Algemene Ouderdomswet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

De Algemene Ouderdomswet (AOW) regelt in Nederland het verplichte, collectieve ouderdomspensioen dat als algemene basis dient voor Nederlandse ouderdomspensioenen. Verzekerd voor de AOW zijn ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen van Nederland die bepaalde inkomsten in Nederland genieten. De AOW is één van de zogenoemde volksverzekeringen.

Inhoud

[bewerk] Huidige Regels

De AOW is een collectief basispensioen, dat wordt uitgekeerd aan mensen van 65 jaar en ouder die in Nederland hebben gewoond. De AOW bedraagt 2% van het volledige AOW-pensioen voor ieder jaar dat iemand tussen zijn of haar 15e en 65e jaar in Nederland heeft gewoond en niet in het buitenland heeft gewerkt. Ook niet-werkende partners van mensen die in het buitenland werken (grensarbeiders) bouwen meestal geen AOW op. Nederlanders die in het buitenland wonen en werken kunnen hun AOW-verzekering vrijwillig voortzetten, wat vooral voordelig is voor mensen met een laag inkomen zoals ontwikkelingswerkers. De AOW voor alleenstaanden bedraagt 70% van het minimumloon, de AOW voor gehuwden en samenwonenden 50% van het minimumloon. AOW-gerechtigden met een partner beneden de 65 kunnen een toeslag op de AOW krijgen. Deze toeslag is het enige inkomensafhankelijke element in de AOW; het inkomen van de jongere partner wordt geheel (inkomen in verband met arbeid) of gedeeltelijk (inkomen uit arbeid) gekort op de toeslag. De AOW wordt betaald volgens het omslagstelsel, voor het grootste deel uit de AOW-premie, een vast percentage van het inkomen beneden de premiegrens van belastingplichtigen beneden de 65. In de praktijk is de AOW-premie een belasting over een deel van de inkomsten in Box 1. Sinds 2001 wordt geen AOW-premie geheven over inkomsten uit vermogen. Daarnaast geeft de overheid een bijdrage uit de algemene middelen.

De betaling van de AOW wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank, de inning van de premies door de belastingdienst.

[bewerk] Historie

De AOW is in 1957 geïntroduceerd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid J. G. Suurhoff, de minister van Financiën Johan van de Kieft, de staatssecretaris van Financiën Willem Hendrik van den Berge en de minister van Binnenlandse Zaken Louis Beel, allen lid van het kabinet onder leiding van premier Willem Drees. De AOW is de opvolger van de door Drees als minister van Sociale Zaken in 1947 ingevoerde Noodwet Ouderdomsvoorziening, die uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld was.

Aan de AOW is een lange voorgeschiedenis voorafgegaan. De Pruisische kanselier Otto von Bismarck legde in 1889 een inkomensverzekering op tegen inkomstenderving in geval van ouderdom, ziekte en invaliditeit. In deze inkomensverzekering komt de pensioenleeftijd van 65 jaar voor het eerst voor. Overigens was de levensverwachting in die tijd veel lager dan nu.

In het Verenigd Koninkrijk werd in 1942 (dus in de oorlogsjaren) door Lord William Beveridge gebruikgemaakt van het sterke gevoel van solidariteit om een blauwdruk te maken voor een stelsel van sociale volksverzekeringen, betaald uit belastinggeld. Soortgelijke systemen werden na de Tweede Wereldoorlog in meerdere Europese landen en in de Verenigde Staten ingevoerd.

Terwijl in het systeem van Beveridge de uitkering afhangt van het vroegere inkomen, is in het systeem van Bismarck de uitkering voor iedereen hetzelfde. Deze twee modellen, en tussenvormen ervan, worden nog steeds gebruikt. Zo is in Nederland de uitkering in principe voor iedereen gelijk, maar wordt toch onderscheid gemaakt naar de huwelijkse staat.

[bewerk] Toekomst van de AOW

Al 25 jaar bestaan twijfels of de AOW bij de verwachte vergrijzing ongewijzigd gehandhaafd kan worden. In de jaren '80 onderzocht een staatscommissie onder leiding van Willem Drees jr. de toekomst van de voorziening die zijn vader tot stand had gebracht. Aanleiding was een alarmerend artikel in Economisch Statistische Berichten. Drees concludeerde, dat het stelsel kon worden gehandhaafd. Wel adviseerde hij tot individualisering van de uitkering. De regeringen sindsdien hebben dat niet gevolgd omdat het zou hebben geleid tot armoede van alleenstaande bejaarden en rijkdom van de samenwoners.

In de jaren '90 werd het AOW-fonds opgericht. Financiële meevallers werden door de minister van financiën in dat fonds gestort om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen.

Na het jaar 2000 rees opnieuw onrust over de toekomst van de AOW. Het thema speelde een rol in de campagnes voor de parlementsverkiezingen van 2006.

De VVD overwoog een verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar, maar heeft dit plan niet in haar definitieve verkiezingsprogramma voor 2006 opgenomen. Alleen D66 stelt een verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar voor met een overgangsperiode van 24 jaar. Daarentegen wordt door gezaghebbende economen gepleit voor fiscalisatie van de AOW, bijvoorbeeld in het SER-advies van 30 augustus 2006. Hierbij zouden de aparte lage belastingtarieven voor personen boven de 65 jaar verdwijnen. Volgens het regeerakkoord voor het Kabinet-Balkenende IV zullen alleen ouderen met een eigen pensioen (dus bovenop de te ontvangen AOW) van meer dan € 18000 die voor hun 65 ste met werken zijn gestopt aan de AOW mee hoeven te betalen. Het CPB betwijfelt echter of deze regeling uitvoerbaar is.

In 2015 zal de toeslag op het AOW-pensioen verdwijnen. Mensen die 65 jaar worden op of na 1 januari 2015, en die een jongere partner hebben, kunnen zodoende niet vanaf die datum in aanmerking komen voor een toeslag op hun AOW-pensioen.

Een aspect van de AOW dat in de komende jaren vermoedelijk steeds meer aandacht zal krijgen (en reeds nu begint te krijgen) is dat van de onvolledige AOW-opbouw (doordat men niet de volledige 50-jarige periode van verzekeringsopbouw heeft doorlopen), dit zal leiden tot een toename van "gekorte" AOW-pensioenen.

[bewerk] Trivia

  • Het Nederlands record voor het grootste aantal broers en zussen dat tegelijk AOW kreeg, staat voor zover bekend op naam van de dertien broers en zussen Slob, geboren tussen 1917 en 1939 in Tricht en Den Haag. Toen de jongste op 14 juni 2004 de leeftijd van 65 bereikte en dus AOW kreeg, leefden al zijn oudere broers en zussen nog. In maart 2006 overleed een broer, Goof, op 86-jarige leeftijd.
  • Hendrikje van Andel-Schipper was tot haar overlijden in 2005 nog de enig overgebleven inwoner van Nederland die AOW heeft genoten sinds de invoering ervan in 1957.
 
Persoonlijke instellingen