Taliban

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vlag van de Taliban
De Taliban in Herat, juli 2001

Taliban (Pasjtoe: طالبان) is het meervoud van talib, dat student (van theologie) betekent. Het is de aanduiding van een islamitische guerrillabeweging in Afghanistan en Pakistan. In beide landen beheersen de taliban grote bevolkingsgebieden. In Afghanistan hadden de taliban een tijdlang de macht in Kabul en het grootste deel van het land in handen, die ze gewapenderhand hadden veroverd, en hadden ze er een emiraat uitgeroepen. Deze taliban hadden uitvalsbases in het grensgebied met Pakistan waar ook de opleidingscentra liggen in de vorm van strenge Koranscholen, de zogenaamde madrassa's. De taliban worden financieel, logistiek en organisatorisch gesteund door Pakistan (in het bijzonder door de ISI, de Inter-Services Intelligence Directorate ofwel de geheime dienst van Pakistan) en een aantal Arabische landen, met name Saoedi-Arabië.[1]

Vooraf[bewerken]

Sinds de invasie van de Sovjet-Unie in 1979 was Afghanistan het strijdtoneel van diverse partijen. Het verzet tegen de Sovjets werd aanvankelijk met geld en wapens door de Verenigde Staten gesteund. Na verloop van tijd waren er diverse krijgsheren (Moedjahedien) die niet alleen de Sovjets, maar ook elkaar bestreden. De teelt van papaver voor de productie van heroïne was voor hen een belangrijke inkomstenbron.

In 1988 trokken de Sovjets zich terug uit Afghanistan en raakten de krijgsheren slaags met elkaar met onder andere als gevolg de vernietiging van Kabul.[bron?]

Oorsprong[bewerken]

De taliban hebben hun wortels in de madrassa's van Pakistan. Tijdens de Afghaanse Oorlog waren veel Afghanen gevlucht naar Pakistan en de zonen van de vluchtelingen werden massaal naar de Pakistaanse madrassa's gestuurd waar ze behalve van Koranstudie ook genoten van gratis voedsel en onderdak. De madrassa's worden voornamelijk gefinancierd vanuit de Arabische landen en onderwijzen merendeels een uiterst orthodoxe soennitische militante versie van de islam. Een belangrijke madrassa voor de taliban is Darul uloom Haqqania (onder leiding van Maulana Sami ul-Haq, ook wel de vader van de taliban genoemd) waar de belangrijkste leiders van de taliban, zoals Mullah Omar, zijn opgeleid.[2] Tijdens de burgeroorlog die ontstond na het vertrek van de Sovjet-Unie uit Afghanistan werden de taliban gevormd uit de Afghaanse vluchtelingen waarbinnen de studenten van madrassa’s de belangrijkste fractie vormden en de leiding namen.

Opkomst (1992-1996)[bewerken]

In 1994 lieten de taliban voor het eerst van zich horen door een roofoverval op een konvooi af te slaan. De rovers werden geëxecuteerd, verminkt, en als voorbeeld tentoongesteld. Kort daarna werd Kandahar ingenomen, dat tot 2001 als hoofdstad van het taliban-regime zou fungeren. In de jaren 1992-1996 rukten de talibanstrijders steeds verder noordwaarts op. Hoewel ze de hoofdstad Kabul aanvankelijk niet konden innemen, bezetten ze wel de tweede stad Herat, en werden ze door de Afghanen (met name de Pathanen) als bevrijders binnengehaald. Mullah Mohammed Omar werd in deze jaren meer en meer de leider van de taliban.

Ze formuleerden hun basisdoelen als: de vrede herstellen, de bevolking ontwapenen, de sharia doorvoeren en de islam in Afghanistan verdedigen. Hun definitie van de sharia werd beïnvloed door de extremistische lessen in Pakistan (hoofdzakelijk bepaald door de leer van Maududi en zijn Jamaat-e-Islami-partij) en een pervertering van de Pashtunwali (de Pathaanse gedragscode). Deze extreme vorm van de sharia en de bijkomende brute handhaving waren de Afghaanse cultuur en tradities volstrekt vreemd.[3]

Verovering van Kabul (1996)[bewerken]

In oktober 1995 begon de belegering van Kabul. In het zuiden en westen hadden de taliban een halve ring rond de stad gelegd, waar niets of niemand door mocht. In het noorden hadden de troepen van generaal Dostum de Salang-pas afgesloten. Oostelijk bevond zich de Hezb-i-Islami, de strijdgroep van de vanuit Peshawar in Pakistan opererende oud-premier en moedjahedinleider Gulbuddin Hekmatyar. Het beleg van de stad zou voortduren tot september 1996.

Tijdens de belegering trachtte de Afghaanse regering van president Burhanuddin Rabbani nog te onderhandelen met de Hezb-i-Islami. Een delegatie van de Hezb-i-Islami zou in februari 1996 onder leiding van militair commandant Kashmir Khan verschillende opties voor machtsdeling hebben besproken. Hekmatyar had echter gezworen dat hij de regering van Rabbani omver zou werpen.[4]

Het Internationale Rode Kruis opende in februari 1996 een luchtbrug voor voedsel- en andere hulp aan de hongerende bevolking (destijds 1,2 miljoen mensen) in de stad. Elektriciteit en betrouwbaar water ontbraken er al meer dan twee jaar en het vroor er streng. In januari 1996 was er vrijwel geen proviand meer doorgekomen.[5][6][7]

Toen de taliban begin 1996 grote delen van Afghanistan in handen hadden gekregen, werden zij openlijk gesteund door de toenmalige regering van het buurland Pakistan. Die maakte vergaande plannen bekend voor economische hulp aan de uitgestrekte gebieden in Afghanistan die inmiddels onder controle stonden van wat in de westerse media veelal nog een islamitische studentenbeweging werd genoemd. Ze wilde de zwaar geschonden strategische zuidwestelijke weg via de steden Kandahar en Herat naar Centraal-Azië helpen repareren en de mogelijkheden laten onderzoeken voor de aanleg van een spoorverbinding van de Pakistaanse havenstad Karachi via zuidwestelijk Afghanistan naar de voormalige Sovjet-republieken in Centraal-Azië aan te leggen. Verder waren de Pakistanen van plan in Kandahar en Herat kantoren te openen van de Pakistaanse nationale bank en telefoonverbindingen tot stand te brengen tussen de Pakistaanse miljoenenstad Lahore en Afghaanse steden Kandahar, Herat, Ghazni en Mazar-i-Sharif. De eerste drie plaatsen waren reeds in handen van de taliban, de laatste was het hoofdkwartier van de Afghaans-Oezbeekse krijgsheer Rasheed Dostum, destijds nog een bondgenoot van de taliban. De Afghaanse regering in Kabul van president Burhanuddin Rabbani had Pakistan er reeds herhaaldelijk van beschuldigd de taliban ook militair te steunen. Islamabad had dit telkens ontkend, hoewel die verklaringen betwijfeld werden. [bron?] De betrekkingen tussen Rabbani en Islamabad waren in 1995-1996 zeer gespannen geweest. Pakistan verdacht het bewind van Rabbani ervan achter een bomaanslag in de stad Peshawar te hebben gezeten, waarbij in december 1995 30 mensen om het leven kwamen.[8]

Op 26 september 1996 werd Kabul alsnog ingenomen. Onder meer de voormalige, destijds door de Sovjets geïnstalleerde president Mohammed Nadjiboellah die door de regering Rabbani ongemoeid was gelaten, werd door de taliban uit het VN-gebouw gesleurd en als collaborateur opgehangen. De oppositie, die zich verenigde in de Noordelijke Alliantie, trok zich terug in de Pansjhirvallei. Een patstelling ontstond, waarbij de taliban de facto heerser over het land waren, maar de Noordelijke Alliantie in het noordoosten standhield.

Emiraat (1996-2001)[bewerken]

Mullah Mohammed Omar en de zijnen vormden Afghanistan om tot een streng islamitisch land. Slechts een klein gebied in het Noorden van het land kon niet worden onderworpen. De taliban stichtten het Islamitisch Emiraat Afghanistan (soms ook wel de Islamitische Staat Afghanistan genoemd). Ze gingen meteen over tot het verplichten van top-tot-teenbedekkingen voor vrouwen (boerka's) en baardgroei voor mannen, en tot het verbieden van onderwijs voor vrouwen, van foto's en video en verder elke vorm van afbeelden van levende wezens, en zelfs tot een verbod op vliegeren. Ook televisies werden verboden en officieel aan galgen gehangen. In maart 2001 bliezen de taliban de Boeddhabeelden van Bamyan op en bereidden een wet voor die niet-moslims verplichtte een merkteken te dragen. Lijfstraffen zoals amputatie en zweepslagen werden ingevoerd en de bevolking van Kabul werd verplicht executies in het voetbalstadion bij te wonen. Daarnaast verboden de taliban officieel de teelt van papaver. Dit verbod was zuiver bedoeld voor de bühne, met het doel om erkend te worden door de grote naties en de VN.[9] In werkelijkheid werd er meer opium geproduceerd dan ooit en hieven de taliban een belasting van US$56,- per standaardverpakking morfine van 6 kg, hetgeen ze enkele honderdduizenden dollars per dag opleverde. Het Emiraat werd alleen door Pakistan, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten als wettige regering erkend.[10]

Weliswaar was Kabul de formele hoofdstad, maar het zenuwcentrum van de taliban lag in het zuidelijke Kandahar, waar Mullah Omar meestal ook verbleef. Daar gaf hij leiding aan de sjoera, een vergadering van geestelijken die de talibandecreten uitvaardigde. Ook Wakil Ahmed Muttawakil, de minister van Buitenlandse Zaken, was daar vaak te vinden. Hier waren de regels nog strenger, en waren hindoes al verplicht gele kleding te dragen. Omar wilde Kandahar volbouwen met moskeeën en liet daarvoor de weinige hijskranen, ingenieurs en bouwmaterialen die het land nog bezat naar Kandahar halen. Deze projecten werden door de val van de taliban niet voltooid.

Ontwikkelingen sinds 2001[bewerken]

Afghanistan, de taliban en Al Qaida raakten sterk verweven met elkaar. Na de terroristische aanslagen op 11 september 2001 op het World Trade Center verzocht Amerika de Afghaanse regering om uitlevering van Osama bin Laden. De Afghaanse regering was daartoe bereid mits de rechtszaak tegen Bin Laden openbaar zou zijn en in een neutraal land gehouden zou worden. De VS weigerden dat echter, verklaarden nu de taliban de oorlog en in oktober vielen de VS en het VK Afghanistan binnen. De oorlog in Afghanistan was hiermee een feit.

Een voor een trokken de bondgenoten van Afghanistan zich terug of liepen over, en de VS ondernamen talrijke luchtaanvallen. In coördinatie met de door hen gesteunde Noordelijke Alliantie, werd vervolgens een grondoorlog begonnen.

De taliban verloren de hoofdstad Kabul op 12 november 2001.

Na beëindiging van de strijd trokken de taliban zich terug in de bergen en werden een guerrillagroepering die nog steeds actief is en grote delen van het land beheerst. Ze voerden op 16 september 2004 een aanslag uit op Hamid Karzai in de stad Gardez. In de aanloop van de verkiezingen van 18 september 2005 werden diverse politici gedood.

Tijdens de operatie Enduring Freedom werden met name veel buitenlandse strijders gevangengenomen die zich bij de taliban en Al Qaida hadden aangesloten. Enkele honderden werden via de Amerikaanse legerbasis in Baghram overgebracht naar het op Cuba gelegen Guantánamo Bay. Er werd veel kritiek geleverd op de regering Bush omdat zij deze gevangenen, 'enemy combatants' genoemd, buiten elke rechtsorde zou plaatsen en daarmee voorbijging aan internationale verdragen zoals de Geneefse Conventies.

Op 12 mei 2007 werd bij gevechten met NAVO-eenheden en militairen van het Afghaanse leger in de zuidelijke provincie Helmand Dadullah gedood, destijds de belangrijkste militaire verzetsleider van de taliban.

Op 11 februari 2008 namen Pakistaanse veiligheidstroepen Dadullahs broer Mullah Mansoor Dadullah gevangen. Dat was enkele dagen nadat de Pakistaanse regering in Islamabad de Amerikaanse waarschuwingen voor de aanwezigheid van talibanleiders op Pakistaans grondgebied nog hadden tegengesproken.

Mullah Mansoor Dadullah en vier andere taliban, van wie er drie zijn lijfwachten zouden zijn, werden opgepakt bij een actie in het zuidwesten van de Pakistaanse provincie Beloetsjistan, in het dorp Gowal Ismail Zai, bij de Afghaanse grens. Op 16 februari 2010 wordt de nummer 2 van de taliban, Mullah Beradar, opgepakt in de Pakistaanse stad Karachi.

Vanaf 2006 werd een sterke "talibanisering" in Pakistan gesignaleerd.[11]

Ontwikkelingen in 2009[bewerken]

Op 22 augustus 2009 werden in Afghanistan provinciale en presidentsverkiezingen gehouden. De regering in Kabul voert een politiek waarbij ook "verzoening" een rol speelt. Meer concreet betekent dit dat zij de taliban als gesprekspartners verwelkomt die zich distantiëren van geweld en van Al Qaida en die de Afghaanse grondwet erkennen. In maart 2009 lieten zowel de Afghaanse ambassadeur bij de Europese Unie te Brussel, Dr. Zia Nezam,[12] als de Afghaanse president Karzai, in een toespraak bij de Internationale Afghanistan-conferentie te Den Haag, zich op dergelijke wijze uit. Over de rest verklaarde Nezam dat die moest worden geëlimineerd.

In strategische discussies omtrent de confrontatie van de Afghaanse regering en de ISAF-troepen met de taliban wordt steeds vaker het standpunt ingenomen dat door eerstgenoemden zou dienen te worden gestreefd naar een doen overlopen van talibanleiders met hun gevolg naar de regeringszijde, in plaats van de strijd voort te zetten.[13]

Bij de Afghaanse presidentsverkiezingen in augustus 2009 voerden de taliban een geweldscampagne om kiezers ervan te weerhouden hun stem uit te brengen. In september 2009 bleek uit een uitgelekt rapport van de Internationale Raad voor Veiligheid en Ontwikkeling dat zij steeds meer terrein heroverden. Ze waren zeer actief in 80 procent van het land, waar dat een jaar geleden nog 72 procent was. [bron?] In een veiligheidsrapportage die een maand eerder was gepubliceerd door de Afghaanse overheid heette het nog dat "de helft van het land" kampte met een hoog risico op terreuraanslagen, of onder controle stond van de taliban. De opmars had vooral plaats in het noorden, met name in de provincies Balkh en Kunduz.[14]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Ahmed Rashid, De dreiging van chaos De crisis in Pakistan, Afghanistan en Centraal-Azië, pag. 66-68 en 78-79, Uitg. Atlas, Amst. (2009), ISBN 978-90-450-1242-1
  2. Center for Strategic & International Studies, Maulana Sami ul-Haq: Father of the Taliban
  3. Ahmed Rashid, De dreiging van chaos De crisis in Pakistan, Afghanistan en Centraal-Azië, pag. 64-65, Uitg. Atlas, Amst. (2009), ISBN 978-90-450-1242-1
  4. "Bewind in Kabul wil macht delen met Heckmatyar", in dagblad de Volkskrant, 26 februari 1996, pag. 5
  5. Peerdeman "Rode Kruis opent luchtbrug naar Kabul", bericht Algemeen Nederlands Persbureau ANP, 3 februari 1996
  6. "Afghaanse rebellen laten hulpkonvooi door naar Kabul", in dagblad de Volkskrant, 8 februari 1996, pag. 23
  7. Rob Vreeken "Tegenstanders regering blokkeren voedselkonvooien; Omsingeld Kabul beleeft barre hongerwinter", de Volkskrant, 13 februari 1996, pag. 11
  8. "Pakistan wil hulp aan Talibaan-gebied geven", in NRC Handelsblad, 24 januari 1996, pag. 4
  9. Roland Jacquard "In naam van Osama Bin Laden" Hoofdstuk 15, pag. 227, Uitg. Van Gennep 2002 (geschreven voor 9/11/2001) - Amsterdam, ISBN 90-5515-325-7
  10. Uitpers 2001 "De Taliban en Boeddha" door Paul Vanden Bavière
  11. The Boston Globe "Radical teachings in Pakistan schools", by Charles M. Sennott, Globe Staff | September 29, 2006
  12. in een interview met Arnold Karskens in dagblad De Pers
  13. Forini Christia & Michael Semple "How to flip the Taliban", in Foreign Affairs, juli/augustus 2009, jrg. 88, nr. 4, pp.34-45
  14. "Taliban machtiger dan gedacht in Afghanistan"