Algemene Ouderdomswet
De Algemene Ouderdomswet (AOW) regelt in Nederland het verplichte, collectieve ouderdomspensioen dat als algemene basis dient voor Nederlandse ouderdomspensioenen.
Verzekerd voor de AOW zijn ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen van Nederland die bepaalde inkomsten in Nederland genieten. De AOW is één van de zogenoemde volksverzekeringen.
De Belastingdienst int de premies volksverzekeringen tegelijk met de inkomstenbelasting bij de verzekerden jonger dan de AOW-leeftijd (nu: 65 jaar). De Sociale Verzekeringsbank keert de AOW uit aan de verzekerden ouder dan de AOW-leeftijd. Bij bereiken van de AOW-leeftijd eindigt de AOW-premieplicht, en begint het recht op de AOW-uitkering.
[bewerken] Regels
De AOW is een collectief basispensioen, dat wordt uitgekeerd aan mensen van 65 jaar en ouder (sinds 2012: vanaf de verjaardag; de leeftijd wordt geleidelijk verhoogd) die in Nederland hebben gewoond.
De AOW bedraagt 2% van het volledige AOW-pensioen voor ieder jaar dat iemand tussen zijn of haar 15e en 65e jaar (de leeftijden worden geleidelijk verhoogd) in Nederland heeft gewoond en niet in het buitenland heeft gewerkt. Ook niet-werkende partners van mensen die in het buitenland werken (grensarbeiders) bouwen meestal geen AOW op. Nederlanders die in het buitenland wonen en werken kunnen hun AOW-verzekering vrijwillig voortzetten, wat vooral voordelig is voor mensen met een laag of geen inkomen, zoals sommige ontwikkelingswerkers.
De hoogte van de uitkering is gerelateerd aan de hoogte van het minimumloon. De netto AOW voor alleenstaanden is 70% van het netto minimumloon. De bruto uitkering is hiervan afgeleid. De bruto uitkering bedraagt per 1 januari 2012 voor gehuwden en samenwonenden per persoon € 718,47 per maand, exclusief de zogenaamde Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (KOB, zie onder) van € 33,65 per maand en de vakantie-uitkering van € 43,47 per maand (totaal € 795,59). De bruto uitkering voor alleenstaanden bedraagt € 1046,28 per maand, exclusief de KOB als boven, en de vakantie-uitkering van € 60,87 per maand (totaal € 1140,80). Als de AOW-gerechtigde een partner beneden de 65 heeft dan ontvangt eerstgenoemde 50% van het minimumloon en de ander niets. Een AOW-gerechtigde die met zijn/haar volwassen kind samenwoont krijgt wel de uitkering voor alleenstaanden; de regering stelt voor dat dit gewijzigd wordt in die zin dat dan slechts de uitkering voor een samenwonende wordt toegekend.
Bij wijze van overgangsregeling konden AOW-gerechtigden met een partner beneden de 65 een toeslag op de AOW krijgen van maximaal bruto € 694,19 per maand. Deze toeslag is het enige inkomensafhankelijke element in de AOW; het inkomen van de jongere partner wordt geheel (inkomen in verband met arbeid) of gedeeltelijk (inkomen uit arbeid) gekort op de toeslag. Mensen die na 1949 zijn geboren, dus 65 jaar worden na 2014, zullen de toeslag niet meer krijgen. Per augustus 2011 is de toeslag met 10% verlaagd, voor zover het gezamenlijk inkomen van beide partners daarmee niet onder 162% van het minimumloon komt. Daarmee is er voor het eerst afhankelijkheid van het inkomen van de AOW-gerechtigde zelf.
Sinds 2008 worden er in de meeste gevallen geen loonheffingen geheven over de AOW, waardoor de bruto-bedragen netto uitgekeerd worden.
[bewerken] Financiering
De eerste jaren vanaf 1957 werd de AOW volledig gefinancierd volgens het omslagstelsel, dat wil zeggen: uit de op hetzelfde moment geïnde AOW-premies. Bij de bepaling van de premiehoogte werd het percentage en het maximum bedrag per verzekerde elk jaar zo gekozen dat het totaal van de geïnde premies vermeerderd met enige renteinkomsten gelijk was aan het totaal van de uitkeringen. Niet in alle jaren lukte dat. Een tekort moest worden aangevuld. Er is in 1997 incidenteel een tekort. In april 1998 is besloten het jaarlijks stijgende percentage te bevriezen op 17,9% (2012: 65-plussers betalen 15,2% i.p.v. 33,1% in de eerste schijf van box 1). Vanaf 2002 is er echter een jaarlijks oplopend tekort[1] dat uit de algemene middelen, de belastingopbrengsten, wordt aangevuld. Voor dit deel, de rijksbijdrage AOW, is er dan fiscalisering van de AOW.
Het tekort is groeiend, ook omdat er sinds 2001 geen AOW-premie meer verschuldigd over inkomsten uit vermogen, en de laatste jaren sneller vooral door de verminderde premie-inkomsten als gevolg van de financiering van de heffingskortingen. Sinds de belastingherziening in 2001 komen er per saldo minder premies binnen bij de volksverzekeringen AOW, Anw en AWBZ. Ter compensatie verstrekt het Rijk de Bijdrage in de Kosten van de Kortingen (BIKK) aan de fondsen. De hoogte van deze BIKK is afhankelijk van de heffingskorting en van de premietarieven.[2]
Door het groeiende tekort moeten er elk jaar meer belastingopbrengsten worden gebruikt om het tekort aan te vullen. Omdat ook AOW-gerechtigden belasting betalen, is het gevolg dat de AOW-gerechtigden sinds 2002 in toenemende mate een deel van hun AOW ontvangen dat zij op hetzelfde moment financieren via de gewone belasting. Dit betreft het meest hen die het meeste belasting betalen. De AOW-uitkering was volledig inkomensonafhankelijk, maar is sinds 2002 steeds meer enigszins van het inkomen afhankelijk.
In 2008 bedraagt het tekort 5,5 miljard, ongeveer 20% van het totaal van de AOW-uitkeringen. De vergrijzing speelde een beperkte rol tot 2008[3], maar de komende jaren gaat de toenemende vergrijzing de financiering nog voor grote problemen stellen.
[bewerken] Historie
De AOW is in 1957 geïntroduceerd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid J. G. Suurhoff. De AOW is de opvolger van de door Willem Drees als minister van Sociale Zaken in 1947 ingevoerde Noodwet Ouderdomsvoorziening, die uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld was.
Aan de AOW is een lange voorgeschiedenis voorafgegaan. De Pruisische kanselier Otto von Bismarck legde in 1889 een inkomensverzekering op tegen inkomstenderving in geval van ouderdom, ziekte en invaliditeit. In deze inkomensverzekering komt aanvankelijk de pensioenleeftijd van 70 jaar voor. Pas een aantal jaren later wordt dit gewijzigd in de bekende leeftijd van 65. Overigens was de levensverwachting van een 65-jarige in die tijd korter dan nu. Een 65-jarige had in 1956 een resterende levensverwachting van 14 jaar (man) en 15 jaar (vrouw); de laatste tientallen jaren neemt de resterende levensverwachting toe: in 2010 is dit 18 jaar (man) 21 jaar (vrouw).[4]
In het Verenigd Koninkrijk werd in 1942 (dus in de oorlogsjaren) door Lord William Beveridge gebruikgemaakt van het sterke gevoel van solidariteit om een blauwdruk te maken voor een stelsel van sociale volksverzekeringen, betaald uit belastinggeld. Soortgelijke systemen werden na de Tweede Wereldoorlog in meerdere Europese landen en in de Verenigde Staten ingevoerd.
Terwijl in het systeem van Bismarck de uitkering afhangt van het vroegere inkomen, is in het systeem van Beveridge de uitkering voor iedereen hetzelfde. Deze twee modellen, en tussenvormen ervan, worden nog steeds gebruikt. Zo is in Nederland de uitkering in principe voor iedereen gelijk, maar wordt toch onderscheid gemaakt naar de huwelijkse staat.
De Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (dossier 32521) wijzigde per 1 juni 2011 het systeem van de "tegemoetkoming". Deze wordt nu geregeld in een aparte wet, zie onder.
[bewerken] Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen
De Wet van 21 april 2011, houdende introductie van een regeling die het mogelijk maakt oudere belastingplichtigen een tegemoetkoming te verstrekken met het oog op compensatie van koopkrachtverlies als gevolg van beleidsmaatregelen (Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen), die op 1 juli 2011 in werking is getreden, regelt een koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (KOB). Deze wordt vaak samen met de AOW-uitkering uitbetaald (beide worden uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank). Verschillen in voorwaarden met de AOW zijn:
- Men krijgt een volledige KOB, ook al krijgt men een onvolledige AOW omdat men niet altijd in Nederland heeft gewoond.
- In veel gevallen krijgt men de tegemoetkoming niet als men in het buitenland woont. Voorwaarde is namelijk dat men binnenlands belastingplichtige is of dat ten minste 90% van het wereldinkomen in Nederland onderworpen is aan de belastingheffing naar het inkomen.
Voor het recht op de tegemoetkoming moet de belastingplichtige de leeftijd hebben bereikt waarop recht kan ontstaan op de ouderenkorting.
De regeling is zo vormgegeven dat deze volgens de regering niet in strijd is met Verordening 883/2004. De rechter oordeelt echter dat dit wel zo is. De Sociale Verzekeringsbank bestudeert of zij hiertegen hoger beroep instelt.
[bewerken] Aanvang uitkeringen op de verjaardag
De Wet van 8 december 2011 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en andere wetten in verband met wijziging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen) wijzigde de ingangsdatum van de eerste van de maand waarop men 65 wordt tot de verjaardag zelf. Tevens werden met deze wet en het Besluit van 9 februari 2012 tot aanpassing van diverse besluiten in verband met de Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen[5][6] de Anw, WW, ZW, WIA, IOAW, IOAZ, TW, Wajong overeenkomstig aangepast: met name is de bepaling dat geen recht op uitkering heeft degene die de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft bereikt, gewijzigd in de bepaling dat geen recht op uitkering heeft degene die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. De kring van verzekerden veranderde niet, men was al tot zijn 65e verjaardag verzekerd.
Nieuwe cao's zullen met de aanpassing rekening houden, omdat de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid verbiedt dat iemand om zijn/haar leeftijd ontslagen wordt terwijl hij nog geen AOW krijgt. Tot dan staat echter in ruim een derde van de cao's nog dat men ontslagen wordt per de eerste van de maand waarin men 65 wordt. Als dit gebeurt kan de werknemer als hij/zij aan de wekeneis voldoet voor de weken tot aan zijn/haar verjaardag een WW-uitkering aanvragen.
De ingangsdatum was 1 april 2012, hoewel, gelet op de juridische en uitvoeringstechnische implicaties en de voor sommige personen die met prepensioen zijn of binnenkort gaan vrij forse, zij het eenmalige, inkomensgevolgen, de Stichting van de Arbeid de regering dringend had verzocht de invoering uit te stellen tot 1 januari 2016.
De leeftijdsafhankelijkheid in de tarieven van box 1 is niet gewijzigd. Nog steeds geldt dat men over de inkomsten in box 1 in het kalenderjaar waarin men 65 wordt een tijsevenredig percentage AOW-premie betaalt, op basis van het verschuldigd zijn van AOW-premie tot de eerste dag van de maand waarin men 65 jaar wordt.
[bewerken] Eerdere ontwikkelingen rond de toekomst van de AOW
De zorgen over de vergrijzing en de financiering van de AOW zijn een rode draad in de geschiedenis van de AOW. Al bij de memorie van toelichting bij de invoering van de wet wordt gesteld dat de voortgaande vergrijzing een niet te ontkennen feit is. "Zou de last te zwaar worden in de toekomst, dan is verlichting mogelijk door de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen, een mogelijkheid, welke goed aansluit aan een toeneming van de gemiddelde leeftijd en een verbeterende lichamelijke conditie der bejaarden." Een verhoging van de AOW leeftijd wordt hier dus expliciet als mogelijkheid geboden, maar wordt alleen wenselijk geacht indien mèt de verhoging van de gemiddelde levensduur ook een verhoging van het 'prestatievermogen' van 65-jarigen en ouderen gepaard zou gaan. Omdat men bij de invoering vond dat nog niet was gebleken dat het 'prestatievermogen' van de 65 jarigen ook was verhoogd (en dit sowieso moeilijk aan te tonen zou zijn), is bij invoering besloten tot een vaste leeftijd van 65 jaar.[7]
Zo'n 25 jaar geleden is de kwestie weer actueel geworden. Er rezen twijfels of de AOW bij de verwachte vergrijzing ongewijzigd gehandhaafd kan worden. In de jaren 80 onderzocht een staatscommissie onder leiding van Willem Drees jr. de toekomst van de voorziening die zijn vader tot stand had gebracht. Aanleiding was een alarmerend artikel in Economisch Statistische Berichten. Drees concludeerde, dat het stelsel kon worden gehandhaafd. Wel adviseerde hij tot individualisering van de uitkering, waarbij iedereen individueel eenzelfde uitkering ontvangt. De regeringen daarna hebben dat advies niet gevolgd omdat óf de uitkering te weinig zou zijn voor een alleenstaande óf de regeling te duur zou worden. Er is wel een individuele uitkering, maar een alleenstaande krijgt daar bovenop een toeslag.
In de jaren 90 werd het AOW-fonds opgericht na een voorstel van Jan van Zijl (PvdA). Financiële meevallers zouden door de Minister van Financiën in dat fonds worden gestort om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen. Het fonds zou vanaf 2020 (als de vergrijzing hoog zou zijn) gaan uitkeren. Door het gespaarde geld in het AOW-fonds zou de AOW ondanks de vergrijzing betaalbaar blijven. Tijdens het tweede Paarse kabinet kreeg het AOW-spaarfonds kracht van wet. In 2005 bleek dat het AOW-spaarfonds slechts een papieren exercitie was, het fonds en het geld in het fonds bestonden slechts op papier. Er was nooit iets gestort, wel stond er op papier 23 miljard euro 'gereserveerd'. Op 28 juni 2011 ging de Tweede Kamer unaniem akkoord met het voorstel van de regering tot opheffing van dit spaarfonds.[8][9] [10]
Na het jaar 2000 rees opnieuw onrust over de toekomst van de AOW. Het thema speelde een rol in de campagnes voor de parlementsverkiezingen van 2006. De VVD overwoog een verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar, maar heeft dit plan niet in haar definitieve verkiezingsprogramma voor 2006 opgenomen. Alleen D66 stelt een verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar voor met een overgangsperiode van 24 jaar.
In het Sociaal-Economische Raad (SER)-advies van 30 augustus 2006 wordt gepleit voor fiscalisering van de AOW. Hierbij zouden de aparte lage belastingtarieven voor personen boven de 65 jaar verdwijnen. Volgens het regeerakkoord voor het Kabinet-Balkenende IV zullen alleen ouderen met een eigen pensioen (dus bovenop de te ontvangen AOW) van meer dan € 18.000 die voor hun 65e met werken zijn gestopt aan de AOW mee hoeven te betalen. Het Centraal Planbureau (CPB) betwijfelde of deze regeling uitvoerbaar is. Tijdens de verkiezingen van 2006 was de AOW een heikel punt. De PvdA wilde de AOW deels fiscaliseren, het CDA verzette zich hiertegen. CDA-lijsttrekker Jan Peter Balkenende beschuldigde PvdA-er Wouter Bos ervan 'te stelen van de ouderen'. Balkenende stelde dat de AOW bij het CDA veilig was, maar anders dan tijdens de verkiezingscampagne van 2006, kwam juist het CDA in 2008 met het voorstel de AOW voor mensen tot 67 af te schaffen.
Een aspect van de AOW dat in de komende jaren vermoedelijk steeds meer aandacht zal krijgen, is dat van de onvolledige AOW-opbouw (doordat men niet de volledige 50-jarige periode van verzekeringsopbouw heeft doorlopen). Dit zal leiden tot een toename van "gekorte" AOW-pensioenen.
Het Kabinet-Balkenende IV kwam in augustus 2008 eerst met een voorstel dat mensen van 65 jaar kunnen kiezen om hun AOW maximaal vijf jaar uit te stellen.[11] Mensen die langer doorwerkten, zouden dan een hogere uitkering krijgen. Op 25 maart 2009 kondigde het kabinet aan voornemens te zijn de AOW af te schaffen voor mensen tot 67 jaar.[12]. Dit voorstel was afkomstig van CDA-minister Piet Hein Donner.
In de avond van 15 oktober 2009 bereikte de regeringscoalitie, bestaande uit PvdA, CDA en ChristenUnie een akkoord over het verhogen van de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar: in 2020 wordt de leeftijd eerst verhoogd naar 66 jaar, vijf jaar later, in 2025, gaat de leeftijd naar 67 jaar. Het blijft mogelijk om met 65 jaar te stoppen, mits men minimaal 42 jaar heeft gewerkt. Wie daarvoor kiest wordt daarvoor geheel of gedeeltelijk actuarieel gekort op de hoogte van de maandelijkse AOW-bedragen die de rest van het leven ontvangen worden: deze worden voor de hogere inkomens 16 procent minder, voor lagere inkomens 13 procent.[13] De coalitie wil ook de door werknemers zelf opgebouwde pensioenen twee jaar later in laten gaan. Dit betekent dat twee jaar langer pensioen wordt betaald en twee jaar korter uitgekeerd. Welke gevolgen dat heeft voor de premie en of de pensioenopbouw langer gaat worden dan 40 jaar, is nog niet duidelijk. Ook is nog niet bekend of werknemers die nu twee jaar later pensioen krijgen, een hogere uitkering ontvangen. Voor de pensioenfondsen is het voorstel van de coalitie gunstig, zij ontvangen meer premie en hoeven korter uit te keren. Gegeven het feit dat de pensioenfondsen veel geld verloren tijdens de kredietcrisis, maakt dat de fondsen voorstander zijn van het voorstel. Uit een onderzoek van EénVandaag bleek dat 60 procent van de Nederlanders tegen de plannen van het kabinet is, 40 procent vond het wel een goed plan. Van de achterban van het CDA en de CU was een meerderheid voor de kabinetsplannen, bij de PvdA was een meerderheid (63%) tegen.[14] Opvallend was dat er meer mensen boven de 55 jaar voor de plannen waren dan jongeren, mensen van 55 jaar en ouder worden door de plannen ontzien. Tijdens een stemming in de PvdA fractie was een meerderheid van de fractie voor, slechts twee fractieleden stemden tegen.
In december 2009 is het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging van de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat (dossier 32247) ingediend. De regering wijst invoering in een groter aantal kleinere stappen af vanwege de administratieve complexiteit voor alle partijen. In mei 2011 heeft het Kabinet-Rutte dit wetsvoorstel ingetrokken en vervangen door een nieuw wetsvoorstel (zie onder).
Begin 2011 diende het Platform AOW-Omhoog [15] een burgerinitiatief in met als doel het inhalen van de structurele achterstand van het AOW-bedrag op de welvaartsontwikkeling. Op 17 maart 2011 besloot de Tweede Kamer het burgerinitiatief te aanvaarden, en het onderwerp op de agenda van de Kamer te zetten.
In mei 2011 heeft de regering het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging van de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat van 65 naar 66 jaar (Wet verhoging pensioenleeftijd naar 66 jaar) ingediend. Dit is inmiddels ingetrokken.
Het al in 2015 in plaats van in 2020 ingaan van de verhoging van de AOW-leeftijd was onderdeel van het pakket bezuinigingmaatregelen die in eerste instantie het resultaat waren van de toenmalige bezuinigingsonderhandelingen, die vervolgens toch zijn stukgelopen. [16] Een overgangsregeling zou de omvang van de inkomensgevolgen beperken voor mensen die weinig tijd hebben om zich op de wijziging voor te bereiden en die weinig mogelijkheden hebben om het verlies te compenseren door te werken of te sparen. Hiervoor zou in 2015 200 miljoen beschikbaar zijn. Eventuele effecten voor overheidswerkgevers zouden worden opgevangen binnen de desbetreffende departementale begrotingen.[17]
Een en ander is vervangen door het hieronder vermelde.
[bewerken] Wetsvoorstel verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW
In de Eerste Kamer is aanhangig het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging en koppeling aan de ontwikkeling van de levensverwachting van de pensioenleeftijd, extra verhoging van het AOW-ouderdomspensioen en introductie van de mogelijkheid het AOW-ouderdomspensioen desgevraagd geheel of gedeeltelijk eerder of later te laten ingaan (Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW). De verdere behandeling is op verzoek van de minister opgeschort wegens de verderop vermelde nieuwe ontwikkelingen.
Enkele hoofdlijnen:
- De pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd (leeftijd waarop de opbouwperiode begint) zijn voor personen die voor 1 januari 2020 de leeftijd van 65 jaar bereiken, 65, respectievelijk 15 jaar.
- De pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd zijn voor personen die op of na 1 januari 2020 de leeftijd van 65 jaar bereiken, 66, respectievelijk 16 jaar.
Een verdere verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd, voor beide gelijk (in de formule: V) wordt eens in de 5 jaar vastgesteld, voor het eerst uiterlijk op 1 januari 2014, en gaat steeds 11 jaar later in, dus voor het eerst op 1 januari 2025. Dit gebeurt steeds bij algemene maatregel van bestuur, als volgt:
- V = (L – 18,26) – (P – 65)
waarbij:
- L staat voor de geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar van verhoging
- P staat voor de pensioengerechtigde leeftijd in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar van verhoging
Indien V negatief is of voor afronding minder dan 1 bedraagt wordt deze gesteld op 0. Indien V voor afronding 1 of meer bedraagt, wordt deze gesteld op 1.
Voor wie vóór 1955 is geboren blijft de pensioengerechtigde leeftijd dus 65. Voor wie na 1954 geboren is gaat de pensioengerechtigde leeftijd van 65 naar 66 jaar. In 2020 gaan dus in principe geen AOW-uitkeringen in. De verwachting is dat op basis van deze wet in 2013 een verhoging van de pensioenleeftijd in 2025 naar 67 wordt vastgesteld, en in 2023 een verhoging van de pensioenleeftijd in 2035 naar 68.
Bij elke verhoging verschuift de opbouwperiode. Voor wat betreft bijvoorbeeld de eerste verhoging vervalt voor wie na 1954 is geboren de opbouw op 15-jarige leeftijd met terugwerkende kracht, dus ook als dit opbouwjaar in het verleden ligt, en ondanks het feit dat men eventueel destijds premie heeft betaald, of achteraf AOW-rechten heeft ingekocht voor dat opbouwjaar. Daar staat de opbouw gedurende het jaar waarin men 65 is tegenover. Deze verschuiving is dus voordelig voor de hoogte van de uitkering als men gedurende de 15-jarige leeftijd niet in Nederland woonde, maar gedurende de 65-jarige leeftijd wel, en in het omgekeerde geval onvoordelig.
Het wetsvoorstel bevat ook wijzigingen van het fiscale regime voor pensioenopbouw (het Witteveenkader) en de premieruimte in de derde pijler. Hiervoor is de beoogde ingangsdatum begin 2014, ook voor wie vóór 1955 is geboren. Anders dan bij de AOW wordt opbouw van aanvullend pensioen en lijfrente niet met terugwerkende kracht gewijzigd.
De wet regelt ook een tijdelijke verlenging van de IOW.
De sociale verzekeringen en voorzieningen zullen door gaan lopen tot de nieuwe AOW-leeftijd. De gevolgen voor socialezekerheidsregelgeving zijn niet in het wetsvoorstel meegenomen. Deze onderwerpen zullen worden geregeld in een separaat aanpassingswetsvoorstel, dat op een later moment aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Eerst zal daarvoor de vormgeving van de aanpassing van de AOW-leeftijd en de pensioenrichtleeftijd definitief met de Tweede Kamer moeten zijn bepaald. Zie ook onder.
Bij private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen geldt dat als in de polis staat dat de uitkering wordt beëindigd bij het ingaan van de AOW, de verzekeraar langer moet uitbetalen. Als in de polis staat dat de uitkering wordt beëindigd op het moment dat men 65 wordt, dan zal de verzekerde zelf de inkomensderving moeten dragen.
Het bedrag van de AOW per persoon wordt jaarlijks van 2013 tot en met 2028, dus 16 keer, verhoogd met 0,6% van het bedrag voor één gehuwde (voor een alleenstaande is het percentage dus lager). Dit wordt budgetneutraal gefinancierd uit een gelijktijdige afbouw van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (MKOB) en de fiscale ouderenkorting. Deze laatste wordt van 2020 tot en met 2028 verlaagd in negen stappen van € 71 per jaar (in prijzen 2011; dit bedrag wordt van 2013 tot en met 2028 gecorrigeerd voor de inflatie).
De alleenstaande ouderenkorting blijft intact.
Men kan kiezen voor het later laten ingaan van de AOW-uitkering, met een verhoging van 6,5% per jaar dat het ouderdomspensioen later ingaat. Men heeft dan echter in de jaren dan men vrijwillig geen AOW-uitkering ontvangt geen recht op bijstand.
Vanaf 2020 is ook een vervroeging met één jaar mogelijk, waarbij de uitkering lager is. Voorwaarde is dat men genoeg aanvullend inkomen heeft om in principe nooit onder de bijstandsnorm te zullen komen, in het geval van een gehuwde of samenwonende zelfs niet als men alleenstaand zou worden.
[bewerken] Begrotingsakkoord 2013
Volgens het Begrotingsakkoord 2013 wordt de AOW-leeftijd in 2013, 2014, en 2015 steeds met een maand verhoogd, in 2016, 2017 en 2018 steeds met 2 maanden, en in 2019 met drie maanden, zodat deze dan 66 jaar is.
Aangenomen dat de AOW-leeftijd steeds per 1 januari verandert is deze dus:
- 65 jaar en 1 maand voor wie geboren is in de periode jan - nov 1948 (AOW-uitkering vangt aan in 2013)
- 65 jaar en 2 maanden voor wie geboren is in de periode dec 1948 - okt 1949 (AOW-uitkering vangt aan in 2014)
- 65 jaar en 3 maanden voor wie geboren is in de periode nov 1949 - sept 1950 (AOW-uitkering vangt aan in 2015)
- 65 jaar en 5 maanden voor wie geboren is in de periode okt 1950 - juli 1951 (AOW-uitkering vangt aan in 2016)
- 65 jaar en 7 maanden voor wie geboren is in de periode aug 1951 - mei 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2017)
- 65 jaar en 9 maanden voor wie geboren is in de periode juni 1952 - maart 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2018)
- 66 jaar voor wie geboren is in de periode april - dec 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2019)
Er komt voor de eerste jaren een voorschotregeling. Deze regeling biedt de mogelijkheid om een voorschot op de AOW te krijgen vanaf de 65e verjaardag. Hiermee kunnen mensen een eventueel inkomensgat overbruggen. Daarbij geldt dat het eerder opgenomen bedrag over een vastgestelde termijn (maximaal 1,5 jaar bij 3 maanden voorschot in 2015) dient te worden terugbetaald.
[bewerken] Bijkomende maatregelen verhoging AOW-leeftijd
Bij de bovengenoemde twee wetsvoorstellen voor verhoging van de AOW-leeftijd (het eerste dat is ingetrokken, en het tweede dat is aangehouden) werd aangekondigd dat er een wetsvoorstel Wijziging van een aantal wetten in verband met aanpassing van de leeftijdsgrenzen aan de verhoging van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat (Aanpassingswet verhoging AOW-leeftijd) zou komen.[18][19] Dit wetsvoorstel zou strekken tot aanpassing aan de verhoging van de AOW-leeftijd van de leeftijdsgrenzen in andere wetten die zijn ontleend aan of samenhangen met de AOW-leeftijd.
Voor een deel zijn dit soort wijzigingen (maar dan slechts betrekking hebbend op gemiddeld een halve maand verschuiving) al per 1 april 2012 ingevoerd in verband met het ingaan van de AOW op de verjaardag i.p.v. de eerste van de maand, zie boven.
De geplande veranderingen:
- De sociale verzekeringen en voorzieningen die lopen tot de AOW-leeftijd gaan lopen tot de nieuwe AOW-leeftijd. Dit betreft het verzekerd zijn en betalen van premie, en het recht op uitkering: in de bepaling dat geen recht op uitkering heeft degene die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, wordt de "65 jaar" gewijzigd in de hogere AOW-leeftijd.
- De "65 jaar" in de tarieven van box 1 schuift mee.
- De "65 jaar" in de tarieven en voorwaarden van enkele heffingskortingen en het heffingvrije vermogen schuift mee.
- De "65 jaar" in de voorwaarden van de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek schuift mee.
- De "65 jaar" in de eigen-bijdrage-systematiek voor de AWBZ en de WMO schuift mee.
- Arbeidsvoorwaardelijke regelingen zoals leeftijdsontslagregelingen en aanvullingen op sociale zekerheid (diverse cao’s kennen aanvullingen op de sociale zekerheid, bijvoorbeeld regelingen die in bovenwettelijke aanvullingen voorzien van de WW of arbeidsongeschiktheid; deze kunnen duurder worden als de AOW-leeftijd stijgt en het gebruik van deze regelingen langer zal duren): cao's zouden aangepast kunnen worden, waarbij leeftijden in regelingen meeschuiven met de AOW-leeftijd. Het Kabinet is in ieder geval voornemens dit te doen in de publieke sector, onder meer voor wat betreft het functioneel leeftijdsontslag.
Een verhoging van de AOW-leeftijd met één maand is voor een alleenstaande een tegenvaller van bruto € 1140 (voor zover niet gecompenseerd door die maand te ontvangen loon of een uitkering), plus bijkomende bedragen voor de andere regelingen, waaronder maximaal € 500 (netto) voor AOW-premie over de eerste twee schijven van box 1, en € 36 (netto) wegens het later ingaan van de alleenstaande-ouderenkorting. Daar staat onder meer tegenover € 92 (netto) voordeel door het later verlagen van de algemene heffingskorting.
Bij kortingen voor 65-plussers op openbaar vervoer (o.a. 34% korting voor 65-plussers bij het stad-/streekvervoer, korting voor 65-plussers bij de nieuwe abonnementen van NS), attracties, enz. zou de leeftijd ook verhoogd kunnen worden, wat extra nadeel zou betekenen.
[bewerken] Logischer regels
Volgens de minister zijn er onlogische regels bij samenwonen van een AOW'er met iemand zonder AOW, en bij samenwonen van twee AOW'ers met een derde persoon al of niet met AOW. Hij heeft aangekondigd deze logischer te willen maken.[20] Daar wordt tegenin gebracht dat een AOW'er niet gekort moet worden wegens een inwonend meerderjarig kind, dat veelal nuttige mantelzorg verleent.
[bewerken] Trivia
- Het Nederlands record voor het grootste aantal broers en zussen dat tegelijk AOW kreeg, staat voor zover bekend op naam van de dertien broers en zussen Slob, geboren tussen 1917 en 1939 in Tricht en Den Haag. Toen de jongste op 14 juni 2004 de leeftijd van 65 bereikte en dus AOW kreeg, leefden al zijn oudere broers en zussen nog. In maart 2006 overleed een broer, Goof, op 86-jarige leeftijd.
- Hendrikje van Andel-Schipper was tot haar overlijden in 2005 nog de enig overgebleven inwoner van Nederland die AOW heeft genoten sinds de invoering ervan in 1957.
[bewerken] Externe link
- http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/algemene-ouderdomswet-aow
- Huidige wetstekst
- Wetstekst per 1 januari 2013 op basis van de tot nu (het moment van raadplegen van de link) toe aangenomen wetswijzigingen; op het moment van schrijven betreft dit alleen de Wet uniformering loonbegrip.
Bronnen, noten en/of referenties:
- ↑ 'Thesis: The changing role of premiums.pdf' René Louis Pierre Mahieu, 4 juli 2008
- ↑ Januarinota 2012, SVB
- ↑ 'Fiscalisering aow niet door vergrijzing' Economisch Statistische Berichten, 25 januari 2008
- ↑ 'Levensverwachting ouderen sterk gestegen', CBS Webmagazine, 23 november 2011
- ↑ https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2012-2.html
- ↑ https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2012-69.html
- ↑ Memorie van toelichting Algemene ouderdomsverzekering
- ↑ Tweede kamer: Stemmingen in verband met het wetsvoorstel 'Opheffing van het Spaarfonds AOW', 28 juni 2011
- ↑ De spaarfonds leugen, Volkskrant, maart 2006
- ↑ Wel is er hard gespaard via de meestal collectieve pensioenpremies, aftrekbaar in Box 1. De collectieve pensioenpot bedroeg in 2011 1000 miljard. Alleen door de jaarlijkse premieaftrek van 30 miljard in Box 1, groeit dit bedrag nog steeds. Daarop rust een belastingclaim van circa 30% en een claim premie zorgverzekeringswet van circa 5% bij uitbetaling later deze eeuw. Derhalve ruim 300 miljard euro.
- ↑ Keuzemogelijkheid in uitstel AOW. Persbericht Ministerie van SZW, 29 augustus 2008
- ↑ Kabinet: AOW gaat naar 67 jaar omwille van overheidsfinanciën FD.nl, 25 maart 2009
- ↑ Coalitie akkoord over verhoging AOW-leeftijd, NRC, 16 oktober 2009
- ↑ eenvandaag.nl, 14 oktober 2009
- ↑ aowomhoog.nl
- ↑ Dit waren de plannen in het Catshuis (twv 14,2 miljard)
- ↑ Toelichting pakket maatregelen stukgelopen bezuinigingsonderhandelingen maart 2012
- ↑ https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32163-15.html
- ↑ https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-103504.html
- ↑ https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32500-XV-81.html