Vergrijzing

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Verwachte vergrijzing in Nederland in 2025. Percentage bejaarden in de totale bevolking (Bron: CBS)

██ 18 - 20%

██ 20 - 22%

██ 22 - 24%

██ 24% of meer.

De term vergrijzing is een aspect van een verandering in de bevolkingssamenstelling. Deze term wordt gebruikt om aan te geven dat het aandeel van ouderen in de bevolking stijgt en daardoor een stijging van de gemiddelde leeftijd veroorzaakt (zie ook veroudering). Vergrijzing is zichtbaar in de vorm van de bevolkingspiramide. Een periode van vergrijzing gaat vaak gepaard met bevolkingsdaling. In de nabije toekomst zullen steeds meer regio’s en gemeenten te maken krijgen met teruglopende aantallen inwoners en huishoudens. In sommige regio’s, zoals Zuid-Limburg, is dit nu al het geval.[1][2][3]

Niet alleen westerse landen hebben te maken met dit proces. In Japan zal het als eerste toeslaan en heviger zijn dan in andere landen. In China hebben bevolkingspolitiek, voorkeur voor jongens en abortus gezorgd voor een mannenoverschot. De meeste ontwikkelingslanden zullen met het verschijnsel te maken krijgen, volgens projecties van de VN.

Oorzaken[bewerken]

De vergrijzing van de bevolking in de westerse landen wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren. In de eerste plaats kenden veel westerse landen vlak na de Tweede Wereldoorlog een geboortegolf, waarin relatief veel kinderen geboren werden. In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw daalde het geboortecijfer weer sterk (ontgroening). Gevolg hiervan is dat de verhouding tussen het aantal ouderen en jongeren momenteel (2006) sterk stijgt. Dit effect is grotendeels tijdelijk: rond 2030 zullen de meeste babyboomers overleden zijn. Indien dan ook de ontgroening gestopt is, betekent dat ook een einde van de vergrijzing. De bevolking kan dan echter nog wel dalen (minder ouderen én minder jongeren).

Een andere, meer structurele, oorzaak van de vergrijzing is de stijging in de levensverwachting wat weer grotendeels het resultaat is van verbeteringen in volksgezondheid, geneeskunde en voeding. De gemiddelde levensduur van een man is tussen 1950 en 2002 toegenomen van 70,4 jaar tot 76,0 jaar. Voor vrouwen nam de gemiddelde levensduur in dezelfde periode toe van 72,7 jaar tot 80,7 jaar. De verwachting is dat deze stijging van de levensduur ook in de toekomst doorzet. Dit heeft tot gevolg dat ook na 2030 er verhoudingsgewijs meer ouderen zullen zijn dan nu.

Bevolking Nederland 1950-2010 verdeeld in leeftijd en geslacht (bron:CBS)[4]

Verder bestaan ook binnen een enkel land grote verschillen, zoals de onderstaande bevolkingspiramides aangeven. Steden trekken vaak jongere mensen aan die er een studie willen volgen of werk zoeken. Hierdoor zijn universiteitssteden niet of nauwelijks vergrijsd met jongerenaandelen van 25% of meer. Jonge stellen met kinderen vestigen zich in gerenoveerde stadscentra, buitenwijken en slaapsteden waardoor deze ook minder vergrijsd zijn. Ouderen die bovendien niet meer hoeven te werken, prefereren daarentegen landelijke gemeentes met veel natuur en rust. Bovendien is er ook een grote groep ouderen die hun hele leven in deze streken hebben gewoond en achterblijven terwijl de jongeren naar de steden trekken. Hierdoor is de vergrijzing het sterkst in landelijke gebieden zoals Drente, Zuid-Limburg, het Gooi en de Veluwezoom. Buiten Nederland ziet men een soortgelijk beeld.

Bevolkingspiramide van Rotterdam, een begin van vergrijzing
Bevolkingspiramide van Laren, één van de meest vergrijsde gemeentes in Nederland. Opvallend is de 'deuk' in de leeftijdsklasse 25-29; dit wordt veroorzaakt door de hoge huizenprijzen die voor starters vaak niet op te brengen zijn
Bevolkingspiramide van Almere, een gemeente waar de vergrijzing (nog) niet heeft toegeslagen en waar veel jonge stellen met kinderen naartoe trekken

Sociaal-Economische effecten[bewerken]

De demografische fuik[bewerken]

De vergrijzing van de bevolking heeft grote gevolgen, met name op sociaal-economisch gebied. Veel westerse landen kennen een sociaal zekerheidstelsel dat wordt gefinancierd met behulp van een zogenaamd omslagstelsel, waarbij in elk jaar de werkenden de uitkeringen van de inactieven betalen. Dat geldt in het bijzonder voor de eerste pijler pensioenregelingen (zie pensioen). In Nederland wordt onder meer de AOW op deze wijze gefinancierd. Wanneer het aantal ouderen in een omslagstelsel toeneemt (en daarmee het aantal mensen dat een pensioenuitkering ontvangt), zullen de inkomsten uit belastingen moeten stijgen om de welvaartsvastheid van de pensioenuitkeringen te garanderen. Dit zal echter steeds moeilijker zijn wanneer de werkende generatie relatief of zelfs absoluut krimpt. De vergrijzing zal bovendien leiden tot een toename van vraag naar bepaalde voorzieningen voor ouderen, zoals bejaardenwoningen, zorg etc. Ook dit leidt tot additionele kosten voor de maatschappij. Tevens zal het lastiger worden de lege plaatsen van vertrekkende vakmensen op te vullen.

Dit verschijnsel zal door de grote kosten de economische groei remmen. Door het weglekken van financiele middelen om de vergrijzingskosten te betalen vermindert de ruimte voor consumptie en hiermee uiteindelijk ook de belastinginkomsten voor de overheid. Deze heeft hierdoor nog minder speelruimte om maatregelen te nemen waardoor de economie nog verder onder druk zal staan. Bovendien zal de zwaarder belaste generatie hierdoor nog minder geneigd zijn om aan kinderen te beginnen, aangezien kinderen duur en de economische vooruitzichten duurzaam somber zijn. Hierdoor zal een nog kleinere generatie worden voortgebracht waardoor de vergrijzing en bevolkingsdaling doorzetten. Dit spiraaleffect wordt aangeduid als de demografische val of demografische fuik.

Onderzoek[bewerken]

De sociaal-economische gevolgen van de vergrijzing zijn een belangrijk onderwerp in het wetenschappelijk onderzoek. In het kader van de aankomende veroudering van de bevolking stellen zich drie grote beleidsproblemen:

  • de manier waarop de lasten van de vergrijzing verdeeld worden tussen generaties en binnen generaties onderling;
  • de uitbouw van een betaalbare en hoogstaande zorgvoorziening die voor iedereen toegankelijk is;
  • het optimaliseren van de deelname van ouderen aan het economische, sociale, politieke en culturele leven zodat de kennis, ervaring en vaardigheden van de ouderen nuttig ingezet kunnen worden.

Niettegenstaande de sterke uitspraken over de maatschappelijke gevolgen over de vergrijzing in het openbaar debat is er nog geen wetenschappelijke consensus over de aard en de omvang van de gevolgen van de vergrijzing. De belangrijkste determinanten zijn immers beleidsbepaald.

In Nederland en België zijn de afgelopen jaren interdisciplinaire onderzoeksgroepen ontstaan die de impact van de vergrijzing bestuderen. In Nederland wordt onder leiding van Lans Bovenberg onderzoek verricht door Netspar.[5] In België is er het CoViVE Consortium[6] onder leiding van Bea Cantillon.

Het opvangen van vergrijzing[bewerken]

Vergrijzing kan op verschillende manieren worden onderkend en opgevangen door overheden en pensioenfondsen.

De overheid kan kiezen de uitkeringen enkel aan te passen aan de inflatie (in plaats van een koppeling aan de verandering van de lonen). De overheid kan tevens trachten extra inkomsten te vergaren door de activiteitsgraad te verhogen, de belastingen en sociale lasten te verhogen of door (bovenmodale) pensioeninkomens meer te belasten.

Veelal wordt door overheden (ten dele) omgeschakeld van een omslagpensioenstelsel (de pensioenen worden direct uit de premies van werkenden betaald) naar een kapitaaldekkingsstelsel (premies worden door de fondsen geïnvesteerd en iedere werkende bouwt als investeerder zo een pensioen op). Hoewel een kapitaaldekkingsstelsel ongevoelig is voor demografische ontwikkelingen, hebben schommelingen op de kapitaalmarkt in de periode 2000-2010 een zwak punt blootgelegd, namelijk de gevoeligheid voor fluctuaties in de economie.

Het korten op pensioenen, belasting- en premieverhogingen, of verlenging van de arbeidsduur gelden als impopulaire maatregelen, die in sommige landen leiden tot sociale onrust. Hier komt bij dat financiele versoberingsmaatregelen leiden tot een vermindering van belastinginkomsten bij de overheid, waardoor dit zelfs averechts kan werken. Landen met pensioentekorten en een omslagstelsel, zoals Frankrijk en Italië, zien zich gedwongen de tekorten uit de algemene begroting te financieren. Dit zet de begroting onder druk. Iedere van deze maatregels is ingrijpend, en het gevaar bestaat dat uit angst voor electorale impopulariteit helemaal geen maatregelen worden genomen.

Andere landen, met name de kleinere belastingparadijzen als Singapore en Luxemburg, proberen met belastingfaciliteiten, subsidies (bijvoorbeeld een hoge kinderbijslag), en voorzieningen voor kinderen gezinnen met (jonge) kinderen aan te trekken en het krijgen van kinderen aan te moedigen, om zo het probleem enigszins op te kunnen vangen.

Andere landen proberen hun tekorten op te vangen door immigratie te bevorderen. Dit biedt slechts tijdelijk soelaas, omdat het geboortecijfer bij immigranten zich vrij snel aanpast aan de lokale bevolking, en de immigranten dus eveneens vergrijzen. Dit fenomeen is herkenbaar bij Turkse immigranten in Nederland, wier geboortecijfers anno 2013 vrijwel gelijk is aan dat van autochtone Nederlanders.

Referenties[bewerken]

  1. 2006-Krimp en ruimte van het RPB
  2. Bevolkingskrimp in Nederland 2005-2025
  3. Huishoudenskrimp in Nederland 2005-2025
  4. Bevolking; geslacht, leeftijd en burgerlijke staat
  5. netspar.nl
  6. covive.be

Externe links[bewerken]