Pensioen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Voor de novelle van Willem Elsschot, zie Pensioen (novelle)

Pensioen is een inkomensverzekering, waarmee een (gezins)inkomen wordt verzekerd voor wanneer dat wegvalt wegens ouderdom, arbeidsongeschiktheid of overlijden.

  • Ouderdomspensioen: voor de tijd dat men niet meer werkt op latere leeftijd.
  • Arbeidsongeschiktheidspensioen: voor als men niet meer kan werken wegens arbeidsongeschiktheid (ook 'invaliditeitspensioen' genoemd).
  • Nabestaandenpensioen: een uitkering aan achterblijvende partners en wezen.

Vaak worden alle drie deze risico-oorzaken gedekt in een pensioenregeling. Daarnaast kunnen pensioenregelingen bepalingen bevatten voor pensioenopbouw in speciale gevallen, zoals onbetaald verlof, demotie, militaire dienstplicht, zwangerschap en kortstondige werkloosheid.

Pijlerstelsel[bewerken]

Het pensioenstelsel van een land wordt vaak onderverdeeld in drie 'pijlers':

Eerste pijler[bewerken]

De 'eerste pijler' is een basispensioen, gewoonlijk door de staat geregeld en gewoonlijk gefinancierd door middel van een omslagstelsel (in Nederland is dit geregeld in de Algemene Ouderdomswet, AOW, in België heet dit het "wettelijk pensioen"). Deze pijler heeft als doel ten minste een basisvoorziening te scheppen waarmee armoede onder ouderen wordt voorkomen. In sommige landen gaat de eerste pijler veel verder dan een basisinkomen, waardoor de rol van de tweede pijler kleiner is.

Nederland: De eerste pijler, de AOW, wordt opgebouwd uit rechten die men verkrijgt voor elk jaar dat men in de 50 jaar voorafgaand aan de uiteindelijk geldende AOW-leeftijd in Nederland verblijft. Men hoeft dus niet werkzaam te zijn. Elk jaar wordt dus 1/50ste, is 2% van de maximaal te halen AOW opgebouwd. Het AOW-bedrag is dus een functie van het aantal jaren bijdrage.

België: De eerste pijler wordt opgebouwd uit rechten. Bij het werknemerspensioen geldt elk gewerkt jaar voor 1/45ste. Het maximum is 45/45sten. Het stelsel is een rustpensioen of een overlevingspensioen. Beiden worden in de volksmond 'het pensioen' genoemd. Deze breuk bepaalt mede de hoogte van het pensioenbedrag, gebaseerd op de hoogte van de gestorte bijdragen tot een bepaald plafond, het zogenaamde pensioenplafond. Er zijn drie stelsels in België: voor zelfstandigen, werknemers en ambtenaren.

Tweede pijler[bewerken]

De 'tweede pijler' is het aanvullend pensioen, ook wel kortweg pensioen genoemd.

Het Nederlandse aanvullend pensioen wordt door werknemers tijdens hun werkzame leven opgebouwd. De premie wordt betaald door werknemer en werkgever samen. De opbouw hiervan, een secundaire arbeidsvoorwaarde (uitgesteld loon), gebeurt meestal tot de fiscaal toegestane grens (zie onder). Het wordt gefinancierd door een kapitaaldekkingsstelsel of - veel minder vaak - een omslagstelsel, of een combinatie van beide. Het pensioen is bedoeld als aanvulling op de AOW-uitkering, maar gaat niet noodzakelijk tegelijk in.

In sommige landen (Duitsland, Portugal, VS), wordt nog de boekreserve gebruikt als financieringssysteem. Omdat dit systeem riskant is voor de begunstigden loopt het gebruik er van steeds meer terug. Bij een kapitaaldekkingsstelsel bouwt een werknemer in principe zijn eigen 'spaarpot' op, waaruit later het pensioen wordt uitgekeerd. Het doel van de tweede pijler is om, samen met de eerste pijler, een redelijk inkomen te geven aan ouderen dat is gerelateerd aan het gedurende het werkzame leven genoten salaris. In Nederland is dat meestal 70% van het gemiddeld verdiende salaris (middelloonsysteem) of, inmiddels zeldzamer, van het laatst verdiende salaris (eindloonsysteem). Die 70% wordt behaald door de AOW en het zelf opgebouwde pensioen bij elkaar op te tellen. Pensioengrondslag is het pensioengevend salaris minus de zogenoemde franchise, over die franchise wordt geen pensioenpremie betaald.

Een tweedepijlerpensioen van een kapitaalgedekt pensioenfonds kan ook worden gespaard via het beschikbare-premiesysteem, het verzekeren van een pensioenkapitaal of het beschikbare-uitkeringssysteem. Ook de zeldzame vastebedragenregeling wordt tot deze categorie gerekend.

De Belgische 'tweede pijler' zijn de systemen van aanvullend pensioen die door de werkgever gefinancierd wordt (toelage genoemd) in uitvoering van de WAP. Indien het voorzien is, kan en moet de werknemer ook een premie betalen (bijdrage genoemd). De werkgever heeft een grotere vrijheid indien er geen bijdrage betaald wordt door de werknemer. Dit gebeurt meestal met een groepsverzekering (bv. alle bedrijfsleiders, alle kaderpersoneel, alle bedienden,...) of een individuele pensioentoezegging (zodat niet iedere categorie werknemers hier recht op heeft). Dit gebeurt meestal met een mix van diverse verzekeringsproducten, Tak21 (met gewaarborgd rendement en variabele winstdeling) en Tak23 (aandelen- en/of obligatiefonds verpakt als verzekering). Het kan zijn dat deze producten nog meer verzekeringsluiken tellen, zoals een hospitalisatieverzekering of een overlijdensdekking. Ook tot de tweede pijler behorende is het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen, wat een zelfstandige vrij kan voor sparen. Naar aanleiding van het akkoord van 10 februari 2014 over de gelijkschakeling van het aanvullend pensioen tussen arbeiders en bedienden komt er een volledige gelijkschakeling vanaf 1 januari 2025.

Het pensioenplan is met vaste bijdrage (het pensioen onder vorm van kapitaal of rente zal afhangen van de grootte van de bijdragen), met vaste prestatieplan of te bereiken doel (doorgaans uitgedrukt als percentage van het loon) en tenslotte een mengvorm van de beide vorige. De uitbetaling gebeurt ofwel in rente, waarbij er keuze kan zijn in de periodiciteit (van maandelijks tot jaarlijks) of in een eenmalig kapitaal. Als het plan voorziet in kapitaal, kan men dit kapitaal laten omzetten in een levenslange rente met kapitaalsafstand. De overheid bevordert de uitbetalingen in rente. De omzettingscoëfficiënt is echter vrij nadelig (14,98 voor een man op de leeftijd van 65 jaar), bovendien is er ook geen indexatie. Hierdoor wordt zelden voor de rente gekozen.

Derde pijler[bewerken]

De 'derde pijler' is vrijwillig, alle inkomensvoorzieningen die mensen zelf treffen vallen hieronder zoals lijfrente en levensverzekeringen. Meestal gaat het om commerciële spaarproducten, met of zonder verzekeringselement, met fiscale concessies en beperkingen; voor Nederland zie Lijfrente (Nederland) en Banksparen. De belangrijkste producten voor België zijn: de levensverzekering (niet te verwarren met overlijdensverzekering), pensioensparen en pensioenverzekering. De producten in deze pijler zijn bedoeld voor reparatie van pensioenbreuken en -gaten. Deze ontstaan bijvoorbeeld door het veranderen van baan, verblijf in het buitenland of niet deelnemen aan het arbeidsproces. In deze pijler zijn alle pensioenen kapitaalgedekt en georganiseerd via het beschikbare-premiesysteem. Nationale en internationale waardeoverdracht is in de praktijk vrijwel niet mogelijk. De belangrijkste derdepijlerpensioenvoorzieningen in België zijn: de levensverzekering, pensioenspaarrekening en pensioenspaarverzekering.

Vierde pijler[bewerken]

Sparen voor pensioen via niet-fiscale weg wordt officieus wel eens de vierde pijler genoemd. Hier vallen o.a. het klassieke spaarboekje, aandelen, obligaties, fondsen, niet-fiscale levensverzekeringen, (zowel tak21 als tak23),... onder. Sommigen beschouwen een eigen woning ook als onderdeel van de vierde pijler, doch zowel in België als Nederland zijn er fiscale hulpmiddelen om dit te verwerven en af te betalen.

Toepassing[bewerken]

In de meeste Europese landen bestaat het pensioenstelsel uit deze drie pijlers. In ontwikkelingslanden komt vaak alleen de eerste pijler voor. Een aantal landen heeft een bewust beleid om de tweede pijler niet toe te laten. Voorbeelden zijn Polen, Hongarije en Tsjechië. In de overige landen komen alle drie de pijlers voor, maar hebben ze een verschillend gewicht. In Nederland zijn de gewichten ongeveer 50% voor de eerste pijler, 45% voor de tweede pijler en ongeveer 5% voor de derde pijler. In andere landen hebben de eerste twee pijlers vaak (maar lang niet altijd) samen een gewicht van 50%. Het gewicht van de eerste pijler is een politieke keuze. In landen met een communistische geschiedenis is de eerste pijler vaak kwijnend, in Zuid-Europa is de eerste pijler gewoonlijk dominant (70-90%) terwijl in Noord-Europa de eerste pijler rond 40% in beslag neemt. De grootte van de tweede pijler wordt bepaald door wetgeving, traditie en beleid van de sociale partners. Aangezien de derde pijler de minst economisch efficiënte manier van pensioen opbouwen is, vormt het een restcategorie.

Doelmatigheid van het systeem[bewerken]

De doelmatigheid van een pensioensysteem kan worden afgemeten met de deelnamegraad (welk deel van de potentiële deelnemers bouwt een pensioen op) en de 'vervangingsgraad' (welk deel van het inkomen wordt bij pensionering door het pensioen vervangen).

Eerste pijler pensioenstelsels zijn meestal nationaal en verplicht gesteld, waardoor een deelnamegraad van bijna 100% wordt bereikt. Tweede pijler pensioenstelsels zijn alleen toegankelijk voor wie een betrekking heeft, waaraan een pensioenregeling is verbonden. Als geen begeleidende maatregelen worden getroffen blijkt dat de deelnamegraad blijft steken op 30 - 50%. Matching, een systeem waarbij de werkgever toezegt de besparingen van de werknemer te verhogen met een afgesproken percentage, blijkt nauwelijks een invloed op de deelnamegraad te hebben. In Ierland is de deelnamegraad in de tweede pijler bijvoorbeeld 30%, ondanks subsidies van werkgevers. Wel effectief is de "opt-out" techniek. Dit komt er op neer dat nieuwe werknemers actie moeten nemen om niet aan pensioensparen deel te nemen (bij opt-in moet men juist actie ondernemen om wel deel te nemen). Hiermee kan de deelnamegraad naar rond 70% worden verhoogd. Zeer effectief is verplichtstelling, waardoor de deelnamegraad in Nederland boven de 90% ligt.

De Europese Unie heeft geen regels over verplichtstelling; wel over mededinging, die in principe verplichtstelling onmogelijk zouden maken. In een aantal processen heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bepaald dat verplichtstelling mogelijk is, als het een sociaal nut dient en er geen misbruik van wordt gemaakt. Hoewel hiermee een plaats voor verplichtstelling is geschapen blijft de situatie onstabiel. De uitspraken van het Hof zijn niet gecodificeerd en kunnen dus door een latere uitspraak van het Hof teniet worden gedaan.

De vervangingsgraad is in principe een politieke keuze die uit twee delen bestaat: een gewenste vervangingsgraad (in Nederland 70% voor belasting, wat neerkomt op rond 100% na belasting[1]) en een maximaal fiscaal gefaciliteerde vervangingsgraad (in Nederland 100%). Beide worden vastgelegd met fiscale maatregelen, de maximale jaarlijkse opbouw van de pensioenclaim en de maximale aftrek van betaalde pensioenpremie. In een aantal landen (bijvoorbeeld de Verenigde Staten) is de gewenste vervangingsgraad niet meer dan meetinstrument, maar geen beleidsinstrument.

Pensioengerechtigde leeftijd[bewerken]

In 1889 voerde Otto von Bismarck het eerste wettelijke staatspensioenfonds in. De pensioengerechtigde leeftijd werd gesteld op 70 jaar. Deze leeftijd zakte naar 65 jaar, wat een internationale norm werd. Die leeftijd geldt overigens zeker niet universeel en staat in meerdere landen onder druk. De pensioengerechtigde leeftijd werd na het salaris een van de belangrijke punten van de vakbonden in loononderhandelingen. In communistische landen beijverden de regimes zich om het pensioen vroeger te laten ingaan. Lagere pensioengerechtigde leeftijden werden ook overeengekomen voor groepen met zware banen, zoals mijnwerkers, bemanning van stoomlocomotieven en voor vrouwen. Omdat de pensioengerechtigde leeftijd een product van de klassenstrijd was geworden, werd hij meer en meer vaststaand, ondanks een toenemende levensverwachting en technologische vooruitgang. Bij de vervanging van stoomlocomotieven door diesel- en elektrische locomotieven werd de pensioengerechtigde leeftijd niet aangepast.

Voor Nederland zie onder.

Geslacht[bewerken]

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft bepaald dat een lagere pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen niet verenigbaar is met het Europese non-discriminatiebeleid (voor nieuwe lidstaten geldt een overgangstermijn). Aan de andere kant werd echter ook een hogere pensioenpremie voor vrouwen om dezelfde reden afgewezen, hoewel vrouwen langer leven en dus langer pensioen genieten.

Nederland[bewerken]

Het consultancybedrijf Mercer heeft in 2011 het Nederlandse pensioenstelsel wederom als het beste ter wereld beoordeeld.[2] De Nederlandse pensioenvoorzieningen zijn de hoogste van Europa.[3] Ultimo 2012 1007 miljard euro.[4]

In Nederland is het streefniveau vaak 70% van het laatstverdiende inkomen. Overigens zijn percentages van 35-45% van het laatstverdiende loon waarschijnlijk realistischer. Mensen denken dus een hoger pensioen te krijgen dan werkelijk het geval zal zijn.

Pensioenstructuur[bewerken]

Pensioenfondsen in Nederland zijn ontstaan aan het einde van de 19e eeuw. Het eerste Nederlandse (ondernemings)pensioenfonds werd in 1881 opgericht door de gebroeders Stork. Niet veel later, in 1886, creëerde Jacques van Marken een pensioenregeling voor zijn werknemers in zijn Delftse gist- en spiritusfabriek. Een pensioenfonds voor een gehele bedrijfstak zou nog even op zich laten wachten. Het eerste Nederlandse bedrijfstakpensioenfonds was het in 1917 opgerichte Coöperatief Verzekeringsfonds in Leeuwarden.[bron?] Werknemers in een deel van de zuivelindustrie konden zich bij dat fonds aansluiten.

De pensioenregeling regelt de wijze van opbouw van de pensioenuitkering (of de opbouw van het pensioenkapitaal) uit de tweede pijler. De pensioenregeling moet voldoen aan de dwingende voorschriften van de Pensioenwet. Deze wet vervangt sinds 1 januari 2007 de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW). Verbonden aan de Pensioenwet is een nieuwe methode van de beoordeling van de solvabiliteit van pensioenuitvoerders door de overheid, het Financieel Toetsingskader (FTK).

Pensioen wordt opgebouwd bij pensioenuitvoerders, in Nederland zijn dit pensioenfondsen, pensioenverzekeraars (dit zijn meestal gewone verzekeraars die ook pensioen aanbieden) en premiepensioeninstellingen, waaraan de werkgever, de werknemer, of werkgever en werknemer beiden premie betalen. In het algemeen betaalt de werknemer 1/3 van de premie en de werkgever 2/3 maar die percentages kunnen per fonds, verzekeraar of werkgever verschillen. De opgespaarde pensioenpremie zorgt te zijner tijd voor het zogenoemde pensioenkapitaal waaruit het pensioen uiteindelijk wordt betaald. Gedurende de opbouwperiode spreekt men van pensioenreserve. De pensioenopbouw is belastingvrij, in die zin dat het opgebouwde kapitaal niet in box 3 van het Nederlands belastingstelsel wordt belast. De uitkeringen zijn daarentegen belast.

De Pensioenwet verbiedt iedere handeling waardoor pensioenaanspraken of pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen. De Pensioenwet staat slechts in een beperkt aantal situaties toe dat de pensioenreserve wordt overgedragen aan een andere pensioenuitvoerder (pensioenfonds of pensioenverzekeraar), onder andere bij verandering van baan, bij het bereiken van de pensioendatum en bij wijziging van pensioenuitvoerder. Op die manier kan pensioenbreuk in veel gevallen worden voorkomen. In andere landen is dat lang niet altijd het geval. Voor internationale waardeoverdracht gelden tal van barrières, waardoor een succesvolle overdracht vaak niet mogelijk is. De Europese Unie wil hiervoor mogelijkheden scheppen.

Verplichtstelling[bewerken]

In Nederland wordt de tweede pijler pensioenregeling vaak verplicht gesteld om een hoge mate van economische en sociale solidariteit te handhaven. Bovendien kan op deze manier voorkomen worden dat het pensioen een element van concurrentie op de arbeidsmarkt wordt, wat loononderhandelingen eenvoudiger en doorzichtiger maakt en voorkomt dat een neerwaartse spiraal ontstaat die het pensioensysteem afbreekt. Tenslotte is van belang dat de markt geen pensioenen volgens het beschikbare-uitkeringssysteem kan produceren (marktfalen) en de kosten en risicoverdeling van het beschikbare-premiesysteem ongunstig zijn voor de consument (voor een extreem voorbeeld, zie de woekerpolis-affaire).

Tegenover dit wettelijk monopolie staat niet alleen een zeer gedetailleerd toezicht van de overheid, maar ook een afbakening van het werkterrein van pensioenfondsen (taakafbakening). Instellingen die alleen pensioen uitvoeren (dus niet betrokken zijn bij het tot stand komen van de pensioenregeling) zijn niet gebonden aan de taakafbakening, maar genieten ook niet de bescherming van de verplichtstelling.

Fiscaliteit en vervroegd pensioen[bewerken]

Kenmerkend voor de fiscaliteit van pensioen is het al of niet fiscaal kunnen toepassen van de omkeerregel (in Nederland geregeld via artikel 11 lid 1c van de Wet op de loonbelasting): aftrek voor premie, rendement van het pensioenkapitaal tussentijds onbelast, pensioenuitkering (dus inleg plus rendement) belast.[5] Dit geldt niet voor de AOW (premie niet aftrekbaar, uitkering wel belast), maar wel in principe ook voor lijfrente. Wel wordt dan van de belastingplichtige verwacht dat hij de hele 'rit' uitzit. Tussentijds beëindigen of afkoop wordt, voor zover juridisch überhaupt mogelijk, fiscaal zeer nadelig behandeld.

De fiscaliteit van pensioen wordt in Nederland bij wet geregeld in onder andere de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet inkomstenbelasting 2001 (ook in een aantal uitvoeringsbesluiten). In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt onder ouderdomspensioen verstaan een regeling die (bijna) uitsluitend ten doel heeft het treffen van een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom voor werknemers en gewezen werknemers.

De fiscale voordelen van het kunnen toepassen van de 'omkeerregel' kunnen groot zijn, maar zijn moeilijk in te schatten, onder meer omdat gedurende de lange looptijd wetten ingrijpend veranderd kunnen worden. Op basis van de huidige wetten geldt het volgende.

Tot de AOW-leeftijd moet men over de eerste € 33.555 inkomen 17,9% AOW premie betalen (2014). Na ingang van de AOW hoeft dit niet meer. Als het totale inkomen na het pensioen niet boven die grens uit komt, is het is dus gunstiger om de heffing over het inkomen zo veel mogelijk tot na de AOW leeftijd uit te kunnen stellen, Bovendien is in het algemeen het inkomen voor de pensioenleeftijd hoger dan daarna, zodat de top van het inkomen tot de pensioenleeftijd vaak in een hogere schijf valt dan daarna. Een verschuiving van heffing tot na de pensioenleeftijd betekent daarom vaak dat er, ook los van het vervallen van de AOW premie, tegen een lager tarief wordt geheven. Ook telt de waarde van de fiscaal gefasciliteerde pensioenen niet mee voor de vermogensrendementsheffing. Aangezien pensioengeld in het algemeen voor langere tijd wordt gereserveerd, zou er anders in veel jaren vermogensredementsheffing moeten worden betaald. Daar staat tegenover dat rendement op het pensioenkapitaal ervoor zorgt dat men gemiddeld meer pensioen ontvangt dan men aan premie heeft betaald, dus ook over een groter bedrag belasting betaalt dan het bedrag dat men heeft kunnen aftrekken.

Voor de werkgever betekent het betalen van pensioenpremie ook dat er een lager SV loon resulteert, zodat ook de werkgeverslasten lager zijn. De werkgever kan dus beter het zelfde bedrag als pensioenpremie betalen dan als extra loon.

Ten slotte betekent een lager SV loon voor de werknemer dat er eerde kans is op toeslagen of dat de toeslagen hoger kunnen zijn. Keerzijde is dat een hoger (fiscaal) pensioen na de pensioenleeftijd leidt tot een hoger SV loon na het pensioen en dus tot lagere toeslagen. Maar ironisch genoeg zou een in eigen beheer geregeld pensioen, zonder fiscale voordelen, na de pensioenleeftijd als Box 3 vermogen ook invloed hebben op het recht op toeslagen. Geen gebruik maken van de fiscale voordelen wordt dan dus dubbel bestraft.

Door deze grote fiscale voordelen wordt er door veel mensen geredeneerd dat je, bij een inperking van deze voordelen, niet eerder 'mag' stoppen met werken. Of dat je niet méér zou mogen sparen voor je pensioen. Dat mag allemaal nog wel, maar het mag niet met alle fiscale voordelen. Maar dus ook zonder de fiscale restricties die aan pensioengeld zitten.

Door de Wet VPL zijn vervroegde uittreding en prepensioen fiscaal onaantrekkelijk, respectievelijk niet meer gefacilieerd. Fiscale faciliëring wordt geboden voor een ouderdomspensioen van maximaal 100% van het laatstgenoten pensioengevend loon dat niet eerder ingaat dan bij het bereiken van de pensioenrichtleeftijd (nu 65 jaar, vanaf 2014 67 jaar), en ook een begrenzing van de opbouw per jaar, zie Witteveenkader. Men kan het zo opgebouwde pensioen wel eerder laten ingaan (met actuariële herrekening). Het komt er dus op neer dat hoe eerder het pensioen ingaat hoe lager het pensioen is dat fiscaal gefasciliteerd kan worden opgebouwd.

Men kan een pensioen laten uitkeren dat eerst hoger en dan lager is (hoog-laagconstructie) of omgekeerd. Men kan het bijvoorbeeld eerder dan bij het bereiken van de AOW-leeftijd laten ingaan met een uitkering die in de periode waarin nog geen AOW-uitkering wordt ontvangen, of tot 65 jaar, zodanig wordt verhoogd, dat deze in die periode even hoog is als daarna in totaal aan pensioen en AOW wordt ontvangen. Zie bijvoorbeeld ABP KeuzePensioen. De verhoging van de AOW-leeftijd waarmee bij sommige hoog-laag regelingen nog geen rekening gehouden is veroorzaakt dan wel een AOW-gat. Men ontvangt tijdens de periode van het AOW-gat dan het lage in plaats van het hoge pensioen.

Het kost veel ouderdomspensioen om het ontbreken van de AOW te compenseren. Daarom is het zeker voor mensen met een wat lagere pensioen lastig om al ver voor de AOW-leeftijd het pensioen in te laten gaan.

In sommige gevallen kan de overbruggingsregeling het AOW-gat overbruggen.

De Wet VPL introduceerde verder de nu ook aflopende levensloopregeling. De laatste kan onder meer ook gebruikt worden voor vervroegd pensioen. Soms wordt het voorgaande en de levensloopregeling gecombineerd voor een extra vroeg prepensioen, zie FLO-overgangsrecht.

Zie ook de speciale overbruggingsuitkeringen voor bepaalde beroepsgroepen.

Uniform Pensioenoverzicht[bewerken]

Het vanaf 2008 verplichte Uniform Pensioenoverzicht maakt de verschillende pensioenoverzichten voor de deelnemer onderling vergelijkbaar.[6] Hierop staat onder meer de pensioenaangroei, de "factor A" in de formule voor de fiscale jaarruimte voor aftrek van lijfrentepremie. Deze "factor A" geeft de opbouw in het betreffende jaar aan, en is dus exclusief de toename door indexering van eerder opgebouwde pensioenaanspraken.

Er is een internetconsultatie gaande over een voorontwerp van wet tot wijziging van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met verbetering van de pensioencommunicatie (Wet pensioencommunicatie), om de informatie nog duidelijker te maken voor de deelnemer.[7]

Vergeten pensioenen[bewerken]

Wie in Nederland op zoek gaat naar een lang geleden opgebouwd pensioen kan merken dat het pensioenfonds onvindbaar is, door fusie of naamsverandering. De nieuwe rechtsopvolger is te achterhalen via De Nederlandsche Bank.[8] Soms kan de Helpdesk Vergeten Pensioenen van de Bedrijfstakpensioenfondsen[9][10] of de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen[11] verder helpen.

Vanaf 2011 is het probleem van vergeten pensioenen grotendeels opgelost. Er is een online pensioenregister waar elke Nederlander met behulp van het DigiD de opgebouwde pensioenen en AOW kan opvragen.[12] Aangezien een DigiD alleen verkrijgbaar is voor wie in Nederland woont is het systeem niet toegankelijk voor Nederlanders die in het buitenland wonen.

Beperking van de Nederlandse onbelaste pensioenopbouw binnen het Witteveenkader[bewerken]

Door in tegenstelling met Luxemburg de pensioenpremies aftrekbaar te stellen in box 1 en de pensioenvermogens niet te belasten in box 3, is jaarlijks 24 miljard euro minder belasting verschuldigd.[3][13][14][15] De belastingdienst loopt dit bedrag jaarlijks mis in Box 1 en Box 3.

De jaarlijkse premieaftrek van 30 miljard[16] in Box 1 remt de economie.[17] Terugbrengen tot 21 miljard euro van de fiscaal aftrekbare premies, zoals voorgesteld door het kabinet Rutte II per 1-1-2015, brengt 9 miljard euro terug naar de huidige economie en de belastingdienst.[18][19][20] Op 14 mei 2013 bracht DNB naar buiten voorstander te zijn van de voorgestelde verdere beperking van het Witteveenkader in 2015. Ook de Sociale partners hebben deze doelstelling onderschreven in het Centraal akkoord van april 2013. Aanhangig in de Eerste Kamer is de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen.

Afkoop[bewerken]

Op grond van artikel 66 van de Pensioenwet heeft de pensioenuitvoerder het recht om op zijn vroegst twee jaar na beëindiging van de deelneming (of bij het bereiken van de pensioenleeftijd) pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer af te kopen, indien op basis van de tot het tijdstip van beëindiging opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum minder zal bedragen dan € 451,22 per jaar. Dit recht kan echter in de pensioen- en uitvoeringsovereenkomst worden beperkt of uitgesloten. Veel mensen hebben (onterecht) het idee dat ook de oud-deelnemer om afkoop kan vragen.

Pensioenexcedentregeling[bewerken]

Ingetrokken wordt het aanhangige voorstel Wet pensioenaanvullingsregelingen, die een vorm van netto pensioensparen regelt in aanvulling op het reguliere pensioen.

Het voorstel houdt onder meer in dat voor een werknemer in aanvulling op een ouderdomspensioenregeling een ouderdomspensioenexcedentregeling van toepassing kan zijn. Een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioenexcedent bedraagt per dienstjaar niet meer dan 0,056% van het pensioengevend loon. De premie is niet aftrekbaar en de uitkeringen zijn niet belast (hierdoor hebben geen van beide invloed op inkomensafhankelijke regelingen). De regeling is te vergelijken met een oudedagslijfrenteovereenkomst die niet in box 1 valt, maar met het voordeel dat het opgebouwde kapitaal ook niet belast is in box 3. De sociale partners wensen de mogelijkheid deelname voor de werknemer verplicht te stellen, maar de Raad van State is hier tegen.

Volgens het voorstel kan voor een werknemer met een pensioengevend loon boven de aftoppingsgrens van € 100.000 per jaar tevens ten aanzien van het meerdere een optoppingsouderdomspensioenexcedentregeling van toepassing kan zijn. Een op een middelloonstelsel gebaseerd optoppingsouderdomspensioenexcedent bedraagt per dienstjaar niet meer dan 0,888% van dit meerdere.

Het voorstel maakt ook soortgelijke regelingen voor partner- en wezenpensioen mogelijk.

Bovengenoemde regels voor afkoop gelden ook voor de pensioenaanvullingsregelingen. Door de vaak geringe omvang zal de pensioenuitvoerder vaak recht op afkoop hebben, tenzij dit recht in de pensioen- of uitvoeringsovereenkomst wordt beperkt of uitgesloten.

Europese Unie[bewerken]

Vanaf ongeveer 2010 krijgt de Europese Unie geleidelijk aan en vooral indirect steeds meer zeggenschap over de resultaten van de Nederlandse pensioenwetgeving. Met name de voorstellen om de gestelde dekkingseisen voor pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen gelijk te trekken kunnen slecht uitpakken voor de Nederlandse pensioenfondsen. Ook de vooral in sociaaldemocratische kringen uitgesproken wens voor een financiële transactiebelasting kan de Nederlandse pensioenfondsen veel geld gaan kosten. Het belangrijkste effect van de Europese staatsschuldencrisis is echter de sterk gedaalde lange rente op de Euro. Deze door de ECB bewerkstelligde rentedaling lijkt om politieke redenen nog jaren te moeten aanhouden. Er zijn sterke aanwijzingen dat dit effect de komende jaren tot belangrijke verlagingen van de pensioenen zal leiden. Tenslotte lijkt het een kwestie van tijd voordat er bij een vergaande, versnelde Europese integratie ook directe Europese pensioenwetten zullen komen. Dit zal bijna zeker niet voordelig uitvallen voor de Nederlandse pensioenen. Zorgen over bovenstaande kwesties hebben er toe geleid dat het vertrouwen in het Nederlandse pensioensysteem de laatste tien jaar merkbaar is afgenomen.

Pensionado[bewerken]

De term pensionado wordt wel gebruikt voor een gezonde, kapitaalkrachtige senior die volop van zijn of haar pensioen geniet.

In de Caraïben wordt ook wel de spelling penshonado gebruikt. De Nederlands Antilliaanse penshonado-regeling is per 1 januari 2011 vervallen, maar voor oude gevallen is er een overgangsregeling tot en met 2014. Het betreft een voordelig tarief voor de inkomstenbelasting.[21]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Hierbij zij aangetekend dat een vervangingsgraad van 70% vaak niet bereikt zal kunnen worden. Niet elke werkkring heeft een pensioenregeling, en bij meerdere veranderingen van betrekking kunnen pensioenregelingen niet goed op elkaar aansluiten. Een werknemer die met een dergelijk 'pensioengat' wordt geconfronteerd, zal dan zelf (tijdig) maatregelen moeten treffen.
  2. http://www.mercer.com/referencecontent.htm?idContent=1359390
  3. a b http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/macro-economie/publicaties/artikelen/archief/2007/2007-2348-wm.htm
  4. http://www.telegraaf.nl/overgeld/pensioen/21426263/__Nederlands_pensioenvermogen_boven_1_biljoen__.html www.telegraaf.nl
  5. Dit betekent ook dat het voordeel van lang leven is belast, terwijl bij kort leven er tegenover de belastingaftrek minder of geen latere belastingbetaling staat.
  6. Uniform Pensioenoverzicht
  7. http://www.internetconsultatie.nl/pensioencommunicatie
  8. DNB, FAQ, Vragen over pensioenen
  9. Helpdesk Vergeten Pensioenen
  10. Opsporingsplan voor 'vergeten' pensioenen
  11. Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen
  12. Pensioengegevens online beschikbaar Consumentenbond, nieuwsbericht, 9 mei 2008
  13. http://media.leidenuniv.nl/legacy/kpg-2003-06.pdf
  14. Zie ook een rapport van het CPB uit 1998: http://www.cpb.nl/publicatie/fiscale-behandeling-van-pensioenbesparingen-discussie
  15. http://www.mejudice.nl/artikel/791/nederland-puissant-rijk-maar-gierig-als-een-oude-vrek
  16. http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=37179pfd&D1=9-14&D2=a&D3=(l-3)-l&VW=T
  17. http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2013/dnb291008.jsp
  18. http://www.pensioenfederatie.nl/actueel/nieuws/Pages/DNB_beperking_Witteveenkader_kan_economie_oppepper_geven_597.aspx
  19. Advies Raad van State over beperking Witteveenkader april 2013
  20. "Uit bijlage 5 van de Miljoenennota 2013 blijkt dat de kosten van de omkeerregel tussen 2011 en 2017 zullen stijgen van € 13 miljard naar € 15 miljard op jaarbasis, terwijl de beroepsbevolking in deze periode zal afnemen.", Advies Raad van State
  21. http://www.belastingdienst-cn.nl/bcn/nl/prive/vanaf-belastingjaar-2011/inkomstenbelasting/penshonados