Ingebeelde gemeenschap

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een ingebeelde of verbeelde gemeenschap (Engels: imagined community) is een gemeenschap waarvan de leden elkaar nooit allemaal persoonlijk kunnen kennen, maar onderling wel een binding voelen en zich als deel van die groep beschouwen. Hiervan is sprake zodra gemeenschappen groter worden dan dorpsniveau. Leden hebben een mentaal beeld van hun affiniteit met de gemeenschap in hun hoofd. Dit laat zich bijvoorbeeld voelen als de natie deelneemt aan een groot evenement als de Olympische Spelen. Het begrip is afkomstig van Benedict Anderson die dit fenomeen onderscheidde bij het ontstaan en verspreiden van het nationalisme in de negentiende eeuw. Het proces van natievorming wordt versterkt door niet alleen in te beelden, maar ook uit te beelden. Daarbij wordt de nadruk gelegd op een gemeenschappelijk verleden en cultuur in combinatie met retoriek, nationale mythen en uitgevonden tradities. Zaken die hier niet goed inpassen, worden er bewust uitgelaten.

Het hangt niet samen met de omvang aangezien zelfs de leden van de kleinste natie de overgrote meerderheid van de natie nooit zullen kennen of ontmoeten, maar desondanks een beeld van hun verbinding in het hoofd zullen hebben. Hoewel leden van de gemeenschap dus nooit alle andere leden zullen kennen, kunnen ze wel dezelfde interesses hebben of zich identificeren als deel van dezelfde natie. De massamedia creëert ook ingebeelde gemeenschappen, gewoonlijk door zich op een massapubliek te richten of door te generaliseren en burgers als het publiek te adresseren.

Benedict Anderson definieerde een natie als an imagined political community - and imagined as both inherently limited and sovereign (een ingebeelde politieke gemeenschap - en ingebeeld als zowel inherent beperkt en soeverein). Beperkt omdat naties hebben finite, if elastic boundaries, beyond which lie other nations (eindige, zoniet elastische grenzen, waarbuiten andere landen liggen). Soeverein, aangezien geen dynastieke monarchie autoriteit kan claimen over een moderne natie:

...[H]et concept werd geboren in een tijd waarin verlichting en revolutie de legitimiteit vernietigde van het goddelijk bepaalde, hiërarchisch dynastieke rijk. Tot volwassenheid komend in een periode van de menselijke geschiedenis - toen zelfs de meest toegewijde aanhangers van een universele religie niet konden ontkomen aan het levende pluralisme van zulke religies, en aan het allomorphisme [directe relatie] tussen de ontologische claims en territoriale reikwijdte van elk geloof - droomden naties van vrijheid. Het embleem van deze vrijheid is de soevereine staat. Zelfs al zien we nooit iemand in onze ingebeelde gemeenschap, alsnog weten we dat ze er zijn door communicatie.

Een natie is een ingebeelde gemeenschap, omdat ongeacht de werkelijke ongelijkheid en uitbuiting die bestaat in een natie, wordt er altijd over de natie gedacht als een diep, horizontaal kameraadschap. Het is dit gevoel van kameraadschap dat het in de laatste twee eeuwen mogelijk gemaakt heeft dat miljoenen mensen niet alleen bereid waren om te doden, maar ook om te sterven voor zulke beperkte verbeeldingen.

Volgens Anderson werd de creatie van ingebeelde gemeenschappen mogelijk door printkapitalisme. Kapitalistische entrepreneurs drukten hun boeken en media in de landstalen om de oplage te maximaliseren, in plaats van exclusieve schrifttalen, zoals Latijn. Als gevolg daarvan konden lezers, die verschillende lokale dialecten spraken, elkaar begrijpen en kon er een gemeenschappelijk discours ontstaan. Anderson betoogt dat de eerste Europese natiestaten zo gevormd werden rond hun "nationale druk-talen".

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Anderson, B.R. O'G. (1983): Imagined communities. Reflections on the origin and spread of nationalism, Verso, London.