Algemene Ouderdomswet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene Ouderdomswet
Citeertitel Algemene Ouderdomswet
Titel Wet van 31 mei 1956, inzake een algemene ouderdomsverzekering
Afkorting AOW
Soort regeling Wet in formele zin
Toepassingsgebied Vlag van Nederland Nederland
Rechtsgebied socialezekerheidsrecht
Status geldend
Grondslag geen
Goedkeuring en inwerkingtreding
Ingediend op 29 juni 1955
Ondertekend op 31 mei 1956
Gepubliceerd in Stb. 1956, 281
In werking getreden op 8 juni 1956
Geschiedenis
Wijzigingen Externe lijst
Lees online
Algemene Ouderdomswet
Portaal  Portaalicoon   Mens en Maatschappij
Bejaarden vieren de invoering van de AOW. Applaus voor minister Drees. 1956

De Algemene Ouderdomswet (AOW) regelt in Nederland het verplichte, collectieve ouderdomspensioen dat als algemene basis dient voor Nederlandse ouderdomspensioenen.

Verzekerd voor de AOW zijn ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen van Nederland die bepaalde inkomsten in Nederland genieten. De AOW is een van de zogenoemde volksverzekeringen.

De Belastingdienst int de premies volksverzekeringen tegelijk met de inkomstenbelasting bij de verzekerden jonger dan de AOW-leeftijd (2014: 65 jaar en twee maanden). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) keert de AOW uit aan de verzekerden vanaf het bereiken van de AOW-leeftijd. De AOW-premieplicht eindigt op de eerste van de betreffende maand.

Er zijn ongeveer 3 miljoen uitkeringsgerechtigden: 2 miljoen met en 1 miljoen zonder gezamenlijke huishouding met iemand anders.

De termen AOW-gat en AOW-hiaat kunnen betrekking hebben op jaren in het buitenland die niet meetellen bij de opbouw, of op het ontbreken van partnertoeslag, of op maanden/jaren dat de AOW-uitkering vervalt wegens eerder niet bekende verhogingen van de AOW-leeftijd. Dit laatste wordt ook wel 65plus-gat of 65plusgat genoemd.

AOW-leeftijd[bewerken]

De AOW-leeftijd, ook AOW-gerechtigde leeftijd genoemd, is afhankelijk van de geboortemaand. Volgens de begin 2014 geldende wet is deze als volgt (maar volgens het Deelakkoord begroting 2013 en het Regeerakkoord 2012 wordt voor wie na september 1950 geboren is zowel de indeling in geboortecohorten als de bijbehorende AOW-leeftijd gewijzigd, zie onder):[1]

  • 65 jaar voor wie geboren is vóór 1948 (AOW-uitkering is aangevangen vóór 2013)
  • 65 jaar en 1 maand voor wie geboren is in de periode januari - november 1948 (AOW-uitkering is aangevangen in 2013)
  • 65 jaar en 2 maanden voor wie geboren is in de periode december 1948 - oktober 1949 (AOW-uitkering vangt aan in 2014)
  • 65 jaar en 3 maanden voor wie geboren is in de periode november 1949 - september 1950 (AOW-uitkering vangt aan in 2015)
  • 65 jaar en 5 maanden voor wie geboren is in de periode oktober 1950 - juli 1951 (AOW-uitkering vangt aan in 2016)
  • 65 jaar en 7 maanden voor wie geboren is in de periode augustus 1951 - mei 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2017)
  • 65 jaar en 9 maanden voor wie geboren is in de periode juni 1952 - maart 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2018)
  • 66 jaar voor wie geboren is in de periode april - december 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2019)
  • 66 jaar en 3 maanden voor wie geboren is in de periode januari - september 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2020)
  • 66 jaar en 6 maanden voor wie geboren is in de periode oktober 1954 - juni 1955 (AOW-uitkering vangt aan in 2021)
  • 66 jaar en 9 maanden voor wie geboren is in de periode juli 1955 - maart 1956 (AOW-uitkering vangt aan in 2022)
  • 67 voor wie geboren is in de periode april - december 1956 (AOW-uitkering vangt aan in 2023)

Dit volgt uit het eerste lid van artikel 7a van de wet. Dit lid geeft een overzicht van de AOW-leeftijd per kalenderjaar. Ook vele andere wetten en besluiten verwijzen naar "de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet".

De verhoging van iemands AOW-leeftijd is vaak groter dan de verhoging van de AOW-leeftijd in het kalenderjaar waarin hij dacht zijn AOW-leeftijd te bereiken, omdat door die verhoging vaak ook nog eens de AOW-leeftijd van het volgende of daarop volgende kalenderjaar van toepassing wordt. Een verhoging van de AOW-leeftijd is daardoor ingrijpender dan het voor veel mensen op het eerste gezicht lijkt op basis van een overzicht van de AOW-leeftijd per kalenderjaar.[2][3]

Een verdere verhoging van de AOW-leeftijd en de aanvangsleeftijd, voor beide gelijk (in de formule: V) wordt jaarlijks vastgesteld en gaat steeds 5 jaar later in, voor het eerst uiterlijk op 1 januari 2019 voor het jaar 2024. Dit gebeurt steeds bij algemene maatregel van bestuur, als volgt:

V = (L – 18,26) – (P – 65)

waarbij:

  • L staat voor de geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar van verhoging
  • P staat voor de AOW-leeftijd in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar van verhoging

Indien V negatief is of voor afronding minder dan 0,25 bedraagt wordt deze gesteld op 0. Indien V voor afronding 0,25 of meer bedraagt, wordt deze gesteld op 0,25 (een verhoging met 3 maanden).

Op basis van de begin 2014 geldende wet wordt naar verwachting de AOW-leeftijd zowel in 2024 als in 2025 met drie maanden verhoogd ten opzichte van het vorige jaar. In 2025 is de AOW-leeftijd dan 67 jaar en zes maanden. Dan zou de inhaaloperatie ongeveer voltooid zijn. De levensverwachting stijgt met ongeveer een maand per jaar, dus vervolgens wordt de AOW-leeftijd ongeveer eens in de drie jaar 3 maanden hoger.

Achtergrond[bewerken]

Het getal 18,26 in de formule is de macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd zoals die gold in de referentieperiode 2000–2009. Bij deze levensverwachting en een AOW-leeftijd van 65 jaar zou deze leeftijd niet verhoogd worden; de verwachte duur van de uitkering zou voor iemand van 65 jaar 18,26 jaar zijn (niet te verwarren met de verwachte toekomstige duur van de uitkering voor iemand als die geboren wordt; door de kans op vooroverlijden is deze lager). Bij een macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd van 20,26 jaar en een AOW-leeftijd van 67 jaar zou deze leeftijd ook niet verhoogd worden; de verwachte toekomstige duur van de uitkering voor iemand van 65 jaar zou iets groter dan 18,26 jaar zijn (omdat bij overlijden binnen 2 jaar de uitkeringsduur 0 is en niet de vanaf de 65-jarige leeftijd resterende levensduur min 2 jaar) en de verwachte duur van de uitkering zou voor iemand van 67 jaar nog iets groter zijn (omdat degenen die die leeftijd niet halen niet meegenomen worden in het gemiddelde). Voor mannen zijn de levensverwachtingen lager dan genoemd, voor vrouwen hoger.

Belang van de AOW-leeftijd[bewerken]

De AOW-uitkering gaat in op de dag dat de leeftijd van de betrokkene de AOW-leeftijd (pensioengerechtigde leeftijd) bereikt.

Verder houdt bij het bereiken van de AOW-leeftijd het recht op uitkering op bij de WW, WAO, WIA, Wajong,[4] Anw, IOAW / IOW, IOAZ, TW (en waar van toepassing ook de premieplicht). Ook zijn onder meer enkele heffingskortingen hiervan afhankelijk.

Vrijstelling van betaling van AOW-premie[bewerken]

Vanaf de eerste dag van de maand waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt gelden lagere totaaltarieven in schijf 1 en 2 van box 1 (er is geen AOW-premie meer verschuldigd; men betaalt over de inkomsten in box 1 in het kalenderjaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt een tijdsevenredig percentage AOW-premie).

Dit houdt verband met het categoriseren van de AOW als verzekering en niet als sociale voorziening. Door de netto-nettokoppeling aan het minimumloon zou het heffen van AOW-premie over de AOW-uitkering niet uitmaken, maar het levert iemand die de AOW-leeftijd heeft bereikt wel het voordeel op dat in de rest van schijf 1 en in schijf 2 geen AOW-premie verschuldigd is over aanvullend pensioen en over lijfrente. Ook maakt dit betaalde arbeid aantrekkelijker (het kan enigszins een compensatie bieden als men bruto minder verdient dan men gewend was).

Dat men geen AOW-premie betaalt, betekent uiteraard wel dat binnen schijf 1 en 2 hypotheekrenteaftrek (voor zover men daar op deze leeftijd nog aanspraak op kan maken gezien de maximumtermijn van 30 jaar) op dit punt ook geen voordeel biedt, alleen de belasting en de premies Anw en AWBZ worden door deze aftrek lager.

Voor zover de AOW gefiscaliseerd is betaalt de AOW-gerechtigde wel ook mee aan de AOW-uitkeringen. Zie ook versnelde en volledige fiscalisering van de AOW.

Ontslag[bewerken]

In principe mag een werknemer met ingang van zijn AOW-leeftijd ontslagen worden. Voor de rest is ontslag op grond van leeftijd gezien de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid verboden. Het voornemen van de regering is om wettelijk het uitgangspunt vast te leggen dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op de dag dat de AOW-leeftijd wordt bereikt.[5]

Voor gemeenteambtenaren is bijvoorbeeld in artikel 8:2 van de CAR-UWO bepaald dat de ambtenaar eervol ontslag wordt verleend met ingang van de dag waarop hij de AOW-leeftijd bereikt.

IBO Inkomen en vermogen van ouderen[bewerken]

Het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) “Inkomen en vermogen van ouderen: analyse en beleidsopties” beschrijft en beoordeelt diverse regelingen voor ouderen.[6] Deze zijn vaak gekoppeld aan de AOW-leeftijd.

Beleidsoptie 1 is het afschaffen van het aparte (hogere) referentieminimumloon voor de AOW.

Hoogte van de uitkering[bewerken]

Koppeling aan het minimumloon[bewerken]

De bruto AOW-uitkeringen worden bepaald door netto-nettokoppeling aan het minimumloon. Uit een speciale bruto-nettoberekening volgt een netto minimumloon, waar netto AOW-bedragen uit worden afgeleid door bepaalde percentages ervan te nemen. Vervolgens worden deze netto bedragen op basis van speciale aannamen gebruteerd. Uiteindelijk is er de bruto-nettoberekening die het werkelijke nettobedrag oplevert.

Als netto minimumloon wordt genomen het bedrag verkregen uit het bruto minimumloon door loonheffing, voor personen onder de AOW-leeftijd en rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting. Dit wijkt op twee punten af van wat twee partners onder de AOW-leeftijd samen ontvangen als één het minimumloon verdient: niet van toepassing zijn de arbeidskorting (die het nettoloon verhoogt) en de afbouw van de dubbele heffingskorting voor kostwinners (die het totaal van de door beiden ontvangen bedragen verlaagt).

Berekening per 1 januari 2014[bewerken]

Het bruto minimumloon exclusief vakantie-uitkering bedraagt € 1485,60 per maand, dit is per jaar € 17.827,20. Naar beneden afgerond op een veelvoud van € 54 is dit € 17.820. De loonheffing volgens box 1 (tarief voor personen onder de AOW-leeftijd) is 36,25% van € 17.820 (naar beneden op euro's afgerond), is € 6459. De heffingskorting is 2 maal de algemene heffingskorting van € 2103 (tarief voor personen onder de AOW-leeftijd), is € 4206. De loonheffing is dus € 2253 per jaar, dit is € 187,75 per maand. Het referentieminimumloon voor de AOW (niet te verwarren met het algemene referentieminimumloon) is dus € 1485,60 - € 187,75 = € 1297,85 per maand (€ 15.574,20 per jaar).

De verdere berekening gaat als hieronder.

Berekening per 1 januari 2013[bewerken]

Het bruto minimumloon exclusief vakantie-uitkering bedraagt € 1469,40 per maand, dit is per jaar € 17.632,80. Naar beneden afgerond op een veelvoud van € 54 is dit € 17.604. De loonheffing volgens box 1 (tarief voor personen onder de AOW-leeftijd) is 37% van € 17.604 (naar beneden op euro's afgerond), is € 6513. De heffingskorting is 2 maal de algemene heffingskorting van € 2001 (tarief voor personen onder de AOW-leeftijd), is € 4002. De loonheffing is dus € 2511 per jaar, dit is € 209,25 per maand. Het referentieminimumloon voor de AOW (niet te verwarren met het algemene referentieminimumloon) is dus € 1469,40 - € 209,25 = € 1260,15 per maand (€ 15.121,80 per jaar).

De bruto AOW-uitkering exclusief de zogenaamde Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (KOB, zie onder) en exclusief de vakantie-uitkering is zodanig dat na aftrek van de in te houden loonheffing en na aftrek van de lage IAB een bepaald percentage (70% voor een alleenstaande, 50% voor iemand met een gezamenlijke huishouding met een ander) van het referentieminimumloon voor de AOW resteert.

Voor de in te houden loonheffing moet in de bovenstaande berekening volgens de wet rekening gehouden worden met de toepasselijke heffingskortingen voor een persoon boven de AOW-leeftijd. In werkelijkheid wordt in die berekening alleen rekening gehouden met de algemene heffingskorting.[7]

Voor een alleenstaande moet de genoemde bruto-nettoberekening uitkomen op 70% van € 1260,15 is € 882,11 per maand. Het bruto bedrag per maand moet zodanig zijn dat na aftrek van 5,65% IAB en aftrek van de loonheffing, rekening houdend met een tarief van 19,1% (het blijkt namelijk dat het inkomen binnen de eerste schijf blijft) en een heffingskorting van € 1034 per jaar, het bedrag van € 882,11 per maand resteert. Als geen rekening wordt gehouden met loonklassen en andere afrondingen geeft dit een bruto bedrag per maand van (€ 882,11 - € 1034/12) / (1 - 0,0565 - 0,191) = € 1057,73. Dit valt in de loonklasse van € 1057,50 (afronding naar beneden op een veelvoud van € 4,50), dit is € 12.690 per jaar. De loonheffing volgens box 1 is 19,1% van € 12.690 (naar beneden op euro's afgerond), is € 2423. Na aftrek van de heffingskorting van € 1034 resteert €1389, dit is € 115,75 per maand. Het bruto bedrag per maand moet dus zodanig zijn dat na aftrek van 5,65% IAB € 882,11 + € 115,75 = € 997,86 resteert. Dit geeft een bruto bedrag per maand van € 997,86 / (1 - 0,0565) = € 1057,62. Aangezien dit bedrag zich in het begin van een loonklasse bevindt heeft het bruteringsprobleem twee oplossingen, waarbij de andere oplossing ongeveer 0,191 × € 4,50 / (1 - 0,0565) is € 0,91 lager is. Inderdaad is in dit geval bij de brutering het lagere bedrag gekozen, het daadwerkelijke bruto bedrag is vastgesteld op € 1056,72 (per 1 juli 2013: € 1061,36).

Op basis van het bruto minimumloon inclusief vakantie-uitkering wordt op dezelfde manier als boven de loonheffing bepaald. Dit geeft een netto bedrag. Het verschil met het netto bedrag zonder vakantie-uitkering is de netto minimumvakantiebijslag.[8]

De zogenoemde "netto vakantie-uitkering" is 70%, resp. 50%, van de netto minimumvakantiebijslag. Volgens de tabel voor bijzondere beloningen bedraagt de loonheffing 19,1%. Samen met de 5,65% IAB is dit 24,75%. Op basis hiervan worden de bruto bedragen bepaald.

De "netto vakantie-uitkering" is ruim 5% van de netto AOW-uitkering, ongeveer gelijk aan die bij het minimumloon. De bruto vakantie-uitkering is een relatief laag percentage van de bruto AOW-uitkering (een kleine 6%) doordat het loonheffingstarief laag is. De daadwerkelijke netto vakantie-uitkering als er geen andere inkomsten zijn is ook een kleine 6% van de daadwerkelijke netto AOW-uitkering, want de loonheffing is dan nihil en de IAB steeds hetzelfde percentage (zie ook hieronder).

Bedragen[bewerken]

De bruto uitkering bedraagt per 1 juli 2013 voor iemand met een gezamenlijke huishouding met een ander (zie onder) € 725,77 per maand, excl. KOB van € 25,16 per maand; samen is dit per maand € 750,93; verder is er nog de vakantie-uitkering van bruto € 49,81 per maand (totaal € 800,74). De bruto uitkering voor alleenstaanden bedraagt € 1061,36 per maand, exclusief de KOB als boven; samen is dit per maand € 1086,52; verder is er nog de vakantie-uitkering van bruto € 69,73 per maand (totaal € 1156,25).[9]

Omdat in deze gevallen de werkelijk in te houden loonbelasting en premies volksverzekeringen nihil zijn, mede door de ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting, zijn de netto bedragen eenvoudig 5,65% lager dan de bruto bedragen.[10]

Afgerond geeft dit resp. € 755 en € 1091 (per jaar € 9100 en € 13.100). Voor wie geen ander inkomen heeft zijn dit de uiteindelijke netto bedragen; voor wie wel ander inkomen heeft is van belang dat de IAB niet aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting.

Als de AOW-gerechtigde een gezamenlijke huishouding heeft met iemand beneden de AOW-leeftijd dan ontvangt eerstgenoemde 50% van het bovengenoemde minimumloon en de ander niets. Een AOW-gerechtigde die met zijn/haar volwassen kind samenwoont krijgt wel de uitkering voor alleenstaanden; de regering stelt voor dat dit gewijzigd wordt in die zin dat dan slechts de uitkering voor een samenwonende wordt toegekend.

Partnertoeslag[bewerken]

Bij wijze van overgangsregeling heeft een AOW-gerechtigde die vóór 1950 is geboren en een gezamenlijke huishouding heeft, die al vóór 1 januari 2015 bestaat, met iemand beneden de AOW-leeftijd, recht op een toeslag op de AOW (partnertoeslag). Het inkomen van de ander in verband met arbeid wordt geheel gekort op de toeslag, het inkomen van de partner uit arbeid gedeeltelijk. Per augustus 2011 is de toeslag (eerder maximaal bruto € 694,19 per maand) met 10% verlaagd, voor zover het gezamenlijk inkomen van beide mensen daarmee niet onder 162% van het minimumloon komt. Daarmee is er voor het eerst afhankelijkheid van het inkomen van de AOW-gerechtigde zelf.

De toeslag kan steeds omhoog en omlaag gaan door schommelingen van de inkomens, maar als de toeslag op 1 januari 2015 nihil is, of later nihil wordt, heeft men vervolgens nooit meer recht op de toeslag. Mede naar aanleiding van de behandeling van het hieronder vermelde ingetrokken wetsvoorstel zal de regering via nota van wijziging bij het nog in te dienen voorstel van wet Verzamelwet SZW 2015 regelen dat het recht op toeslag weer kan herleven als het recht op toeslag is geëindigd uitsluitend als gevolg van een incidentele stijging van het inkomen van de echtgenoot.

Zoals de term "toeslag" al aangeeft is het geen zelfstandig recht van de partner. Als de AOW-gerechtigde overlijdt stopt dus ook de toeslag. In sommige gevallen kan de partner recht krijgen op een ANW-uitkering.

Ingetrokken is het Voorstel van wet tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet teneinde het recht op partnertoeslag van de gehuwde pensioengerechtigde van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd afhankelijk te maken van het gezamenlijk inkomen van die pensioengerechtigde en diens echtgenoot. Het was de bedoeling de wet in werking te laten treden met ingang van 1 januari 2015. De bruto-toeslag zou gekort worden met het bedrag waarmee het gezamenlijke inkomen uit arbeid of overig inkomen (exclusief AOW) van de AOW'er en de partner de inkomensgrens van 242% van het bruto-minimumloon met inbegrip van de bruto-minimumvakantiebijslag overschrijdt. Dit zou gelden voor de AOW'ers die in november of december 1949 geboren zijn; voor wie eerder is geboren zou de korting in 2015, 2016 en 2017 respectievelijk 25%, 50% en 75% van de bovengenoemde korting bedragen, daarna 100%.[11][12][13]

Gezamenlijke huishouding[bewerken]

De wet gebruikt de termen gehuwd en echtgenoot, maar bepaalt dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt degene die een geregistreerd partnerschap met een ander heeft, en ook de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. De twee personen hoeven dus geen "stel" te zijn / een "relatie" te hebben (verliefdheid of seksuele handelingen spelen geen rol), ze kunnen ook "gewoon vrienden" (m/v) zijn, of twee broers, twee zussen, broer en zus, grootouder en kleinkind, of hulpbehoevende en verzorger. Voor een ouder en kind geldt zoals gezegd een uitzondering: als deze een gezamenlijke huishouding voeren gelden ze wél beide als alleenstaande. De Tweede Kamer wees in een motie het afschaffen van deze uitzondering af.[14][15] (Zie echter ook hieronder de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten, volgens welk de 50%-norm bij de AOW vanaf 1 juli 2016 niet alleen bij een gezamenlijke huishouding geldt maar al bij het delen van de woning.) Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander.

De AOW kent op dit moment geen specifieke bepalingen of uitkeringsnormen voor een huishouden met drie of meer volwassenen. In de praktijk heeft de SVB daarvoor beleid ontwikkeld dat aansluit bij de wet en de jurisprudentie. Bij bijvoorbeeld een driepersoonshuishouden wordt eerst bepaald of het mogelijk is twee personen aan te wijzen die aangemerkt zouden kunnen worden als gehuwd omdat zij de kosten met elkaar delen en zorg voor elkaar dragen. Deze krijgen dan elk de gehuwdennorm van 50%, en de derde wordt beschouwd als alleenstaande en krijgt daarmee de uitkeringsnorm van 70%. Als de kosten door allen worden gedeeld (bijvoorbeeld drie zussen), dan wordt ieder aangemerkt als alleenstaande. Zij krijgen dan ieder de uitkeringsnorm van 70%. Bij commerciële relaties, waarbij personen in één woning wonen maar het gebruik van de woonruimte en de huishouding een strikt zakelijk karakter hebben, bedraagt de uitkeringsnorm 70%.[16]

Controle (zoals huisbezoek) en fraude hebben vaak te maken met het wel of niet voeren van een gemeenschappelijke huishouding.[17][18][19] Als uitkeringsfraude wordt niet alleen beschouwd het verstrekken van verkeerde informatie bij de aanvraag, maar ook het niet voldoen aan de informatieverplichtingen (art. 49). Deze houden onder meer in dat als men een gemeenschappelijke huishouding gaat voeren, men dit direct uit eigen beweging moet doorgeven. Om geen risico te lopen van fraude te worden beschuldigd moet men dit ook in een twijfelgeval doen. De Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving heeft artikel 17c en verder aangescherpt.

Als gevolg van de Wet huisbezoeken in de sociale zekerheid kan de Sociale verzekeringsbank de pensioengerechtigde die stelt geen gezamenlijke huishouding te voeren verzoeken om dit aan te tonen; als men dit niet aantoont krijgt men slechts de gehuwdenuitkering. Teneinde de pensioengerechtigde in de gelegenheid te stellen het aan te tonen kan de Sociale verzekeringsbank bij zo'n verzoek aanbieden de woning van de pensioengerechtigde binnen te treden.

Als een van beide partners langdurig in een verpleeghuis woont, kunnen ze ervoor kiezen om als alleenstaanden te worden aangemerkt. Dit geldt dan ook voor de eigen bijdrage AWBZ en is daardoor vaak onvoordelig. Zolang het verblijf in het verpleegtehuis voortduurt kan deze keuze niet worden teruggedraaid.[20] De keuze staat los van fiscaal partnerschap.

Tweewoningenregel[bewerken]

Sinds 1 februari 2014 wordt de tweewoningenregel, ook geschreven twee-woningen-regel, toegepast.

Aanhangig is het Voorstel van wet tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met beëindiging van de voorschotregeling en vaststelling van een grondslag voor het stellen van regels ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning. Er is een wijziging van artikel 1, zevende lid, van de AOW in opgenomen die voorziet in een wettelijke grondslag om bij algemene maatregel van bestuur (amvb) regels te kunnen stellen ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als bedoeld in de artikelen 1, vierde en vijfde lid, aanhef, van de AOW. Over een concept van deze amvb, Besluit van .. houdende regels ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning als bedoeld in de artikelen 1, vierde en vijfde lid, aanhef, van de Algemene Ouderdomswet (Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW), is een internetconsultatie geweest.[21] Er wordt naar gestreefd beide op 1 mei 2014 in werking te laten treden, met terugwerkende kracht tot 1 februari 2014. Op verzoek van de regering anticipeert de SVB hierop door de nieuwe regels al toe te passen.[22][23] De verandering wordt alleen in de AOW doorgevoerd, niet in de WWB, IOAW, IOAZ, TW en Anw.

Doel is onder meer het wegnemen van het risico voor een alleenstaande AOW’er om gekort te worden als hij een ander helpt of door een ander wordt geholpen (wel aangeduid als tegenstrijdige regelgeving ten opzichte van het bevorderen van mantelzorg). Er wordt bepaald dat een AOW-gerechtigde en een andere AOW-gerechtigde of een andere ongehuwde meerderjarige persoon voor de toepassing van de AOW in ieder geval geacht worden niet beide hoofdverblijf in één woning te hebben als volgens bepaalde criteria ieder "zijn eigen woning heeft". Het gevolg is dat de AOW-gerechtigde alleenstaanden-AOW krijgt, onafhankelijk van de vraag of ze "blijk geven zorg te dragen voor elkaar". Ook is het niet meer van belang of en zo ja hoeveel dagen of nachten de betrokkenen bij elkaar in één of beide woningen verblijven.

Dit "hebben van een eigen woning" houdt in dat de betrokkene aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

  • Hij heeft een op zijn naam staande woning in eigendom of huurt een op zijn naam staande woning.
  • Hij heeft de woning vrij ter beschikking. De woning is dus niet verhuurd of onderverhuurd (geheel of gedeeltelijk), en de nutsvoorzieningen zijn aangesloten.
  • Hij draagt de kosten en lasten van de woning (na aftrek van de eventuele huurtoeslag) volledig.
  • Hij staat op het betreffende adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee vergelijkbare administratie in het buitenland.
  • Niemand anders (met uitzondering van eventuele minderjarige eigen, aangehuwde of pleegkinderen) is op het adres ingeschreven of woont feitelijk op het adres.
  • De woning heeft een eigen keuken met aanrecht, aan- en afvoer voor water en een aansluitpunt voor een kooktoestel.
  • De woning heeft een eigen toilet met waterspoeling en een eigen douche of wasgelegenheid.
  • De woning is niet een door krakers bezet gebouw.
  • De woning is niet een voor het doorbrengen van vakantie maar niet voor permanente bewoning geschikte of bestemde vakantie- of recreatiewoning.

Als aan deze voorwaarden is voldaan geldt als woning ook een onvrije etage, een deel van een etage, een woonwagen zonder eigen aandrijving op een erkende standplaats, en een woonschip op een daartoe bestemde of aangewezen ligplaats. Een gehuurde kamer, een woonkeet en een loods zullen vaak niet aan de voorwaarden voldoen.

De reden van de beperkingen is dat het anders in bepaalde gevallen voordelig zou kunnen zijn om bijvoorbeeld een kamer te (blijven) huren, ook als deze niet (meer) gebruikt wordt. Als niet aan de voorwaarden is voldaan gelden de oude regels, dus dan kan het wel van belang zijn dat men niet te vaak bij de ander verblijft.

Als een AOW-gerechtigde volgens de oude regels een gezamenlijke huishouding heeft met een jongere partner, maar volgens de nieuwe regels niet, en partnertoeslag ontvangt, dan betekent toepassing van de nieuwe regels dat hij geen partnertoeslag meer krijgt, maar wel ongehuwden-AOW. Als de partnertoeslag gering is is dit voordeliger, anders niet. In het laatste geval kan hij er voor kiezen dat de nieuwe regels niet toegepast worden.

Ook de hoogte van aanvullend pensioen kan afhangen van al of niet samenwonen. Bij het ABP bijvoorbeeld is het deel van het pensioenrecht dat gebaseerd is op de opbouwjaren tot en met 1994 een recht op een uitkering waarvan de hoogte afhankelijk is van het op het moment van uitkering al of niet samenwonen, zie pensioenopbouw bij het ABP. Mogelijk wordt hierbij aangesloten bij de criteria voor de AOW. In dat geval kan het aanhouden van beide woningen ook voor het aanvullend pensioen gunstig zijn.

Toekomst[bewerken]

Aanhangig in de Eerste Kamer is de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten, volgens welk de 50%-norm bij de AOW niet alleen bij samenwonen geldt maar al bij het delen van de woning, en ook bij ouder en kind, en bij ouder en kind met partner, en bij andere situaties van drie of meer personen. Critici noemen dit de mantelzorgboete. De regering heeft echter in verband met de samenloop van de kostendelersnorm in de AOW met de hervormingen in de (mantel)zorg, besloten bij aanname van de wet de bij KB vast te stellen inwerkingtredingsdatum niet op 1 juli 2015 te stellen, maar op 1 juli 2016. De regering zal het komende jaar benutten om samen met o.a. gemeenten en SCP te bezien hoe arrangementen rond mantelzorg verder ondersteuning behoeven en om te onderzoeken wat de effecten zijn van de kostendelersnorm in de AOW op de mantelzorg. De inwerkingtreding van de kostendelersnorm in de AOW zal in het voorjaar van 2016 in een separaat inwerkingtredingsbesluit moeten worden vastgesteld. De regering zal eerst debatteren met het parlement over de resultaten van het onderzoek.[24]

Voor de alleenstaande die de woning deelt met een of meer anderen geldt tot 1 januari 2019 een overgangsregeling.

Onvolledige AOW, vrijwillige verzekering[bewerken]

De AOW bedraagt 2% van de volledige AOW-uitkering voor ieder jaar dat iemand in de periode van 50 jaar voorafgaand aan het bereiken van de AOW-leeftijd in Nederland heeft gewoond en/of in Nederland heeft gewerkt en dienaangaande aan de loonbelasting onderworpen was, met dien verstande dat de tijd waarin men in Nederland woonde en in het buitenland werkte (grensarbeider was) niet meetelt, maar de tijd dat men in Nederland woonde en helemaal niet werkte wel. Het aantal jaren dat meetelt wordt individueel bepaald, dus de tijd waarin iemand in Nederland woonde terwijl zijn/haar partner in het buitenland werkte stelt voor hem/haar wel mee. De totale tijdsduur wordt tot op de dag nauwkeurig bepaald en vervolgens naar boven afgerond op hele jaren.[25])

De vrijwillige verzekering houdt in dat wie eerst in Nederland woont en zich dan tijdelijk of blijvend in het buitenland vestigt zijn AOW-verzekering vrijwillig kan voortzetten en dat wie zich in Nederland vestigt de jaren vanaf de aanvangsleeftijd tot de vestiging in Nederland mee kan laten tellen, mits binnen 10 jaar[26] van vestiging aangevraagd (inkoopregeling). Na vertrek uit Nederland moet de vrijwillige verzekering binnen een jaar worden aangevraagd en kan deze maximaal 10 jaar duren (onder voorwaarden langer). Wie uit Nederland vertrekt en zich niet binnen de genoemde termijn van een jaar vrijwillig verzekert, of terugkeert nadat de vrijwillige verzekering is gestopt (vrijwillig of doordat de maximale duur verstreken was), kan bij terugkeer de jaren waarin men niet verzekerd was niet alsnog laten meetellen.

Artikel 3.3 van het Besluit Wfsv bepaalt dat de premie per jaar hetzelfde percentage als bij de verplichte verzekering bedraagt van het inkomen in de eerste en tweede schijf van box 1 (zie ook onder), met dien verstande dat al het inkomen geacht wordt te zijn ontvangen in Nederland; hiervan wordt afgetrokken de heffingskorting voor de AOW (een evenredig deel van de standaardheffingskorting), met dien verstande dat in dit geval tot de standaardheffingskorting alleen geacht wordt te behoren de algemene heffingskorting. Uit de rekenhulp[27] blijkt dat voor elk jaar in het verleden het historische percentage en de historische heffingskorting worden toegepast. Er wordt ook geen rente berekend.

Voor 2012 bedraagt de heffingskorting ( 17,9 / 33,1 ) × € 2033 = € 1100. De maximale premie (die op basis van de bovengrens van de tweede schijf) bedraagt € 4961 per jaar. Als men zijn inkomen in de betreffende jaren (die bijna 50 jaar in het verleden kunnen liggen!) niet aannemelijk kan maken geldt het maximum. Aanvullend geldt de regel dat de premie minstens 10% van dit maximum is, dus voor 2012 € 496 per jaar.[28]

De vrijwillige verzekering is vooral voordelig voor jaren met een laag of geen inkomen. Men kan echter maar beperkt kiezen welke jaren men meeverzekert. Na vertrek uit Nederland moet de periode van de vrijwillige verzekering aansluiten op die van de verplichte verzekering. Men kan wel stoppen met de opbouw van verzekerde jaren (bijvoorbeeld als het inkomen hoger wordt). Bij vestiging in Nederland is het "alles of niets": men kan alleen de hele periode vanaf de op het betreffende moment geldende aanvangsleeftijd verzekeren.

Inkoop geeft voor de overheid een besparing van mogelijke AIO, maar het kost de overheid per saldo toch geld, doordat voornamelijk degenen inkopen voor wie dat voordelig is. Bovendien is zelfs over de gehele linie genomen de AOW-premie niet kostendekkend (de AOW is gedeeltelijk gefiscaliseerd).[29][30]

Zolang de AOW-leeftijd niet is bereikt kan de aanvangsleeftijd met terugwerkende kracht verhoogd worden, waardoor opbouwmaanden verloren gaan, zelfs als deze achteraf zijn ingekocht, zonder restitutie van premie of inkoopsommen. De regering vindt dit niet bezwaarlijk, want "Er bestaat in de AOW geen relatie tussen het betalen van premie en het verzekerd zijn."[31] en om ongelijke behandeling vergeleken met verplicht verzekerden te voorkomen. Zoals gezegd wordt zelfs bij vrijwillig achteraf verzekeren vanaf de aanvangsleeftijd uitgegaan van de aanvangsleeftijd op het moment van inkoop, niet de aanvangsleeftijd die volgens de op het moment van inkoop geldende versie van de wet uiteindelijk voor de betrokkene van toepassing zal zijn. Om zo min mogelijk verzekerde jaren in te kopen die zullen komen te vervallen moet men dus zo lang mogelijk wachten met de inkoop (tot bijna 10 jaar na vestiging in Nederland, tenzij men eerder de AOW-leeftijd bereikt).

Bij een onvolledige AOW-uitkering kan eventueel recht bestaan op bijstand volgens de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO).[32] Deze wordt net als de AOW-uitkering door de SVB uitbetaald.

De vrijwillige AOW-premie wordt voor 2013 geraamd op € 15 miljoen.

Aanhangig is de Wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met wijziging van de voorwaarden voor de vrijwillige verzekering over een achterliggende periode, die de voorwaarden aanscherpt (sterkere band met Nederland) en de minimum-inkooppremie verhoogt tot ongeveer € 2400 per ingekocht jaar. Om aankondigingseffecten (een toeloop van inkopers) te voorkomen bevat het wetsvoorstel de bepaling dat het met terugwerkende kracht ingaat, met ingang van de aankondiging.

Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen[bewerken]

De Wet van 21 april 2011, houdende introductie van een regeling die het mogelijk maakt oudere belastingplichtigen een tegemoetkoming te verstrekken met het oog op compensatie van koopkrachtverlies als gevolg van beleidsmaatregelen (Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen) is op 1 juli 2011 in werking is getreden. Voor deze tegemoetkoming wordt zowel KOB als MKOB gebruikt als afkorting. De tegemoetkoming bedraagt € 25,12 per maand (1 feb 2014) en wordt vaak samen met de AOW-uitkering uitbetaald (beide worden uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank). Verschillen in voorwaarden met de AOW zijn:

  • Men krijgt een volledige KOB, ook al krijgt men een onvolledige AOW omdat men niet altijd in Nederland heeft gewoond.
  • In veel gevallen krijgt men de tegemoetkoming niet als men in het buitenland woont. Voorwaarde is namelijk dat men binnenlands belastingplichtige is of dat ten minste 90% van het wereldinkomen in Nederland onderworpen is aan de belastingheffing naar het inkomen.

Voor het recht op de tegemoetkoming moet de belastingplichtige de leeftijd hebben bereikt waarop recht kan ontstaan op de ouderenkorting.

De regeling is bedoeld als compensatie voor Nederlandse fiscale lastenverzwaringen en daarom niet bedoeld voor wie daar niet mee te maken heeft. De regeling kan bijvoorbeeld een hoge btw compenseren; een heffingskorting kan dat alleen voor mensen die inkomstenbelasting betalen, want behoudens de aflopende regeling voor uitbetaling van de algemene heffingskorting kan de inkomstenbelasting niet negatief zijn.

De regeling is zo vormgegeven dat deze volgens de regering niet in strijd is met Verordening 883/2004. De rechtbank Haarlem heeft begin april 2012 echter beslist dat buiten Nederland wonenden die onder een verordening of verdrag vallen, ook recht hebben op de MKOB. Bovendien heeft de Europese Commissie een infractieprocedure ingesteld omdat zij de mening van de regering niet deelt dat het gaat om een fiscale regeling; zij stelt dat de uitkering geëxporteerd moeten worden binnen de Europese Unie/Europese Economische Ruimte/Zwitserland. In mei 2013 kondigde de regering aan dat deze export met terugwerkende kracht mogelijk wordt.[33]

De MKOB wordt vervangen door een nieuwe regeling inkomensondersteuning voor AOW-gerechtigden, waarbij het bedrag van bruto € 301,91 per jaar (prijspeil 2014) naar rato van de AOW-opbouw wordt uitgekeerd. In eerste instantie gebeurt dit met de Tijdelijke regeling inkomensondersteuning AOW-pensioengerechtigden en het Besluit van 27 juni 2014, nr. 2014000986 tot Wijziging van het bedrag, genoemd in artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen, waarbij de MKOB op nul gesteld, beide met ingang van dezelfde bij KB te bepalen datum (beoogd wordt 1 januari 2015).

Financiering[bewerken]

De AOW-uitkeringen worden voor 2013 geraamd op € 33 miljard. De premie bedraagt 17,9% van het inkomen in box 1, verminderd met een evenredig deel van de heffingskortingen, het geraamde bedrag voor 2013 is € 23 miljard. In verband met dit laatste verstrekt het Rijk de Bijdrage in de Kosten van de Kortingen (BIKK) aan de fondsen. Daarnaast is er de aanvullende financiering door het Rijk. Voor 2013 worden deze geraamd op resp. € 2 miljard en € 8 miljard.[34] (samen 30% van de uitkeringen). Voor wat betreft de rijksbijdrage is er fiscalisering van de AOW.

In verband met het categoriseren van de AOW als verzekering geldt de regel dat wie de AOW-leeftijd heeft bereikt geen AOW-premie meer betaalt. Zie ook versnelde en volledige fiscalisering van de AOW.

De MKOB-uitkeringen bedragen ongeveer € 1 miljard per jaar.

Geschiedenis[bewerken]

De eerste jaren vanaf 1957 werd de AOW volledig gefinancierd volgens het omslagstelsel, dat wil zeggen: uit de op hetzelfde moment geïnde AOW-premies. Bij de bepaling van de premiehoogte werd het percentage en het maximumbedrag per verzekerde elk jaar zo gekozen dat het totaal van de geïnde premies vermeerderd met enige rente-inkomsten gelijk was aan het totaal van de uitkeringen. Niet in alle jaren lukte dat. Een tekort moest worden aangevuld. Er is in 1997 incidenteel een tekort. In april 1998 is besloten het jaarlijks stijgende percentage te bevriezen op 17,9%[29] (2012: 65-plussers betalen 15,2% in plaats van 33,1% in de eerste schijf van box 1). Vanaf 2002 is er echter een jaarlijks oplopend tekort[35] dat uit de algemene middelen, de belastingopbrengsten, wordt aangevuld.

Het tekort is groeiend, ook omdat er sinds 2001 geen AOW-premie meer verschuldigd is over inkomsten uit vermogen en de laatste jaren sneller vooral door de verminderde premie-inkomsten als gevolg van de heffingskortingen. Sinds de belastingherziening in 2001 komen er per saldo minder premies binnen bij de volksverzekeringen AOW, Anw en AWBZ.

Door het groeiende tekort moeten er elk jaar meer belastingopbrengsten worden gebruikt om het tekort aan te vullen. Omdat ook AOW-gerechtigden belasting betalen, is het gevolg dat de AOW-gerechtigden sinds 2002 in toenemende mate een deel van hun AOW ontvangen dat zij op hetzelfde moment financieren via de gewone belasting. Dit betreft het meest hen die het meeste belasting betalen. De AOW-uitkering was volledig inkomensonafhankelijk, maar is sinds 2002 steeds meer enigszins van het inkomen afhankelijk.

In 2008 bedraagt het tekort 5,5 miljard, ongeveer 20% van het totaal van de AOW-uitkeringen. De vergrijzing speelde een beperkte rol tot 2008,[36] maar de komende jaren gaat de toenemende vergrijzing de financiering nog voor grote problemen stellen.

Historie[bewerken]

De AOW is in 1957 geïntroduceerd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid J. G. Suurhoff. De AOW is de opvolger van de door Willem Drees als minister van Sociale Zaken in 1947 ingevoerde Noodwet Ouderdomsvoorziening, die uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld was.[37]

Aan de AOW is een lange voorgeschiedenis voorafgegaan. De Pruisische kanselier Otto von Bismarck legde in 1889 een inkomensverzekering op tegen inkomstenderving in geval van ouderdom, ziekte en invaliditeit. In deze inkomensverzekering komt aanvankelijk de AOW-leeftijd van 70 jaar voor. Pas een aantal jaren later wordt dit gewijzigd in de bekende leeftijd van 65. Overigens was de levensverwachting van een 65-jarige in die tijd korter dan nu. Een 65-jarige had in 1956 een resterende levensverwachting van 14 jaar (man) en 15 jaar (vrouw); de laatste tientallen jaren neemt de resterende levensverwachting toe: in 2010 is dit 18 jaar (man) 21 jaar (vrouw).[38]

In het Verenigd Koninkrijk werd in 1942 (dus in de oorlogsjaren) door Lord William Beveridge gebruikgemaakt van het sterke gevoel van solidariteit om een blauwdruk te maken voor een stelsel van sociale volksverzekeringen, betaald uit belastinggeld. Soortgelijke systemen werden na de Tweede Wereldoorlog in meerdere Europese landen en in de Verenigde Staten ingevoerd.

Terwijl in het systeem van Bismarck de uitkering afhangt van het vroegere inkomen, is in het systeem van Beveridge de uitkering voor iedereen hetzelfde. Deze twee modellen en tussenvormen ervan worden nog steeds gebruikt. Zo is in Nederland de uitkering voor gehuwden en samenwonenden per persoon lager dan voor alleenstaanden.

De Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen veranderde per 1 juni 2011 het systeem van de "tegemoetkoming". Deze wordt nu geregeld in een aparte wet, zie boven.

In toenemende mate zijn er AOW-gerechtigden die uit het buitenland afkomstig zijn en daardoor een onvolledige AOW-opbouw hebben. Deze krijgen een gekorte AOW-uitkering, eventueel aangevuld met bijstand volgens de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen.

Aanvang uitkeringen op de verjaardag[bewerken]

De Wet van 8 december 2011 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en andere wetten in verband met wijziging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen)[39][40] veranderde de ingangsdatum van de eerste van de maand waarop men 65 wordt tot de verjaardag zelf. Tevens werden met deze wet de Anw, WW, ZW, WIA, IOAW, IOW, IOAZ, TW, Wajong overeenkomstig aangepast: met name is de bepaling dat geen recht op uitkering heeft degene die de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft bereikt, gewijzigd in de bepaling dat geen recht op uitkering heeft degene die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. De kring van verzekerden veranderde niet, men was al tot zijn 65e verjaardag verzekerd. Met het Besluit van 9 februari 2012 tot aanpassing van diverse besluiten in verband met de Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen[41] werden ook diverse andere regelingen aangepast; voor wat betreft de bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid in de vorm van een AMvB waren dit het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BBWO) en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie. Nog niet is aangepast het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (BBUW-Rijk), hier staat nog steeds "de eerste dag van de kalendermaand waarin betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt" (aanpassingen van bovenwettelijke regelingen worden vaak met vertraging doorgevoerd, na arbeidsvoorwaardelijk overleg, zie ook onder). Niet aangepast behoefde te worden het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren en het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie want daar staat "de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt."

Voor wat betreft het verschuldigd zijn van AOW-premie en dus voor wat betreft de totaaltarieven van box 1, wordt nog wel met hele maanden gewerkt, zie boven.

De vakbond FNV Bondgenoten heeft een proefproces tegen de wijziging verloren.[42]

Eerdere ontwikkelingen rond de toekomst van de AOW[bewerken]

De zorgen over de vergrijzing en de financiering van de AOW zijn een rode draad in de geschiedenis van de AOW. Al bij de memorie van toelichting bij de invoering van de wet wordt gesteld dat de voortgaande vergrijzing een niet te ontkennen feit is. "Zou de last te zwaar worden in de toekomst, dan is verlichting mogelijk door de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen, een mogelijkheid, welke goed aansluit aan een toeneming van de gemiddelde leeftijd en een verbeterende lichamelijke conditie der bejaarden." Een verhoging van de AOW leeftijd wordt hier dus expliciet als mogelijkheid geboden, maar wordt alleen wenselijk geacht indien mèt de verhoging van de gemiddelde levensduur ook een verhoging van het 'prestatievermogen' van 65-jarigen en ouderen gepaard zou gaan. Omdat men bij de invoering vond dat nog niet was gebleken dat het 'prestatievermogen' van de 65 jarigen ook was verhoogd (en dit sowieso moeilijk aan te tonen zou zijn), is bij invoering besloten tot een vaste leeftijd van 65 jaar.[43]

In de jaren 80 is de kwestie weer actueel geworden. Er rezen twijfels of de AOW bij de verwachte vergrijzing ongewijzigd gehandhaafd kan worden. Een staatscommissie onder leiding van Willem Drees jr. onderzocht de toekomst van de voorziening die zijn vader tot stand had gebracht. Aanleiding was een alarmerend artikel in Economisch Statistische Berichten. Drees concludeerde dat het stelsel kon worden gehandhaafd. Wel adviseerde hij tot individualisering van de uitkering waarbij iedereen individueel eenzelfde uitkering ontvangt. De regeringen daarna hebben dat advies niet gevolgd omdat óf de uitkering te weinig zou zijn voor een alleenstaande óf de regeling te duur zou worden. Er is wel een individuele uitkering, maar een alleenstaande krijgt daar bovenop een toeslag.

In 1998 is met terugwerkende kracht tot 1 december 1997 het begrotingsfonds Spaarfonds AOW ingesteld. Stortingen van het Rijk aan het fonds in 1997 en 1998 belastten het zogenoemde beleidsrelevante tekort. Ze gingen in principe – gegeven een doelstelling van het Rijk om het tekort niet te hoog te laten worden – ten koste van de ruimte voor andere uitgaven. In die zin droegen ze bij aan versnelde aflossing van de staatsschuld. Het fonds zou vanaf 2020 (als de vergrijzing hoog zou zijn) gaan uitkeren. Door de uitkeringen zou het beleidsrelevante tekort ondanks de vergrijzing niet toenemen.

Sinds 1999 hanteert het Rijk echter slechts één tekortdefinitie, namelijk het EMU-saldo conform het verdrag van Maastricht. De stortingen van het Rijk aan het fonds maakten voor dit tekort niet uit. Door het regelmatig berekenen van de lange termijn houdbaarheid van de Nederlandse overheidsfinanciën is de boekhoudkundige operatie van het fonds niet meer nodig.

In 2005 bleek dat het fonds slechts een papieren exercitie was, het fonds en het geld in het fonds bestonden slechts op papier. Het ging om een (in het bedrijfsleven gebruikelijke) reservering, waarbij er dus geen sprake is van een fysiek 'spaarpotje'. Er was nooit iets gestort, wel stond er op papier 23 miljard euro 'gereserveerd'. Hoewel zulke reserveringen in de boekhoudkundige praktijk een gebruikelijke methode zijn om kapitaal te 'sparen', was er toch kritiek op. Op 28 juni 2011 ging de Tweede Kamer unaniem akkoord met het voorstel van de regering Rutte tot opheffing van dit fonds.[44][45] De opheffing gebeurde per 1 januari 2012.

Wel is er hard gespaard via de meestal collectieve pensioenpremies, aftrekbaar in Box 1. De collectieve pensioenpot bedroeg in 2011 1000 miljard. Alleen door de jaarlijkse premieaftrek van 30 miljard in Box 1, groeit dit bedrag nog steeds. Daarop rust een belastingclaim van circa 30% en een claim premie zorgverzekeringswet van circa 5% bij uitbetaling later deze eeuw. Derhalve ruim 300 miljard euro

Na het jaar 2000 rees opnieuw onrust over de toekomst van de AOW. Het thema speelde een rol in de campagnes voor de parlementsverkiezingen van 2006. De VVD overwoog een verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar, maar heeft dit plan niet in haar definitieve verkiezingsprogramma voor 2006 opgenomen. Alleen D66 stelt een verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar voor met een overgangsperiode van 24 jaar.

In het Sociaal-Economische Raad (SER)-advies van 30 augustus 2006 wordt gepleit voor fiscalisering van de AOW. AOW-premie zou worden vervangen door belasting, waardoor voor AOW-gerechtigden dezelfde totaaltarieven in box 1 zouden gaan gelden als voor anderen (of wat materieel op hetzelfde neerkomt: ook AOW-gerechtigden zouden AOW-premie moeten gaan betalen). Volgens het regeerakkoord voor het Kabinet-Balkenende IV zouden alleen ouderen met een aanvullend pensioen van meer dan € 18.000 die voor hun 65e met werken waren gestopt aan de AOW mee hoeven te betalen. Het Centraal Planbureau (CPB) betwijfelde of deze regeling uitvoerbaar is. Tijdens de verkiezingen van 2006 was de AOW een heikel punt. De PvdA wilde de AOW deels fiscaliseren, het CDA verzette zich hiertegen. CDA-lijsttrekker Jan Peter Balkenende beschuldigde PvdA'er Wouter Bos ervan 'te stelen van de ouderen'. Balkenende stelde dat de AOW bij het CDA veilig was, maar anders dan tijdens de verkiezingscampagne van 2006, kwam juist het CDA in 2008 met het voorstel de AOW-leeftijd tot 67 te verhogen.

Het Kabinet-Balkenende IV kwam in augustus 2008 eerst met een voorstel dat mensen van 65 jaar kunnen kiezen om hun AOW maximaal vijf jaar uit te stellen.[46] Mensen die langer doorwerkten, zouden dan een hogere uitkering krijgen. Op 25 maart 2009 kondigde het kabinet aan voornemens te zijn de AOW-leeftijd tot 67 te verhogen.[47] Dit voorstel was afkomstig van CDA-minister Piet Hein Donner.

In de avond van 15 oktober 2009 bereikte de regeringscoalitie, bestaande uit PvdA, CDA en ChristenUnie een akkoord over het verhogen van de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar: in 2020 zou de leeftijd eerst verhoogd worden naar 66 jaar, vijf jaar later, in 2025, zou de leeftijd naar 67 jaar gaan. Het zou mogelijk blijven om met 65 jaar te stoppen, mits men minimaal 42 jaar zou hebben gewerkt. Wie daarvoor zou kiezen zou daarvoor geheel of gedeeltelijk actuarieel gekort op de hoogte van de maandelijkse AOW-bedragen die de rest van het leven ontvangen worden: deze zouden voor de hogere inkomens 16 procent minder worden, voor lagere inkomens 13 procent.[48] De coalitie wilde ook de aanvullende pensioenen twee jaar later in laten gaan. Dit betekent dat twee jaar langer pensioenpremie wordt betaald en twee jaar korter uitgekeerd. Eén mogelijkheid is dat hierdoor geen opgebouwde pensioenrechten verloren gaan omdat de uitkeringen actuarieel neutraal worden omgerekend; dit verhoogt de uitkeringen, wat het eventueel korten wegens het feit dat de pensioenfondsen veel geld verloren tijdens de kredietcrisis kan compenseren. Materieel hetzelfde zou de mogelijkheid kunnen zijn dat pensioenbedragen niet worden omgerekend (althans niet actuarieel neutraal), zodat de dekkingsgraad wordt vergroot en de pensioenen daarom niet hoeven te worden gekort. Deze mogelijkheden maken dat de fondsen voorstander zijn van het voorstel. Uit een onderzoek van EénVandaag bleek dat 60 procent van de Nederlanders tegen de plannen van het kabinet is, 40 procent vond het wel een goed plan. Van de achterban van het CDA en de CU was een meerderheid voor de kabinetsplannen, bij de PvdA was een meerderheid (63%) tegen.[49] Opvallend was dat er meer mensen boven de 55 jaar voor de plannen waren dan jongeren, mensen van 55 jaar en ouder worden door de plannen ontzien. Tijdens een stemming in de PvdA fractie was een meerderheid van de fractie voor, slechts twee fractieleden stemden tegen.

In december 2009 werd het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging van de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat (dossier 32247) ingediend. De regering wees invoering in een groter aantal kleinere stappen af vanwege de administratieve complexiteit voor alle partijen. In mei 2011 heeft het Kabinet-Rutte I dit wetsvoorstel ingetrokken en vervangen door een nieuw wetsvoorstel (zie onder).

Begin 2011 diende het Platform AOW-Omhoog[50] een burgerinitiatief in met als doel het inhalen van de structurele achterstand van het AOW-bedrag op de welvaartsontwikkeling. Op 17 maart 2011 besloot de Tweede Kamer het burgerinitiatief te aanvaarden en het onderwerp op de agenda van de Kamer te zetten.

In mei 2011 werd het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging van de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat van 65 naar 66 jaar (Wet verhoging pensioenleeftijd naar 66 jaar) ingediend. Dit is ook ingetrokken en vervangen door weer een nieuw wetsvoorstel (zie onder).

Het al in 2015 in plaats van in 2020 ingaan van de verhoging van de AOW-leeftijd was onderdeel van het pakket bezuinigingsmaatregelen die in eerste instantie het resultaat waren van de toenmalige bezuinigingsonderhandelingen, die vervolgens toch zijn stukgelopen.[51] Een overgangsregeling zou de omvang van de inkomensgevolgen beperken voor mensen die weinig tijd hebben om zich op de wijziging voor te bereiden en die weinig mogelijkheden hebben om het verlies te compenseren door te werken of te sparen. Hiervoor zou in 2015 200 miljoen beschikbaar zijn. Eventuele effecten voor overheidswerkgevers zouden worden opgevangen binnen de desbetreffende departementale begrotingen.[52]

Wetsvoorstel verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW[bewerken]

In de Eerste Kamer is aanhangig geweest het inmiddels ingetrokken wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging en koppeling aan de ontwikkeling van de levensverwachting van de pensioenleeftijd, extra verhoging van het AOW-ouderdomspensioen en introductie van de mogelijkheid het AOW-ouderdomspensioen desgevraagd geheel of gedeeltelijk eerder of later te laten ingaan (Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW).

De belangrijkste verschillen met de latere wijziging waren:

  • in dit oude voorstel zou de verhoging van de AOW-leeftijd later zijn, maar met grotere stappen verlopen: in 2020 zou de eerste stap zijn, van een heel jaar
  • er zou een mogelijkheid komen om de AOW-uitkering eerder of later in te laten gaan
  • de AOW-uitkering zou extra verhoogd worden met jaarlijks 0,6%, tot 2028

Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd[bewerken]

Naar aanleiding van het Begrotingsakkoord 2013 is aangenomen, met steun van VVD, CDA, D66, GroenLinks, ChristenUnie en SGP, de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met stapsgewijze verhoging en koppeling aan de stijging van de levensverwachting van de pensioenleeftijd (Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd)[53], kortweg Wet VAP. Naast een wijziging van het Witteveenkader verandert dit de AOW-leeftijd van 65 jaar naar het bovengenoemde. Het was voor het eerst sinds 1957 dat de Eerste Kamer een wet heeft aangenomen die de AOW-leeftijd verhoogde. Er werd gesproken van een 'historisch' besluit.

Om de mensen die in 2013 65 jaar worden tijdig over de consequenties voor hen te kunnen informeren, een zorgvuldige uitvoering te kunnen garanderen en de gewenste besparingen te realiseren heeft de behandeling door beide Kamers vóór het zomerreces van 2012 plaatsgevonden. Er was veel kritiek op de snelheid waarmee het wetsvoorstel moest worden behandeld.

De Tweede Kamer heeft de regering in een motie verzocht, na invoering van het wetsvoorstel de mogelijkheden voor een flexibele AOW in de toekomst, bijvoorbeeld bij een uittreedleeftijd van 66 jaar, in kaart te brengen en de mogelijkheden voor deeltijd-AOW hierbij te betrekken.

Civiele procedure[bewerken]

De Stichting BeGAG (Belangen Gedupeerden AOW-gat) en 19 vakbonden hebben een civiele procedure aangespannen tegen de Nederlandse staat. Met name voor wie niet langer kan doorwerken of opnieuw kan gaan werken en niet in aanmerking komt voor de overbruggingsregeling of verlengde sociale zekerheid zou het gaan om het ontnemen van eigendom in strijd met Europese wetgeving. Op 17 januari 2014 was er een comparitie na antwoord.[54][55]

Voor wat betreft de inhoudelijke kant gaat het om twee groepen:

  • Mensen die na 2012, maar vóór de AOW-leeftijd, ontslagen zijn of worden op grond van leeftijd. Volgens eisers worden onder meer militairen gedwongen ontslagen, met een uitkering slechts tot 65-jarige leeftijd. Volgens de regering worden zulke regelingen met de vakbonden overeengekomen, en/of kan de betrokkene een procedure beginnen op basis van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid.
  • Mensen die vóór 2013 wegens het bereiken van een bepaalde leeftijd moesten stoppen met werken, of vrijwillig gestopt zijn met werken in de veronderstelling dat de AOW-leeftijd 65 jaar zou zijn. Dit laatste betreft met name mensen waarbij de datum van onomkeerbaar besluiten of akkoord gaan gelegen was vóór het begrotingsakkoord van 26 april 2012, en geboren zijn vóór 1955. (Voor wie geboren is in 1955 of later waren er al eerder plannen de AOW-leeftijd te verhogen.) Het gaat daarbij om mensen met een uitkering tot de 65-jarige leeftijd, maar waarbij de sociale zekerheid en de overbruggingsregeling geen uitkomst bieden voor de tijd tussen de 65-jarige leeftijd en de AOW-leeftijd. Volgens de regering kunnen die het verlies wel dragen omdat naarmate dat verlies groter is de periode van het AOW-gat verder in de toekomst ligt, zodat men ervoor kan sparen, en anders is er dan meer tijd om weer werk te vinden.

De rechtbank verklaarde de eisers op 26 februari 2014 niet ontvankelijk in hun vorderingen tegen de Staat. De Haagse rechtbank is van oordeel dat er voor de burgerlijke rechter geen taak is weggelegd omdat individuele gedupeerden zelf beroep kunnen instellen bij de bestuursrechter als het gaat om besluiten op een aanvraag van een AOW-uitkering of een overbruggingsregeling. Via de zogenaamde exceptieve toets kan daarbij ook de verbindendheid van de Wet verhoging AOW-leeftijd aan de orde kan worden gesteld.[56]

De eisers hadden eerder aangegeven dat deze pas gestart kan worden na aanvraag bij de SVB van een AOW-uitkering ingaand op 65-jarige leeftijd, en daaropvolgende weigering van de SVB om de uitkering dan in te laten gaan, en/of na weigering van een overbruggingsuitkering. Dit betekent dat de bestuursrechtelijke procedure pas 6 maanden voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd kan beginnen. Juist voor degenen voor wie dat nog lang duurt is het AOW-gat groot, waardoor, zo betogen eisers, eerdere duidelijkheid zeer gewenst is. De rechter stelt echter dat personen van 65 jaar nu al een procedure kunnen beginnen. Sommigen hebben dat ook gedaan. Deels zijn eisen afgewezen, maar is hoger beroep ingesteld, deels zijn er nog bestuursrechtelijke procedures in eerste aanleg aanhangig.

De AOW-leeftijd volgens het Regeerakkoord 2012[bewerken]

Volgens het Deelakkoord begroting 2013 en het Regeerakkoord 2012 wordt de AOW-leeftijd voor wie geboren is in oktober 1950 of later hoger dan volgens de begin 2014 geldende wet, namelijk:

  • 65 jaar en 6 maanden voor wie geboren is in de periode oktober 1950 - juni 1951 (AOW-uitkering vangt aan in 2016)
  • 65 jaar en 9 maanden voor wie geboren is in de periode juli 1951 - maart 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2017)
  • 66 voor wie geboren is in de periode april - december 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2018)
  • 66 jaar en 4 maanden voor wie geboren is in de periode januari - augustus 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2019)
  • 66 jaar en 8 maanden voor wie geboren is in de periode september 1953 - april 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2020)
  • 67 jaar voor wie geboren is in de periode mei - december 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2021)

De AOW-leeftijd in 2021 wordt daarmee volgens het akkoord verhoogd van 66 jaar en 6 maanden naar 67 jaar. Voor de jaren na 2021 regelt het akkoord niet expliciet een verhoging van de AOW-leeftijd ten opzichte van wat de huidige wet bepaalt voor het betreffende jaar. De begin 2014 geldende wet regelt echter een aanpassing van de AOW-leeftijd aan een gestegen levensverwachting, met een maximale stijging per jaar van 3 maanden. Dit heeft voor de kalenderjaren in de inhaalperiode (de periode waarin de verhoging groter zou zijn dan 3 maanden als deze begrenzing er niet zou zijn) ook een verhoging van de AOW-leeftijd met 6 maanden tot gevolg ten opzichte van wat uit de huidige wet voortvloeit voor het betreffende jaar. De AOW-leeftijd wordt dan naar verwachting:

  • 67 jaar en 3 maanden voor wie geboren is in de periode januari - september 1955 (AOW-uitkering vangt aan in 2022)
  • 67 jaar en 6 maanden voor wie geboren is vanaf oktober 1955 (AOW-uitkering vangt aan in 2023 of later)

Daarmee is de verhoging van de AOW-leeftijd ten opzichte van die volgens de begin 2014 geldende wet globaal stijgend met de geboortemaand, maar schommelend door de andere indeling in geboortecohorten (bij de hoge waarden is niet alleen een hogere AOW-leeftijd per kalenderjaar van toepassing, maar ook een later kalenderjaar) en uiteindelijk dalend naar nul:

  • 1 maand voor wie geboren is in de periode oktober 1950 - juni 1951 (AOW-uitkering vangt aan in 2016)
  • 4 maanden voor wie geboren is in juli 1951 (AOW-uitkering vangt aan in 2017 in plaats van 2016)
  • 2 maanden voor wie geboren is in de periode augustus 1951 - maart 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2017)
  • 5 maanden voor wie geboren is in de periode april - mei 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2018 in plaats van 2017)
  • 3 maanden voor wie geboren is in de periode juni - december 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2018)
  • 7 maanden voor wie geboren is in de periode januari - maart 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2019 in plaats van 2018)
  • 4 maanden voor wie geboren is in de periode april - augustus 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2019)
  • 8 maanden voor wie geboren is in de periode september - december 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2020 in plaats van 2019)
  • 5 maanden voor wie geboren is in de periode januari - april 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2020)
  • 9 maanden voor wie geboren is in de periode mei - september 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2021 in plaats van 2020)
  • 6 maanden voor wie geboren is in de periode oktober - december 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2021)
  • 9 maanden voor wie geboren is in de periode januari - juni 1955 (AOW-uitkering vangt aan in 2022 in plaats van 2021)
  • 6 maanden voor wie geboren is in de periode juli - september 1955 (AOW-uitkering vangt aan in 2022)
  • 9 maanden voor wie geboren is in de periode oktober 1955 - maart 1956 (AOW-uitkering vangt aan in 2023 in plaats van 2022)
  • 6 maanden voor wie geboren is in de periode april - december 1956 (AOW-uitkering vangt aan in 2023, of in 2024 in plaats van 2023)
  • 3 maanden voor wie geboren is in de periode januari - september 1957 (AOW-uitkering vangt aan in 2024, of 2025 in plaats van 2024)
  • 0 maanden voor wie geboren is vanaf oktober 1957 (AOW-uitkering vangt aan in 2025 of later)

Terwijl de verhoging in een kalenderjaar ten opzichte van de huidige wet van 2013 maximaal 6 maanden bedraagt, is de verhoging voor een betrokkene dus maximaal 9 maanden.

Een Wetsvoorstel versnelde verhoging AOW-leeftijd ligt bij de Raad van State. De geplande inwerkingtreding zou (anders dan volgens het Regeerakkoord) 1 januari 2015 zijn.[57]

Planning januari 2013 voor het wetsvoorstel was:

  • Indiening TK maart 2014
  • Indiening EK augustus 2014
  • Publicatie december 2014
  • Inwerkingtreding 2016

Bijkomende maatregelen verhoging AOW-leeftijd[bewerken]

Bij de bovengenoemde twee eerdere wetsvoorstellen voor verhoging van de AOW-leeftijd (die zijn ingetrokken) werd aangekondigd dat er een wetsvoorstel Wijziging van een aantal wetten in verband met aanpassing van de leeftijdsgrenzen aan de verhoging van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat (Aanpassingswet verhoging AOW-leeftijd) zou komen.[58][59] Voor zover niet inmiddels doorgevoerd in het kader van de aangenomen wet (zie onder) waren de geplande veranderingen onder meer ook:

  • Arbeidsvoorwaardelijke regelingen zoals leeftijdsontslagregelingen en aanvullingen op sociale zekerheid (diverse cao’s kennen aanvullingen op de sociale zekerheid, bijvoorbeeld regelingen die in bovenwettelijke aanvullingen voorzien van de WW of arbeidsongeschiktheid: cao's zouden aangepast kunnen worden, waarbij leeftijden in regelingen meeschuiven met de AOW-leeftijd. Het Kabinet was in ieder geval voornemens dit te doen in de publieke sector voor wat betreft het functioneel leeftijdsontslag.

Bij kortingen voor 65-plussers op openbaar vervoer (onder andere 34% korting voor 65-plussers bij het stad-/streekvervoer, korting voor 65-plussers bij de nieuwe abonnementen van NS), attracties, enz. zou de leeftijd ook verhoogd kunnen worden, wat voor de betrokkene extra nadeel zou betekenen.

Bijkomende maatregelen in verband met de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd[bewerken]

Het Besluit van 2 augustus 2012 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de verhoging van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat (Besluit aanpassing wetten inzake verhoging AOW-leeftijd) verandert met de AOW-leeftijd samenhangende leeftijdsgrenzen in andere sociale zekerheidswetten zoals de WW, WAO, WIA, ANW, IOAW, IOW, IOAZ en WWB en overige wetten. Het Besluit van 2 augustus 2012 tot wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de verhoging van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat (Tweede Aanpassingsbesluit inzake verhoging AOW-leeftijd) verandert een aantal besluiten.

Deze aanpassingen konden plaatsvinden bij algemene maatregel van bestuur omdat ter bespoediging de wet de volgende bepaling van tijdelijke delegatie bevat:

  • Wetten die als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd aanpassing behoeven kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover dit noodzakelijk is voor de toepassing van die wetten of ter voorkoming van onaanvaardbare gevolgen.
  • Algemene maatregelen van bestuur die als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd aanpassing behoeven kunnen, zo nodig in afwijking van de wet waarop zij zijn gebaseerd, worden gewijzigd.

Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens deze delegatiebepaling vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet van gelijke strekking zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Inmiddels is aangenomen het Voorstel van wet houdende goedkeuring van de algemene maatregel van bestuur tot aanpassing van wetten inzake verhoging AOW-leeftijd (Goedkeuringswet verhoging AOW-leeftijd).[60]

Aanpassingen van bovenwettelijke werkloosheidsregelingen aan de verhoging van de AOW-leeftijd worden vaak met vertraging doorgevoerd, na arbeidsvoorwaardelijk overleg.

Als onderdeel van het Belastingplan 2013 zijn aangepast de uiterste ingangsdata voor pensioenen, levensloop, lijfrenten en vitaliteitssparen, de regels inzake variabilisering van pensioenuitkeringen, het tijdstip waarop de fiscale oudedagsreserve afneemt, het uiterste tijdstip waarop aanspraak kan worden gemaakt op de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek, de omzettingsregeling van stakingswinst in een lijfrente, de middelingsregeling, de ouderentoeslag voor box 3, de ouderenkorting, de regeling inzake uitgaven voor specifieke zorgkosten en het heffingvrije vermogen.

De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers is afzonderlijk gewijzigd.

De regering stelt zich voor dat als een gemeente een voorziening op het vlak van het openbaar vervoer biedt voor personen vanaf 65 jaar, deze leeftijdsgrens meeschuift. In de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rijswijk en Leidschendam-Voorburg is dit inderdaad het geval, voor wat betreft het gratis openbaar vervoer bij een laag inkomen en vermogen. Voor de korting op het tarief van het stads-/streekvervoer is de leeftijdsgrens (nog) wel 65 jaar[61], en ook voor de korting op NS-abonnementen.[62]

Voorschotregeling[bewerken]

Omdat de AOW-leeftijd tot 2013 altijd constant was en de verhoging maar kort voor invoering is vastgesteld zouden mensen die niet aanvullend kunnen of willen werken en ook geen uitkering krijgen die doorloopt, liquiditeitsproblemen kunnen ondervinden. Daarom geldt volgens de begin 2014 geldende wet het volgende.

Artikel 22 biedt voor wie geboren is in de periode dec 1948 - sept 1950 gedurende de 2 - 3 maanden waarover de AOW-uitkering niet doorgaat de mogelijkheid van een voorschot op de AOW-uitkering in de vorm van een renteloze lening. Het gaat dus om een netto bedrag (niet belast, aflossing niet aftrekbaar).

De hoogte is 6/7 van de netto AOW-uitkering.[63] Aflossing vindt plaats door inhouding op de AOW-uitkering gedurende 6 maal de periode waarover de leningsbedragen zijn ontvangen, dus 1 - 1,5 jaar, te beginnen in de eerste volle kalendermaand dat AOW-uitkering wordt ontvangen (2 of 3 maal 6 maanden AOW-uitkering worden over 2 of 3 maal 7 maanden gespreid).

De mogelijkheid dit voorschot aan te vragen is, indien men daarvan afziet, geen beletsel voor een uitkering Wet werk en bijstand, d.w.z. het voorschot wordt uitgezonderd in de artikelen 15 (geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening) en 31 (geen recht op bijstand bestaat voor zover men redelijkerwijs kan beschikken over een vermogens- of inkomensbestanddeel) van de WWB. Voor wie het voorschot daadwerkelijk aanvraagt telt het voor de bijstand wel als inkomen en krijgt men dus meestal geen WWB meer.

De regering stelt: "Doordat het voorschot in de vorm van een renteloze lening wordt gegeven, heeft de voorschotverlening en terugbetaling geen gevolgen voor het belastbaar inkomen (verzamelinkomen) van betrokkenen. Hiermee heeft terugbetaling van het voorschot geen gevolgen voor het recht op huurtoeslag, zorgtoeslag, inkomensafhankelijke ouderenkortingen en/of andere regelingen.", maar anderzijds: "De overweging van het UWV om het voorschot op hun toekomstige AOW in het Inkomensbesluit sociale zekerheidswetten uit te zonderen van het inkomensbegrip van de Toeslagenwet en AOW is niet overgenomen. Het voorschot is bedoeld om overbruggingsproblemen te voorkomen. Als iemand recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet heeft, dan zal die persoon geen overbruggingsproblemen kennen: deze toeslag zal immers doorlopen tot aan de nieuwe AOW-leeftijd." Dit zou dus betekenen dat het voorschot onder het inkomensbegrip van de Toeslagenwet valt (waardoor het aanvragen van het voorschot het recht op de toeslag aantast), hoewel dit niet is geregeld in het besluit of een van de beide betrokken wetten.

Volgens de regering ligt het netto-inkomen (inclusief MKOB) na aftrek van de aflossing voor mensen zonder aanvullend pensioen of overig inkomen voor een alleenstaande op € 880 per maand excl. vakantietoeslag, nog iets boven het bijstandsniveau van een 65-minner. Daarbij moet echter in aanmerking worden genomen dat, zoals gezegd, het aflossen geen invloed heeft op inkomensafhankelijke regelingen; men krijgt dus bijvoorbeeld minder huur- en zorgtoeslag dan op basis van een inkomen van € 880 per maand.[64] De schuld wordt niet kwijtgescholden bij overlijden.

In verband met de invoering van de overbruggingsregeling is aanhangig het Voorstel van wet tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met beëindiging van de voorschotregeling en vaststelling van een grondslag voor het stellen van regels ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning, dat eerdere beëindiging van de voorschotregeling bij koninklijk besluit mogelijk maakt. De bedoeling is dat deze niet meer geldt voor wie op of na 1 oktober 2014 65 jaar wordt.

Overbruggingsregeling[bewerken]

De Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 mei 2013, tot vaststelling van een tijdelijke regeling ter overbrugging van de periode tussen de ingangsdatum van de Algemene Ouderdomswet en aanvullende inkomensregelingen (Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW), kortweg OBR, geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2013.[65]

Het is een ministeriële regeling op grond van artikel 3, eerste lid, juncto artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. Een deel van de Tweede Kamer heeft kritiek op het feit dat het niet bij formele wet geregeld wordt. Aanhangig is daarom het Voorstel van wet van de leden Ulenbelt en Krol ter overbrugging van de periode tussen de ingangsdatum van de Algemene Ouderdomswet en aanvullende inkomensregelingen (Tijdelijke wet overbruggingsuitkering AOW).

Na publicatie in januari 2013 van de contouren[66][67] is in maart 2013 een concept van de regeling gepubliceerd.[68] In het sociaal akkoord van april 2013 is een aanpassing overeengekomen.[69][70]

De regeling geldt niet voor wie geboren is na 1953. (De Stichting van de Arbeid stelde voor deze beperking te laten vervallen,[71] maar de regering ging hier in haar rapportage over de resultaten van het sociaal overleg niet op in.[72])

De uitkering loopt van de 65-jarige leeftijd tot de AOW-leeftijd (op basis van de geplande snellere verhoging van de AOW-leeftijd duurt de uitkering daardoor maximaal 1 jaar en 8 maanden; voor een alleenstaande is de uitkering dan in totaal bruto ongeveer € 24.000, en netto als er geen andere inkomsten zijn ongeveer € 22.000).

Voorwaarde is dat op 1 januari 2013 al een uitkering liep, en dat deze doorloopt tot aan de 65-jarige leeftijd. Dit kan zijn een VUT-uitkering of prepensioen (bijvoorbeeld FPU), of bijvoorbeeld een particuliere arbeidsongeschiktheidsuitkering, een lijfrente-uitkering die een relatie heeft met de beëindiging van een dienstverband, of een aanvullend pensioen dat op 65-jarige leeftijd verlaagd wordt (omdat volgens de verwachtingen van destijds dan de AOW zou ingaan).

Het inkomen uit of in verband met arbeid wordt bruto hoogstens aangevuld tot het bruto bedrag dat netto overeenkomt met de hoogte van het sociaal minimum onder de AOW-leeftijd, behoudens vrijlating, overeenkomstig de inkomstenvrijlating van de AOW-partnertoeslag, van een deel van het inkomen uit arbeid. De overbruggingsuitkering is bovendien niet hoger dan de uitkering die men heeft tot aan de 65-jarige leeftijd.

Aanvullende voorwaarden:

  • Het inkomen uit of in verband met arbeid voorafgaand aan de 65-jarige leeftijd (12 tot 6 maanden eerder[73]) was minder dan twee (twee partners samen: drie) maal het minimumloon.
  • Er geldt een vermogenstoets: het vermogen op 1 januari van het jaar waarin de leeftijd van 65 jaar bereikt is is niet meer dan het heffingvrije vermogen in box 3 (2013: € 21.139), voor een zelfstandige[74] geldt een hoger maximum; voor het vermogen tellen niet mee het eigen huis (maar de schuld die is aangegaan voor het verkrijgen of in stand houden daarvan ook niet) en het pensioenvermogen. Ouderentoeslag en bijzondere vrijstellingen zijn hierbij niet van toepassing. Het apart vermelden dat het eigen huis en het pensioenvermogen (waarbij de inkomsten van het eigen huis en de pensioenen in box 1 vallen) niet meetellen doet de vraag rijzen of de waarde van lijfrentepolissen waarbij de lijfrenteuitkering in box 1 valt, behoudens uitzonderingen, wel meetellen.

Er wordt ook rekening gehouden met het inkomen en vermogen van een eventuele partner.

Inkomen speelt dus op drie manieren een rol, de eerste met positief, de andere twee met negatief effect op (het krijgen of de hoogte van) de overbruggingsuitkering: inkomen dat stopt waardoor een overbrugging nodig kan zijn, inkomen waarvan men had kunnen sparen waardoor men zelf voor overbrugging had kunnen zorgen, en doorlopend of nieuw inkomen waardoor overbrugging niet of minder nodig is.

De vermogenstoets betekent dat een klein verschil in het vermogen op de peildatum per saldo een groot tegengesteld effect kan hebben op wat men kan besteden: er is gekozen voor een "harde knip" in plaats van een geleidelijke schaal; door één euro te veel vermogen vervalt direct het hele recht op de overbruggingsregeling. Voor een betrokkene geboren in de periode september - december 1953 die geen andere inkomsten heeft is het effect het grootst: het inkomensverlies van de verhoging van de AOW-leeftijd wordt voor een bedrag van netto ongeveer € 22.000 vergoed als hij op 1 januari 2018 minder vermogen (exclusief eigen huis) heeft dan ongeveer € 21.000.[75] Dit kan aanleiding zijn tot gedragseffecten: de regeling creëert in voorkomende gevallen een perverse prikkel om geld weg te schenken of versneld uit te geven, desnoods te verspillen, om grotere schade te voorkomen. De regering bevestigt dit min of meer: "In het algemeen geldt dat mensen met een vermogen rond de vastgestelde vermogensgrens natuurlijk enige mogelijkheid hebben om hierop te anticiperen." Desondanks vermoedt de regering dat de vastgestelde regeling voordeliger is voor de Staat dan een regeling met een geleidelijke schaal vanaf de nu vastgestelde grens. Bovendien is de vastgestelde regeling voor de Staat gemakkelijker uitvoerbaar.[76]

Sommigen die in het kader van het FLO-overgangsrecht tegen het eind van een periode van verlof met opname van levenslooptegoed ontslag hebben genomen met vervroegd pensioen in een hoog-laagconstructie (tot aan de 65-jarige leeftijd een hoger pensioen) eisen terugkeer naar hun baan omdat verhoging van de AOW-leeftijd het inkomen sterk verlaagt van de 65-jarige leeftijd tot de AOW-leeftijd en de voorschotregeling en de overbruggingsregeling ontoereikend zijn.[77]

FPU'ers kunnen ook te maken krijgen met het AOW-gat; ook zij voldoen niet altijd aan de voorwaarden.[78][79]

Standpunten[bewerken]

De standpunten van de partijen bij de behandeling van de in 2013 ingegane wijzigingen waren als volgt:

  • PVV: 65 jaar
  • SP en 50PLUS: in ieder geval tot 2020 65 jaar (SP: 67- met een zeer hoog inkomen wordt vanaf 2015 gekort)
  • PvdD: t/m 2017 65 jaar, vanaf 2018 stapsgewijs verhogen met in 2030 67 jaar
  • GroenLinks en CU: zoals in de wet van juli 2012
  • D66: in 2021 67 jaar
  • PvdA: eerst wilde men de verhoging van de AOW-leeftijd langzamer invoeren dan volgens de wet van juli 2012, namelijk t/m 2016 65 jaar, in 2017 65,5 jaar, in 2020 66 jaar, in 2025 67 jaar, maar nu samen met de VVD juist sneller, in 2021 67 jaar (zie boven)
  • VVD: eerst in 2018 67 jaar, nu, samen met de PvdA, in 2021 67 jaar (zie boven)
  • CDA: in 2015 66 jaar, in 2020 67 jaar

Financiële effect voor de burger van verhoging van zijn AOW-leeftijd[bewerken]

Betrokkenen zullen hun financiële planning en/of hun verdere levensloopplanning zoals plannen om te stoppen met werken moeten aanpassen.

Een verhoging van de AOW-leeftijd met één maand is voor een alleenstaande een derving van bruto € 1140 (voor zover niet gecompenseerd door die maand te ontvangen loon of een uitkering) en extra heffingen, waaronder maximaal € 500 (netto) aan AOW-premie over de eerste twee schijven van box 1, € 36 (netto) wegens het later ingaan van de alleenstaande-ouderenkorting en eventueel € 64 (netto) wegens het later ingaan van de ouderenkorting. Daar staat onder meer tegenover € 92 (netto) voordeel door het later verlagen van de algemene heffingskorting. Als er geen andere inkomsten zijn gaat het volgens de regering bij een alleenstaande om circa € 1.080 netto. Bij flinke andere inkomsten (zowel met als zonder AOW in de 3e schijf) die bruto onafhankelijk zijn van de verhoging van de AOW-leeftijd verandert dit niet zoveel, doordat de gederfde AOW-uitkering dan netto minder is maar de extra AOW-premie meer. Bij hoge andere inkomsten (zowel met als zonder AOW in de 4e schijf) gaat het om € 114 minder dan in het voorgaande geval.

Een werknemer die langer mag/moet doorwerken zal vaak meer verdienen dan hij aan AOW-uitkering gehad zou hebben.

Indien een minimumuitkering zoals WWB / IOAW / IOW / Anw langer doorloopt komt dit er min of meer op neer dat de derving van AOW-uitkering wordt vergoed. Indien een loongerelateerde uitkering langer doorloopt (WAO/WIA, of een WW-uitkering waarvan de duur nog niet is verstreken) zal deze (als hij gebaseerd is op een hoger loon dan het minimumloon) hoger zijn dan de AOW-uitkering zou zijn geweest.[80] Zelfs voor wie de loondervingsuitkering al ontving op het moment dat de verhoging van de AOW-leeftijd bekend werd wordt dus niet alleen de derving van AOW-uitkering vergoed, maar onverwacht ook nog een extra bedrag voor het niet kunnen werken tussen de 65-jarige leeftijd en de AOW-leeftijd, een periode waarin men in veel gevallen, voordat men arbeidsongeschikt of werkloos werd, toch al niet had kunnen verwachten te kunnen doorwerken. (De grootste weglek van besparingen voor de overheid komt door de WAO/WIA, zie onder.)

Anderzijds zijn er loondervingsregelingen die niet doorlopen. Naast de loondervingsschade die door de regeling gedeeltelijk vergoed wordt is er dan de schade door de verhoging van de AOW-leeftijd die er bovenop komt en niet vergoed wordt. Dit geldt voor een private arbeidsongeschiktheidsverzekering en voor zover niet gerepareerd, voor bovenwettelijke werkloosheidregelingen (aansluitende uitkering).

Financiële effect voor de overheid van verhoging van de AOW-leeftijd[bewerken]

De verhoging per 1 januari 2013 van de AOW-leeftijd naar 65 jaar en een maand is vroeg of laat van eenmalig belang voor iedereen die geboren is vóór 1949, ongeveer 200.000 mensen per geboortecohort van een jaar.

De besparing per jaar is € 175 mln aan AOW en € 10 mln aan AIO/MKOB en € 50 mln aan extra belasting- en premie inkomsten: latere ingang vrijstelling betaling AOW-premie en belasting over inkomsten uit langer werken en langer ontvangen van (hogere) uitkeringen. Daar staat tegenover een weglek van € 80 mln: € 55 mln aan WAO/WIA, € 15 mln aan WW en WWB en € 10 mln aan Anw. Per saldo is de besparing (geen rekening houdend met de voorschot- of overbruggingsregeling) dus € 155 mln.

Dit is zoals gezegd de jaarlijkse besparing bij een eenmalige verhoging van de AOW-leeftijd met een maand. Bij een jaarlijkse verhoging van de AOW-leeftijd met een maand neemt de besparing elk jaar toe. Doordat de jaarlijkse verhoging van de AOW-leeftijd wordt vergroot tot drie of vier maanden per jaar neemt de besparing elk jaar nog sneller toe.

Samenhang met aanvullend pensioen[bewerken]

De (nominale) pensioeningangsdatum van het aanvullend pensioen zal in de regel vanaf 2014 aangepast zijn aan de verhoogde fiscale pensioenrichtleeftijd van 67 jaar (en later verder stijgen zodat die niet onder de AOW-leeftijd komt). Men mag dan het aanvullend pensioen op die leeftijd laten ingaan of naar keuze eerder. Het mag ook later ingaan, maar alleen als men tot die datum doorwerkt (doorwerkvereiste).

Als men vóór de AOW-leeftijd zonder recht op een uitkering stopt met werken kan het aanvullende pensioen bijvoorbeeld ingaan wanneer men stopt met werken, of op de AOW-leeftijd, of later, uiterlijk op 67-jarige leeftijd. Het ingaan wanneer men stopt met werken (zelfs als men van spaargeld zou kunnen leven) kan voordelig zijn om in de periode vanaf het stoppen met werken tot de AOW-leeftijd de algemene heffingskorting en het lagere tarief van de eerste schijf van box 1 te benutten.

Als men doorwerkt of een uitkering heeft tot de AOW-leeftijd is het eerder ingaan van het aanvullende pensioen meestal niet voordelig. Men kan het aanvullende pensioen dan beter laten ingaan op de AOW-leeftijd of later, uiterlijk op 67-jarige leeftijd.

Exporteerbaarheid[bewerken]

De Wet van 27 mei 1999, tot wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband met de beperking van het exporteren van uitkeringen (Wet beperking export uitkeringen), kortweg Beu, heeft artikel 9a aan de AOW toegevoegd, dat bepaalt dat alleen het bedrag dat per persoon geldt voor iemand met een gezamenlijke huishouding met een ander exporteerbaar is, dus niet de toeslag voor een alleenstaande, enz. De AIO is ook niet exporteerbaar.

Trivia[bewerken]

  • Het Nederlands record voor het grootste aantal broers en zussen dat tegelijk AOW kreeg, staat voor zover bekend op naam van de dertien broers en zussen Slob, geboren tussen 1917 en 1939 in Tricht en Den Haag. Toen de jongste op 14 juni 2004 de leeftijd van 65 bereikte en dus AOW kreeg, leefden al zijn oudere broers en zussen nog. In maart 2006 overleed een broer, Goof, op 86-jarige leeftijd.
  • Hendrikje van Andel-Schipper was tot haar overlijden in 2005 nog de enig overgebleven inwoner van Nederland die AOW heeft genoten sinds de invoering ervan in 1957.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Wanneer krijg ik AOW? Rijksoverheid
  2. Ook de Raad van State heeft gesteld dat het tempo van de verhoging van de AOW-leeftijd feitelijk hoger is dan die werd voorgesteld, zie voetnoot 5 (voetnoot 1 van pagina 2) in Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op loonbelasting 1964 in verband met stapsgewijze verhoging en koppeling aan de stijging van de levensverwachting van de pensioenleeftijd (Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd) .
  3. Bij het tempo van de verhoging van de AOW-leeftijd moet onderscheid gemaakt worden tussen het tijdsverloop tussen de verhogingen (de komende jaren steeds een jaar) en de grootte van het interval van geboortedata van het geboortecohort waarvoor één bepaalde AOW-leeftijd van toepassing is. Iemands leeftijd (die stijgt met een tempo van een jaar per jaar) moet de AOW-leeftijd inhalen. In het geval van een verhoging van de AOW-leeftijd met 3 maanden per kalenderjaar gebeurt dit met een tempo van 9 maanden per jaar; iemand die op enig moment een bepaald aantal jaren jonger is dan de op dat moment geldende AOW-leeftijd krijgt dus (behoudens afronding) AOW na 4/3 van dit aantal jaren. In het geval van een verhoging van de AOW-leeftijd met 4 maanden per kalenderjaar gebeurt dit met een tempo van 8 maanden per jaar; iemand die op enig moment een bepaald aantal jaren jonger is dan de op dat moment geldende AOW-leeftijd krijgt dus (behoudens afronding) AOW na 3/2 van dit aantal jaren.
  4. Wajongers zijn geboren na 1967, dus deze bereiken voorlopig de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet.
  5. Mag ik ontslagen worden als ik 65 jaar word? | Vraag en antwoord | Rijksoverheid.nl
  6. http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2013/09/13/inkomens-en-vermogenspositie-ouderen-verbeterd.html
  7. Per 1 januari 2006 is de formulering "na aftrek van de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon van 65 jaar of ouder rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting" vervangen door "na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, rekening houdend met de toepasselijke heffingskortingen voor een persoon van 65 jaar en ouder". Uit de MvT, die spreekt van een technische wijziging, blijkt impliciet dat dit niet de bedoeling had om voortaan rekening te houden met meer heffingskortingen (Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet op de huurtoeslag en enige andere wetten in verband met het toekennen van een tegemoetkoming aan personen die een uitkering ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet en enkele aanpassingen in de berekening van de uitkeringen). Dit is ook wel begrijpelijk, want anders zouden speciale heffingskortingen voor ouderen de facto ongedaan gemaakt worden (volledig voor wie geen andere inkomsten heeft en gedeeltelijk voor wie wel andere inkomsten heeft waardoor de verlaging van de bruto AOW-uitkering netto minder nadeel oplevert dan het voordeel van de heffingskorting).
  8. Vergelijk de berekening met toepassing van 1,95 in plaats van 2 maal de algemene heffingskorting Bekendmaking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2012, nr. IVV/FB/2011/8225, betreffende herziening van normen en bedragen genoemd in de Wet werk en bijstand per 1 juli 2012.
  9. De uitkering is hoger voor een alleenstaande ouder. Aanhangig is de Wet hervorming kindregelingen volgens welke dit wordt afgeschaft. In plaats daarvan komt de alleenstaande-ouderkop.
  10. In het geval van partnertoeslag of als de AOW-gerechtigde een minderjarig kind onderhoudt kan de uitkering wel van een zodanige hoogte zijn dat loonheffing wordt ingehouden. Ook als men ervoor kiest dat geen heffingskorting in aanmerking wordt genomen (bijvoorbeeld omdat men die in aanmerking laat nemen bij ander inkomen) wordt er wel loonheffing ingehouden.
  11. Zie ook [1], [2]
  12. http://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/33687_afhankelijk_maken
  13. http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2014/06/30/regeling-inkomensondersteuning-aow-vervangt-mkob.html
  14. Motie afzien van het schrappen van de uitzondering in de AOW van bloedverwanten eerste graad bij samenwonen
  15. Stemming over motie afzien van het schrappen van de uitzondering in de AOW van bloedverwanten eerste graad bij samenwonen
  16. Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2013
  17. Fraude, svb.nl
  18. SVB Beleidsregels
  19. Motieven achter fraude met sociale zekerheid
  20. http://www.svb.nl/int/nl/aow/samenwonen_scheiden/verpleeghuis
  21. http://www.internetconsultatie.nl/hoofdverblijf
  22. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/11/08/kamerbrief-over-mogelijke-alternatieven-voor-de-huidige-beoordeling-van-samenwonen-door-aow-ers.html
  23. http://www.svb.nl/int/nl/aow/tweewoningenregel/index.jsp
  24. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/06/17/kamerbrief-kostendelersnorm-aow.html
  25. wetten.nl - Wet- en regelgeving - Herleiding gedeelten van kalenderjaren en van jaarpremies - BWBR0003815 Herleiding gedeelten van kalenderjaren en van jaarpremies.
  26. De termijn is met ingang van 2010 gewijzigd van 5 jaar in 10 jaar, Wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de Algemene Ouderdomswet en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met de overheveling van de uitvoering van de aanvullende bijstand voor personen van 65 jaar of ouder van de gemeenten naar de Sociale Verzekeringsbank en het aanbrengen van enkele andere aanpassingen in de Algemene Ouderdomswet en tot wijziging van enkele sociale verzekeringswetten in verband met de gelijkstelling binnen de sociale zekerheid van voormalige pleeg- en stiefkinderen met eigen kinderen.
  27. Rekenhulp inkoopregeling AOW, svb.nl
  28. Vrijwillige Verzekering, svb.nl
  29. a b Notitie "Inkoopregeling AOW"
  30. Zie "verplichte inkoop van AOW-opbouw" in Debat: Verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd — Publitiek.
  31. Dit wordt geïllustreerd met het feit dat wie in Nederland woont en weinig of geen inkomen heeft geen premie betaalt, maar het is een nogal verwarrende opmerking in het licht van de inkoopregeling.
  32. Vóór 2010 heette dit WWB65+.
  33. http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/szw/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/05/24/kamerbrief-over-toekomst-mkob-en-ao-tegemoetkoming.html
  34. Juninota 2012, SVB
  35. Thesis: "The changing role of premiums" René Louis Pierre Mahieu, 4 juli 2008
  36. 'Fiscalisering aow niet door vergrijzing' Economisch Statistische Berichten, 25 januari 2008
  37. Zie p. 13 voor de ontwikkeling van de uitkeringen tot 1964.
  38. 'Levensverwachting ouderen sterk gestegen', CBS Webmagazine, 23 november 2011
  39. Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen Staatsblad
  40. Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen - wetten.overheid.nl
  41. Besluit van 9 februari 2012 tot aanpassing van diverse besluiten in verband met de Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen
  42. FNV verliest proefproces om AOW - NOS Nieuws
  43. Memorie van toelichting Algemene ouderdomsverzekering
  44. Tweede kamer: Stemmingen in verband met het wetsvoorstel 'Opheffing van het Spaarfonds AOW', 28 juni 2011
  45. De spaarfonds leugen, Volkskrant, maart 2006
  46. Keuzemogelijkheid in uitstel AOW. Persbericht Ministerie van SZW, 29 augustus 2008
  47. Kabinet: AOW gaat naar 67 jaar omwille van overheidsfinanciën FD.nl, 25 maart 2009
  48. Coalitie akkoord over verhoging AOW-leeftijd, NRC, 16 oktober 2009
  49. eenvandaag.nl, 14 oktober 2009
  50. aowomhoog.nl
  51. Dit waren de plannen in het Catshuis (t.w.v. 14,2 miljard)
  52. Toelichting pakket maatregelen stukgelopen bezuinigingsonderhandelingen maart 2012
  53. Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd
  54. http://www.begag.nl/update.html
  55. http://www.acp.nl/actueel/actualiteit/nieuws/nieuwsbericht/archive/2014/01/article/zitting-rechtbank-den-haag-over-verhoging-aow-leeftijd-13076.html
  56. http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2014:2343
  57. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/05/21/rijksbreed-wetgevingsprogramma.html
  58. Brief over Aanpassingswet verhoging AOW-leeftijd
  59. Planning Aanpassingswet verhoging AOW-leeftijd
  60. Goedkeuringswet verhoging AOW-leeftijd - wetten.overheid.nl
  61. https://www.ov-chipkaart.nl/reizen/tarieven/kilometertarief
  62. Zie bijv
  63. Deze informatie staat niet in het wetsvoorstel of de toelichting, maar in de nota n.a.v. het verslag.
  64. Daar staat tegenover dat men ten tijde van het lenen (tussen de 65e verjaardag en de AOW-leeftijd) meer huur- en zorgtoeslag krijgt dan op basis van het besteedbare inkomen, dus men zou het "te veel" aan toeslagen kunnen sparen om het "tekort" aan toeslagen op te vangen. Opgemerkt zij nog dat toeslagen worden berekend op basis van het inkomen in een kalenderjaar in het verleden, dus zowel het "te veel" als het "tekort" komen met vertraging.
  65. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2013-15137.html
  66. Contouren overbruggingsregeling AOW
  67. Beantwoording kamervragen over de contouren van de overbruggingsregeling AOW | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl
  68. Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW - concept
  69. Samenvatting van de bijgewerkte versie
  70. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/04/23/schriftelijk-overleg-concept-overbruggingsregeling-aow.html
  71. http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/szw/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/04/11/bijlage-perspectief-voor-een-sociaal-en-ondernemend-land-uit-de-crisis-met-goed-werk-op-weg-naar-2020-stichting-van-de-arbeid.html
  72. http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/szw/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/04/11/kamerbrief-resultaten-sociaal-overleg.html
  73. Een van de redenen hiervoor is dat een toetsingsmoment meteen voorafgaand aan de ingangsdatum van de mogelijke overbruggingsuitkering kan leiden tot gedragseffecten waarbij inkomensbestanddelen net voor dat moment door de belanghebbende worden beëindigd om zodoende te kunnen voldoen aan de entree-inkomenstoets.
  74. Iemand moet in de voorziening in het bestaan zijn aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep in de periode tussen 1 augustus 2004 en de peildatum van de overbruggingsregeling. Voor die datum kwamen zelfstandigen die arbeidsongeschikt werden nog in aanmerking voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). De WAZ loopt door tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Voor deze groep is de overbruggingsregeling dus niet nodig. Daarnaast moet de zelfstandige aan het urencriterium hebben voldaan in de periode dat hij zelfstandige is geweest.
  75. Dit is op basis van de geplande snellere verhoging van de AOW-leeftijd.
  76. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/32163/kst-32163-33
  77. Deelakkoord geen oplossing FLO
  78. Deelakkoord over wijziging AOW en overgangsregime voor FPU
  79. Overheidswerkgevers: ‘U zoekt het maar uit, beste FPU’er’
  80. Zie bijvoorbeeld [3].