Non-interventie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Non-interventie is het beginsel dat staten zich, niet gewapenderhand of anders, met de interne politiek mengen in de aangelegenheden van andere staten. De overheid van een land moet in dit geval geen allianties sluiten met andere landen, maar nog steeds diplomatie moet behouden, en alle oorlogen vermijden die niet gerelateerd zijn aan directe zelfverdediging.

Overzicht[bewerken]

Het concept van non-interventie is ontstaan uit de soevereine staten die in de Vrede van Westfalen van 1648 waren gecreëerd. Het concept van soevereine staten is dat binnen het territorium van een politieke entiteit de staat de enige machthebber is, en dat daarom geen staat mag interveniëren van buiten dat territorium, militair noch op andere wijze, met de politiek van de staat.

Het theoretische fundament van de norm van non-interventie is best te analyseren door de principes van soevereiniteit en het politieke zelfbeschikkingsrecht in ogenschouw te nemen. Dit principe, het non-interventionisme genaamd, is gebaseerd op de grond dat een staat niet dient in te grijpen in de interne politiek van een ander land, gebaseerd op principes van soevereiniteit en zelfbeschikking. Historische voorbeelden van voorstanders van non-interventionisme waren de Amerikaanse presidenten George Washington en Thomas Jefferson, die zich niet wilden bemoeien met Europese oorlogen terwijl ze vrijhandel wilden behouden. Andere bekende internationale voorstanders zijn de Amerikaanse senator Robert Taft en presidentskandidaat Ron Paul. In Nederland is de Libertarische Partij de enige partij die de visie expliciet verdedigt.

Non-interventionie is anders dan isolationisme, hoewel het er vaak mee wordt verward. De laatste wordt echter gekenmerkt door economisch nationalisme (protectionisme) en restrictieve immigratie, terwijl de eerste samengaat met vrijhandel en een wat meer open immigratiebeleid.

Zie ook[bewerken]