Algemene Ouderdomswet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bejaarden vieren de invoering van de AOW. Applaus voor minister Drees. 1956

De Algemene Ouderdomswet (AOW) regelt in Nederland het verplichte, collectieve ouderdomspensioen dat als algemene basis dient voor Nederlandse ouderdomspensioenen.

Verzekerd voor de AOW zijn ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen van Nederland die bepaalde inkomsten in Nederland genieten. De AOW is één van de zogenoemde volksverzekeringen.

De Belastingdienst int de premies volksverzekeringen tegelijk met de inkomstenbelasting bij de verzekerden jonger dan de AOW-leeftijd (nu: 65 jaar). De Sociale Verzekeringsbank keert de AOW uit aan de verzekerden ouder dan de AOW-leeftijd. Bij bereiken van de AOW-leeftijd eindigt de AOW-premieplicht, en begint het recht op de AOW-uitkering.

Inhoud

[bewerken] Regels

De AOW is een collectief basispensioen, dat wordt uitgekeerd aan mensen van 65 jaar en ouder, vanaf de eerste dag van de maand waarop men die leeftijd bereikt (voorgesteld is met ingang van 2012: vanaf de verjaardag; aanhangig met ingang van 2020: 66 jaar en ouder) die in Nederland hebben gewoond.

De AOW bedraagt 2% van het volledige AOW-pensioen voor ieder jaar dat iemand tussen zijn of haar 15e en 65e jaar (aanhangig: tussen zijn of haar 16e en 66e jaar) in Nederland heeft gewoond en niet in het buitenland heeft gewerkt. Ook niet-werkende partners van mensen die in het buitenland werken (grensarbeiders) bouwen meestal geen AOW op. Nederlanders die in het buitenland wonen en werken kunnen hun AOW-verzekering vrijwillig voortzetten, wat vooral voordelig is voor mensen met een laag of geen inkomen, zoals sommige ontwikkelingswerkers.

De bruto uitkering bedraagt voor gehuwden en samenwonenden per persoon 50% van het minimumloon: € 743,60 per maand, inclusief de zogenaamde tegemoetkoming AOW van € 33,09 per maand, maar exclusief de vakantie-uitkering van € 41,87 per maand. De bruto uitkering voor alleenstaanden bedraagt 70% van het minimumloon. Als de AOW-gerechtigde een partner beneden de 65 heeft dan ontvangt eerstgenoemde 50% van het minimumloon en de ander niets. Een AOW-gerechtigde die met zijn/haar volwassen kind samenwoont krijgt wel de uitkering voor alleenstaanden; de regering stelt voor dat dit gewijzigd wordt in die zin dat dan slechts de uitkering voor een samenwonende wordt toegekend.

Bij wijze van overgangsregeling konden AOW-gerechtigden met een partner beneden de 65 een toeslag op de AOW krijgen van maximaal bruto € 694,19 per maand. Deze toeslag is het enige inkomensafhankelijke element in de AOW; het inkomen van de jongere partner wordt geheel (inkomen in verband met arbeid) of gedeeltelijk (inkomen uit arbeid) gekort op de toeslag. Mensen die na 1949 zijn geboren, dus 65 jaar worden na 2014, zullen de toeslag niet meer krijgen. Per augustus 2011 is de toeslag met 10% verlaagd, voor zover het gezamenlijk inkomen van beide partners daarmee niet onder 162% van het minimumloon komt. Daarmee is er voor het eerst afhankelijkheid van het inkomen van de AOW-gerechtigde zelf.

Sinds 2008 worden er in de meeste gevallen geen loonheffingen geheven over de AOW, waardoor de bruto-bedragen netto uitgekeerd worden.

[bewerken] Financiering

De eerste jaren vanaf 1957 werd de AOW volledig gefinancierd volgens het omslagstelsel, dat wil zeggen: uit de op hetzelfde moment geïnde AOW-premies. Bij de bepaling van de premiehoogte werd het percentage en het maximum bedrag per verzekerde elk jaar zo gekozen dat het totaal van de geïnde premies vermeerderd met enige renteinkomsten gelijk was aan het totaal van de uitkeringen. Niet in alle jaren lukte dat. Een tekort moest worden aangevuld. Er is in 1997 incidenteel een tekort. In april 1998 is besloten het jaarlijks stijgende percentage te bevriezen op 17,9% (2012: 65-plussers betalen 15,2% i.p.v. 33,1% in de eerste schijf). Vanaf 2002 is er echter een jaarlijks oplopend tekort[1] dat uit de algemene middelen, de belastingopbrengsten, wordt aangevuld. Voor dit deel, de rijksbijdrage AOW, is er dan fiscalisering van de AOW. Het tekort is groeiend, ook omdat er sinds 2001 geen AOW-premie meer verschuldigd over inkomsten uit vermogen, en de laatste jaren sneller vooral door de verminderde premie-inkomsten als gevolg van de financiering van de heffingskortingen. Het gevolg is dat er elk jaar meer belastingopbrengsten moeten worden gebruikt om het tekort aan te vullen. Omdat ook AOW-gerechtigden belasting betalen, is het gevolg dat de AOW-gerechtigden sinds 2002 in toenemende mate een deel van hun AOW ontvangen dat zij op hetzelfde moment financieren via de gewone belasting. Dit betreft het meest hen die het meeste belasting betalen. De AOW-uitkering was volledig inkomensonafhankelijk, maar is sinds 2002 steeds meer enigszins van het inkomen afhankelijk.

In 2008 bedraagt het tekort 5,5 miljard, ongeveer 20% van het totaal van de AOW-uitkeringen. De vergrijzing speelde een beperkte rol tot 2008[2], maar de komende jaren gaat de toenemende vergrijzing de financiering nog voor grote problemen stellen.

[bewerken] Historie

De AOW is in 1957 geïntroduceerd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid J. G. Suurhoff. De AOW is de opvolger van de door Willem Drees als minister van Sociale Zaken in 1947 ingevoerde Noodwet Ouderdomsvoorziening, die uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld was.

Aan de AOW is een lange voorgeschiedenis voorafgegaan. De Pruisische kanselier Otto von Bismarck legde in 1889 een inkomensverzekering op tegen inkomstenderving in geval van ouderdom, ziekte en invaliditeit. In deze inkomensverzekering komt aanvankelijk de pensioenleeftijd van 70 jaar voor. Pas een aantal jaren later wordt dit gewijzigd in de bekende leeftijd van 65. Overigens was de levensverwachting van een 65-jarige in die tijd korter dan nu. Een 65-jarige had in 1956 een resterende levensverwachting van 14 jaar (man) en 15 jaar (vrouw); de laatste tientallen jaren neemt de resterende levensverwachting toe: in 2010 is dit 18 jaar (man) 21 jaar (vrouw).[3]

In het Verenigd Koninkrijk werd in 1942 (dus in de oorlogsjaren) door Lord William Beveridge gebruikgemaakt van het sterke gevoel van solidariteit om een blauwdruk te maken voor een stelsel van sociale volksverzekeringen, betaald uit belastinggeld. Soortgelijke systemen werden na de Tweede Wereldoorlog in meerdere Europese landen en in de Verenigde Staten ingevoerd.

Terwijl in het systeem van Bismarck de uitkering afhangt van het vroegere inkomen, is in het systeem van Beveridge de uitkering voor iedereen hetzelfde. Deze twee modellen, en tussenvormen ervan, worden nog steeds gebruikt. Zo is in Nederland de uitkering in principe voor iedereen gelijk, maar wordt toch onderscheid gemaakt naar de huwelijkse staat.

[bewerken] Toekomst van de AOW

Al 25 jaar bestaan twijfels of de AOW bij de verwachte vergrijzing ongewijzigd gehandhaafd kan worden. In de jaren 80 onderzocht een staatscommissie onder leiding van Willem Drees jr. de toekomst van de voorziening die zijn vader tot stand had gebracht. Aanleiding was een alarmerend artikel in Economisch Statistische Berichten. Drees concludeerde, dat het stelsel kon worden gehandhaafd. Wel adviseerde hij tot individualisering van de uitkering, waarbij iedereen een eigen uitkering ontvangt. De regeringen daarna hebben dat advies niet gevolgd omdat het volgens hen zou leiden tot armoede van alleenstaande bejaarden en rijkdom van de samenwoners[bron?]. Mensen boven de 65 krijgen wel een individuele uitkering, maar alleenstaande ouderen krijgen daar bovenop een toeslag.

In de jaren 90 werd het AOW-fonds opgericht na een voorstel van Jan van Zijl (PvdA). Financiële meevallers zouden door de Minister van Financiën in dat fonds worden gestort om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen. Het fonds zou vanaf 2020 (als de vergrijzing hoog zou zijn) gaan uitkeren. Door het gespaarde geld in het AOW-fonds zou de AOW ondanks de vergrijzing betaalbaar blijven. Tijdens het tweede Paarse kabinet kreeg het AOW-spaarfonds kracht van wet. In 2005 bleek dat het AOW-spaarfonds slechts een papieren exercitie was, het fonds en het geld in het fonds bestonden slechts op papier. Er was nooit iets gestort, wel stond er op papier 23 miljard euro 'gereserveerd'. Op 28 juni 2011 ging de Tweede Kamer unaniem akkoord met het voorstel van de regering tot opheffing van dit spaarfonds.[4][5] [6]

Na het jaar 2000 rees opnieuw onrust over de toekomst van de AOW. Het thema speelde een rol in de campagnes voor de parlementsverkiezingen van 2006. De VVD overwoog een verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar, maar heeft dit plan niet in haar definitieve verkiezingsprogramma voor 2006 opgenomen. Alleen D66 stelt een verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar voor met een overgangsperiode van 24 jaar.

In het Sociaal-Economische Raad (SER)-advies van 30 augustus 2006 wordt gepleit voor fiscalisering van de AOW. Hierbij zouden de aparte lage belastingtarieven voor personen boven de 65 jaar verdwijnen. Volgens het regeerakkoord voor het Kabinet-Balkenende IV zullen alleen ouderen met een eigen pensioen (dus bovenop de te ontvangen AOW) van meer dan € 18.000 die voor hun 65e met werken zijn gestopt aan de AOW mee hoeven te betalen. Het Centraal Planbureau (CPB) betwijfelde of deze regeling uitvoerbaar is. Tijdens de verkiezingen van 2006 was de AOW een heikel punt. De PvdA wilde de AOW deels fiscaliseren, het CDA verzette zich hiertegen. CDA-lijsttrekker Jan Peter Balkenende beschuldigde PvdA-er Wouter Bos ervan 'te stelen van de ouderen'. Balkenende stelde dat de AOW bij het CDA veilig was, maar anders dan tijdens de verkiezingscampagne van 2006, kwam juist het CDA in 2008 met het voorstel de AOW voor mensen tot 67 af te schaffen.

Een aspect van de AOW dat in de komende jaren vermoedelijk steeds meer aandacht zal krijgen, is dat van de onvolledige AOW-opbouw (doordat men niet de volledige 50-jarige periode van verzekeringsopbouw heeft doorlopen). Dit zal leiden tot een toename van "gekorte" AOW-pensioenen.

Het Kabinet-Balkenende IV kwam in augustus 2008 eerst met een voorstel dat mensen van 65 jaar kunnen kiezen om hun AOW maximaal vijf jaar uit te stellen.[7] Mensen die langer doorwerkten, zouden dan een hogere uitkering krijgen. Op 25 maart 2009 kondigde het kabinet aan voornemens te zijn de AOW af te schaffen voor mensen tot 67 jaar.[8]. Dit voorstel was afkomstig van CDA-minister Piet Hein Donner.

In de avond van 15 oktober 2009 bereikte de regeringscoalitie, bestaande uit PvdA, CDA en ChristenUnie een akkoord over het verhogen van de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar: in 2020 wordt de leeftijd eerst verhoogd naar 66 jaar, vijf jaar later, in 2025, gaat de leeftijd naar 67 jaar. Het blijft mogelijk om met 65 jaar te stoppen, mits men minimaal 42 jaar heeft gewerkt. Wie daarvoor kiest wordt daarvoor geheel of gedeeltelijk actuarieel gekort op de hoogte van de maandelijkse AOW-bedragen die de rest van het leven ontvangen worden: deze worden voor de hogere inkomens 16 procent minder, voor lagere inkomens 13 procent.[9] De coalitie wil ook de door werknemers zelf opgebouwde pensioenen twee jaar later in laten gaan. Dit betekent dat twee jaar langer pensioen wordt betaald en twee jaar korter uitgekeerd. Welke gevolgen dat heeft voor de premie en of de pensioenopbouw langer gaat worden dan 40 jaar, is nog niet duidelijk. Ook is nog niet bekend of werknemers die nu twee jaar later pensioen krijgen, een hogere uitkering ontvangen. Voor de pensioenfondsen is het voorstel van de coalitie gunstig, zij ontvangen meer premie en hoeven korter uit te keren. Gegeven het feit dat de pensioenfondsen veel geld verloren tijdens de kredietcrisis, maakt dat de fondsen voorstander zijn van het voorstel. Uit een onderzoek van EénVandaag bleek dat 60 procent van de Nederlanders tegen de plannen van het kabinet is, 40 procent vond het wel een goed plan. Van de achterban van het CDA en de CU was een meerderheid voor de kabinetsplannen, bij de PvdA was een meerderheid (63%) tegen.[10] Opvallend was dat er meer mensen boven de 55 jaar voor de plannen waren dan jongeren, mensen van 55 jaar en ouder worden door de plannen ontzien. Tijdens een stemming in de PvdA fractie was een meerderheid van de fractie voor, slechts twee fractieleden stemden tegen.

In december 2009 is het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging van de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat (dossier 32247) ingediend. De regering wijst invoering in een groter aantal kleinere stappen af vanwege de administratieve complexiteit voor alle partijen. In mei 2011 heeft het Kabinet-Rutte dit wetsvoorstel ingetrokken en vervangen door een nieuw wetsvoorstel (zie onder).

Begin 2011 diende het Platform AOW-Omhoog [11] een burgerinitiatief in met als doel het inhalen van de structurele achterstand van het AOW-bedrag op de welvaartsontwikkeling. Op 17 maart 2011 besloot de Tweede Kamer het burgerinitiatief te aanvaarden, en het onderwerp op de agenda van de Kamer te zetten.

De aanhangige Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (dossier 32521) wijzigt het systeem van de "tegemoetkoming".

[bewerken] Wetsvoorstel wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen

De aanhangige, in de Tweede Kamer aangenomen Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen wijzigt de ingangsdatum van de eerste van de maand waarop men 65 wordt tot de verjaardag zelf. Tevens worden de Anw, WW, ZW, WIA, IOAW, IOAZ, TW, Wajong overeenkomstig aangepast. Nieuwe cao's zullen met de aanpassing rekening houden, omdat de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid verbiedt dat iemand om zijn/haar leeftijd ontslagen wordt terwijl hij nog geen AOW krijgt. Tot dan staat echter in ruim een derde van de cao's nog dat men ontslagen wordt per de eerste van de maand waarin men 65 wordt. Als dit gebeurt kan de werknemer als hij/zij aan de wekeneis voldoet voor de weken tot aan zijn/haar verjaardag een WW-uitkering aanvragen.

De beoogde ingangsdatum is 1 april 2012. Gelet op de juridische en uitvoeringstechnische implicaties en de voor sommige personen die met prepensioen zijn of binnenkort gaan vrij forse, zij het eenmalige, inkomensgevolgen, verzoekt de Stichting van de Arbeid de regering dringend de invoering uit te stellen tot 1 januari 2016.

[bewerken] Wetsvoorstel verhoging AOW-leeftijd

In mei 2011 heeft de regering het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging van de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat van 65 naar 66 jaar (Wet verhoging pensioenleeftijd naar 66 jaar) ingediend. Voor wie vóór 1955 is geboren blijft de AOW-leeftijd (pensioengerechtigde leeftijd) 65. Voor wie na 1954 geboren is gaat de AOW-leeftijd van 65 naar 66 jaar. Effectief gaat deze verandering dus in in 2020, in dat jaar gaan in principe geen AOW-uitkeringen in. De aanvangsleeftijd (leeftijd waarop de opbouwperiode begint) is respectievelijk 15 en 16 jaar. Voor wie na 1954 is geboren, vervalt de opbouw op 15-jarige leeftijd met terugwerkende kracht, dus ook als dit opbouwjaar in het verleden ligt. Daar staat de opbouw gedurende het jaar waarin men 65 is tegenover. Deze verschuiving is dus voordelig voor de hoogte van de uitkering als men gedurende de 15-jarige leeftijd niet in Nederland woonde, maar gedurende de 65-jarige leeftijd wel, en in het omgekeerde geval onvoordelig.

Het wetsvoorstel bevat ook wijzigingen van het fiscale regime voor pensioenopbouw (het Witteveenkader) en de premieruimte in de derde pijler. Hiervoor is de beoogde ingangsdatum begin 2013, ook voor wie vóór 1955 is geboren. Anders dan bij de AOW wordt opbouw van aanvullend pensioen en lijfrente niet met terugwerkende kracht gewijzigd.

De sociale verzekeringen en voorzieningen zullen door gaan lopen tot de nieuwe AOW-leeftijd. De gevolgen voor socialezekerheidsregelgeving zijn niet in het wetsvoorstel meegenomen. Deze onderwerpen zullen op een later tijdstip in een Aanpassingswet verhoging AOW-leeftijd aan de orde komen.

Voor werknemers wiens WW-uitkering of loongerelateerde WGA-uitkering eindigt als gevolg van het bereiken van de maximale uitkeringsduur, en die op dat moment 65 of 66 jaar zijn en nog geen recht hebben op AOW, zal een overbruggingsuitkering worden ingevoerd.

De regering is van plan verdere verhogingen van de ingangsleeftijd te laten afhangen van een toename van de levensverwachting.

[bewerken] Logischer regels

Volgens de minister zijn er onlogische regels bij samenwonen van een AOW'er met iemand zonder AOW, en bij samenwonen van twee AOW'ers met een derde persoon al of niet met AOW. Hij heeft aangekondigd deze logischer te willen maken.[12] Daar wordt tegenin gebracht dat een AOW'er niet gekort moet worden wegens een inwonend meerderjarig kind, dat veelal nuttige mantelzorg verleent.

[bewerken] Trivia

  • Het Nederlands record voor het grootste aantal broers en zussen dat tegelijk AOW kreeg, staat voor zover bekend op naam van de dertien broers en zussen Slob, geboren tussen 1917 en 1939 in Tricht en Den Haag. Toen de jongste op 14 juni 2004 de leeftijd van 65 bereikte en dus AOW kreeg, leefden al zijn oudere broers en zussen nog. In maart 2006 overleed een broer, Goof, op 86-jarige leeftijd.
  • Hendrikje van Andel-Schipper was tot haar overlijden in 2005 nog de enig overgebleven inwoner van Nederland die AOW heeft genoten sinds de invoering ervan in 1957.

[bewerken] Externe link

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  1. 'Thesis: The changing role of premiums.pdf' René Louis Pierre Mahieu, 4 juli 2008
  2. 'Fiscalisering aow niet door vergrijzing'_ESB, 25 januari 2008
  3. 'Levensverwachting ouderen sterk gestegen', CBS Webmagazine (23 november 2011)
  4. http://www.ikregeer.nl/documenten/h-tk-20102011-98-21
  5. De spaarfonds leugen, Volkskrant, maart 2006
  6. Wel is er hard gespaard via de meestal collectieve pensioenpremies, aftrekbaar in Box 1. De collectieve pensioenpot bedroeg in 2011 1000 miljard. Alleen door de jaarlijkse premieaftrek van 30 miljard in Box 1, groeit dit bedrag nog steeds. Daarop rust een belastingclaim van circa 30% en een claim premie zorgverzekeringswet van circa 5% bij uitbetaling later deze eeuw. Derhalve ruim 300 miljard euro.
  7. Keuzemogelijkheid in uitstel AOW. Persbericht Ministerie van SZW, 29 augustus 2008
  8. Kabinet: AOW gaat naar 67 jaar omwille van overheidsfinanciën FD.nl, 25 maart 2009
  9. Coalitie akkoord over verhoging AOW-leeftijd, NRC, 16 oktober 2009
  10. eenvandaag.nl, 14 oktober 2009
  11. aowomhoog.nl
  12. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32500-XV-81.html
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen