Koffieplant

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Koffieplant
Coffee Flowers Show.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Lamiiden
Orde: Gentianales
Familie: Rubiaceae (Sterbladigenfamilie)
geslacht
Coffea
L. (1753)
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De koffieplant (Coffea) is een geslacht van houtige planten. De meeste soorten (33) komen voor in tropisch Afrika en vinden hun oorsprong met name in Ethiopië. Op Madagaskar komen veertien soorten voor, in tropisch Zuidoost-Azië en op het eiland Mauritius drie soorten. Alle soorten zijn houtige planten en kunnen afhankelijk van de soort kruipend, struikvormend, boomvormend of liaanvormend zijn.

De bloemen staan in groepjes van 2-20 bij elkaar in de bladoksels. Pas na regenval beginnen de bloemknoppen zich te ontwikkelen en acht tot twaalf dagen later treedt er een massale bloei op. De bloemen zijn vijftallig en hebben dus vijf witte kroonblaadjes.

De vrucht van de koffieplant is een steenvrucht. Elke vrucht bevat een pit met daarin de koffiebonen. Doordat de zaden bij het rijpen tegen elkaar aandrukken ontstaat de karakteristieke vorm. De gedroogde en gebrande zaden van de plant dienen als basis voor koffie, een stimulerende, cafeïnehoudende drank. Koffie wordt vooral gecultiveerd op plantages in tropische landen, voor export naar landen met een gematigd klimaat. Koffie is een van de belangrijkste handelsgoederen ter wereld en is een belangrijk exportproduct van landen rondom de evenaar, zoals Brazilië, Vietnam en Colombia.

Soorten[bewerken]

Er zijn vele soorten. De bekendste zijn:

Arabica-koffie[bewerken]

Koffieplantage (Arabica koffie) in Brazilië
Unroasted coffee.jpg

Van oorsprong komt Arabica-koffie (Coffea arabica L., 1753) uit het Ethiopisch Massief. Van daaruit werd de soort naar de Arabische landen verspreid. Het is een tetraploïde en zelfstuivende plant, die ongesnoeid ongeveer 5 meter hoog kan worden. In 1690 werd de plant, waarschijnlijk afkomstig uit Jemen, door de Nederlanders ingevoerd op Java en in 1699 opnieuw. In 1708 werd vanuit Java een plant die bloeide en bessen gaf, overgebracht naar de Hortus Botanicus van Amsterdam. In 1715 stuurde de toenmalige burgemeester van Amsterdam nazaten van deze plant naar koning Lodewijk XIV in Parijs, waar ze verder werden verzorgd door Antoine de Jussieu. Ook werden er in 1718 planten vanuit Amsterdam verstuurd naar Suriname van waaruit ze in 1722 door de Fransen werden verspreid over Frans-Guyana. Vanuit Frans-Guyana vond in 1727 verdere verspreiding plaats naar Brazilië. Nakomelingen van de Parijse plant kwamen rond 1720 in Martinique terecht en van daaruit in 1730 op Jamaica. De Arabica-koffie is vanuit deze introducties verder verspreid naar het Caraïbische gebied, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika.

Aan het eind van de zeventiende eeuw werd de Arabica-koffie ook ingevoerd in India en Ceylon. In 1740 kwamen Amsterdamse nakomelingen op de Filipijnen en in 1825 op Hawaï terecht. De Fransen namen de plant mee naar hun Afrikaanse kolonies. Ook is via de Edinburgse Botanische Tuin in 1878 een nakomeling van de Amsterdamse plant in Nyasaland terechtgekomen, van waaruit zij omstreeks 1900 verder naar Oeganda werd verspreid.

Brazilië en Colombia zijn de belangrijkste producenten van Arabica-koffie. Daarnaast zijn Mexico, El Salvador, Guatemala en Costa Rica belangrijke koffieproducenten.

Robusta-koffie[bewerken]

Bloem van Coffea canephora
Canephora.jpg

Robusta-koffie (Coffea canephora A. Froehner, 1897; synoniem: Coffea robusta L.Linden, 1900) komt van oorsprong uit het middelgebergte van Afrika rondom de evenaar, tussen 10° Noorder- en Zuiderbreedte, van de Westkust tot Oeganda. Bij een natuurlijke groei vormt de plant een kleine boom. Voor de teelt van de bonen wordt er echter sterk gesnoeid om de plant meer in een struikvorm te krijgen en te houden.

Robusta-koffie is minder vatbaar voor plantenziekten dan arabica-koffie. De soort is daardoor met minder bestrijdingsmiddelen te telen. Bovendien levert ze een grotere oogst dan Arabica-koffie. Robusta-koffie is daardoor goedkoper te produceren dan arabica. Deze koffie wordt veel gebruikt voor het maken van koffiepoeder. De bonen bevatten ongeveer 2 - 2,5 % cafeïne, zo'n 70 % meer dan arabica. De Baganda en andere Oegandese stammen teelden deze koffie lang voor de ontdekking door Europese ontdekkingsreizigers en gebruikten de koffiebonen om op te kauwen. Ook werden de bessen gekookt en gedroogd. Daarnaast werden de twee zaden uit een bes gebruikt voor de ceremonie van bloedbroederschap.

In 1900 stuurde Lucien Linden (1851-1940) vanuit Brussel 150 planten naar Java. De planten bleken daar zeer goed te groeien en resistent te zijn tegen koffieroest (Hemileia vastatrix) en al snel breidde de koffieteelt met Robusta-aanplant zich sterk uit op Java. Sinds 1900 is de Robusta-koffie over de hele wereld verspreid; belangrijke teeltgebieden liggen nu in tropisch Afrika, Azië en Zuid-Amerika. Belangrijke productiegebieden zijn Vietnam, Brazilië, Ivoorkust, Angola, Oeganda, Congo, Madagaskar en Indonesië.

Liberica-koffie[bewerken]

Bloeiende Liberica-koffie geplant in 1896 op Zuid-Sumatra

Liberica-koffie (Coffea liberica Hiern, 1876) is afkomstig uit Liberia en Congo-Kinshasa en wordt vooral geteeld in Maleisië, West-Afrika en de Guyana’s. De productie van Liberica is ongeveer één procent van de wereldproductie aan koffie.

Deze koffie is een laaglandsoort die goed aangepast is aan warme equatoriale bossen. De plant vertoont een sterke groei en heeft grote leerachtige bladeren. De bladeren van de plant bevatten meer cafeïne dan de bonen. De boom kan 18 meter hoog worden. De grote bloemen zijn zelfsteriel en openen zich op onregelmatige momenten in plaats van in vlagen, zoals bij de andere twee geteelde koffiesoorten. Deze koffiesoort werd, door zijn resistentie tegen ziekten, aan het einde van de 19e eeuw in Indonesië aangeplant als vervanger van de door de koffieroestziekte aangetaste Arabica-koffiebomen. De plant produceert bessen die twee keer zo groot zijn als die van de Coffea arabica. De bonen zijn echter van veel mindere kwaliteit. Daarom wordt Liberica-koffie meestal geteeld voor lokale consumptie en zelden voor de export. Alleen in Scandinavische landen werd veel Liberica-koffie gedronken. Noorwegen was rond de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste afnemer van Surinaamse Liberica-koffie.

Bloemdiagram[bewerken]

Kwaliteit[bewerken]

Koffieplant (Arabica-koffie) met bessen in Brazilië

Arabica-koffiebonen geven een mildere en aromatischer koffiesmaak en worden vooral gebruikt in de duurdere melanges, zoals goudmerk, dat voor 100% uit arabica-koffie bestaat. Roodmerk is een melange van 30% robusta en 70% arabica. Bij zilvermerk is het aandeel robusta 20% en arabica 80%. Robusta-koffie heeft een bittere smaak. Binnen de soorten komen weer verschillende rassen voor met verschillende eigenschappen zoals verschillen in resistentie tegen schimmelziekten.

De hoogste kwaliteit koffiebonen wordt verkregen als uitsluitend de rijpe vruchten geplukt worden. Dit is dan ook grotendeels afhankelijk van de manier waarop men ze plukt: met de hand of mechanisch. Ook achteraf wordt er meestal nog eens een extra selectie gedaan. Een nog exclusievere kwaliteit is de Kopi Luwak. Dit is een zeer bijzondere specialiteit, die verkregen wordt door de bonen te verzamelen uit de uitwerpselen van de Loewak (Paradoxurus hermaphroditus), ook wel palmroller of koffierat genoemd.

Branden[bewerken]

Geroosterde koffiebonen

De koffiebonen moeten geroosterd en gemalen worden, voordat er koffie van kan worden gezet. Het branden gebeurt in koffiebranderijen. Sommige mensen roosteren ook thuis en worden dan ook "thuisbrander" genoemd. Tegenwoordig wordt de koffie voornamelijk als gemalen koffie, los of in pads, verkocht, terwijl men vroeger de bonen veelal zelf maalde in een handkoffiemolen of later in elektrische koffiemolens. Door het vacuüm verpakken is nu ook de kwaliteit van gemalen bonen goed te behouden. Als gemalen koffie aan de lucht wordt blootgesteld worden de nog aanwezige vetten geoxideerd waardoor de kwaliteit snel achteruitgaat. Daarom wordt gemalen koffie bij de consument in afgesloten voorraadbussen, glazen potten of in de vriezer bewaard.

Zie ook[bewerken]