. Egypte was door de regelmatige overstromingen van de Nijl een uitzondering. Door vruchtwisseling en bemesting trad er op dit gebied wel verbetering op. Steden waren dusdanig ongezond geworden dat de meeste afhankelijk waren van migratie om de bevolking op peil te houden. Met de toenemende contacten kwam het ook tot een grotere verspreiding van ziektekiemen. Resulterende epidemieën konden grootschalig en verwoestend zijn. Zo is in de afgelopen drieduizend jaar één op de tien mensen gestorven aan het pokkenvirus. Diegenen die een epidemie overleefden, beschikten daarna vaak over voldoende afweer, maar contact met nieuwe volken kon daarna desastreus zijn, zoals men zou merken in Amerika.

Expansie[bewerken]

Nieuwe ontwikkelingen
Communicatie Blokdruk
Technologieën Stijgbeugel
Beschavingen Maya's
Organisatievorm Feodalisme
Levensverwachting bij geboorte Precolumbiaans Amerika: 25-30
Islamitische wereld: 35+

In het eerste millennium ontstonden in Mexico en Peru vergelijkbare beschavingen. Ook hier was onderling contact, maar dit was vooral via zee, aangezien de lama als lastdier beperkt was in zijn draagvermogen, terwijl het ontbrak aan verbindende rivieren. In combinatie met geringere bevolkingsaantallen en een latere start kon de achterstand op de oude wereld dan ook niet ingehaald worden.

In deze periode verbreidde beschaving zich ten koste van jager-verzamelaars door migraties en langzaam verbeterend transportmogelijkheden. Toenemende staatsvorming beperkte de vrijheden van boeren en in mindere mate nomaden. In plaats van een uitzondering werd beschaving de norm. Een toename van het aantal als last- of rijdier gedomesticeerde diersoorten vergrootte het arbeidspotentieel en de actieradius van de mens. Waar zeevaarders eerder steeds de kust in zicht hielden, vond men technieken om ook op open zee de weg te vinden. Zo wisten de Polynesiërs met relatief eenvoudige schepen — outriggers of dubbelrompkano's — en zonder kompas of sextant grote delen van de Stille Oceaan te bereizen en te koloniseren. Waar zij echter geen contact hadden met andere samenlevingen, gold het tegenovergestelde in de Indische Oceaan en het westen van de Stille Oceaan. Terwijl de Atlantische Oceaan nog een te moeilijk te passeren obstakel was, stonden Oost-Afrika en Azië rond het jaar 400 in uitgebreid contact met elkaar.

De kameel bracht Sub-Saharisch Afrika rond het Tsjaadmeer in contact met oudere beschavingen. Op de rand van de woestijn waar landbouw mogelijk was, gaf dit de aanzet tot staatsvorming. Het binnenland was met zijn tropisch bossen en parasieten lange tijd moeilijk begaanbaar, terwijl rivieren als de Kongo en de Niger voor zeeschepen moeilijk of niet begaanbaar zijn. Ten zuiden van de tseetsee-lijn langs de isohyeet van 1000 mm stierven bovendien alle paarden en vee. Alleen de N'Dama is bestand tegen Trypanosomiasis, de slaapziekte die wordt overgebracht door de tseetseevlieg.
In Oost-Afrika waren het de uit het westen afkomstige Bantoevolken die landbouw begonnen rond het Grote Merengebied en al in contact stonden met Indonesische zeevaarders. Zuidelijk Afrika bleef lange tijd net als de binnenlanden het domein van jager-verzamelaars.

Rijstvelden hadden zowel op het landschap als op de politiek van Azië een grote invloed.

In Eurazië ging de expansie ondertussen voort en zag vooral een uitbreiding van bestaande structuren. Wereldreligies breiden zich uit en delen van Azië, Afrika en Europa die eerder buiten het bereik van de beschavingen lagen of daar slechts vanaf de zijlijn aan deelnamen, werden steeds meer opgenomen in dit netwerk. Landbouw verdrong daarbij steeds meer de alternatieve samenlevingen. De rijstcultuur in China was weliswaar arbeidsintensief, maar de zaaizaadfactor lag aanmerkelijk hoger dan die van andere granen. Met behulp van ijzeren werktuigen en ossen werd het mogelijk om grote beschavingen te ondersteunen en verspreidde de rijstcultuur zich over grote delen van Azië, om ook daar beschavingen te ondersteunen en staatsvorming te bevorderen.

Met onder meer katafrakten, zwaar gepantserde ruiterij, waren de Parthen en later de Sassaniden in Iran in staat om de lichte cavalerie van de steppe-nomaden te weerstaan. Die vormden daarmee geen bedreiging voor de welvaart die opgebouwd werd door het handelsnetwerk, maar vooral de landbouw. Dit was mogelijk door een ingenieus ondergronds waterstelsel bestaande uit qanats. Belangrijke Perzische geleerden waren Razi (865 - 925), door Meyerhof de grootste arts van de islamitische wereld en een van de grootste artsen aller tijden genoemd, al-Chwarizmi (790 - 840), wiens op Indiase cijfers gebaseerde decimale positiestelsel via een Latijnse vertaling in Europa werd geïntroduceerd, en Avicenna (980- 1037), wiens filosofische en geneeskundige werken ook in Europa veelvuldig gebruikt zouden worden.

Ook India beleefde onder de Gupta's een periode van grote voorspoed. In deze klassieke periode kende India een enorme culturele, economische en religieuze bloeiperiode. Vooral op het laatste vlak had dit invloed op omringende landen. Het hindoeïsme en vooral het boeddhisme raakten verspreid over Azië.

De steppevolkeren gingen steeds meer deel uitmaken van de langeafstandshandel en hadden daarbij een belangrijk aandeel in de verspreiding van religies, ideeën, technieken en producten. Er waren echter ook vele machtswisselingen met als gevolg de nodige migraties die deels ten koste gingen van landbouwsamenlevingen.

Terwijl Zuidwest-Azië en India een periode van grote voorspoed beleefde en de steppe-nomaden wist te weren, gold dit niet voor het Romeinse Rijk en de Han-dynastie in China. In China stichtten de Toba de Noordelijke Weidynastie (386–534), maar het Imperium Romanum ging uiteindelijk ten onder door de volksverhuizingen, op gang gebracht door de migratie van de Hunnen. Terwijl China zich vrij snel wist te herstellen, gold dit niet voor Europa. Drie golven van invallen waren er medeverantwoordelijk voor dat ontwikkelingen hier lang achterbleven. Tussen 378 en 489 vonden de veelvuldige Germaanse invallen plaats, tussen 568 en 650 was er sprake van een tweede golf, op gang gebracht door het verschijnen van de Avaren, terwijl er tussen 800 en 1000 invasies waren door Vikingen, Moren en Magyaren. Deze dreiging van buitenaf had een klasse van krijgers doen ontstaan die de lokale bevolking beschermde.

In het oostelijke deel wist het Imperium zich als het Byzantijnse Rijk echter nog 1000 jaar te handhaven. Hoewel een Byzantijnse poging om de Romeinse hegemonie te herbouwen faalde, was de Byzantijnse cultuur en economie eeuwenlang een van de meest geavanceerde in Europa en het Middellandse Zeegebied. Het christendom kon in West-Europa tot vol wasdom komen, doordat de Byzantijnen als buffer fungeerden tegen een nieuwe religie die in de zevende eeuw in het centrum van de oude wereld ontstond en een ongekend snelle verspreiding doormaakte.

Zware ijzeren keerploegen maakten het ondertussen mogelijk de landbouw in West-Europa uit te breiden van de lössgronden naar de met water verzadigde kleigronden. Hoewel dit net als de rijstvelden zeer arbeidsintensief was, had ook dit grote invloed op het landschap en de beschaving die er mee ondersteund kon worden.

Religie[bewerken]

In het eerste millennium verspreidden de vier grote wereldreligies zich over Eurazië en Afrika, daarbij tientallen andere religies absorberend of vernietigend. Waar religie eerder de rol had bescherming en welvaart te brengen in het aardse leven, richtten boeddhisme, hindoeïsme, christendom en islam zich op het hiernamaals. Men is daarbij afhankelijk van gods wil of karma en het vertoonde gedrag bij wat de uiteindelijke bestemming na de dood zal worden; verlossing of verdoemenis. Het geven van aalmoezen aan de zwakkeren in de samenleving is hierbij een verplicht element van de geestelijke praktijk. De vier religies konden waarschijnlijk zo groot worden, omdat zij de steeds complexer wordende opkomende samenlevingen ondersteunden. Het vooruitzicht op een hemel, nirwana of paradijs verzachtte het aardse onrecht in deze beschavingen met grote sociale ongelijkheid, waardoor de weerstand hiertegen verminderde en aanvaarding van een ondergeschikte rol zelfs voordelig kon zijn.

Opmars islam[bewerken]

Met nog meer nadruk op het monotheïsme dan de andere twee Abrahamitische religies wist de islam politieke heerschappij te verkrijgen over het Arabisch Schiereiland, Syrië, Iran en grote delen van Noord-Afrika, later uitgebreid tot aan de Indus en het Iberisch Schiereiland. Het gebruik van snelle kamelen met religieus gemotiveerde strijders gaf een belangrijk overwicht op de trage traditionele legers van die tijd. De strijd liep dusdanig voorspoedig dat men zich gesterkt voelde in het geloof dat God aan de kant van de islam stond. Nadat in 718 voor de tweede maal het beleg van Constantinopel was afgeslagen, leek het er op dat het christendom het lot bespaard bleef van het zoroastrisme onder de Sassaniden. Ondanks kruistochten en jihad over en weer kreeg geen van de partijen het uiteindelijke overwicht. De kruistochten hadden aanmerkelijk meer invloed op het christendom dan op de islam. De elegante islamitische cultuur bevatte veel aantrekkelijke elementen voor de kruisvaarders waar dat andersom nauwelijks het geval was.

In het oosten kon de Tang-dynastie zijn invloed in Centraal-Azië grotendeels behouden, mede door een beroep te doen op de Oeigoeren. Met het aan hen betaalde tribuut verspreidden Chinese goederen en cultuur zich diep in Centraal-Azië. Onder invloed van de confucianisten kwam het omstreeks 850 tot een antiboeddhistische reactie. Veel kloosters werden toen gesloten en veel monniken werden gedwongen weer een normaal burgerbestaan te gaan leiden. Hoewel de invloed van het boeddhisme in China daardoor minder is geworden, heeft het confucianisme elementen uit het boeddhisme overgenomen.

De nieuwe heersers hadden van oudsher meer op met handel dan met landbouw, zodat een groot handelsnetwerk zich kon ontplooien rond de Middellandse Zee en het Midden-Oosten. Eenheid werkte hierbij bevorderlijk, maar kwam zowel religieus als politiek onder druk te staan. De gewelddadige opvolgingen van Mohammed maakte dat een groep die zich sjiieten gingen noemen zich afscheidde van de soennitische hoofdstroming. Anderzijds vertrouwden de Abbasiden steeds meer op hun Turkse slavensoldaten, de Mamelukken die op veel plaatsen de feitelijke macht in handen kregen.

Op het platteland verspreidde de islam zich relatief traag. De belasting voor niet-moslims was dusdanig lucratief, dat lokale heersers bekeringen niet aanmoedigden.

Amerika[bewerken]

Ondanks grote geografische en culturele verschillen zijn er opmerkelijke overeenkomsten tussen de beschavingen die ontstonden in Mesopotamië en China en die in Amerika. Vroege samenlevingen maakten waarschijnlijk gebruik van neolithische tuinen in combinatie met visserij, maar om grote beschavingen te onderhouden, was ook hier landbouw noodzakelijk. Alle beschavingen in Amerika maakten gebruik van verhoogde landbouwvelden en irrigatie die net als de rijstvelden van Azië een grote invloed hadden op zowel het landschap als de politiek. Mais, bonen, kalebas en in Zuid-Amerika vooral de aardappel en quinoa waren de belangrijkste gewassen. De cultivatie in landbouwsamenlevingen lijkt dus ondanks de nodige verschillen tussen Amerika en Eurazië parallelle ontwikkelingen voort te hebben gebracht zonder dat onderling contact nodig was. Naast de geografische en klimaatbarrières en de kleiner bevolkingsomvang heeft het vrijwel ontbreken van last- en trekdieren een belangrijke invloed gehad op de eigen ontwikkeling van Amerika. Zonder trekdieren was het gebruik van de ploeg niet goed mogelijk, terwijl er zonder lastdieren geen pastorale samenlevingen konden ontstaan. Het resulterende verschil in ontwikkeling zou pas later duidelijk worden, maar stond ondertussen de opkomst van grootse beschavingen niet in de weg.

Waarschijnlijk de eerste beschaving in Meso-Amerika was die van de Olmeken. Vanaf 1300 v.Chr. bouwden zij grote tempels in piramidevorm in de dalen van Tabasco en Veracruz. De religieus-politieke invloed van de Olmeken op de Maya's en andere Mexicaanse beschavingen is vergelijkbaar van die van de Soemeriërs op de Babyloniërs en de Assyriërs. Contacten tussen Meso-Amerika en Zuid-Amerika zijn vrijwel onzichtbaar. Vermoedelijk hadden beschavingen onderling wel enig contact, maar transport was moeizamer dan in Eurazië. Het enige pakdier in Amerika was de lama dat slechts een kwart van het draagvermogen van een kameel heeft en waarvan het leefgebied zich beperkte tot de Andes. Er was waarschijnlijk contact over zee, maar vaartuigen hebben weinig sporen nagelaten. Opmerkelijk is de verspreiding van de zoete aardappel in Polynesië, Melanesië en Nieuw-Guinea, alsook bij de Maori op Nieuw-Zeeland. Mogelijk is dit te danken aan Polynesiërs die Zuid-Amerika hebben bereikt, of juist door Zuid-Amerikaanse reizigers.

De Maya's wisten op basis van de verhoogde landbouwvelden een beschaving te creëren die zijn hoogtepunt bereikte tijdens de Klassieke Mayaperiode (250-840). Niet alleen bouwden zij tempels en paleizen, zij ontwikkelden ook het enige bekende schrift in Amerika en een kalender gebaseerd op een wiskundige structuur waarin de nul al gebruikt werd. Het rijk van stadstaten was echter relatief gevoelig voor droogte, wat mogelijk heeft geleid tot het verlaten van de laaglanden in het zuiden na de twee eeuwen van neergang die begonnen na 900. De grootste stad in Meso-Amerika in deze periode was Teotihuacán (100-700) dat een overheersende rol had over een groot deel van het huidige Mexico, waaronder de Maya's. Na de val van de stad werd deze rol overgenomen door de Tolteken in Tollan. De Chichimeken introduceerden rond 800 de boog waarmee ze Tollan wisten te veroveren.

De ontwikkelingen in Zuid-Amerika leken met de Chavin-cultuur (900 v.Chr.-200 v.Chr.) en Tiwanaku (100-1000) op die in Mexico. In Noord-Amerika kwam het niet tot dergelijke hoogstaande beschavingen, maar ontstond rond de Mississippi wel een uitgebreid netwerk van de Hopewell-traditie (200 v.Chr.-500).

Consolidatie[bewerken]

Nieuwe ontwikkelingen
De verspreiding van de Zwarte Dood van 1346 tot 1351. Via de handelsroutes konden niet alleen mensen, goederen en ideeën, maar ook ziektes zich snel verspreiden.
De verspreiding van de Zwarte Dood van 1346 tot 1351. Via de handelsroutes konden niet alleen mensen, goederen en ideeën, maar ook ziektes zich snel verspreiden.
Communicatie Positiestelsel
Technologieën Buskruit
Levensverwachting bij geboorte Middeleeuws Engeland: 30
Administratie Dubbel boekhouden

Landbouw en beschaving verspreidden zich verder, maar grote delen waren al gecultiveerd, zodat de nadruk kwam te liggen op consolidatie. Nieuwe technieken maakten een grotere productiviteit mogelijk. Na een lange periode van geringe bevolkingsgroei trok deze in het tweede millennium weer aan. In de eerste helft van dit millennium werd deze groei nog getemperd door grote epidemieën, waarbij vooral de builenpest miljoenen slachtoffers maakte. Dit was een keerzijde van de sterk gegroeide netwerken. Via de handelsroutes konden niet alleen mensen, goederen en ideeën, maar ook ziektes zich snel verspreiden.

Samenlevingen als geheel konden zich door technische, organisatorische en financiële vernieuwingen sterker ontplooien en werden sterker en welvarender. De gevolgen hiervan beperkten zich vooral tot een kleine elite; voor de grote meerderheid veranderde er weinig. Vooral op het platteland werd het patroon hooguit doorbroken door een leger dat toevallig door het gebied trok, maar afgezien van deze sporadische, hoewel soms desastreuze, gebeurtenissen zag het leven van vele generaties kleine boeren er uit zoals dat eeuwenlang het geval was geweest en beperkten reizen zich tot dorpen in de omgeving. Veranderingen vonden vooral hun oorsprong in de steden. Toenemende specialisatie creëerde klassen naast elkaar die vaak rivaliserend waren. Met de verstedelijking verving de onderlinge solidariteit van de klassen de familiebanden.

Ruilhandel werd meer en meer verlaten en ondanks het manen tot terughoudendheid vanuit de diverse religies, zette het marktsysteem zijn opmars voort. De laisser faire bracht een dynamiek van collectieve actie die eerdere centraal gestuurde rijken niet kenden. Daar de wat Adam Smith de onzichtbare hand noemde van vooral in Eurazië van toepassing was, werd de kloof met Amerika groter. Vooruitgang op scheepvaartgebied maakte het mogelijk om de kusten te verlaten, waarmee eerder moeilijk te bereiken gebieden binnen economisch handbereik kwamen.

Een belangrijke innovatie was ook het positiestelsel. Dit talstelsel met Arabische cijfers maakte het mogelijk om grote getallen met vrijwel dezelfde eenvoud te verwerken als kleine getallen. Goedkoop vervoer en het nieuwe talstelsel maakten een sterke groei in handel mogelijk. In China en Japan sloot deze aan bij de al lang bestaande specerijen- en katoenhandel rond de Indische Oceaan.

De eerste marktsamenleving[bewerken]

Chinese schepen van Zhang Zeduans (1085–1145) schilderij Langs de rivier tijdens het Qingmingfestival; Chinese schepen van de Songperiode hadden al waterdichte compartimenten.

De ontwikkeling van zeegaande schepen gaf China en later Europa een voorsprong op transportgebied waarmee de afstand tot gebieden die tot landvervoer waren beperkt groeide. Dit gold voor het grootste deel van het Islamitisch Kalifaat en de binnenlanden van Azië en Afrika. India was hierbij een uitzondering. In China verminderde het oude Confuciaanse wantrouwen ten opzichte van handelaren en droegen munten en zelfs papiergeld (jiaozi) wezenlijk bij aan de economisch expansie tijdens de Song-dynastie (960-1279). De Chinese samenleving commercialiseerde; boeren streefden niet meer slechts naar zelfvoorziening, maar specialiseerden zich in commerciële gewassen. Er was een uitgebreide internationale handel waarbij gebruik werd gemaakt van vennootschappen op aandelen. De geldeconomie maakte met de vele kanalen niet alleen de handel, maar ook het belasting heffen veel eenvoudiger. Het Grote Kanaal verbond vanaf 611 de Gele Rivier met de Jangtsekiang en werd de ruggengraat van de economie van de Song. Marco Polo telde 15.000 schepen bij een stad aan de Jangtsekiang en had er bij andere steden nog meer geteld.

Bij de Confuciaanse ambtenaren verdween echter het wantrouwen ten opzichte van het leger en de kooplieden nooit helemaal en met diverse maatregelen werd de macht van hen beperkt. Hoewel er in China in 1078 125.000 ton ijzer werd geproduceerd, beperkte deze politiek van de mandarijnen het potentieel en zou het nooit komen tot een industriële revolutie zoals 700 jaar later in het Verenigd Koninkrijk. Ondanks grote inspanningen en een groot leger had de Song-dynastie grote moeite de noordelijke en westelijke grenzen te verdedigen tegen nomaden die bureaucratische bestuursvormen hadden overgenomen. In 1126 bleek dit duidelijk toen de Jurchen de toenmalige hoofdstad Kaifeng veroverden en de Jin-dynastie (1115-1234) stichtten. Hoewel de Song-dynastie in het zuiden nog geruime tijd kon overleven, kwam het einde in 1279 met de kleinzoon van Dzjengis Khan, Koeblai Khan. Het resulterende Pax Mongolica betekende wel dat de Chinese invloed zich eenvoudig kon verspreiden over het Mongoolse Rijk.

De Yuan-dynastie (1279-1368) begon voorspoedig, maar werd steeds meer geplaagd door machtsstrijd en intriges. Uiteindelijk wist de opstandeling Zhu Yuanzhang in 1368 de Yuan-dynastie te verdrijven en besteeg hij als eerste keizer van de Ming-dynastie (1368-1644) de troon onder de naam Hongwu. Waar de Chinese samenleving open stond voor invloeden van buitenaf, werd dit met steeds meer wantrouwen beschouwd. Onder keizer Yongle werd gepoogd de steppevolkeren te onderwerpen en hoewel de oude zijderoute belemmerd werd door het rijk van Timoer Lenk ondernam admiraal Zheng He met een vloot van ongekende afmetingen enkele formidabele expedities. Na de dood van Yongle voerde zijn zoon Hongxi een aantal radicale veranderingen door. De buitenlandse reizen van Zheng He werden stopgezet, de buitenlandse handel werd sterk beperkt, de voortdurende oorlogen werden beëindigd en de belastingdruk op boeren verminderd. Onder keizer Xuande richtte men zich nog eenmaal naar buiten, maar nadat zijn opvolger Zhengtong in 1449 door de Mongolen gevangen was genomen, sloot de Chinese samenleving zich grotendeels af van het buitenland. Door dit alles kon men zich concentreren op de welvaart en stabiliteit, om zo te komen tot wat Fairbank een van de grootste tijdperken van een ordelijke regering en de sociale stabiliteit in de menselijke geschiedenis noemde.

Transformatie van de islam[bewerken]

In Zuidwest-Azië kon men niet de verandering bewerkstelligen van het platteland zoals dat in China was gebeurd. Het ontbrak aan bevaarbare waterwegen, zodat men was aangewezen op karavanen over land. Ondanks uitgebreide maatregelen, zoals de instelling van karavanserai, bleef het draagvermogen en daarmee de handel beperkt. Een andere beperking was dat handel zich beperkte tot de elite van landeigenaren en er daarmee voor de kleine boeren geen stimulans was om af te wijken van oude gewoontes.

In de kuststreken was met de zeevaart een grotere mogelijkheid tot handel, maar ook hier kwam het niet tot een marktsamenleving als in China. Oorlog en plunderingen door nomaden droegen hiertoe bij, maar ook nieuwe stromingen in de islam die de nadruk legden op mystieke ontmoetingen met God. Hoewel dit een nieuwe dynamiek betekende voor het geloof, had het een verminderde belangstelling voor aardse zaken tot gevolg en een versterking van het conservatisme.

Van grote invloed was de trek van Turkse volkeren naar het centrum van het islamitische gebied en de opleving van de Perzische cultuur wat samenkwam in de Turks-Perzische traditie. De Ghaznaviden vestigden de eerste Turkse staat binnen het rijk van de islam. Zij werden in 1039 verslagen door de Seltsjoeken die als soennieten verwelkomd werden door de Abbasiden in Bagdad die onder druk stonden van de sjiitische Fatimiden in Egypte.

De Seltsjoeken wonnen in 1071 de Slag bij Manzikert en veroverden al snel het overgrote deel van Anatolië, dat vlot overging op de islam en de Turkse taal. In een groot deel van Noord-Afrika werd de islam verspreid door Berbers. In het noordwesten kwamen de Almoraviden (1056-1147) aan de macht die hun invloed uitbreidden tot op het Iberisch Schiereiland en in het koninkrijk Ghana. De islam verspreidde zich daarmee in Europa en Sub-Saharisch Afrika. In tegenstelling tot China en Europa was de islamitische maatschappij dus vooral pastoraal. Veel islamitische vorsten stimuleerden wetenschappen als astronomie, navigatie, wiskunde en geografie. Naast de Perzische hofcultuur in het oosten was er de Arabische literaire traditie van de Mamelukken in Egypte en de Berbers verder naar het westen.

In 1258 verwoestten de Mongolen Bagdad en doodden daarbij ook de laatste kalief uit het geslacht der Abbasiden. Daarmee verdween zelfs de schijn van een islamitische politieke eenheid, wat de hang naar mystiek versterkte. Hoewel de Mongolen aanvankelijk tegen de islam streden, bekeerden zij zich uiteindelijk tot deze godsdienst. Na 1353 viel het Mongoolse kanaat uiteen in onderling strijdende staten. Rond 1290 vormde zich het Ottomaanse Rijk dat zichzelf zag als de opvolger van het Seltsjoekse sultanaat Rûm. Het zou een belangrijke expansieve macht blijken die uiteindelijk een einde maakte aan het Byzantijnse Rijk met de verovering van Constantinopel in 1453. Loyaliteit aan de staat werd bewerkstelligd met instituties waarvan slaven de ruggengraat gingen vormen met een ongekend sterke staat tot gevolg. In veroverde christelijke gebieden werden jongens geronseld om als slaven dienst te doen in het leger of in de administratie van de sultan. Ze kregen een goede opleiding en het grootste deel van de elite, waaronder de janitsaren, bestond uit ooit door de devşirme gerekruteerde personen.

Ondanks de reconquista waardoor de moslims uit Spanje en Portugal werden verdreven, wisten zij zo tussen 1000 en 1500 hun grondgebied bijna te verdubbelen. Het strekte van Oost-Europa, Noord-Afrika en Zuidoost-Azië tot in India. De grootse cultuur en de militaire successen konden uiteindelijk echter niet de tekortkomingen verbloemen van het gebrek aan wat de kracht vormde van China en later West-Europa; goedkoop vervoer en de markteconomie.

Transformatie van Europa[bewerken]

Het centrum van de christelijke beschaving lag aan het begin van het tweede millennium in Constantinopel. Economisch, cultureel en militair was het Byzantijnse Rijk veruit de meerdere van West-Europa, dat een dunbevolkt voornamelijk landelijk randgebied vormde. Enkele eeuwen later was de situatie omgekeerd, mede mogelijk gemaakt doordat het Byzantijnse Rijk als buffer was opgetreden tegen het oprukkende Ottomaanse Rijk tot het in 1453 dan toch werd ingenomen. Het vrijwel exclusief agrarische West-Europa van de Vroege Middeleeuwen verstedelijkte en commercialiseerde vanaf de tiende eeuw. Het ontbreken van een unitaire gezagsstructuur resulteerde niet alleen in veel bloedvergieten van onderling strijdende vorstendommen, prinsdommen, stadstaten, republieken en boerenkantons, maar ook in innovatie om daarmee de macht te vergroten.

In de tiende eeuw was er een einde gekomen aan de invasies van Europa door Vikingen, Moren en Aziatische steppevolkeren. De hierop volgende stabiliteit had vanaf de elfde eeuw een expansiebeweging tot gevolg, wat onder meer tot uiting kwam in de kruistochten en de Ostsiedlung. In mediterraan Europa was de achteruitgang na de val van het Romeinse Rijk minder geweest dan in West-Europa en Italiaanse handelaren voegden zich bij de langeafstandshandel die zich centreerde rond de Indische Oceaan. In de Repubbliche Marinare bracht de handel een explosieve groei van de welvaart. Het bracht de Europeanen in contact met hoogstaande beschavingen en stelde hen in staat kennis over te nemen van de Byzantijnen en de moslims en technologieën uit China.

In West-Europa werden ondertussen venen en moerassen drooggelegd, bossen gerooid en grond ontgonnen. Het kerngebied daarvan lag tussen de Loire en de Elbe. Dankzij het door de Golfstroom milde klimaat met voldoende regenval gedurende het hele jaar kon de landbouwproductie gestaag groeien. Het drieslagstelsel maakte het daarbij mogelijk dat arbeid evenwichtig verdeeld kon worden over het jaar. Ook leverde dit meer haver op, zodat de met hooi genoegen nemende os kon worden vervangen door het paard. Deze kon door drie uitvindingen een veel grotere trekkracht leveren; het haam, de tandem en het hoefijzer. In combinatie met de nieuwe keerploeg kon de productiviteit tot driemaal hoger liggen dan mogelijk was rond de Middellandse Zee. Het resulterende overschot maakte handel mogelijk, terwijl er ook een klasse van krijgers van onderhouden kon worden die de boeren beschermde tegen dreiging van buitenaf.

Castle Stalker aan de Schotse kust. Met een kasteel en zijn milites kon een heer in de Hoge Middeleeuwen zijn omgeving overheersen zonder zich veel te hoeven aantrekken van de vorst aan wie hij leenplichtig was. Het kwam dan ook voor dat men bij meerdere vorsten gebieden in leen had.

Nadat deze dreiging was weggevallen, richtten de krijgers zich echter tegen elkaar en de lokale bevolking. Een aantal feodale heren wist hun gezag uit te breiden ten koste van hun buren, zich daarbij weinig aantrekkend van het koninklijke gezag. Door deze banale revolutie ontbrak een sterk centraal gezag zoals in China. Waar de onderlinge strijd verlammend had kunnen werken, bleek het innovatie in de hand te werken die nodig was om te overleven. Deze lag niet alleen op technisch gebied, maar ook op financieel en politiek vlak.

Een andere verandering was daarnaast van groot belang. De zware keerploeg noodzaakte tot een span van wel acht ossen en aangezien kleine boeren niet zoveel ossen bezaten, moesten verschillende families samenwerken om het land te kunnen bewerken met deze nieuwe ploeg. De ploegspan is daarmee waarschijnlijk de basis geweest die de Europese samenleving in staat stelde om verbanden aan te gaan die niet familiegebonden waren. Waar in andere gebieden vertrouwen vaak gebaseerd was op familiebanden, ging men in Europa relatief gemakkelijk ondernemingen aan met medeburgers die geen familie waren. Het aantal mogelijke samenwerkingscombinaties nam daarmee sterk toe en zo ook de mogelijkheden van risicodeling. Privé-initiatieven konden daarmee sterk toenemen in grootte en aantal en grote projecten waren niet meer beperkt tot de staat of vermogende aristocraten. Dit kwam vooral tot uiting in de scheeps- en mijnbouw.

Drie tot vier eeuwen na China ontstond dan ook in Europa een markteconomie zonder dat daarbij de staat echter een dominerende rol had. Handelaren en bankiers konden zelfs in enkele stadstaten de macht naar zich toe trekken. Een proces van economische, sociale en technologische veranderingen zocht zijn weg naar waar het politieke klimaat het toeliet en waar zij niet gehinderd werden door kerkelijke of politieke overheden.

Paus en keizer streden lang over de vraag wie de jurisdictie over het westers christendom had. De Duitse keizer moest dit opgeven in 1250, maar ook de paus kon dit na 1303 niet volhouden. Frankrijk en Engeland ontwikkelden zich tot sterke koninkrijken, in wat Elias het monopoliemechanisme noemde, waarbij sterkere machten de zwakkere weten te onderwerpen en een centrale macht het geweldsmonopolie in handen krijgt en daarmee het belastingmonopolie. Tegelijkertijd verdween echter in Italië, de Lage Landen en het westen van Duitsland het centrale gezag vrijwel geheel. De macht die de steden en burgers hadden, kende geen vergelijk in de wereld. Dit was mogelijk doordat vorsten de steden nodig hadden vanwege de belastingen. Vanaf de dertiende eeuw bleken piekeniers en boogschutters in staat om ridders te bedwingen, wat versterkt werd door de komst van veldartillerie. Er trad een commercialisering van de oorlogsvoering op, waarbij Milaan en Venetië het voortouw namen met het gebruik van huursoldaten. Het geld daarvoor moest worden opgebracht door steden die in ruil daarvoor privileges afdwongen. Veel Italiaanse steden bleken met hun coniuratio in staat om hun heer te verwerpen. Dit was een belangrijke stap waarmee stadsgemeenschappen ook politieke gemeenschappen werden. De resulterende stadsrechten waren een belangrijke aanzet tot de latere modernisering van de politiek.

Regeringen waren vanaf dan niet alleen aangewezen op ondernemers op het vlak van scheeps- en mijnbouw, maar ook bij geschutsgieterijen. Een lagere prijs bedingen, zoals in China veel gebeurde, betekende dat fabrikanten op zoek gingen naar afnemers die bereid waren meer te betalen. Hetzelfde gold voor compagnieën huursoldaten die zich voor de beste prijs verhuurden. Nieuwe technieken konden zich zo snel verspreiden. Aanvankelijk waren dit vooral aanpassingen van Byzantijnse, islamitische en Chinese uitvindingen, maar meer en meer kwamen daar eigen vindingen bij.

Dit vond echter geen bodem op de middeleeuwse universiteiten. Deze instituten zouden uiteindelijk wel uitgroeien tot plaatsen van oorspronkelijk onderzoek, maar in deze periode overheerste het rationalisme waarbij de inzichten van het logisch redeneren niet geverifieerd werden met systematische experimenten. Aristoteles domineerde de artes liberales, de vrije kundigheden die naast geneeskunde, recht en theologie gedoceerd werden. Zijn logica botste op bepaalde vlakken met het geloof, wat aan het einde van de dertiende eeuw een intellectuele crisis tot gevolg had die tot uiting kwam in de universaliënstrijd. Ockham durfde hierbij uiteindelijk het nominalistische standpunt te onderbouwen dat ideeën geen objectief bestaan hebben buiten de mens. Hiermee veranderde de kijk op wetenschap revolutionair wat navolging vond in de via moderna, een richting die gedoceerd werd tegenover de via antiqua waarin men bleef vasthouden aan het gematigd realisme.

Vindingen als het mechanische uurwerk, geografische coördinaten, muzieknotatie en het dubbel boekhouden maakten het mogelijk om ervaringen te kaderen. Dit maakte niet alleen een efficiënter gebruik van tijd en geld mogelijk, maar ook een vergelijking met de tot dan heersende ideeën op filosofisch en religieus gebied. Hoewel men in de vijftiende eeuw Aristoteles steeds meer ging verlaten, bleef het scholastieke rationalisme tot in de achttiende eeuw de universiteiten beheersen. De wetenschappelijke revolutie moest wachten tot de zeventiende eeuw. Deze kloof tussen techniek en wetenschap leidde dan ook wel tot de verzuchting dat je in één dag meer kon leren van de Portugezen dan in honderd jaar van de Grieken en Romeinen. Veranderingen zouden uiteindelijk niet door de universiteiten in gang worden gezet, maar door de studia humanitatis die voet aan de grond kreeg op de Latijnse scholen. Hoewel het humanisme zelf niet veel aanhang kreeg, zou de nadruk die hierin op praktische toepasbaarheid van een opleiding van groot belang zijn. Groot belang werd er gehecht aan hoge publieke moraal en daarmee aan de werken van Cicero. Met een hernieuwde belangstelling voor het klassiek Latijn kwamen auteurs uit de heidense oudheid beschikbaar waarvan de kennis kon worden toegevoegd aan de christelijke kennis. Met de komst van de boekdrukkunst in Europa kon deze kennis zich sneller verspreiden.

Vooruitgang kwam met een prijs. Er kwam niet alleen meer rijkdom, maar ook meer armoede. De sociale ongelijkheid nam niet alleen toe in die delen van Europa waar de welvaart het snelst toenam, maar ook in de randgebieden. In de Baltische landen ontstond een quasiplantage-economie waarbij boeren hun vrijheid verloren. Het gebrek aan stabiliteit bracht ook vele oorlogen.

Het was dan ook geen periode van enkel vooruitgang. In de veertiende eeuw werd een serie misoogsten tussen 1315 en 1322 met grote hongersnood tot gevolg gevolgd door de Zwarte Dood tussen 1347 en 1351. Ongeveer een derde van de bevolking kwam hierbij om het leven en het herstel daarna kwam langzaam, zodat pas rond 1500 de bevolking weer op het niveau van 1300 lag. In tegenstelling tot de epidemieën van de tweede eeuw volgde deze keer echter geen donkere periode zoals met het aanbreken van de Middeleeuwen het geval was geweest. Hoewel China in deze periode de grootste economie ter wereld was en leek te blijven, begon Europa met een sterk vernieuwde scheepvaart aan een door handel gedreven expansie die voor het eerst de gehele wereld bestreek.

Buiten de kernen[bewerken]

Buiten de belangrijkste kernen bleek dat beschavingen zich met verschillende snelheden konden voortbewegen of zelfs stilstaan. In de schaduw van China gold voor Korea, Annam en vooral Japan dat zij door een vroege introductie van de rijstcultuur een voldoende sterk bestuur op kon bouwen. De Chinese expansie kon hierdoor grotendeels beperkt blijven, al had de Chinese cultuur grote invloed. Zo kreeg het boeddhisme in deze landen meer voet aan de grond dan in China. In Japan ontstond een semi-feodale samenleving die gelijkenissen vertoonde met Europa. Daarbuiten verspreidden Maleiers de islam onder meer over de Molukken, Borneo en Mindanao en vergrootten daarmee ook hun handelsnetwerk.

Voor andere gebieden gold dat de oude beperkingen een verdere groei belemmerden. De belangrijkste beperkingen waren het ontbreken van goede vaarwegen, pakdieren, een onherbergzaam landschap en een ongastvrij klimaat. Het koninkrijk Mali en daarna het Songhai-rijk wisten in West-Afrika grote rijkdom op te bouwen, maar bleken uiteindelijk niet in staat om de eenheid te bewaren. Slavenhandel met Noord-Afrika en later Amerika werd een belangrijke bron van inkomsten, waardoor de groei van de bevolking en landbouw gehinderd werd. In de rest van Afrika kwam het op sommige plaatsen wel tot op landbouw gebaseerde staten als Groot-Zimbabwe en rond het Grote Merengebied, maar ontwikkelden zich geen steden zoals in West-Afrika.

De eerder marginale Inca's in Peru en Azteken in Mexico verdrongen oudere culturen en wisten grootse rijken te vestigen. Het lijkt echter dat het ontbrak aan nieuwe kennis en kunde om de versnellingen te bewerkstelligen die plaatsvonden in de Oude Wereld. Waarschijnlijk traden ook problemen op met bodemerosie door ontbossing en een tekort aan water voor de verhoogde landbouwvelden.

Nergens werd echter in dezelfde mate een gemeenschappelijke inspanning afgedwongen zoals in het onstabiele West-Europa. Gedurende de eeuwen daarna zou men hiervan over de gehele wereld echter de gevolgen ondervinden.

Naar een globaal netwerk[bewerken]

Nieuwe ontwikkelingen
Technologieën Boekdrukkunst
Levensverwachting bij geboorte Vroegmodern Engeland: 40+

Als men rond 1400 had moeten voorspellen wie de dominante macht zou worden, dan had men mogelijk gekozen voor de machtige Timoer Lenk of het duizendjarige Chinees Keizerrijk. Het versplinterde Europa dat net zo veel rampspoed te verwerken had gekregen, leek een onwaarschijnlijke kandidaat. Tot 1800 was China veruit de grootste economie, terwijl ook het Mogolrijk en het Ottomaanse Rijk aanmerkelijk groter waren dan de grootste macht in Europa, het Habsburgse Rijk. Toch zou juist de verdeeldheid een belangrijke drijvende kracht blijken achter de expansie van Europa. Waar de Chinese keizer een einde kon maken aan de expedities van Zheng He, waren er in Europa rond 1500 nog zo'n 500 staatjes in competitie met elkaar. De expansiedrang van de diverse Europese vorstenhuizen en de daarmee gepaard gaande militaire revolutie bracht een consolidatie op gang waardoor het aantal staten rond 1900 was teruggebracht tot ongeveer 20. Deze centralisatie ging gepaard met een toenemende zekerheid van eigendomsrecht, wat naast de technische vooruitgang maakte dat transactiekosten konden dalen, wat de handel en economische groei ten goede kwam. De daling van de transactiekosten was terug te zien in de dalende rentevoet van het steeds verfijnder financiële systeem.

Rond 1450 bestond de wereldbevolking uit zo'n 350 tot 400 miljoen mensen, waarvan zo'n driekwart in de Oude Wereld. Vrijwel volledig geïsoleerd hiervan leefde men in Amerika, Oceanië en Zuidelijk- en Centraal-Afrika. In de 350 jaar daarna zouden al deze werelden met elkaar in verbinding komen. Dit was een proces dat gepaard ging met veel geweld, waarbij samenlevingen in contact kwamen met voor hen nieuwe wapens, technologieën, producten, ideeën, culturen, religies en ziektekiemen. Het aantal volken, staten, talen en religies nam hierbij sterk af. Toenemende homogeniteit betekende echter geen grotere gelijkheid. Hoewel de culturele diversiteit afnam, werden onderlinge verschillen vergroot doordat er steeds meer nadruk werd gelegd op specialisatie en arbeidsverdeling. De perifere gebieden werden deels wingewesten, zoals daarvoor ook was gebeurd bij de Europese randgebieden.

De drie grote netwerken waren Afrika-Eurazië, Amerika en de Grote Oceaan. Daarvan was de Oude Wereld veruit de krachtigste op militair en politiek, op het gebied van vervoer en de afweer tegen ziekteverwekkers. Dit laatste ging wel gepaard met een hoge kindersterfte, zodat het in combinatie met de sociale ongelijkheid niet noodzakelijk de meest aangename plek was om te wonen.

Twee ontwikkelingen maakten het mogelijk dat de drie grote netwerken blijvend met elkaar verbonden zouden worden. Dit waren verbeteringen op het gebied van scheepsbouw en zeevaartkunde. Op het eerste vlak bestonden deze uit karveelbouw, waarbij de planken stuitend tegen elkaar zijn geplaatst, gladboordig, bevestigd aan een spantenframe. Hierdoor werd de constructie lichter en steviger. De nieuwe scheepsontwerpen konden beter overweg met het ruwe weer in het noorden van de Atlantische en Grote Oceaan, waardoor scheepvaart hier een rol op zich kon nemen die het in de veel kalmere Indische Oceaan al lang had gehad. Door de invoering van het stevenroer in Europa begon er onderscheid te komen tussen voor- en achtersteven en verbeterde de manoeuvreerbaarheid. Volgetuigde schepen verbeterden zowel manoeuvreerbaarheid als snelheid, zodat de noodzaak voor riemen verviel en schepen eenvoudiger en goedkoper gebouwd konden worden en er veel scherper aan de wind kon worden gevaren.

Op het gebied van de zeevaartkunde werd grote vooruitgang gemaakt en met de Arabische astronomie en wiskunde die bekend was op het Iberisch Schiereiland kon men astronavigatie verder ontwikkelen en kon men de breedtegraad bepalen. De Portugezen leerden de winden en zeestromen te gebruiken door vanuit West-Afrika eerst naar het westen te varen, daarna naar het noorden en van daaruit terug, volta do mar genoemd. Zeer belangrijk hierbij was de staatssteun door vooral Hendrik de Zeevaarder die in Sagres een zeevaartschool stichtte.

In de vijftiende eeuw voeren de Portugezen zo steeds verder de Afrikaanse kust af. Aan het einde van de eeuw resulteerde dit in wat Adam Smith in 1776 de belangrijkste gebeurtenissen noemde in de geschiedenis tot dan toe, de reis van Christoffel Columbus naar Amerika in 1492 en van Vasco da Gama rond Afrika naar India in 1497-98. Niet onbelangrijk daarbij was dat de schepen stevig genoeg waren om kanonnen te dragen en ook af te vuren zonder uit elkaar te vallen, iets wat de schepen uit de Indische Oceaan niet konden.

Het Theatrum Orbis Terrarum was de eerste wereldatlas, uitgebracht in 1570, samengesteld door Abraham Ortelius.

Hoewel in het verdrag van Tordesillas van 1494 de niet-Europese wereld vervolgens werd opgedeeld tussen Spanje en Portugal, sloten zich in de eeuw daarna de nodige andere Europese landen aan bij deze wedloop. Rond 1580 was dan ook een groot deel van de wereld in kaart gebracht en vestigden Europeanen over de gehele wereld handelsposten.

Hiermee vulden de rivaliserende Europese machten de ruimte die het veel grotere China had achtergelaten toen het zich afsloot van de buitenwereld. Dat betekende echter niet dat de kennis geheel verloren ging en een deel daarvan werd dan ook in 1537 uitgegeven in de zeilaanwijzing Duhai fangcheng. Vanaf ongeveer 1570 werden de grenzen weer enigszins geopend en vond er weer een bloeiende handel plaats tussen Japan, Korea, China en Zuidoost-Azië. Zo kon keizer Qianlong in 1793 de Britse Macartneymissie nog afwijzen en van koning George III gehoorzaamheid eisen.

Expansie in Afrika[bewerken]

Dat men de mogelijkheden ontwikkelde om deze verre reizen te ondernemen, werd onder meer gestimuleerd door het wegvallen van oude handelsroutes. Van de vele routes in de Oude Wereld waren er twee de belangrijkste, de oude Zijderoute en die over zee. Beide waren feitelijk een verzameling van routes die door vrijwel niemand in hun geheel werden afgelegd. In de Middellandse Zee werd hierbij een belangrijke rol vervuld door de Italiaanse Repubbliche Marinare. Met de opkomst van het Ottomaanse Rijk verkreeg deze echter het monopolie op de handel tussen Europa en Azië. De Venetiaanse handelaren die voorheen via de Levant handel voerden met India en China kregen daardoor hoge prijzen opgelegd op handelswaar als peper. De specerijen werden letterlijk peperduur. Dit leidde tot het zoeken naar alternatieve routes over zee naar de Indische specerijengebieden en andere grote ontdekkingsreizen waardoor Amerika werd ontdekt.

In 1415 veroverden de Portugezen in het verlengde van de Reconquista het rijke Ceuta, het eindpunt van handelskaravanen vanuit West-Afrika. Na de verovering droogde deze bron op, waarna men besloot de handel zelf over te nemen. De eerste grote Europese ontdekkingsreizen waren dan ook die van de Portugezen die de Afrikaanse kust afzakten, hoewel de schaal in niets te vergelijken was bij de grootse expedities van Zheng He. Dit betekende niet dat Sub-Saharisch Afrika volledig werd opgenomen in het netwerk. Veel kuststeden in Oost-Afrika waren dat overigens al, maar meer landinwaarts was de invloed beperkt. Een eerste uitzondering was Kaap de Goede Hoop waar de VOC een verversingsstation stichtte dat uit zou groeien tot de Kaapkolonie.

De grootste invloed had de slavenhandel. Deze vond al zeker duizend jaar plaats voordat de Europeanen zich hiermee inlieten, maar was tot dan van bescheiden omvang. Arbeid was schaarser dan land en net als tijdens de Vroege Middeleeuwen in Europa stimuleerde dit lijfeigenschap waarbij rijkdom werd afgemeten aan het aantal mensen dat men onder zich had. Het was echter de behoefte aan arbeid op de suiker- en tabaksplantages in Amerika die de trans-Atlantische slavenhandel deed aanzwellen tot grote proporties. Veelal Afrikaanse slavenjagers wisten zo in de loop der eeuwen zo'n 25 miljoen mensen tot slaaf te maken. Velen stierven al voor zij verkocht konden worden voor transport, maar tussen de 11 en 14 miljoen werden verscheept naar Amerika, waarvan zo'n 15% kwam te overlijden tijdens de reis. De grootste aantallen gingen naar Brazilië en de Caraïben, elk zo'n 40%, terwijl zo'n 5% in de Verenigde Staten terechtkwam. De demografische invloed verschilde sterk van gebied tot gebied. Over het totaal maakte het aantal slaven een klein deel uit van de bevolking. Politiek was de invloed wel groot. Het bracht een militarisering van de Afrikaanse samenlevingen op gang die leidde tot staatsvorming waarbij agressieve staten als Ashanti en Dahomey in het voordeel waren. Economisch stimuleerde het kortetermijnoplossingen, terwijl het op sociaal vlak tot verdeling leidde, waarbij men tot op heden weet welke voorouders slavenjagers waren.

Amerika in het netwerk[bewerken]

Inca mummie.
Duizenden jaren van onafhankelijke ontwikkelingen in Eurazië en Amerika resulteerden in grote verschillen in economische en militaire macht. Dit werd dramatisch duidelijk toen Pizarro ver weg van huis met slechts 168 man in staat was om Inca-heerser Atahualpa die over duizenden strijders beschikte, te overmeesteren.

In Amerika waren de Azteken en de Inca's de belangrijkste beschavingen. Het hart van de eerste lag in Mexico en was Tenochtitlan dat met ruim 200.000 inwoners een van de grootste steden ter wereld was. De culturele invloed reikte tot aan de Mississippi. Het rijk van de Inca's strekte van het zuiden van Colombia tot het noorden van Chili en Argentinië. Twee hoofdwegen met vele toevoerwegen van bij elkaar tussen de 25.000 en 40.000 km dienden om het rijk te besturen, de rol van handel was veel kleiner dan bij de Azteken.

In deze goed georganiseerde delen van Amerika konden de Spanjaarden het gezag snel overnemen. Hernán Cortés wist het Azteekse rijk te veroveren in 1519-21, terwijl in 1532 het Incarijk in handen viel van Francisco Pizarro. In de gebieden daarbuiten waar geen sprake was geweest van een centraal bestuur, was dit een veel langduriger proces. Dit was het geval bij de Maya's in Yucatán, maar ook in Brazilië en Noord-Amerika. Rond 1800 raakte echter het overgrote deel van Amerika opgenomen in het wereldwijde netwerk.

Het was de onbekendheid met een aantal ziektes die het meest verwoestende effect teweegbrachten. In de Oude Wereld waren deze veelal overgebracht door contact met gedomesticeerde kuddedieren. Ook daar had dit vele slachtoffers geëist, maar was door de eeuwen heen een bepaalde mate van immuniteit opgebouwd. Amerika kreeg nu in korte tijd te maken met een heel scala van deze ziektes, waarbij de bevolking ook nog eens een kleinere genetische variatie had. Minstens 50% en mogelijk 90% van de lokale bevolking verloor tussen 1492 en 1650 het leven, waarmee dit met de veertiende-eeuwse epidemieën de grootste bevolkingsramp in de geschiedenis is geweest.

Bontjacht[bewerken]

Rond 1500 viel Siberië economisch, cultureel en politiek nog grotendeels buiten de Oude Wereld. In 1574 verkreeg de rijke familie Stroganov van tsaar Ivan de Verschrikkelijke het recht op de landen ten oosten van de Oeral om onder meer hun bonthandel uit te breiden. Zij vonden hierbij de Kozakken bereid om dit militair te ondersteunen en zo wisten Russen en Kozakken rond 1640 de Grote Oceaan te bereiken. Rond 1730 hadden zij de oversteek gemaakt naar Alaska, terwijl zij rond 1810 noordelijk Californië wisten te bereiken. Vanaf 1600 trokken vooral Engelse en Franse bonthandelaren westwaarts vanaf de Atlantische kust om uiteindelijk hun Russische collega's te treffen aan de westkust, waarmee ook Siberië en noordelijk Noord-Amerika deel uit gingen maken van het wereldomspannende netwerk.

Australië en Oceanië[bewerken]

In het geval van Australië en Oceanië werd het isolement pas aan het einde van de achttiende eeuw verbroken. Gedurende de negentiende werden de Maori van Nieuw-Zeeland, de Aborigines van Australië en de volken van Hawaii, Samoa, Tonga en Fiji opgenomen in het netwerk van wat Pacey de Mongolen van de zee heeft genoemd, de Europeanen. Zoals in eerdere gevallen was dit over het algemeen niet in hun voordeel.

Religieuze onrust[bewerken]

Waar binnen de grote godsdiensten aanvankelijk levendige discussies bestonden, brachten deze het gevaar van versplintering van het geloof met zich mee. Om de eenheid van het geloof te waarborgen, volgde dan ook vaak een reactie met het opstellen van dogma's. Naarmate religies beter georganiseerd werden, dreigde de geloofsbeleving naar de achtergrond te verdwijnen.

Verstedelijking en de sterke toename van handel hadden in deze periode een grote invloed. De sociale mobiliteit nam toe, maar ook de tendens om theorie met praktijk te vergelijken door observatie. Dogma's werden in twijfel getrokken als een andere werkelijkheid werd ervaren. De nadruk op carrière, organisatie en wereldlijke bemoeienissen moest wijken voor een terugkeer naar de essentie van het geloof, de moraal.

In China legde Wang Yangming de nadruk op waarheid, kennis en deugd die intuïtief kon worden bereikt zonder jarenlange studie van de Confucianistische Klassieken. In India stichtte Nanak het sikhisme dat het bestaan van alle geloven accepteerde en geen bevooroordeling of onderdrukking op basis van godsdienst, kaste, kleur, geloofsbelijdenis, ras of sekse tolereerde. Daarmee was het aantrekkelijk voor de lage kasten, vrouwen en stadsbewoners. In Europa verkondigde Maarten Luther dat het geloof een innerlijke persoonlijke gelofte was, waarbij slechts het geloof verlossing kon brengen.

Opvallend was de religieuze tolerantie van Akbar de Grote. Als moslim steunde hij alle geloven in zijn rijk. De Ottomanen voerden een tolerante politiek ten opzichte van de Mensen van het Boek. In Frankrijk werd het met het Edict van Nantes toegestaan aan de hugenoten om hun geloof uit te oefenen. De tolerantie was echter niet van blijvende aard. Vanaf 1614 keerde Japan zich tegen de 300.000 christenen in het land die herbekeerd of gedood werden. In China trad onder de Qing een verstarring van het confucianisme op en in India verwierpen de opvolgers van Akbar diens tolerantie. In deze landen was het centrale gezag sterk genoeg om de religieuze vernieuwing een halt toe te roepen. Europa was hiervoor te sterk verdeeld waardoor de Contrareformatie slechts beperkt succes had en bijna de helft van de Europeanen overging naar het protestantisme.

De moeilijkheden die de grote geloven zagen, vielen echter in het niet bij die van de kleinere. In Amerika werden de precolumbiaanse religies geheel vervangen door het christelijke geloof, terwijl in Afrika zowel het christendom als de islam sterk groeiden. Ook in Azië verdwenen veel oude religies om vervangen te worden door de islam, het boeddhisme of het christendom.

Versnelling[bewerken]

De nieuwe contacten brachten niet alleen het einde van volken, culturen en religies. Het betekende ook dat ideeën, producten en gewassen wereldwijd beschikbaar kwamen. Fluctuaties in de zilverwinning in Potosí in Peru konden de economie op de Molukken beïnvloeden, terwijl cassave uit Brazilië van groot belang werd in Centraal-Afrika.

Bestaande religieuze, culturele, economische en politieke patronen veranderden niet alleen in door Europeanen ontdekte gebieden, maar ook in Europa zelf. Waar deze patronen eerder honderden of zelfs duizenden jaren vrijwel gelijk bleven, kwamen met de gegroeide eenheid veranderingen in een stroomversnelling die tot de huidige tijd voortduurt. Hoewel in een aantal gevallen veranderingen ogenschijnlijk slechts een technisch karakter hadden, konden deze grote maatschappelijke gevolgen hebben en zelfs het wereldbeeld beïnvloeden. Reacties hierop varieerden dan ook van sterk revolutionair tot uitgesproken reactionair.

Wetenschappelijke revolutie[bewerken]

Een belangrijke rol bij dit alles speelde de toegenomen communicatie en beschikbare informatie. Toegenomen handel, verstedelijking, afname van analfabetisme en missiewerk gaven hiertoe de aanzet, maar vooral de ontwikkeling van de boekdrukkunst zou een van de belangrijkste uitvindingen in de wereldgeschiedenis blijken te zijn. De resulterende democratisering van kennis maakte de wetenschappelijke revolutie mogelijk, maar versnelde onder meer ook de Reformatie en de Verlichting. Zo konden er tussen 1517 en 1520 300.000 exemplaren van het werk van Luther verspreid worden door Europa. Dit bleef evenwel beperkt tot de christelijke wereld. Voor de Ottomanen en de Mogols speelde mee dat gedrukte een ontheiliging van de Koran zou zijn. Bij het logografische schrift van de Qing leek de boekdrukkunst weinig voordeel op te leveren.

Kuhn maakte gebruik van het 'eend-konijn'-figuur van Jastrow om duidelijk te maken dat een paradigmaverschuiving de manier van observeren beïnvloedt. Op individueel vlak is er dan sprake van een Gestalt-switch.

Meer nog dan de religieuze omwentelingen zou de wetenschappelijke revolutie het intellectuele klimaat veranderen. Lange tijd had men autoriteit boven waarneming gesteld, maar dit was steeds moeilijker vol te houden. Niet onbelangrijk daarbij was dat de Europeanen door de ontdekkingsreizen zaken observeerden die niet altijd goed in te passen waren in hun bestaande wereldbeeld. De ideeën van Aristoteles hadden dan wel de nodige elegantie, te vaak bleken ze niet overeen te komen met de observatie. Dat was ook het geval met het geocentrisme van Ptolemaeus waarin de aarde het centrum van het universum was. Copernicus stelde daar de heliocentrische theorie tegenover, verdedigd door Galileo Galilei. Ook hier bood de Europese verdeeldheid mogelijkheden; waar in Italië het werk van Galilei verboden werd omdat het inging tegen de dogma's van de Kerk, kon dit in de Republiek gepubliceerd worden. Ondanks tegenwerking vanuit de Kerk, de politiek, maar ook vanuit de wetenschap zelf kon zich zo langzaam de wetenschappelijke methode ontwikkelen.

Wetenschap was eerder vooral een zaak geweest van individuele geleerden, maar gedurende de zeventiende en achttiende eeuw vond men elkaar meer en meer in correspondentie en in academies als de Britse Royal Society en de Franse Académie des Sciences. Belangrijk waren de hervormingen van het Pruisische onderwijs door Wilhelm von Humboldt aan het begin van de negentiende eeuw. Hiermee kreeg onderzoek een plaats aan de universiteiten. In tegenstelling tot eerdere bewegingen kwam dit niet voort uit de verlichting, maar juist de contraverlichting.

Militaire revolutie[bewerken]

Waar de geestelijke stand zijn bevoorrechte positie verloor als enige geletterde groep, gold dat voor de ridderschap op militair vlak. In de periode 1420-1700 waren er een aantal grote veranderingen die het evenwicht ernstig verplaatsten. De komst van vuurwapens maakte een definitief einde aan de bereden en bepantserde soldaat. Vooral tijdens de Italiaanse Oorlogen ontstond een wedloop tussen zware artillerie en vestingbouw. Legers bewapend met handvuurwapens groeiden uit tot in de achttiende eeuw honderdduizenden troepen in het veld gebracht werden. Dit maakte nieuwe tactieken en onderlinge afstemming noodzakelijk, wat bereikt werd met jarenlange dril. Met de groei van de legers en de complexiteit van de oorlogvoering, groeide de noodzaak aan een goed georganiseerde logistiek. De kosten van dit alles stegen enorm, wat de ontwikkeling van nieuwe financiële systemen in de hand werkte. Hoewel Europa al vele eeuwen bijzonder gewelddadige periodes had gekend, was oorlogvoering in de Vroegmoderne Tijd ongekend intensief. Het aantal grote veranderingen op het vlak van oorlogvoering deden Roberts dit dan ook de militaire revolutie noemen.

Deze had een aantal gevolgen. Slechts de rijkste staten waren in staat om oorlogen op deze manier te financieren. Veel kleine staatjes werden dan ook in de loop van de tijd opgeslokt, waardoor de macht geconcentreerd raakte en de basis werd gelegd voor de moderne staten. De hoge kosten noodzaakten ook tot fiscale hervormingen, wat het proces van staatsvorming versterkte.

Het gaf Europa ook een voorsprong op de andere grote staten. Hoewel de Ottomanen, de Mogols en de Qing allen delen uit de militaire revolutie overnamen, namen ze deze geen van allen in zijn geheel over. Deels omdat dit vooralsnog in hun situatie niet nodig was, deels omdat het niet mogelijk was. Zodra het echter op een confrontatie aankwam met de Europeanen bleek de achterstand vaak toch te groot. Dit laatste was vooral mogelijk door de ontwikkeling van gespecialiseerde marines. Het evenwicht verschoof van geroeide galeien met ramstevens of tijdelijk gehuurde koopvaarders die elkaar enterden, naar zeilschepen met kanonnen in de zij die elkaar bestookten vanuit de kiellinie. Aangezien de andere grootmachten tot de achttiende eeuw geen schepen bouwden die sterk genoeg waren om een batterij kanonnen af te vuren, verkregen de Europese staten hiermee een langdurig militair overwicht.

Als laatste maakte de militaire revolutie na meer dan twee millennia een einde aan de macht van de nomadenvolken. Met hun paarden, hun snelheid en de beschikbaarheid van elk mannelijk stamlid om als krijger te dienen, hadden zij lang een belangrijke machtsfactor kunnen spelen. De pastorale samenleving kon echter niet inspelen op het gebruik van kanonnen en ontbrak het aan de achterliggende financiële systemen die de stedelijke samenleving ontwikkeld had.

Economische en sociale veranderingen[bewerken]

De contacten tussen de verschillende beschavingen voor de vijftiende eeuw zijn door Braudel aangeduid als wereld-economieën met koppelteken om aan te geven dat deze niet de gehele wereld omspanden, maar economisch autonome delen van de wereld waren. Pas vanaf het tijdperk van de grote ontdekkingen ontstond een wereldeconomie waarbij al deze economieën steeds intensiever met elkaar in contact stonden.

Rond 1450 lag de gemiddelde levensstandaard in Europa rond het huidige niveau in de armere landen van Afrika en zou in de 350 jaar daarna maar weinig stijgen. Volgens Hobbes in Leviathan uit 1651 was het leven van de mens eenzaam, armzalig, ellendig, barbaars en kort. De landbouw- en industriële technologie veranderden in deze periode dan ook maar weinig, zodat spierkracht op veel gebieden de belangrijkste factor was. Dit stelde duidelijke grenzen aan de maximale hoeveelheid werk die verricht kon worden en daarmee aan de welvaart. Desondanks groeide de wereldeconomie naar schatting twee- tot driemaal. De economische groei werd dan ook voornamelijk veroorzaakt door de bevolkingsgroei. Hoewel de groei met minder dan 0,25% per jaar naar de huidige maatstaven laag was, lag dit aanmerkelijk hoger dan voorgaande periodes.

Potosí, Peru; detail van de door Hermann Moll vervaardigde kaart van Zuid-Amerika (1715).
Het zilver uit Potosí financierde niet alleen de Spaanse oorlogen, maar maakte het ook mogelijk dat de Chinese economie gemonetariseerd werd.

Ondanks de relatief kleine technologische veranderingen, veranderde er op economisch vlak veel. Langeafstandshandel, steden en kooplieden kregen meer invloed en voor het eerst ontstond een werkelijk wereldwijde economie. Waar lokaal nog wel op basis van vertrouwen werd gehandeld, kon dit voor de langeafstandshandel niet opgaan. Ruilhandel was hiervoor ook weinig geschikt en de relatief kleine voorraden goud en zilver hadden eerder de langeafstandshandel beperkt. In 1545 werden echter in Potosí in Peru ertslagen ontdekt, die zeer rijk aan zilver waren. Dankzij nieuwe Duitse methodes om zilver te winnen konden hier grote hoeveelheden zilver gewonnen worden, tot zo'n 60% van wereldproductie. Ook in Japan werd daarna de zilverwinning opgeschroefd. Van het zilver kwam meer dan driekwart uiteindelijk in China of India terecht. De grote hoeveelheden zilver stelden de Chinese overheid in staat om de economie te monetariseren. Het belastingsysteem werd in de tweede helft van de zestiende eeuw vereenvoudigd, de zogenaamde Eén Zweep Hervormingen (yìtiáo biānfǎ, 一條鞭法). Hierbij moesten alle belastingen en corveeverplichtingen voortaan in zilver worden voldaan, wat de vraag en prijs daarvan sterk deed stijgen. Dit was niet alleen welkom voor de Spaanse koning, het deed de handel in China, Korea, Japan en Zuidoost-Azië sterk stijgen en maakte de economieën daar marktgerichter. China was dan ook het middelpunt van de wereldeconomie. Het overgrote deel van de specerijen uit Zuidoost-Azië ging rechtstreeks richting China, terwijl dat zijde, porselein en soms goud verkocht. Japan verkocht naast zilver ook koper, terwijl uit Amerika zilver, bont, suiker en tabak kwamen. India exporteerde katoenen doeken en uit Afrika kwamen slaven en goud.

De Europeanen fungeerden daarbij steeds meer als tussenhandelaar en transporteur en gedurende de achttiende eeuw wedijverden zij steeds meer met de Chinese economie. Als eerste waren daar de Portugezen, gevolgd door de Nederlanders. Zij hadden niet alleen een overwicht door hun wapens, maar ook een informatievoorsprong. Doordat zij in tegenstelling tot de Aziaten wel wereldwijd handelden, waren zij ook op de hoogte van prijsverschillen, om die vervolgens te kunnen benutten. Zo waren kaurischelpen in de tijd van Ibn Battuta (1304-1368) 350 maal meer waard in West-Afrika dan in de Malediven waar ze vandaan kwamen. Hij kon daar nog geen gebruik van maken, maar de Europese handelaren na hem wel.

Waar de Europeanen zich in Azië voegden in een al lang bestaand handelssysteem, zetten zij dit rond de Atlantische Oceaan grotendeels zelf op. Dat begon aan de productiezijde, waar gebruik werd gemaakt van plantages. De Arabieren hadden al vanaf de twaalfde eeuw suikerplantages in gebruik rond de Middellandse Zee, onder meer in Marokko en Cyprus. De Siciliaanse plantages waren een voorbeeld voor de Portugezen en Spanjaarden op Madeira, de Canarische Eilanden, de Kaapverdische Eilanden en Sao Tomé. De zoektocht naar meer gronden voor suikerplantages was een van de drijfveren om naar steeds westelijker eilanden te zoeken. Rond 1530 kwamen de eerste suikerplantages in Brazilië, terwijl in de Caraïben aanvankelijk vooral tabaksplantages te vinden waren, maar later werd de suikerplantage vergelijkbaar in grootte met die in Brazilië. Aanvankelijk werd nog wel gebruikgemaakt van Europese arbeiders, maar al snel schakelde men over op slaven. Waar deze op de mediterrane eilanden nog voornamelijk van Slavische afkomst waren, haalde men deze nu op grote schaal uit Afrika. De sterfte was hoog, zowel onder de slaven als onder hun heren, zodat er grote immigratie uit Europa nodig was en de trans-Atlantische slavenhandel van grote omvang bleef. Suiker, tabak en later katoen werden zo de drijfveer achter de driehoekshandel waarin op kleinere schaal ook de plantages in Virginia en rond de Chesapeake Bay deel van uitmaakten.

Van al deze veranderingen profiteerden vooral de kooplieden die hun macht zagen toenemen ten koste van de oude adel. Een handelaar kon met een goede reis meer verdienen dan de adel in jaren aan pacht. De ridders, samoerai en timarioten hadden door de militaire revolutie al aan invloed ingeleverd, hoewel zij wel lange tijd hun aanzien behielden. Aan de andere kant van de samenleving bevonden zich de slaven, waarvan het aantal rond 1800 gegroeid was tot ergens tussen de 20 en 50 miljoen, zo'n 2-5% van de gehele mensheid.

Biologische uitwisselingen[bewerken]

Biologische uitwisselingen vonden al millennia lang plaats, vaak geleidelijk, zoals de Euraziatische uitwisseling. Na 1492 trad hierbij een versnelling op toen ook Amerika op werd genomen in het wereldwijde netwerk. Voor de inheemse bevolking daar was vooral het contact met tot dan voor hen onbekende ziektekiemen desastreus. Andersom exporteerde Amerika geen grote dodelijke ziektes. Amerikaanse gewassen bleken wel een welkome aanvulling op het voedingspatroon van de Oude Wereld. De Columbiaanse uitwisseling bracht daar mais, cassave en de aardappel. De eerste twee werden belangrijke gewassen in Afrika en in mindere mate in Azië, de laatste in Noord-Europa. Andere gewassen uit Amerika waren onder meer de zoete aardappel, verschillende soorten bonen, pinda's, cacao, ananas, kalebassen en tomaten. In Amerika bleken granen als tarwe, haver, rogge en gerst, maar ook citrusvruchten het goed te doen. Naast deze voedingsgewassen zouden vooral handelsgewassen als suikerriet, koffie- en katoenplanten en de inheemse tabaksplant een groot stempel drukken op de samenleving in Amerika.

Van groter belang voor Amerika waren echter de dieren die ingevoerd werden. Het paard was eerder uitgestorven, maar de invoer van een nieuwe soort paarden maakte een nomadische levenswijze van onder meer de prairie-indianen mogelijk. In de Andes en Mexico brachten schapen een nieuwe basis voor de samenleving. Kinderarbeid werd met schapen en geiten productiever. Afgezien van de eucalyptus was er in Oceanië inclusief Australië vooral sprake van eenrichtingsverkeer. De veranderingen van wat soms de Cook uitwisseling wordt genoemd, waren groter dan waar dan ook.

Waar de uitwisseling van ziektekiemen desastreus was voor Amerika en Oceanië, gold daarbuiten dat epidemieën waarbij miljoenen volwassenen het leven lieten langzamerhand afnamen. Ziektes werden endemisch en troffen vooral jonge kinderen. De kindersterfte werd vaak gecompenseerd door meer kinderen te nemen. Deze demografische transitie resulteerde in een sterke toename van de bevolking tot een nieuw evenwicht werd gevonden. In combinatie met de nieuwe voedingsgewassen kon daardoor tussen 1450 en 1800 de wereldbevolking meer dan verdubbelen naar 900 miljoen mensen, waarvan China met 350 miljoen inwoners meer dan een derde uitmaakte. De sterke bevolkingsgroei betekende niet alleen een druk op het ecologische systeem, maar ook op het politieke. Malthus voorzag dat de bevolkingsgroei exponentieel zou verlopen en de landbouwproductie lineair, met een catastrofe tot gevolg. Uiteindelijk kwam het niet zover door verbeterde landbouwtechnieken en wist de landbouwproductie zelfs de nog veel sterkere bevolkingsgroei van de tweede helft van de twintigste eeuw bij te benen.

Hervormingen[bewerken]

Nieuwe ontwikkelingen
Communicatie Eerste communicatierevolutie
Transport Stoomschip, spoorwegen
Technologieën Industriële revolutie

eerste fase (1780-1830)

tweede fase (1820-70)

derde fase (1850-1920)

Organisatievorm Nationale staat, bureaucratische bedrijfsorganisatie
Energie Steenkool, aardolie
Materiaal Gietijzer, staal
Levensverwachting bij geboorte Begin twintigste eeuw: 30-45

Tot de achttiende eeuw waren de mogelijkheden op vele vlakken beperkt geweest tot wat men met spierkracht voor elkaar kon krijgen. Dit had beperkingen opgelegd aan de mobiliteit en economische en bevolkingsgroei. Rond 1800 leefde de overgrote meerderheid in armoede op het platteland met slechts het geloof als steun. Hoewel vrijwel de gehele wereld nu was opgenomen in het netwerk, kwamen deze boeren over het algemeen niet ver buiten hun geboortedorp. En mocht dat gebeuren, dan duurde de reis nog vrijwel net zo lang als in de duizenden jaren daarvoor. Aan het einde van de achttiende eeuw werd dit doorbroken in een overgang die in belang slechts vergelijkbaar is met de overgang naar landbouw. De industriële revolutie maakte het mogelijk om fossiele brandstoffen te gebruiken waarmee een aantal van deze beperkingen overwonnen konden worden. Dit bracht ook grote politieke en sociale veranderingen teweeg, zoals de opkomst van nationalisme en de afschaffing van de slavernij en horigheid. Zoals er na de overgang naar landbouw vrijwel geen weg terug meer was, gold dit ook voor de energie-intensieve samenleving.

Gedurende de achttiende en negentiende eeuw werd hout vervangen door ijzer en later staal en zeil en paardenkracht door stoom, terwijl telecommunicatie een ommekeer betekende voor de beschikbaarheid en snelheid van informatie.

Nieuwe politiek[bewerken]

Al millennia lang was de monarchie de meest voorkomende regeringsvorm, zelfs zodanig dat het door velen als vanzelfsprekend werd gezien. Het groeiende contingent kooplieden begon zich steeds meer te verzetten tegen de weinige macht die zij kregen in ruil voor de belastingen die zij afdroegen. Dit speelde zich vooral af in de kustgebieden van China, West-Afrika en Europa. De Ottomanen, de Mogols en de Qing konden deze bewegingen onderdrukken, maar in gebieden met veel rivaliserende staten met een hoge geletterdheid had men hier meer moeite mee. Zo kon het gebeuren dat in een aantal landen de monarchie sterk aan macht moest inleveren. De Zeven Provinciën werden tijdens de Tachtigjarige Oorlog zelfs een republiek, maar ook in Engeland moest de koning na de Engelse Burgeroorlog zijn macht delen met het parlement.

In een zoektocht naar rechtvaardiging was het begrip soevereiniteit aan de nodige verandering onderhevig. Het idee van een sociaal contract tussen volk en heerser ontwikkelde zich tot de volkssoevereiniteit van Rousseau. Deze ideeën zouden belangrijk blijken in wat Godechot de Atlantische revoluties noemde. In de vrijheidsstrijd van de Zeven Provinciën ging het naast de religieuze motieven nog vooral ging om een terugkeer naar de adellijke privileges en particularistische tendensen. Ook bij de latere ware vrijheid betrof het vooral de vrijheid van de regenten. Tijdens de Franse Revolutie kwam de nadruk te liggen op het volk. Daarbij dacht men dan wel aan de gegoede burgerij, arbeiders, vrouwen en slaven vielen daar over het algemeen buiten.

Overigens had elke revolutie zijn eigen oorzaken en was het opkomen voor het volk niet noodzakelijk de belangrijkste. Zoals wel vaker gold dat na de kostbare Zevenjarige Oorlog (1756-1763) in zowel Groot-Brittannië als Frankrijk belastingverhogingen volgden. De weigering van de Amerikaanse kolonisten om hieraan nog verder bij te dragen leidde tot de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775–1783). Hoewel deze onder meer kon slagen door Franse steun, bleek de revolutionaire vlam besmettelijk en kwam met de Franse Revolutie van 1789 een voorlopig einde aan de Franse monarchie. Daarna kwam het ook tot de Haïtiaanse Revolutie (1791—1804) en kwam er een einde aan de Spaanse aanwezigheid in Latijns-Amerika.

Het idee dat de soevereiniteit bij het volk lag, had ook gevolgen voor de ideeën over dat volk. Nationalisme bleek te voldoen aan een oude behoefte om de wereld onder te verdelen in 'ons' en 'zij'. Daarmee was de aanspraak op een vermeende etniciteit in veel landen een effectief middel om de interne saamhorigheid te verstevigen op een schaal die ver uitsteeg boven familiebanden. De staatsmacht kon daarmee sterker dan ooit worden en werd dan ook in veel landen aangemoedigd. In landen met zeer diverse bevolkingsgroepen kon dit echter averechts werken. Dit was onder meer het geval bij het Habsburgse, het Ottomaanse en het Russische Rijk. Ook kon een vermeende superioriteit de verhoudingen tussen staten op scherp zetten. Zeker in de twintigste eeuw zou nationalisme dan ook zijn sporen nalaten.

Nadat Napoleon in 1815 definitief verslagen was, had het reactionisme de overhand gekregen. In het revolutiejaar 1848 zette men zich hier weer tegen af met onlusten in heel Europa. Desondanks bleven veel van de daaropvolgende hervormingen beperkt tot de mannelijke elite en dan ook nog slechts in enkele landen. De armere bevolking moest enkele decennia wachten en vrouwen vaak nog iets langer. In de Verenigde Staten werd rassenscheiding zelfs gelegaliseerd, met name in de zuidelijke staten. Buiten deze landen bestond de wereld vooral uit koloniën van Europese staten en de bevolking daar was nog langer uitgesloten van de hervormingen, zoals ook in Latijns-Amerika waar vooral de legers aan de macht waren. Het zou tot ongeveer 1950 duren voordat representatieve democratie algemeen aanvaard was.

Industriële revolutie[bewerken]

Zolang de mens slechts over een beperkte hoeveelheid energie kon beschikken, woonde de overgrote meerderheid van de bevolking in armoede. Hout, houtskool, waterkracht en windenergie waren niet altijd en overal beschikbaar, terwijl de hoeveelheid energie beperkt was. Pas met een echt efficiënte energiedrager zou men zich hieraan kunnen ontworstelen. In wat De Vries en Van der Woude de eerste moderne economie hebben genoemd, de Zeven Provinciën, had men deze gevonden in turf, waarvan De Zeeuw zelfs stelde dat deze aan de basis lag van de Gouden Eeuw. Deze visie is door anderen genuanceerd, maar het belang van een goede energiedrager bleek ook in Engeland, waar men over steenkool kon beschikken. Uit steenkool kon steenkoolcokes worden gedestilleerd waarmee de ijzerproductie sterk kon worden vergroot. Steenkool werd ook gebruikt voor de stoommachine die aanvankelijk vooral diende om waterpompen in mijnen aan te drijven. Steenkool werd daardoor steeds goedkoper en stoommachines kregen steeds meer toepassingen, onder meer in de textielindustrie en pottenbakkerijen en later ook in locomotieven en schepen.

Dat de industriële revolutie uiteindelijk in het Verenigd Koninkrijk plaatsvond en niet in bijvoorbeeld China dat eerder een grote ijzerindustrie had gekend, had meerdere oorzaken. Deze bestonden uit de aanwezigheid van steenkool en ijzererts, het sociale, politieke en economische klimaat na de hervormingen van de Glorious Revolution waardoor de ideeën rond het eigendomsrecht veranderden, de uitbreidingen van de infrastructuur en het koloniale rijk met zijn grondstoffen en afzetmarkt.

De industriële revolutie kan worden onderverdeeld in een aantal fasen. Daar waar de industrialisatie pas later begon, werden de eerste fasen overgeslagen. De stoommachine heeft bijvoorbeeld in de meeste Aziatische landen nooit een grote rol gespeeld. De eerste fase (1780-1830) begon in het Verenigd Koninkrijk en speelde zich af in de textiel- en ijzerindustrie. Belangrijke uitvindingen waren de schietspoel, de Spinning Jenny en het mechanisch weefgetouw en de cokesoven. Transport verbeterde door kanalen en turnpikes, tolwegen. De verplaatsing van huisnijverheid naar fabrieken betekende niet alleen dat investeringen en arbeid geconcentreerd konden worden, maar ook dat deze beter georganiseerd konden worden.
De tweede fase (1820-70) voltrok zich rond ijzer, steenkool en stoommachines en zag de opkomst van de naamloze vennootschap waarin vele vennoten hun investering konden samenvoegen. De staat begon een liberale koers te varen waarin deze investeringen konden gedijen.

De elektrificatie had grote veranderingen tot gevolg voor transport, massaproductie, huishoudens en communicatie.

In de derde fase (1850-1920) lag voor het eerst het zwaartepunt niet in het Verenigd Koninkrijk, maar in Duitsland en de Verenigde Staten. Steenkool was nog steeds belangrijk, maar ijzer werd vervangen door staal. Deze periode zag verder de ontwikkeling van de telegraaf, chemicaliën, elektriciteit en de spoorwegen. In Amerika gaf dat laatste ook de aanzet om te komen tot grote bureaucratische bedrijfsorganisaties. In deze periode vormden zich enorme multinationals die gebruik konden maken van schaalvoordelen. Wetenschap begon een steeds grotere rol te spelen, zeker voor de landen die een achterstand hadden in te lopen. Universiteiten speelden hier een rol, maar grote bedrijven begonnen hun eigen onderzoekscentra.

Dit alles had grote gevolgen, mede doordat vrijwel de gehele wereld ondertussen was opgenomen in het netwerk. Eeuwenoude ambachtelijke centra aan de andere kant van de wereld moesten plotseling concurreren met Britse producten. Dit bracht grote veranderingen in de wereldwijde economie, waarbij veel gebieden overschakelden op grondintensieve productie, daarbij soms gedwongen door de militaire macht van de Britten. Deze dominantie gaf hun ook de kans om vrijhandel af te dwingen na lange tijd vanuit het mercantilisme protectionistische maatregelen te hebben nagestreefd.

Communicatie[bewerken]

De industriële revolutie leidde volgens Beniger tot een controlecrisis. Het opheffen van technische beperkingen op het gebied van afstand en tijd bracht organisationele beperkingen aan het licht. Deze werden opgelost met bureaucratische organisatie, nieuwe infrastructuur en massacommunicatie en massaonderzoek, wat Beniger de controlerevolutie noemt. Gezien het grote aantal communicatiemiddelen dat gedurende het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw werd ontwikkeld, spreekt Van Dijk over de eerste communicatierevolutie.

Korte berichten met vaste betekenis konden voor die tijd met optische middelen relatief snel overgebracht worden. Maar lange tijd was de snelheid van langere berichten beperkt tot de gang die gemaakt kon worden door de paarden die deze overbrachten. Tijdens de Franse Revolutie werd grote vooruitgang geboekt met een systeem van semafoorstations waarmee berichten in enkele uren het land konden doorkruisen. Het gebruik was echter voorbehouden aan de staat en was beperkt door onder meer het weer. De echte doorbraak kwam met de introductie van de telegrafie. Voor hen die erover konden beschikken, betekende het enorme voorsprong. In Amerika groeide het telegraafnetwerk met het spoor en in het van het Verenigd Koninkrijk met het Britse Rijk. Vanaf 1866 verbond een trans-Atlantische kabel het Verenigd Koninkrijk met de Verenigde Staten. In 1897 lag 162.000 zeemijl aan kabels met Londen als middelpunt. Daarmee had het Verenigd Koninkrijk een wereldomspannend netwerk en tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw een grote voorsprong op de rivalen die vaak zelfs gebruikmaakten van het Britse netwerk. Zo kon in 1917 het Zimmermanntelegram onderschept worden wat voor de Verenigde Staten aanleiding was deel te nemen aan de Eerste Wereldoorlog. Met het dalen van de prijzen voor een telegram kwam dit ook binnen het bereik van kleinere bedrijven. Voor hen die er geen beschikking over hadden werd het zakendoen een stuk moeilijker.

Op het vlak van transport betekenden het stoomschip en de trein een ware revolutie, maar ook verbeteringen en uitbreidingen van kanalen en wegen ondersteunden de industriële revolutie in belangrijke mate. In 1650 nam de reis van Holland naar Java nog een jaar in beslag. In 1850 duurde het met snelle klippers nog drie maanden, maar in 1920 was dit afgenomen naar drie weken met een stoomschip. Daarnaast daalden de vrachtprijzen dusdanig dat het rendabel werd om niet alleen luxegoederen, maar ook massagoederen over lange afstand te verhandelen. Zo daalden de vrachtprijzen van 1869 tot 1914 door dalende kosten met het toenemende rendement van de stoomvoortstuwing en het uitfaseren van de steeds minder concurrerende zeilschepen. Tussen 1850 en 1910 verviervoudigde de handel over zee dan ook. Op land had de trein een vergelijkbaar effect. Vooral in Amerika werd een groot spoornetwerk aangelegd, maar ook veel Europese landen beschikten al snel over een groot netwerk. In Azië en Afrika ondersteunde het spoor vooral de koloniale doeleinden en konden vrachtprijzen tot 90-97% dalen.

Imperialisme[bewerken]

Na de Slag bij Trafalgar was de Britse macht op zee vrijwel onbetwist, ook wel de Pax Britannica genoemd. Het werd andere landen duidelijk dat men zich slechts kon weren tegen deze macht met een modern militair apparaat. Dit kon slechts door te industrialiseren en vond het eerst plaats in enkele Europese landen en de Verenigde Staten, vooral in die gebieden waar steenkool gevonden werd. Naast particulier initiatief was er in deze landen sterke overheidssteun. Het in 1871 verenigde Duitsland kon in de jaren tachtig van de negentiende eeuw zelfs het Verenigd Koninkrijk voorbijstreven in productie.

Voor de Verenigde Staten gold de Oorlog van 1812 (1812-15) als stimulans waarna in 1823 de Monroedoctrine werd afgekondigd waarin elke vorm van Europese bemoeienis op het westelijk halfrond taboe werd verklaard. West Point werd hervormd en in 1845 werd een opleidingsinstituut voor de marine opgericht. Het Amerikaans productiesysteem met massaproductie van grote hoeveelheden standaardproducten bleek zo succesvol dat het rond 1890 Duitsland voorbij kon streven. Veel andere landen moesten hervormen om te kunnen industrialiseren, vaak bestaand uit veranderingen van het financiële systeem, onderwijs, rechtsstelsel en leger. Voor Duitsland en Rusland betekende het ook afschaffing van horigheid waardoor een flexibeler arbeidsmarkt ontstond.

In het Ottomaanse Rijk was al onder Selim III (1789-1807) begonnen met hervormingen, maar onder religieuze druk en vooral weerstand van de janitsaren moest hier in 1806 van worden afgezien. Vanaf 1826 werden de hervormingen echter opnieuw ingezet, waarbij opstandige janitsaren om het leven werden gebracht. Hoewel de Tanzimaat bestond uit maatregelen die elders wel succes zouden hebben, was de religieuze en militaire weerstand te groot en kwam ook aan deze hervormingen een einde.

China had de Eerste Opiumoorlog (1839-42) verloren waarmee het werd gedwongen de invoer van Brits opium toe te staan. Het reageerde daar echter niet op met een poging tot industrialisatie en werd daarna verlamd door de Taiping-opstand (1851-64) waarbij 20-30 miljoen mensen om het leven kwamen. Hierop werd de Zelfversterkingsbeweging (ziqiang yundong) ingezet. Hervormingen wilde men echter beperken om niet te veel af te wijken van de agrarische Confuciaanse samenleving. De weerstand groeide zelfs tot aan de keizerlijke familie aan toe. Hervormingen waren dan ook nog minder succesvol dan bij de Ottomanen en men kon niet voorkomen dat Vietnam onder Franse invloed kwam en Birma onder Brits bestuur. Na de Eerste Chinees-Japanse Oorlog werd Korea onafhankelijk en kwamen Taiwan en het steenkoolrijke Mantsjoerije onder invloed van Japan. Met de Xinhai-revolutie kwam in 1912 een einde aan het Chinees Keizerrijk.

Meer succes hadden de hervormingen in Rusland en Japan. In Rusland gaf de Krimoorlog (1853-56) hiertoe de aanzet, in Japan de komst van een Amerikaanse vloot in 1854 die de opening van Japan afdwong na een eeuwenlange isolatie. Na de Meiji-restauratie van 1868 volgde een radicale modernisering. Waar Rusland kon beschikken over grote voorraden steenkool en ijzererts, gold dit voor Japan niet. Des te opmerkelijker was het dan ook dat Japan de hervormingen succesvol af kon sluiten, mede dankzij een bovengemiddeld geletterde en gedisciplineerde bevolking. Beslissend was echter de vasthoudendheid van de regering die de zware industrie sterk stimuleerde en opstanden van arbeiders en samoerai succesvol neersloeg.

Andere Afrikaanse en Aziatische landen hadden minder mogelijkheden. In de eerste fase van het Europese imperialisme waren de nodige koloniale rijken gesticht, maar afgezien van Amerika, Siberië en Australazië bleef de invloed over het algemeen beperkt tot de kustlijn en de dracht van het scheepsgeschut. Dit veranderde in de achttiende eeuw. Met kanonneerboten kon men diep doordringen op rivieren als de Ganges en de Jangtsekiang. Vooral na 1840 sloeg de politiek-militaire balans over naar de Europese kant. Richting het einde van de eeuw werd dit alleen maar versterkt met uitvindingen als het repeteergeweer, exploderende granaten en machinegeweren die ook nog eens in massa geproduceerd werden. Door verbeterde ziektebestrijding en het gebruikmaken van lokale troepen verminderde het dodelijke effect van tropische ziektes. Tussen 1750 en 1858 viel India zo in handen van de Britse Oost-Indische Compagnie om daarna direct onder de Britse koningin te vallen.

Zo werd tegen het einde van negentiende eeuw in een golf van modern imperialisme een groot deel van de resterende wereld verdeeld onder de Europese landen en kwam het tot een wedloop om Afrika. Het grootste deel viel hierbij aan het Verenigd Koninkrijk en in mindere mate aan Frankrijk en de nieuwe grootmacht Duitsland. De kosten waren echter dusdanig laag dat zelfs landen als Italië, België, Portugal en Spanje hun deel van de landen kon veroveren. Het gemak waarmee dit plaats kon vinden, kon Europeanen doen denken dat ze behoorden tot een superieur ras, uitverkoren door God om de wereld te overheersen.

Sociale veranderingen[bewerken]

Het dagelijks leven veranderde ingrijpend waar de industriële revolutie kwam met zijn fabriekssysteem. Met de komst van fabrieken verdween de nijverheid uit de dorpen. Veel dorpelingen trokken achter de arbeid aan richting de fabrieken waardoor verstedelijking sterk toenam. Door het aanvankelijk hoge geboortecijfer bleef de bevolking daar op peil, maar zodra de demografische transitie ten einde kwam, nam de leegloop van het platteland een aanvang.

Waar men eerder het ritme van de dagen en seizoenen volgde, was men nu gebonden aan de tijd om handelingen of diensten op elkaar af te stemmen. Het werk in fabrieken vereiste weinig kennis en vaardigheden, zodat arbeiders inwisselbaar werden. Naast mannen werden ook vrouwen en kinderen ingezet. Het werk kon daarnaast vuil en ongezond zijn, terwijl de levensverwachting daalde. Opstanden werden hard neergeslagen, waarop men regelmatig vluchtte in drank of geloof. Sociale veranderingen waren dan ook terug te zien in religieuze aanpassingen en vernieuwingen. De problematiek van de sociale veranderingen werd uitgewerkt door Marx in Das Kapital waarin hij het einde van het kapitalisme voorzag waarna er een maatschappij van gelijkheid zou zijn, het communisme.

Na enige generaties kwam er verbetering in de sociale kwestie, enerzijds door de vorming van vakbonden die kortere werktijden, hogere salarissen en betere werkomstandigheden afdwongen, anderzijds door de overheid die onder meer een einde maakte aan kinderarbeid. Kinderen waren daarmee geen inkomstenbron meer, waarmee de behoefte aan nageslacht afnam. Met de invoering van de leerplicht betekende dit ook een grote verandering voor vrouwen die meer mogelijkheden kregen. De omstandigheden zouden uiteindelijk dusdanig verbeteren dat men gezonder leefde dan voor de industrialisatie.

In Rusland verliepen de veranderingen op andere wijze. De overgang van horige tot arbeider bleek hier voor velen te groot en pogingen om de situatie op dit vlak te verbeteren, werden beantwoord met harde onderdrukking. Bij gebrek aan verbeteringen kwam het onder druk van nederlagen tegen Duitsland in de Eerste Wereldoorlog in 1917 tot de Russische Revolutie. Hoewel de omstandigheden in de Japanse fabrieken niet beter waren, bestond een meerderheid van de arbeiders hier uit jonge vrouwen, gewend aan dienstbaarheid, die na een bepaalde termijn terug wilden keren naar hun dorp om te trouwen. Ze leefden gescheiden van de mannelijke arbeiders en solidariteit kreeg weinig kans zich te ontwikkelen.

Slavernij[bewerken]

Met de toegenomen vraag naar grondstoffen door de industriële revolutie, steeg ook de vraag naar slaven. In de Verenigde Staten vervijfvoudigde de slavenbevolking tussen 1800 en 1860, maar in veel delen van de wereld was een vergelijkbaar beeld te zien. Op het hoogtepunt van minstens vijf millennia van slavernij ontstond echter een beweging om slavernij af te schaffen, het abolitionisme. De Quakers waren de eersten die zich tegen de slavernij keerden omdat het onchristelijk zou zijn. Onder invloed van de verlichting en het idee van de rechten van de mens breidde de beweging zich uit. In 1807 schafte het Britse parlement de slavenhandel af om in 1833 ook slavernij zelf te verbieden. Een aantal landen volgde, vaak onder Britse druk, maar daar waar het economische belang van slavernij nog groot was, bestond er grote weerstand. In de Verenigde Staten zelfs zo groot dat het tot de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-65) leidde. Door de mechanisering nam de schaarste van arbeid echter af, terwijl slavenopstanden een dusdanige kostenpost konden vormen dat slavernij duurder werd dan betaalde arbeid. In Rusland betekenden de lage kosten van arbeid dat innovatie tegen werd gehouden en de bevolkingsgroei maakte ook hier arbeid minder schaars. Angst voor sociale onrust hield de bevrijding van de horigen nog decennia tegen, maar in 1861 werd de horigheid afgeschaft voor 23 miljoen horigen in privé-eigendom, terwijl vijf jaar later hetzelfde plaatsvond voor 27 miljoen in staatshanden. Dit was de grootste groep die hun vrijheid verkreeg, gevolgd door miljoenen in Afrika. Daar was slavernij juist gegroeid nadat de trans-Atlantische slavenhandel tot een einde was gekomen. Ironisch genoeg maakte de daaropvolgende prijsdaling slavernij betaalbaar in Afrika.

Mondialisering[bewerken]

Mondialisering was al eerder ingezet, maar versnelde in de negentiende eeuw. Deels kwam dit voort uit het Europese imperialisme, maar het waren vooral economische drijfveren.

Migratie was in het verleden vaak op gang gekomen na hongersnood, geweld of slavenhandel. Hoewel dit grote invloed kon hebben, waren de aantallen voor de negentiende eeuw afgezien van de trans-Atlantische slavenhandel beperkt. Met de nieuwe communicatie- en transportmogelijkheden zwol dit echter tussen 1830 en 1914 aan tot meer dan 100 miljoen mensen. Naast vluchtelingen was hier voor een groot deel sprake van contractarbeiders. Vooral uit India en China kwamen arbeidskrachten over die de slaven moesten vervangen. Van de 30 tot 40 miljoen arbeiders uit India bleef 3 tot 6 miljoen in het nieuwe thuisland. Van de 10 tot 15 miljoen Chinezen keerde een veel groter percentage niet terug. Dit werd mede veroorzaakt door de verslechterende omstandigheden in het thuisland. Dit zat ook achter de grote golf van migraties vanuit Europa. Hiervandaan vertrokken in deze periode tussen de 50 en 60 miljoen mensen, waarvan slechts een derde terugkeerde. Daarnaast was er een grote trek van het platteland naar de steden. Hier had arbeid een grotere toegevoegde waarde zodat dit een sterke economische groei tot gevolg had.

Wereldhandel groeide in deze periode drie- tot viermaal, terwijl wereldwijde investeringen vijf tot zes keer groeiden. Dit laatste werd geholpen door de telegraaf en de gouden standaard. De sterke toename van de verplaatsingen van mensen, goederen en kapitaal had een aantal merkbare effecten. Allereerst trad er convergentie op bij handelsprijzen en rentestanden. Het betekende ook dat recessies nu over de gehele wereld merkbaar waren. Waar economische crisissen eerder vaak veroorzaakt werden door misoogsten, werd nu de wereldwijde conjunctuurbeweging belangrijker dan wat zich lokaal afspeelde.

Het had ook een economische groei tot gevolg die groter was dan ooit. Tussen 1870 en 1913 groeide de economie met 2-2,5% per jaar, drie keer meer dan in de vijftig jaar daarvoor en zes tot acht keer meer dan in de periode 1500-1800. Inkomens stegen sterker dan ooit, maar dit was wel beperkt tot de geïndustrialiseerde landen. De economieën van de industrialiserende en de niet-industrialiserende landen groeiden daarna sterk uiteen, ook wel aangeduid als de Great Divergence.

Het succes van de westerse landen inspireerde vele missionarissen om het christelijk geloof te verspreiden. Veel kleine religies verdwenen daarbij, een proces dat zich al veel langer afspeelde. In een vergelijkbaar proces verdwenen kleinere talen om vervangen te worden door de grotere talen waarmee aansluiting kon worden gevonden in de veranderende samenleving. Daarnaast ontstonden creoolse talen uit pidgintalen.

Ecologische veranderingen[bewerken]

Industrialisatie en mondialisering verhoogden de ecologische druk. Smog werd een serieus probleem en miljoenen mensen werden ziek en stierven door luchtvervuiling in de industriegebieden. Om te voldoen aan de verhoogde vraag verdween zo'n 10% van de bossen, vooral in Noord-Amerika. Daarvoor in de plaats kwamen akkers en weilanden. Grote gebieden werden voorzien van irrigatie om aan de vraag naar landbouwproducten te kunnen voldoen. De invloed van de mens op zijn omgeving werd hierdoor dusdanig groot dat - hoewel niet officieel - soms wel van een apart geologisch tijdvak wordt gesproken, het Antropoceen.

Voor ziektes als cholera gold in vroegere tijden dat de incubatieperiode zo kort was dat de slachtoffers ziek werden voor zij in staat waren om ver te reizen. Met de grote migratiebewegingen en het snellere transport konden deze ziektes opnieuw epidemieën veroorzaken. Tuberculose werd zo rond 1820 een wereldwijd probleem. Rond 1840 ontstond in het Verenigd Koninkrijk het besef dat ziektes als cholera en buiktyfus overdraagbaar waren via besmet water en dat het daarom voordelig kon zijn om drink- en afvalwater te scheiden. De daaropvolgende sanitaire revolutie betekende dat steden voor het eerst geen zwarte gaten met een sterfteoverschot waren.

Onder druk[bewerken]

Nieuwe ontwikkelingen
Levensverwachting bij geboorte 2010: 67,2

De industrialisatie, het imperialisme en de mondialisering hadden enorme veranderingen tot gevolg. Eeuwenoude structuren waren omgegooid met een instabiliteit tot gevolg die tot op heden merkbaar is. Het opkomende nationalisme zorgde voor een extra problematiek bij de voortschrijdende mondialisering. Deze kwam in 1914 tot een einde met de Eerste Wereldoorlog en het zou tot de Tweede Wereldoorlog duren voordat het weer op gang zou komen. Door de dominantie van de Verenigde Staten werd het daarna ook wel als amerikanisering gezien.

De technieken van de negentiende eeuw hadden wel een groot effect gesorteerd, maar in het dagelijks leven waren stoomschepen, treinen en de telegraaf slechts voor een relatief klein deel van de bevolking aanwezig. In de twintigste eeuw veranderde dit dramatisch. De telefoon, radio, televisie, film, auto, vliegtuig en internet werden alle na een langzame start uiteindelijk door grote groepen dagelijks gebruikt. Het gaf hun toegang tot informatie die tot dan toe moeilijk te bereiken was geweest. In de landen waar men erover kon beschikken, zorgde het tot circa 1975 voor een nivellering tussen arm en rijk. Daarbuiten gebeurde echter vaak het tegenovergestelde en doordat de nieuwe massamedia sociale ongelijkheid zichtbaarder dan ooit maakten, was dit aanleiding tot een heel scala aan bewegingen. Het idee dat de toekomst maakbaar was greep om zich heen, waarbij de uitvoering varieerde van hard werken, scholing en migratie tot misdaad en revolutie.

De meerderheid van de bevolking kwam in de negentiende eeuw ook in de westerse wereld nooit in contact met andere culturen. Via de media kon men daarna in toenemende mate kennisnemen van andere landen en gewoontes. Het opkomende toerisme maakte het mogelijk er ook daadwerkelijk mee in contact te komen. Voor het individu nam de diversificatie weliswaar toe, wereldwijd nam deze sterk af om vervangen te worden door de dominante cultuurvormen. Zo is de helft van de huidige talen tegenwoordig bedreigd en verdwijnt er elke twee weken een taal. In de muziek veroverde vooral Amerikaanse en Britse popmuziek met West-Afrikaanse invloeden de wereld. Maar op kleinere schaal speelden zich vergelijkbare processen af. Zo verdwenen veel lokale muziekvarianten in Brazilië onder invloed van de radio om vervangen te worden door landelijk bekende muziek als samba. Ook op het gebied van architectuur, mode, sport en koken waren de effecten duidelijk merkbaar.

Wetgeving werd in veel landen gebaseerd op die van Europese landen, die op hun beurt vaak grote invloed hadden ondervonden van het Romeins recht. In een aantal landen werd deze wetgeving gecombineerd met andere wetgeving als de sharia. Politieke variatie nam ook af en onder meer chiefdoms, pastorale samenlevingen en stadstaten kwamen steeds minder voor.

Religie[bewerken]

De grote religies zetten hun opmars voort in deze periode ten koste van kleine lokale geloven. Deels had dit te maken met de voortgaande verstedelijking. In West-Europa had dit een sterke ontkerkelijking tot gevolg. Een andere reactie volgde op het ontheemde gevoel dat ervaren werd in de stad, waarna men op zoek ging naar zingeving en een moreel kompas in het geloof. In Zuid-Amerika waren daarbij opmerkelijk veel protestantse zendelingen die vooral gehoor vonden in verstedelijkte gebieden. Net als in Afrika verloren lokale geloven daarbij veel aanhang. In Afrika was dit deels aan het christelijke geloof van de kolonisten. Dat moest zich daarbij vaak wel aanpassen aan de rituelen van de oude geloven, waarbij duizenden onafhankelijke kerken werden gesticht. Voor een aantal van hen werd het snel ontkerkelijkende Europa een missiegebied. De islam trok daarentegen veel aanhangers, juist omdat het niet het koloniale geloof was.

Het imperialisme had dus wisselende uitwerkingen op het gebied van geloof. Het aannemen van het koloniale geloof was een optie, maar vooral moslims en hindoes kozen vaak een andere optie. Aanpassing van het eigen geloof door elementen over te nemen uit geloof en wetenschap die leken bij te dragen tot het koloniale succes. Hindoeïsme bood hiertoe meer mogelijkheden dan de islam, waar er wel voor gekozen werd om dit alles juist af te wijzen en terug te grijpen naar de oude waarden. Een derde mogelijkheid was het volledig afwijzen van religie om deze te vervangen door seculiere ideologieën als nationalisme of socialisme.

Wetenschap[bewerken]

Boven door maisboorder-rupsen aangetaste pindaplant, beneden een genetisch gemodificeerde Bt-plant. Genetische modificatie belooft vele voordelen op onder meer het gebied van gezondheid en voeding, maar ook de nodige gevaren. Veel is bij deze nieuwe techniek nog onduidelijk, wat de nodige controverses teweegbrengt.

Gedurende de zeventiende eeuw vormde de moderne wetenschap zich rond het idee dat observatie en experiment de sleutel vormden tot kennis. Er volgde een differentiatie met de opkomst van een hele verzameling natuurwetenschappen. Gedurende de negentiende en twintigste eeuw was een professionalisering en institutionalisering te zien met steeds verdergaande specialisatie. De mondialisering speelde hier een belangrijke rol. Ideeën verspreidden zich dermate snel over de wereld dat ook hier een convergentie optrad met toenemende consensus over de wetenschappelijke stand van zaken. Een belangrijk vakgebied was de geologie. Aan het einde van de achttiende eeuw begon het idee zich te vormen dat de ouderdom van de Aarde een stuk ouder geschat moest worden. In de biologie kwam Darwin ook tot die conclusie op basis van zijn evolutietheorie. Dat soorten veranderden op basis van natuurlijke selectie was een directe bedreiging voor religieuze opvattingen over het ontstaan van het leven, vooral voor hen die de heilige teksten letterlijk namen. Gedurende de tijd werd de theorie echter steeds meer geaccepteerd en bleek het het meest revolutionaire idee van de moderne wetenschap. Ontwikkelingen in de genetica bevestigden de mechanismes van de evolutietheorie door onder meer genetische variatie.

De klassieke natuurkunde bleek zijn beperkingen te hebben in extreme omstandigheden. Dit leidde tot de ontwikkeling van de moderne natuurkunde met doorbraken als de relativiteitstheorieën van Einstein en de kwantummechanica van Bohr. In de astronomie ontdekte Hubble dat het heelal uitdijt. Tegenwoordig is het idee dat dit is voorafgegaan door de oerknal. Aan de andere kant van de natuurkunde ontdekte men de wereld van atomen en elementaire deeltjes die kernwapens en -centrales mogelijk maakten.

Waar wetenschap en technologie eerder vrijwel niets met elkaar te maken hadden, raakten deze meer en meer met elkaar verweven. Aanvankelijk waren het vooral de wapen- en chemische industrie die meer en meer gebruikmaakten van wetenschappers, maar gaandeweg gold dat voor steeds meer industrieën. De hoge kosten die hiermee gepaard gingen, beperkten deze ontwikkelingen tot enkele landen waarbij Duitsland domineerde tot de Tweede Wereldoorlog en de Verenigde Staten daarna. Het betekende ook dat het vooral toegepaste wetenschappen waren die beoefend werden door het groeiende leger wetenschappers. Waar het eerder vooral een individueel vak was, werd samenwerking meer en meer de norm. Rond 1900 werkten in zowel Duitsland en het Verenigd Koninkrijk ongeveer 8000 wetenschappers, maar tegen 1940 waren dit er al 70.000 in de Verenigde Staten alleen. De Tweede Wereldoorlog deed dit sterk groeien waarbij de ontwikkeling van de atoombom alleen al 40.000 wetenschappers vergde. Rond 1980 werkten er in de Verenigde Staten meer dan een miljoen wetenschappers en in West-Europa nog meer.

Hoewel het succes van de wetenschap bewondering oogstte, veroorzaakte het ook wantrouwen. Op een aantal vlakken kon het antwoorden geven die aannemelijker waren dan die van religies, maar op moreel vlak kon het weinig richting geven. De complexiteit nam ook dusdanig toe dat leken niet meer in staat konden worden geacht om zaken als kwantummechanica of genetica te begrijpen. Waar Rutherford nog stelde dat een vermeende wetenschappelijke ontdekking heeft geen verdienste, tenzij deze kan worden uitgelegd aan een barmeid, verliet Einstein dit principe.[5]

Bevolkingsgroei[bewerken]

Mexico-Stad in 2009. De enorme bevolkingsgroei van de twintigste eeuw speelde zich vooral af in de steden, wat grote ecologische en sociale spanningen kon veroorzaken.

Tussen 1900 en 2000 groeide de wereldbevolking van 1,6 miljard naar 6 miljard mensen. Het hoogtepunt van deze groei lag rond 1970 toen het percentage boven de 2% per jaar lag. Sindsdien heeft zich een daling ingezet van het groeipercentage. Deze sterke groei werd vooral veroorzaakt door een daling van het sterftecijfer, ingezet door vaccinatie, antibiotica en sanitaire verbeteringen. De wereldwijde levensverwachting steeg daardoor van minder dan 30 jaar rond 1800 naar 35 in 1900, 45 in 1950 en 67 in 2000. Het totaal aantal vroegtijdige doden in de twintigste eeuw door oorlog, genocide, politieke zuiveringen en hongersnoden lag mogelijk tussen de 180-190 miljoen mensen en maakte daarmee ongeveer 4% uit van het totaal aantal doden. De enorme aantallen slachtoffers konden daarmee deze groeitrend niet keren.

Mede door anticonceptie kon het geboortecijfer omlaag worden gebracht. Belangrijk daarbij werd de pil die in 1962 werd geïntroduceerd. In een aantal landen kon de transitie snel gemaakt worden, met een beperkte bevolkingsgroei tot gevolg. Dit was onder meer het geval in Zuid-Korea, Taiwan en Thailand, waar niet toevallig de welvaart sterk kon stijgen. In enkele Afrikaanse en Centraal-Amerikaanse landen lag de bevolkingsgroei echter boven de 4%, waarmee de verdubbelingstijd op zo'n 16 jaar kon komen. Deze enorme groeicijfers konden samenlevingen onder sterke druk zetten. Dit was vooral het geval in Afrika waar de bevolking tussen 1900 en 2000 zes tot zeven keer gegroeid was.

Bevolkingsbeheersing was lange tijd geen politiek onderwerp en als het dat al was, dan was het juist om groei te bevorderen, zoals onder Hitler en Stalin. Na 1950 leek de groei in een aantal landen echter zo groot dat men daar overging tot maatregelen om de groei te beperken. In India werden burgers na 1952 aangemoedigd om de gezinsgrootte te beperken. In de jaren zeventig kwam het zelfs tot gedwongen sterilisatie, maar door de grote tegenstand werd dit weer afgeschaft. Hoewel men de bevolkingsgroei tot een derde van die in 1952 had weten terug te brengen, was de bevolking in de jaren negentig toch verdubbeld en wordt verwacht dat India over niet al te lange tijd China inhaalt als land met het grootste aantal inwoners. In China werd men al vanaf 1970 aangemoedigd om laat te trouwen en niet meer dan twee kinderen te krijgen, terwijl in 1979 de eenkindpolitiek werd ingevoerd. Tussen 1970 en 2000 daalde het geboortecijfer met twee derde, sneller dan ooit in de geschiedenis. In andere landen gold een tegenovergestelde politiek. In veel Europese landen en Japan werd kinderbijslag ingevoerd.

Van de totale bevolking leefde rond 1900 zo'n 225 miljoen mensen in steden, 12 tot 15 procent. Tegen 1950 lag dit rond de 30 procent en rond 2000 was dit met zo'n drie miljard mensen meer dan de helft. Deels bestond deze groei uit migratie vanaf het platteland, maar sinds de sanitaire revolutie waren steden in staat te groeien door een eigen geboorteoverschot. De levensverwachting in de steden werd in een aantal gevallen ook hoger dan op het platteland, een groot contrast met vroeger tijden. Rond 1750 reduceerde de sterfte in Londen bijvoorbeeld de bevolkingsgroei in het gehele land met de helft.

Deze verstedelijking begon in de westerse wereld, gevolgd door de Sovjet-Unie en Latijns-Amerika. In China stimuleerde de overheid het platteland, maar na 1980 vond daar de grootste en snelste verstedelijking ooit plaats. Over de gehele wereld ontstonden steden met soms tientallen miljoenen inwoners. Het leven in de stad vergde andere omgangsvormen dan die in dorpen en had daarmee een grote invloed op alle facetten van het dagelijks leven. Persoonlijk vertrouwen kon niet meer aan de basis staan, waarmee een groter beroep werd gedaan op het rechtssysteem, politie en opvoeding. Reacties daarop varieerden van de vorming van straatbendes tot buurtverenigingen. Hoewel op veel van de stadsproblemen nog geen bevredigend antwoord is gevonden, had het stadsleven dusdanig veel voordelen dat het mensen aan bleef trekken. Oorzaken lagen bij werkgelegenheid, onderwijs, gezondheidszorg en uitgaansleven.

Waar kinderen op het platteland nog bij kunnen dragen in het dagelijks onderhoud door bijvoorbeeld het hoeden van dieren, geldt dit in de stad in veel mindere mate, terwijl meisjes in steden meer kans op onderwijs hebben. Dit alles stimuleerde een geboortedaling die zich rond 1970 zo ver had doorgezet in Duitsland en Japan dat het geboortecijfer dermate laag werd dat de bevolking kromp. Na 1980 was dit ook het geval in Rusland en de Oekraïne. Mogelijk worden steden door deze trend opnieuw demografische zwarte gaten, deze keer niet door een hoog sterftecijfer, maar door een laag geboortecijfer.

Verschillen in bevolkingsgroei konden door migratie deels worden opgevangen. Economische groei deed ook de vraag naar mensen toenemen. Landen met een kleine bevolkingsgroei en grote economische groei moesten arbeid importeren. In de jaren zestig was dan ook een migratie te zien naar West-Europa vanuit Zuid-Europa, Turkije en Noord-Afrika. Tien jaar later was ook Zuid-Europa een importeur van mensen. Zo was de al lang bestaande beweging van mensen uit Europa na vierhonderd jaar omgedraaid. In het Midden-Oosten importeerde men zoveel arbeid dat de lokale bevolking vrijwel geen handwerk meer deed. Tussen 1975 en 1983 was er ook een grote migratie richting het olierijke Nigeria. In de Verenigde Staten vervijfvoudigde de legale immigratie tussen 1965 en 1995, vooral bestaand uit hoger opgeleide Aziaten. Daarnaast was er een illegale immigratie van miljoenen uit Midden-Amerika. In Canada verdubbelde de immigratie in deze periode. De migratie verlichtte de nood op plaatsen met een sterke bevolkingsgroei, maar ook in de landen met arbeidstekorten. Hoewel de economie profiteerde in de laatste landen, gold dit niet voor de werknemers waarvan de lonen laag konden worden gehouden. Cultuurverschillen waren ook oorzaak dat immigranten over het algemeen een koele ontvangst kregen. Het zou in vele landen nog de nodige immigratieproblematiek tot gevolg hebben.

In Palestina ging dit voorbij deze problematiek. De toenemende instroom aan Joden veroorzaakte weerstand onder de lokale bevolking en leidde na de vorming van de staat Israël tot vier oorlogen. Het Arabisch-Israëlisch conflict zou een belangrijke rol gaan spelen in de internationale politiek.

Energie en milieu[bewerken]

De kolencentrale van Rostock. De twintigste eeuw zag een enorme toename van het energieverbruik. Dit heeft ongekende mogelijkheden gecreëerd, maar ook problemen veroorzaakt waarvan de gevolgen nog niet volledig te overzien zijn.

De enorme bevolkingsgroei werd mede mogelijk gemaakt door fossiele brandstoffen. Rond 1890 was dit goed voor ongeveer de helft van het totale energieverbruik, nog voornamelijk steenkool. Met de overgang naar olie werd het gebruik van auto's en vliegtuigen mogelijk, wat een omwenteling betekende voor het vervoer van mensen, maar ook voor de landbouw. De landbouwmechanisatie maakte het bijvoorbeeld mogelijk dat 3 procent van de Amerikanen de rest van het land van voedsel kon voorzien. Zij die konden beschikken over de nieuwe middelen konden een groot deel van het zware en geestdodende werk over laten nemen door machines die hun leven mobieler, productiever en welvarender maakten. Het betekende wel dat tussen 1900 en 2000 het energieverbruik per inwoner drie- tot viermaal steeg. In dat gemiddelde is nog niet de groter wordende kloof te zien tussen de rijkere en armere gebieden. Zo lag het gemiddelde verbruik in de Verenigde Staten per persoon vijftig tot honderd maal hoger dan dat in Bangladesh.

De druk op het milieu nam door dit alles toe. Het oppervlakte aan akkerland verdubbelde tussen 1900 en 2000. De toename had zich eerder vooral afgespeeld in gematigde streken, maar vond nu vooral plaats in Midden-Amerika, West-Afrika en Zuidoost-Azië. Voor de wildstand bleef er dan ook minder ruimte over, met als gevolg dat een deel uitstierf. Dit proces is nog steeds gaande en gevreesd wordt dat dit de zesde massa-extinctie kan zijn, de eerste die door menselijk handelen zou zijn veroorzaakt. Ondertussen nam het aantal dieren toe dat door mensen wordt gebruikt. Rond 2000 bestond zo'n 40% van het landleven en 10% van het zeeleven hieruit. Vooralsnog is onduidelijk welke effecten dit heeft op de biosfeer.

Luchtvervuiling was een ander gevolg van de industrialisatie. In de westerse landen ontstond een milieubeweging door excessen als de Great Smog van 1952 waar in Londen duizenden doden vielen. Hierdoor stapte men over op schonere brandstoffen, waarmee de milieudruk afnam. In armere industrialiserende landen waar de publieke opinie veel minder invloed had, was dit echter in veel mindere mate het geval. Mogelijk ligt het dodental door luchtvervuiling in de twintigste eeuw tussen de 25 en 40 miljoen mensen. Een probleem dat minder snel is aan te pakken is het broeikaseffect door de toename van broeikasgassen. Het lijkt er op dat dit een opwarming van de Aarde tot gevolg heeft met mogelijk zeespiegelstijging, toename van droogte- en hitteperioden, extreme neerslag en andere effecten.

Het kan nog decennia of langer duren voordat het effect van de afname van biodiversiteit en klimaatverandering duidelijk is, maar het zou de belangrijkste ontwikkeling van deze periode kunnen zijn.

Op de rem[bewerken]

De mondialisering had de welvaart doen toenemen, maar ook de ongelijkheid in de wereld vergroot. Weerstand hiertegen groeide en nationalisme nam toe. De eenwording van Duitsland versterkte de positie van Pruisen als onderdeel van het Duitse Keizerrijk als grote mogendheid. Op economisch vlak haalde het al snel het Verenigd Koninkrijk in en ook de bevolking groeide sneller dan die van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Het Concert van Europa bleek niet in staat om de daaropvolgende wapenwedloop te beteugelen en een antwoord te vinden op de oosterse kwestie, het vraagstuk wat er met de grondgebieden van het verzwakte Ottomaanse Rijk moest gebeuren. Het opkomende nationalisme wakkerde de oorlogsstemming aan in de Europese landen, waardoor een vreedzame overdracht van de status als dé grote mogendheid van het Verenigd Koninkrijk naar Duitsland steeds hypothetischer werd. Tijdens de daaropvolgende Eerste Wereldoorlog (1914-1918) wisten de geallieerden ternauwernood te winnen van de Centrale Mogendheden. Het werd een langdurige loopgravenoorlog waarbij machinegeweren, gifgas, zware artillerie en voor het eerst tanks en vliegtuigen 9 tot 10 miljoen slachtoffers eisten op het slagveld, met daarnaast nog enkele miljoenen burgers. Het werd een dusdanige uitputtingsslag dat een beroep moest worden gedaan op de gehele maatschappij. Deze totale oorlog vereiste een oorlogseconomie waarbij een groot deel van de regie door de overheid uit handen werd genomen van de markt. Zo bleek de productie snel verhoogd te kunnen worden, een les die later in vredestijd zou worden doorgevoerd in planeconomieën. Overigens eiste de daaropvolgende Spaanse griep meer slachtoffers. Mogelijk 20% van de toenmalige wereldbevolking raakte besmet toen de soldaten, waarvan een deel uit de Franse en Britse koloniën kwam, huiswaarts keerden. Schattingen lopen uiteen, maar waarschijnlijk stierven tussen de 20 en 40 miljoen mensen aan deze eerste echt wereldwijde pandemie.

Het einde van de oorlog betekende het einde van het Duitse Keizerrijk, de Dubbelmonarchie en het Ottomaanse Rijk en de vorming van nieuwe landen daaruit. Bij de vorming van het moderne seculiere Turkije schafte men het Ottomaans Kalifaat af, waarmee de islamitische wereld het politieke centrum verloor.
Voor de overwinnaars bleven de gevolgen van de uitputtingsslag echter ook niet uit. De Februarirevolutie maakte in 1917 een einde aan het Russische Rijk en nadat de Voorlopige Regering daar de oorlog voort wilde zetten, kwamen met de Oktoberrevolutie de bolsjewieken onder Lenin aan de macht. Door zijn ballingschap in Duitsland was hij bekend met de kracht van de planeconomie wat grote invloed zou hebben op de communistische Sovjet-Unie. Ook Italië kwam in een politieke crisis terecht die de fascist Mussolini in 1922 aan de macht bracht. Het totalitarisme van de Sovjet-Unie en Italië leek voor velen de oplossing voor de problemen na de oorlog en beloofde een einde te maken aan de schijnbare willekeur van de economische cycli. De Sovjet-Unie en Italië streefden dan ook naar zelfvoorziening, de eerste overigens met meer succes dan de tweede. Hoewel de mondialisering sterk afnam en nationalisme juist toenam, werden niet alle internationale banden verbroken. In 1920 werd de Volkenbond opgericht met de intentie om 'een einde aan alle oorlogen' te maken.

Fleissiger jung. Mann sucht Arbeit. Duitse man in 1928 op zoek naar werk.

Met de Eerste Wereldoorlog was de opmars van de mondialisering tot staan gebracht en na de oorlog werkte het streven naar zelfvoorziening remmend op de groei van de internationale handel. Daarnaast kreeg het onder de herstelbetalingen gebukt gaande Duitsland te maken met een hyperinflatie waardoor de import vrijwel onmogelijk werd. De Verenigde Staten waren als de werkelijke winnaar uit de oorlog gekomen en het was vooral hier dat de roaring twenties zich afspeelden. In de jaren twintig herstelde de internationale handel zich enigszins, hoewel deze sterk fluctueerde. De aandelenkoersen stegen in 1928 in de Verenigde Staten tot enorme hoogten. Het hiervoor benodigde kapitaal werd onttrokken aan de financiering voor de leningen aan Duitsland en de import, vooral van landbouwproducten met een landbouwcrisis tot gevolg. Eind 1929 sloeg de beurskrach toe. Rond de 4000 banken gingen failliet in de Verenigde Staten, ongeveer 40% van het totaal, en de mondialisering maakte dat de daaropvolgende Grote Depressie wereldwijd voelbaar was.

De meeste landen reageerden door terug te grijpen naar de dagen van het mercantilisme en namen protectionistische maatregelen, stelden invoerheffingen en invoerquota in, lieten de gouden standaard los en devalueerden de eigen munt. Individueel hadden deze maatregelen een positief effect kunnen hebben voor het betreffende land, maar collectief genomen resulteerde dit in een krimp van de wereldhandel van 25%, van de wereldeconomie van 20% en een werkloosheid van 20 tot 30% in landen als de Verenigde Staten, Canada en Duitsland.

Na de Eerste Wereldoorlog waren de meeste Europese staten democratieën, maar aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werden veel Europese landen en enkele Latijns-Amerikaanse dictaturen. Zo werd in 1933 Hitler gekozen als rijkskanselier van Duitsland waarna al snel het stemrecht werd afgeschaft. Zelfvoorziening kon door landen als de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in eigen land bereikt worden, hoewel het succes van de laatste beperkt werd door de zuivering van miljoenen vermeende tegenstanders. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk konden beschikken over hun koloniën, maar dit gold niet voor Italië, Duitsland en Japan. Italië wist in 1936 Ethiopië te veroveren, terwijl Japan zijn invloed in China, Taiwan en Korea uitbreidde. Duitsland was zijn koloniën kwijtgeraakt na de Eerste Wereldoorlog en zocht Lebensraum in het oosten waar het vanaf 1938 Tsjecho-Slowakije overheerste en Anschluss vond met Oostenrijk.

Oorlog en de lange bloei[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog waren het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, de Verenigde Staten, Italië en Japan de grote mogendheden, waarbij de laatste twee echter een achtergestelde positie hadden. Het expansionistische Duitsland zocht toenadering tot Italië waarbij het in 1936 kwam tot de as Rome-Berlijn. In 1940 sloot Japan zich aan bij de asmogendheden. De Volkenbond was machteloos en een nieuwe oorlog leek onvermijdelijk.

Op het hoogtepunt in 1944 rolde er elke 63 minuten een B-24 van de lijn van Ford in Willow Run. Er waren 1300 bedden voor piloten en bemanning die op hun vliegtuig wachtten.
Nazi-arts Fritz Klein in massagraf 3 in Bergen-Belsen.
De vraag hoe het mogelijk was dat zoveel mensen in staat waren gebleken om mee te werken aan de uitroeiing van hele bevolkingsgroepen was na de oorlog aanleiding voor diverse onderzoeken zoals het beroemde experiment van Milgram uit 1961. Waar de verwachting van collega's van Milgram was dat slechts psychopaten in staat waren om tot het uiterste te gaan, bleek dat gehoorzaamheid aan wat wordt ervaren als legitiem gezag voor zo'n twee derde van de proefpersonen dusdanig belangrijk was dat men in staat bleek een medemens te doden. Tijdens de Neurenbergse processen werd het verweer van de Befehlsnotstand (het beruchte Befehl ist Befehl) evenwel verworpen.

De daaropvolgende Tweede Wereldoorlog werd de grootste en meest verwoestende oorlog ooit. Het was een samensmelting van vier aanvankelijk afzonderlijke militaire conflicten. In 1937 begon de Tweede Chinees-Japanse Oorlog waarbij Duitsland aanvankelijk China steunde. Gesterkt door de Britse terughoudendheid na de annexatie van Sudetenland en het Molotov-Ribbentroppact viel Duitsland in 1939 Polen binnen, kort daarop gevolgd door de Sovjet-Unie. Het derde conflict ontstond toen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk daarop tegen de verwachtingen in Duitsland de oorlog verklaarden. Daarop veroverde Duitsland in een Blitzkrieg de Lage Landen en een deel van Frankrijk. Het vierde conflict rolde zich uit toen Duitsland ondanks het niet-aanvalsverdrag in juni 1941 de Sovjet-Unie aanviel.

Voor de asmogendheden was het zaak de oorlog snel te winnen, aangezien het op lange termijn geen partij was voor de geallieerde economieën en weinig toegang had tot grondstoffen en vooral olie. Toen in 1941 een olie-embargo werd afgekondigd tegen Japan, werd dat door hen beschouwd als een verkapte oorlogsverklaring. Zonder deze olie kon Japan zijn Aziatische plannen niet uitvoeren, zodat men besloot de oliegebieden van Nederlands-Indië te veroveren. Om dit mogelijk te maken, besloot men eerst de Amerikaanse vloot in de Grote Oceaan uit te schakelen. Dit lukte grotendeels met de aanval op Pearl Harbor, maar het betrok wel de Verenigde Staten bij de oorlog. Dit bouwde in 1942 een militair-industrieel complex dat tweemaal meer produceerde dan de asmogendheden bij elkaar. Ford alleen produceerde al meer dan geheel Italië. Voor elk Japans oorlogsschip werden er in de Verenigde Staten zestien gebouwd. De Sovjet-Unie had veel ervaring met planeconomie en was gewend om te improviseren. Het was in staat om vanuit het niets in een week een fabriek op te zetten en produceerde elk jaar meer dan Duitsland, waarbij vrouwen een belangrijk aandeel hadden. Hoewel de Duitsers en Japanners enkele jaren voorsprong hadden met de opbouw van hun legers, konden zij hier niet tegenop, ook omdat zij vast bleven houden aan hun voorkeur voor hoge kwaliteit boven massaproductie. Na de eerste klappen overleefd te hebben, werden de kansen van de geallieerden dan ook met de dag beter. De overwinning kwam in Europa met de verovering van Berlijn in mei 1945 en in Azië drie maanden later met de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.

Ongeveer 3% van de wereldbevolking kwam om in deze oorlog, ongeveer 60 miljoen mensen. De grootste klappen vielen in de Sovjet-Unie met zo'n 25 miljoen doden en China met mogelijk 15 miljoen doden. In Duitse concentratiekampen stierven zo'n 6 miljoen Joden in het kader van de Endlösung. In de jaren daarna zou het als afschrikwekkend voorbeeld dienen tegen autoritaire regimes en racisme. Etnocentrisme bleef echter aantrekkelijk voor grote groepen mensen.

Koude Oorlog[bewerken]

De oorlog brak de macht van een aantal van de eerdere grote mogendheden. Twee supermachten kwamen eruit tevoorschijn. De Verenigde Staten waren al lange tijd de grootste economie en hadden nu ook korte tijd als enige de beschikking over een kernwapen en tot op heden de grootste marine ter wereld. De Sovjet-Unie was door Hitler in de rol van supermacht gedwongen en beschikte over het grootste landleger ter wereld en na 1949 ook over de atoombom.

De Verenigde Staten hadden als grote voordeel dat de oorlog zich buiten het eigen grondgebied had afgespeeld. Het land bezat korte tijd de helft van de industrieën in de wereld en het fordisme met zijn stijging van salarissen had van arbeiders ook consumenten gemaakt. Het nam het voortouw bij de maatregelen die genomen werden om een herhaling te voorkomen van wat er na de Eerste Wereldoorlog was gebeurd en nationalisme, autarkie en militarisme terug moesten dringen. Met onder meer het Marshallplan en de NAVO bond het de Eerste wereld aan zich. De Verenigde Naties moesten daarbij slagen waar de Volkenbond gefaald had. Daartoe moest onder meer een einde komen aan de beperkingen van de koloniale handel. Monetaire afspraken werden vastgelegd in het Bretton-Woodssysteem en over wereldhandel in de GATT. Mondialisering moest weer op gang komen en om de negatieve gevolgen daarvan te verzachten werd door veel landen een sociale zekerheid opgezet. Dit kon bestaan uit werkloosheidsuitkeringen, pensioen en landbouwsubsidies. De economische politiek van laisser faire werd grotendeels verlaten en vervangen door een keynesiaanse begrotingspolitiek waarbij de overheid de economie stuurde met het fiscale beleid.

Earthrise (te vertalen als aardopkomst) is een foto van de Aarde, gemaakt in 1968 door astronaut William Anders tijdens de Apollo 8-missie. De ruimtewedloop was een belangrijk onderdeel van de culturele en technologische machtsstrijd tussen de VS en de Sovjet-Unie tijdens de Koude Oorlog. De mogelijkheid om de aarde in zijn geheel te beschouwen door middel van satellietfoto's veranderde de kijk van veel mensen en deed het milieubewustzijn toenemen.

Met zijn planeconomie zou de Sovjet-Unie gevrijwaard moeten blijven van de grillen van de vrije markt. Het voorkomen van een herhaling van 1914-1945 werd door de Sovjet-Unie dan ook niet gezocht in het dempen van wereldwijde recessies, maar in de vorming van de bufferstaten van het Oostblok en een zwak Duitsland en Japan. De heropbouw van deze twee landen hoorde juist bij de politiek van de Verenigde Staten om meer stabiliteit te verkrijgen, maar voor de Sovjet-Unie leek dit op een tegen hen gerichte samenzwering. De spanningen liepen dusdanig op dat vanaf 1949 gesproken kon worden van een Koude Oorlog. Er volgde een wapen- en ruimtewedloop waarbij naast conventionele wapens ook enorme hoeveelheden kernwapens werden geproduceerd, voldoende om de aarde vele malen te verwoesten. Vermeende achterstanden in de wedloop als de bomber en missile gap versterkten dit proces. De wederzijdse verzekerde vernietiging of mutual assured destruction (MAD) weerhield de supermachten van het voeren van een oorlog op wereldschaal en conflicten bleven beperkt tot lokale oorlogen. De vorming van de Europese Economische Gemeenschap in 1958 was mede een poging om de Amerikaanse en Russische overheersing van Europa nog enigszins te beperken.

In 1949 kwam Mao aan de macht in China en ontstond een communistisch blok van enorme omvang, de Tweede wereld. Vanaf 1964 beschikte het land ook over kernwapens. Beide landen hadden echter een lange geschiedenis van conflicten, een sterk nationalisme en richten zich op zelfvoorziening. Zo kwam het tot het rode schisma met als dieptepunt de grensconflicten van 1969. Hierna voelde de Sovjet-Unie zich gedwongen een grote legermacht langs de Chinese grens te positioneren. Toen China in de jaren zeventig toenadering zocht tot de Verenigde Staten, leek de Sovjet-Unie omcirkeld.

Het GE Building in het Rockefeller Center.
Foster en Kaplan betrokken creatieve vernietiging op de S&P 500. Van de 500 bedrijven die er vanaf 1957 op stonden, waren er in 1997 nog maar 74 over. Een van de meest succesvolle daarvan was General Electric dat het principe van creatieve vernietiging intern toepaste.

In de jaren zeventig werd steeds duidelijker wat de gevolgen waren van het ontbreken van concurrentie. Nieuwe technieken en organisatiemethodes kregen maar weinig kansen. Het industriële complex bleef gebaseerd op negentiende-eeuwse techniek en het ontbrak daardoor aan wat Schumpeter creatieve vernietiging noemde, het proces van innovatieve ontwikkeling waarbij oude technieken worden vervangen door nieuwe. Ook de vooruitgang op het gebied van landbouw in het Westen werd hier gemist. Om de bevolking te kunnen voeden, moest zelfs graan uit de Verenigde Staten ingevoerd worden. Siberische aardolie bracht een periode van voorspoed, vooral na de prijsstijgingen na de oliecrisis van 1973 en 1979, maar hieraan kwam een einde met de sterke dalingen van de olieprijzen van halverwege de jaren tachtig. Een stagnerende economie gecombineerd met het enorme defensiebudget beperkte binnenlandse vooruitgang. Steeds duidelijker werd dat de stijging van welvaart sterk achterbleef bij die van het Westen, wat leidde tot een toenemende onvrede. In 1985 kwam Gorbatsjov aan de macht en met economische intensivering, glasnost (openheid) en perestrojka (hervorming) probeerde hij de economie op te laten leven door vernieuwingen. De nieuwe openheid bracht echter lang verzwegen zaken aan het licht en ondermijnde het gezag van de partij. In de bufferstaten werd de onvrede ook steeds duidelijker. In 1988 schafte Gorbatsjov de Brezjnevdoctrine af die inhield dat men in kon grijpen als in deze staten het socialisme bedreigd werd. Het jaar daarop kwam in Oost-Europa het ene regime na het andere ten val, met als hoogtepunt de val van de Berlijnse Muur in 1989. Het jaar daarop ging de DDR al op in de Duitse Bondsrepubliek en in 1991 viel de Sovjet-Unie uit elkaar. De nadruk op zelfvoorziening en het ontbreken van stimuli voor innovatie bleek niet opgewassen tegen de internationale economie onder leiding van de Verenigde Staten. Dat de Koude Oorlog vreedzaam was geëindigd, was te danken aan het zegevieren van Gorbatsjov over de oude garde van de partij. Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de abrupte overgang naar een markteconomie pakte echter desastreus uit met een gemiddelde daling van het inkomen van 40% tussen 1990 en 1998.

Dekolonisatie[bewerken]

De Eerste Wereldoorlog betekende het begin van het einde van de periode van kolonisatie. Hoewel het Britse Rijk zijn grootste omvang bereikte in 1921 werd steeds duidelijker dat de koloniale machten niet meer oppermachtig waren. Het Ottomaanse Rijk viel uiteen waarbij de Arabische gebieden onder Franse en Britse invloed kwamen. Een verdere opdeling van Turkije werd voorkomen door Atatürk. Ierland werd in 1922 onafhankelijk van het Verenigd Koninkrijk. Voor zowel Turkije als het Verenigd Koninkrijk zou de afwikkeling hiervan nog voor vele moeilijkheden zorgen in respectievelijk Koerdistan en Noord-Ierland.

Na de oorlog werd door de koloniale machten een politiek gevoerd waarbij men het economisch potentieel van de koloniën wilde vergroten. Dit hield de nodige hervormingen in, waarbij men leunde op een lokale elite. Onderwijs maakte deel uit van de hervormingen en creëerde een groter politiek bewustzijn onder deze elite. Doordat er bij de hervormingen vrijwel geen rekening werd gehouden met de belangen van de koloniën, groeide de weerstand. Dit werd versterkt door een opkomend nationalisme en de onderdrukking daarvan. De Tweede Wereldoorlog was een keerpunt waarin bleek dat de koloniale machten niet oppermachtig waren. Zij kwamen verzwakt uit de oorlog en om de koloniale politiek voort te zetten hadden zij de steun van de Verenigde Staten nodig. Deze waren daartoe niet bereid zolang er geen gevaar dreigde van communisme. Wat volgde was een golf van dekolonisatie. Een aantal daarvan ging gepaard met onafhankelijkheidsoorlogen. In 1949 zag Nederland af van zijn aanspraken op Indonesië na wat eufemistisch wel politionele acties (1945-49) worden genoemd. Franse weerstand tegen een onafhankelijke Unie van Indochina leidde tot de Indochinese Oorlog (1946-54), die vanwege de dreiging van communisme werd overgenomen door de Amerikanen als Vietnamoorlog (1957-75). De gruwelen van de Algerijnse Oorlog (1954-62) overtuigden Frankrijk zich terug te trekken uit Afrika. Het einde van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk als werkelijk grote mogendheden werd duidelijk met de Suezcrisis van 1956, waar zij zich bij gebrek aan Amerikaanse steun moesten terugtrekken uit Egypte. In de jaren daarna verkregen de meeste landen hun onafhankelijkheid.

Niet alleen de weg naar onafhankelijkheid was in veel gevallen problematisch, maar ook daarna bleek het in veel voormalige koloniën te ontbreken aan kennis, vaardigheden, financiën en een afzetmarkt om succesvol de overgang te maken. Een snelle bevolkingsgroei kon daarbij een reële achteruitgang van de levensstandaard tot gevolg hebben. Tegenwoordig zijn er nog enkele koloniën en afhankelijke gebieden, vooral eilanden. Daarnaast zijn er verschillende landen waar separatisme tot het uiteenvallen van het land zou kunnen leiden. Dit was het geval bij de Sovjet-Unie en Joegoslavië en tegenwoordig onder meer in China en Indonesië.

Hoogconjunctuur[bewerken]

De tweede helft van de twintigste eeuw was een lange periode van hoogconjunctuur, vooral de dertig jaar na de oorlog, ook wel trente glorieuses genoemd. Tussen 1950 en 1998 werd de wereldeconomie zesmaal zo groot. Hoewel velen niet beter wisten, was er nooit eerder een dergelijke economische groei geweest. Dit was mogelijk door de bevolkingsgroei, de beschikking over goedkope energie en de vooruitgang in de wetenschap en technologie die al eerder was begonnen. Bretton Woods lag aan de basis van de economische stabiliteit waardoor bedrijven zich wereldwijd konden vestigen. Met het wegvallen van de bilaterale koloniale handelsbetrekkingen lag de weg vrij voor vrijhandel, wat de economische groei versterkte. In de jaren negentig sloten het voormalige Oostblok en China zich hierbij aan. Al deze factoren versterkten elkaar tot wat wel de great acceleration is genoemd. Volgens McNeill zal deze versnelling en het effect daarvan op de biosfeer de belangrijkste gebeurtenis blijken te zijn in de twintigste eeuw:

The human race, without intending anything of the sort, has undertaken a gigantic uncontrolled experiment on the earth. In time, I think, this will appear as the most important aspect of twentieth-century history, more so than World War II, the communist enterprise, the rise of mass literacy, the spread of democracy, or the growing emancipation of women.[6]
Wereldwijde groei[7]
(jaarlijkse gemiddelde)
Jaar Bevolking Bbp Bbp per
capita
Export
0 - 1000 0,02% 0,01% 0,00%
1000 - 1500 0,10% 0,15% 0,05%
1500 - 1820 0,27% 0,32% 0,05%
1820 - 1870 0,40% 0,93% 0,53%
1870 - 1913
(liberale tijdperk)
0,80% 2,11% 1,30% 3,40%
1913 - 1950 0,93% 1,85% 0,91% 0,90%
1950 - 1973
(gouden tijdperk)
1,92% 4,91% 2,93% 7,88%
1973 - 1998
(neoliberale tijdperk)
1,66% 3,01% 1,33% 5,07%
Batillus tanker in Saint-Nazaire.jpg

De Batillus krijgt bunkers kort na zijn voltooiing in 1976 op de werf Chantiers de l'Atlantique in Saint-Nazaire.
Door schaalvergroting stegen de reële transportkosten vrijwel niet, waardoor het relatieve aandeel ten opzichte van de prijs van de te vervoeren goederen daalde. Zo maakten transportkosten in 1960 zo'n 30% uit van de prijs in Europa van olie uit het Midden-Oosten, terwijl dit tegenwoordig minder dan 5% is.

Eenmalige, maar wel belangrijke bijdragen aan de economische groei waren de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen, mogelijk doordat ze later en minder kinderen kregen, en boeren die naar de stad trokken. De hernieuwde mondialisering bevorderde de groei ook door de toenemende specialisatie en het daarmee gepaard gaande comparatief voordeel volgens Ricardo. De relatieve daling van transportkosten heeft belangrijk bijgedragen aan de wereldwijde handelsrevolutie. Dit werd mogelijk gemaakt door schaalvergroting, nieuwe technologie, betere havens, efficiëntere ladingbehandeling en het varen onder goedkope vlag. Aanvankelijk was de vrachtvaart in de jaren zestig niet goed in staat de met de florerende economie sterk toegenomen vraag naar transport op te vangen. In de bulkvaart vond vooral na de jaren vijftig een enorme schaalvergroting plaats en ontstonden onder druk van een sterk toegenomen vraag gespecialiseerde bulkcarriers, vooral gestimuleerd door multinationals die op zoek waren naar goedkope grondstoffen van goede kwaliteit. De lijnvaart kon aanvankelijk niet profiteren van deze schaalvergroting. Stukgoed was dusdanig arbeidsintensief dat lijnschepen zo'n twee derde van de tijd in de haven lagen te laden en te lossen. Toenemende wereldhandel, congestie in de havens en arbeidsonrust deed de transporttijd tussen Europa en de Verenigde Staten toenemen tot enkele maanden. Mechanisering bood hierbij een oplossing en uiteindelijk zou het overgrote deel van het stukgoedvervoer plaatsvinden met containers. Het bleek nu mogelijk dezelfde lading in een week van kust tot kust te verschepen en maakte internationale handel op een tot dan toe ongekende schaal mogelijk.

Strandpolitie meet de afstand tussen knie en badpak, Washington, D.C., 1922. De jaren zestig lijken nog ver weg.
In Amerika ontstond de consumptiemaatschappij al in de jaren twintig van de twintigste eeuw. Europa volgde na de Tweede Wereloorlog en met de nodige vertraging ook landen daarbuiten. Met de televisie werd de auto het symbool van die nieuwe maatschappij. De individuele ontplooiing werd geleidelijk belangrijker en zo ontstond een jeugdcultuur die zich juist afzette tegen de oudere generatie. Bestaande structuren en normen en waarden verdwenen niet direct, maar werden vanaf toen wel ter discussie gesteld. Gezag was niet langer vanzelfsprekend, maar afhankelijker van vaardigheid. Flowerpower, de hippie-leefstijl en vrij druggebruik waaiden over uit Californië, terwijl de seksuele moraal vrijer werd. Ook de vrouwenbeweging liet sterk van zich horen met de tweede feministische golf.

In Europa had de wederopbouw een sterke groei tot gevolg tussen 1950 en 1973, met een opmerkelijke groei in Duitsland, het Wirtschaftswunder. Het grote voorbeeld was echter het Japans economische wonder met een gemiddelde jaarlijkse groei van 10% tussen 1950 en 1973. In China had de Grote Sprong Voorwaarts van 1958 desastreuze gevolgen. Naast tientallen miljoenen doden stagneerde de economie, onder meer door de collectivisatie van bestaande zelfstandige boerderijen. Na de dood van Mao in 1976 kwam er echter een einde aan deze politiek en volgden economische hervormingen met een liberalere industrie- en handelspolitiek. Honderden miljoenen boeren trokken naar de steden om in meer productieve banen bij te dragen aan een gemiddelde jaarlijkse groei van 8% tussen 1978 en 1998.

De kapitaalstromen namen in deze periode ook sterk toe. Een groot deel bestond daarbij uit directe buitenlandse investeringen door multinationals. Door de grootte van hun investeringen kunnen deze bedrijven grote invloed uitoefenen op de politiek, vooral in ontwikkelingslanden. De jaren zeventig zagen twee oliecrises met scherpe stijging van de olieprijzen. De economische groei nam af, terwijl werkloosheid en inflatie stegen. Enkele landen reageerden met een liberalisering van de vermogensmarkt. Deregulering in combinatie met vernieuwingen op het vlak van informatietechnologie maakte het steeds eenvoudiger om enorme bedragen binnen de kortste keren over de wereld te verschuiven op zoek naar het hoogste rendement. Door financiële innovatie werden steeds meer onderdelen uit de reële economie omgezet in financiële producten en het werd makkelijker geld te verdienen op de financiële markten dan in de industriële economie. Waar het overgrote deel van het kapitaal in de periode 1870-1914 bestond uit langetermijninvesteringen, gold dat door deze zogenaamde financialisering er in toenemende mate sprake was van investeringen voor de korte termijn. De handel in buitenlandse valuta nam dusdanig grote vormen aan dat in de jaren negentig elke week voor bedragen werd gehandeld die gelijk waren aan het bruto nationaal product van de Verenigde Staten. Doordat kapitaal zich zo snel kon verplaatsen, was er voor kleinere landen nog maar weinig ruimte voor een monetair beleid om de economie te sturen. Te grote afwijkingen hadden direct invloed op de wisselkoers en obligatienoteringen. In grotere landen had het tot op zekere hoogte een dempend effect op de inflatie, maar in kleinere landen kon het versterkend werken. Voor hen die over kapitaal konden beschikken, namen de kansen toe, maar zij die slechts arbeid aan konden bieden, hadden een kleinere kans op welvaartsstijging. Welvaart volgt dan ook niet meer de normale verdeling zoals in vroege samenlevingen, maar de Pareto-verdeling waarbij grote uitschieters voorkomen die niet gerelateerd zijn aan de mate van inspanning die ervoor geleverd is.

De stijging van de olieprijzen in de jaren zeventig had zowel een stijging van inflatie als verminderde economische groei tot gevolg, zogenaamde stagflatie. Dit deed het vertrouwen in het keynesianisme afnemen. In plaats van een fiscaal beleid kwam de nadruk te liggen op een monetair beleid. De economie werd niet langer gestuurd door belastingmaatregelen en overheidsuitgaven, maar vooral door ingrijpen in de geldhoeveelheid, vaak indirect met de discontorente. Het overheidsingrijpen zou echter terughoudend moeten plaatsvinden. De kredietcrisis van 2008 maakte dat de overheid weer een grotere rol op zich nam.

Informatietechnologie[bewerken]

Rond 2002 had de helft van de wereldbevolking nog nooit een telefoongesprek gevoerd. De mobiele telefoon bracht hierin snelle verandering. Terwijl in sommige landen vaste telefonie nog steeds niet meer dan 1% van de bevolking bereikt en wereldwijd zelfs een afname liet zien, beschikte in 2009 67% van de wereldbevolking over een mobiele telefoon. Internetgebruik steeg minder snel, eind 2008 had 23% toegang. Grote verschillen bestaan hier nog tussen de ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden. Toegang in de laatste is niet alleen beperkt, maar die toegang die er is, vindt vaak nog plaats door inbellen. De daling van de kosten heeft grote gevolgen gehad. In 1930 kostte een gesprek van drie minuten tussen Londen en New York nog $300 en in 1970 ongeveer $20. Tegenwoordig zijn de kosten verwaarloosbaar. Naast de enorme hoeveelheden kapitaal die daardoor in een mum van tijd van locatie kunnen veranderen, betekent het ook dat kennis en informatie beschikbaar komen voor grote groepen mensen die daar eerder van verstoken waren. Door de democratisering van kennis en informatie kan de overheid meer mensen sneller bereiken, maar de kans bestaat dat zij hierdoor een deel van haar macht verliest. De sociale ongelijkheid is door deze democratisering ook zichtbaarder dan ooit, wat wrevel en onrust kan doen toenemen in staten waar een groot verschil bestaat tussen een kleine rijke elite en de grote arme meerderheid van de bevolking. Een voorbeeld is de recente onrust in het Midden-Oosten (2011) waarbij dictatoriale regimes onder vuur liggen van opstandige bevolkingen die meer vrijheid en een eerlijkere verdeling van de welvaart eisen. De snelle verspreiding van de onrust was voor een deel mogelijk via internet en sociale netwerken als Twitter en Facebook.

De ontwikkeling van de computer opende met zijn rekenkracht mogelijkheden die eerder ondenkbaar waren. Wetenschappelijke modellen konden snel worden doorgerekend, ontwerpen kon elektronisch plaatsvinden en processen konden geautomatiseerd worden. Via internet zijn deze mogelijkheden ook wereldwijd en gelijktijdig mogelijk geworden. Miniaturisering bracht deze technieken ook binnen bereik van de gewone consument, terwijl kunstmatige intelligentie op een aantal vlakken al de menselijke intelligentie voorbijstreeft. Elektronische oorlogvoering geeft vooral de Verenigde Staten een enorme voorsprong en maakte het mogelijk om de laatste oorlogen met vrijwel geen doden aan eigen zijde te winnen, terwijl hackers hele systemen plat kunnen leggen.

Kansen, risico's en onzekerheden[bewerken]

Nieuwe technologieën maken het mogelijk dat de mens een grotere beheersing van de natuur heeft dan ooit. De menselijke leefomgeving wordt in grote mate gevormd door bouwkundige constructies, infrastructuur en cultuurlandschappen, terwijl met lucht- en ruimtevaart zelfs het hemelruim en de nabije ruimte hierbij wordt betrokken. Met genetische technologie kunnen de genen van organismes gericht veranderd worden, terwijl informatie- en communicatietechnologie steeds meer menselijke beperkingen opheft.

Het kernongeluk van Three Mile Island heeft nieuwe vormen van risicomanagement tot stand gebracht. Zo ontwikkelde Perrow zijn theorie van systeemongelukken die stelt dat ongevallen onvermijdelijk zijn bij complexe interacties met sterke koppelingen. Daarom zet hij onder meer kanttekeningen bij risicoanalyse. Storingen en ongevallen kunnen relatief zeldzaam voorkomen, waardoor uit een risicoanalyse volgt dat bijvoorbeeld kernenergie weinig risico heeft en daarom toelaatbaar is. Perrow stelt dat de mogelijke gevolgen dusdanig zijn dat deze techniek toch verlaten moet worden. Er is wel een tijdlang een aanzienlijke terughoudendheid geweest bij het bouwen van nieuwe centrales, maar het heeft niet geleid tot grootschalige afbouw.

Tegenover de kansen staan de risico's. Knight maakte daarbij onderscheid tussen risico waarvan de verwachting te berekenen is en onzekerheid waarvan de kansverdeling onbekend is, Knightiaanse onzekerheid. Vooral dat laatste maakt dat de mens niet ten volle in staat is om de gevolgen van zijn handelen te overzien. De niet-lineairiteit, de zelfoverschatting en de risico's die hiermee gepaard gaan, zijn altijd aanwezig geweest. Met de toegenomen mogelijkheden is echter ook het desastreuze potentieel toegenomen. Een foute beslissing of beleid had in de prehistorie gevolgen voor enkele tientallen of honderden mensen. Tegenwoordig kan de aarde enkele malen vernietigd worden door kernwapens en zijn de potentiële gevolgen van genetische modificatie niet goed te overzien. De invloed van de mens op het ecosysteem is duidelijk meetbaar en heeft mogelijk verregaande gevolgen. Het wereldwijd steeds fijnvertaktere netwerk maakt dat ook computervirussen en financiële crisissen zich met ongekende snelheid kunnen verplaatsen. De zekerheid dat er bij elk systeem fouten optreden doet Perrow de vraag stellen of bepaalde technologieën nastrevenswaardig zijn als systeemongelukken onvermijdelijk zijn.

Daartegenover bestaat het vooral sinds de Verlichting sterke idee dat de huidige moeilijkheden opgelost kunnen worden met de vooruitgang van wetenschap en technologie. Het vooruitgangsgeloof leeft onder meer voort bij Kurzweil die in de toekomst een zogenaamde technologische singulariteit ziet waarin de mensheid vergaand versmelt met zijn technologie en zijn omgeving totaal kan beheersen.

De vraag is echter of wetenschappelijke, technologische en economische vooruitgang gepaard gaan met maatschappelijke vooruitgang en of er geen nieuwe problemen gecreëerd worden. Voor Lyotard was Auschwitz het einde van het idee van universele vooruitgang. Cyberneticus De Garis ziet zelfs een totale uitroeiing van de mens in het verschiet door zijn uiteindelijk uit de hand lopende dolgedraaide technologie: ofwel wordt de mens door een ultra-intelligente kunstmatige intelligentie terzijde geschoven, ofwel vergiftigt de mens zijn leefomgeving zozeer dat hij niet meer op de Aarde kan leven.

Voorspellingen[bewerken]

De waarde van voorspellingen werd door Drucker samengevat:

If anyone suffers from the delusion that the human being is able to forecast beyond a very short time span, look at the headlines in yesterday's paper, and ask which of them anyone could possibly have predicted a decade or so ago. [...] We must start out with the premise that forecasting is not a respectable human activity and not worthwhile beyond the shortest of periods. Strategic planning is necessary precisely because we cannot forecast.[8]

Desondanks zag Bell een nieuwe elite ontstaan in een postindustriële samenleving die zich onderscheidt door zich niet te richten op het verleden, maar op de toekomst met prognoses, modellen en systeemanalyses. Touraine stelt zelfs dat er een 'geprogrammeerde' maatschappij zal ontstaan met technocraten en bureaucraten als de nieuwe elite, die evenwel geen eenheid zal vormen. Volgens Beck zijn de gevaren en risico's in de huidige risicomaatschappij echter niet terug te brengen tot slechts technische feiten, maar moet er ook een normatief oordeel worden gegeven over hoe men wil leven. De vraag is dan ook in hoeverre morele en ethische beslissingen die een hele samenleving aangaan, over moeten worden gelaten aan enkele experts. Beck stelt dat de definitiemacht in deze gevallen niet slechts bij deskundigen moet liggen.

Problematisch bij alle voorspellingen is de rol van willekeur waardoor de Zwarte Zwanen van Taleb de geschiedenis beïnvloeden op een manier die niet te voorzien is. Scenarioanalyse wordt dan ook wel als alternatief gebruikt om voorbereid te zijn op het ongekende.

Literatuur[bewerken]

  • Maddison, A. (2006): The World Economy, Volumes 1-2, OECD Publishing,
  • McNeill, J.R.; McNeill, W.H. (2003): The Human Web, A Bird's Eye View of World History, Norton, New York,
  • Vanhaute, E. (2008): Wereldgeschiedenis. Een inleiding, Academia Press, Gent.

Noten[bewerken]

  1. Jablonski, N. (2010): De naakte waarheid, Scientific American, maart/april 2010, p. 14-21.
  2. Het met specialisatie samenhangende begrip arbeidsverdeling stamt uit het in 1776 gepubliceerde The Wealth of Nations. Adam Smith gaf hierin het voorbeeld van een speldenfabriek: waar één man zeker niet in staat zou zijn om 20 spelden per dag te maken, waren tien man in staat om in een dag 48.000 spelden te maken door de taken te verdelen. Deze productie is dusdanig hoog dat deze niet lokaal afgezet kan worden, zodat specialisatie handel over grotere afstanden stimuleert.
  3. Turchin, P.; Adams, J.M.; Hall, T.D. (2004): East-West Orientation of Historical Empires stellen dat de grootste rijken zich vooral in de oost-westrichting vormden.
  4. Kenmerkend voor deze werken was het metrum en de standaardformuleringen. Door dit muzikale beginsel was het mogelijk om een werk in zijn geheel mondeling over te dragen in de tijd voordat het schrift voldoende verspreid was. Roy van Zuydewijn, H.J. de (1992): Homerus Odyssee. De terugkeer van Odysseus, De Arbeiderspers, Amsterdam/ Antwerpen.
  5. Whitrow, G.J. (1973): Einstein, the man and his achievement, Courier Dover Publications,
  6. J.R. McNeill (2001): Something New Under the Sun. An Environmental History of the Twentieth-Century World, W. W. Norton, p. 4,
  7. Maddison (2006)
  8. Drucker, P.F. (1999): Management. Tasks, Responsibilities, Practices, Taylor & Francis