Box 1

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001 is box 1 een categorie inkomsten: de inkomsten uit werk en woning.[1]

Dit zijn:

verminderd met:

De belasting wordt bepaald volgens een schijventarief zoals aangegeven in onderstaande tabellen; het resultaat wordt naar beneden afgerond op hele euro's. Bij een negatief inkomen (verlies) uit werk en woning is de te betalen belasting € 0.

Op deze belasting plus die over box 2 en box 3 worden nog heffingskortingen toegepast. Daarvan zijn sommige zelf ook afhankelijk van inkomensbestanddelen.

Belang van de inkomsten in box 1 voor andere regelingen[bewerken]

De inkomsten in box 1 bepalen niet alleen gedeeltelijk het bedrag van de inkomstenbelasting: art. 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) bepaalt dat voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen (PVV) bij wege van aanslag onder premie-inkomen wordt verstaan het inkomen in box 1 tot maximaal de bovengrens van de tweede schijf.

De premie volksverzekeringen betreft Anw (2013 en 2014: 0,6%), AWBZ (2013 en 2014: 12,65%), en tot de eerste dag van de maand waarin men de AOW-leeftijd bereikt[3] 17,9% AOW [4], met dien verstande dat men in het kalenderjaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt een tijdsevenredig percentage AOW-premie betaalt over de inkomsten in box 1 in dat hele kalenderjaar. Zie ook onder.

De items van loon t/m winst zijn van toepassing voor de berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage van de zorgverzekering. Wanneer die wordt meegerekend is het tarief niet meer helemaal progressief: het wordt lager bij het bereiken van de maximale grondslag van de bijdrage zorgverzekering.

Het inkomen in box 1 vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek draagt ook bij aan het drempelinkomen (van belang voor bepaalde vormen van persoonsgebonden aftrek) en voor het verzamelinkomen, dat bij diverse inkomensafhankelijke regelingen de basis vormt.

Houdbaarheidsbijdrage[bewerken]

Bij het schijventarief voor de IB wordt in het kader van de zogenaamde houdbaarheidsbijdrage (ingevoerd met artikel III van het Belastingplan 2009; het betreft een wijziging in artikel 10.1 van de wet IB, over de inflatiecorrectie; deze regeling werd voorheen ook wel Bosbelasting[5][6] genoemd) onderscheid gemaakt tussen belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 (voor hen geldt de maatregel niet) en belastingplichtigen die zijn geboren na 1945. (Beleidsoptie 6b van het IBO Inkomen en vermogen van ouderen is het afschaffen van de genoemde uitzondering.)

De maatregel behelst voor laatstgenoemden met ingang van 2011 dat de bovengrens van de tweede schijf maar voor 75% geïndexeerd wordt, zodat vergeleken met volledige indexatie de tweede schijf verkort wordt en de derde schijf verlengd.[7] Aangezien voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd de totaaltarieven van de tweede en derde schijf sinds 2013 gelijk zijn is deze maatregel alleen van belang voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd, die geboren zijn na 1945, en dan uiteraard alleen nog bij inkomsten in box 1 hoger dan de bovengrens van de tweede schijf.

De houdbaarheidsbijdrage betreft een verdere, zeer geleidelijke fiscalisering van de AOW, met in principe als eindresultaat het combineren van de tweede en derde schijf, waarbij voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd het totaaltarief alleen nog in de eerste schijf lager is dan voor anderen. Er wordt vaak vanuit gegaan dat dit vervolgens wordt toegepast op de bovengrens van de eerste schijf. Gezien de netto-netto koppeling van de AOW-uitkering aan het minimumloon is het eindresultaat materieel bereikt als de bovengrens van de eerste schijf gelijk is aan de AOW-uitkering, en kan de fiscalisering vervolgens in één keer voltooid worden. Schattingen geven aan dat fiscalisering zo in ca. 2150-2200 voltooid is[8] of (Commissie Van Dijkhuizen) in 2075[9]

In 2010 was de bovengrens van de tweede schijf € 32.738. De inflatiecorrectie voor 2011 van 0,6 % was dus € 196, en 75% hiervan is € 147, d.i. € 49 minder. Het verschil tussen het totale tarief van de tweede en derde schijf voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd is 17,95%, dus in 2011 was de effectieve houdbaarheidsbijdrage slechts maximaal € 9 op jaarbasis. Voor 2012 was de inflatiecorrectie 1,7%, en bedroeg de houdbaarheidsbijdrage (cumulatief effect m.b.t. twee inflatiecorrecties) € 34.[10] In 2013 en 2014 [11] is de houdbaarheidsbijdrage € 81. Uiteindelijk gaat het om een begroot bedrag van maximaal € 950 per jaar in 2030.

Schijventarief 2013[bewerken]

Schijf Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastingtarief Tarief premie volksverzekeringen Totaaltarief
AOW-min AOW'er AOW-min AOW'er
1 € 0 t/m € 19.645 5,85% 31,15% 13,25% 37% 19,1%
2 € 19.646 t/m € 33.363 10,85% 31,15% 13,25% 42% 24,1%
3 € 33.364 t/m € 55.991 42% 42%
4 Vanaf € 55.992 52% 52%

AOW-min geldt tot de eerste dag van de maand waarin men de AOW-leeftijd (65 jaar en een maand) bereikt, AOW'er geldt vanaf die dag.

Voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 is de bovengrens van de tweede schijf € 33.555, wat het totaaltarief bij een inkomen in box 1 van meer dan € 33.363 iets lager maakt (zie ook boven).

Wegens de invoering van de Wet uniformering loonbegrip (WULB) betalen werknemers en gerechtigden van werkgerelateerde uitkeringen (zoals wegens ziekte, arbeidongeschiktheid en werkloosheid) geen IAB meer en krijgen dus ook de desbetreffende vergoeding niet meer. De hoogte van de IAB-premie (werkgeversheffing Zvw) is voor hen niet meer rechtstreeks van belang, maar wel de grondslag IAB (gelijk aan het belastbaar loon): als de betrokkene nog andere inkomsten heeft waarover IAB verschuldigd is dan wordt de maximum grondslag daarbij gelijk aan de maximum grondslag verminderd met de al door de inhoudingsplichtige toegepaste grondslag.

Over deze andere inkomsten (arbeidsinkomen van een zelfstandige, pensioen, lijfrente en partneralimentatie) zijn de AOW-min totaaltarieven: 42,65%, 47,65%, 42%, en 52%, met een brede 47,65%-schijf (tweede en derde schijf): het totaal van IB/PVV/IAB bij een inkomen in de tweede en derde schijf kan men berekenen door 47,65% van het inkomen te nemen, en het resultaat te verminderen met € 982, of rekening houdend met de algemene heffingskorting van € 2001: het resultaat te verminderen met € 2983. Bij een inkomen in de eerste schijf betaalt men over de eerste € 5408 geen IB/PVV, en daarboven 37%; de 5,65% IAB betaalt men over het hele inkomen.

Overigens wordt de marginale lastendruk mede bepaald door inkomensafhankelijke heffingskortingen, toeslagen, eigen bijdragen, e.d.

Onder meer de genoemde WULB is de reden voor de verhoging van het tarief van de eerste schijf. Overeenkomstig het Begrotingsakkoord 2013 is de tabelcorrectiefactor één jaar niet toegepast.

Zie ook de eenmalige crisisheffing, die bij een hoog loon de marginale druk vergroot.

Schijventarief 2014[bewerken]

Schijf Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastingtarief Tarief premie volksverzekeringen Totaaltarief
AOW-min AOW'er AOW-min AOW'er
1 € 0 t/m € 19.645 5,1% 31,15% 13,25% 36,25% 18,35%
2 € 19.646 t/m € 33.363 10,85% 31,15% 13,25% 42% 24,1%
3 € 33.364 t/m € 56.531 42% 42%
4 Vanaf € 56.532 52% 52%

Aangenomen is het Belastingplan 2014 met onder meer het in 2014 weer niet toepassen van de tabelcorrectiefactor en naar aanleiding van de Begrotingsafspraken 2014 via de Tweede Nota van Wijziging een verlaging van het tarief in box 1 alleen in 2014 van 0,75%-punt; dit is al in de tabel verwerkt. Aangenomen is verder de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II die onder meer de ondergrens van de 4e schijf met € 540 verhoogt, zoals ook al verwerkt in de tabel. De afbouw van de algemene heffingskorting komt materieel neer op het verhogen van het tarief van 2e en 3e schijf naar 44% (soortgelijke effecten hebben de op- en afbouw van de arbeidskorting, maar omdat die geldt voor slechts een deel van de inkomsten in box 1 is de equivalentie met een ander schijventarief minder eenduidig).

AOW-min geldt tot de eerste dag van de maand waarin men de AOW-leeftijd (65 jaar en twee maanden) bereikt, AOW'er geldt vanaf die dag.

Voor de lastendruk is verder van belang dat de premie IAB voor wie die zelf moet betalen gedaald is naar 5,4%.

Verder introduceerde de al genoemde Wet maatregelen woningmarkt 2014 II een apart schijventarief voor inkomsten in box 1 uitgegeven aan kosten voor de eigen woning (voornamelijk hypotheekrente, onder voorwaarden). Het is nul in de 1e, 2e en 3e schijf, en 0,5% in de 4e schijf. (Tot en met 2013 was dit tarief nul.) Zie verder onder.

Schijventarief 2015[bewerken]

Aanhangig is het Belastingplan 2015 volgens welk het tarief in de 1e schijf in totaal 36,5% wordt (AOW-min).

Bij inwerkingtreding van de Wet langdurige zorg wordt de premie daarvoor 3%-punt lager dan de AWBZ-premie nu bedraagt, en de IB-tarieven van de 1e en 2e schijf met 3%-punt verhoogd. De totaaltarieven blijven dus gelijk.

Verhoging AOW-leeftijd[bewerken]

Het Besluit aanpassing wetten inzake verhoging AOW-leeftijd heeft onder meer gewijzigd (dit kon op grond van een delegatiebepaling in de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd) artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen: "65 jaar" is per 1 januari 2013 vervangen door "de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet". Dit betreft het langer betalen van AOW-premie. Hieruit volgt automatisch dat de verlaging van de algemene heffingskorting wegens het niet verschuldigd zijn van AOW-premie ook later ingaat.

Voor wie geboren is na november 1948 is AOW-premie in 2014 verschuldigd tot de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar en twee maanden bereikt.

Een verhoging van de AOW-leeftijd met één maand betekent (naast de derving van de AOW-uitkering gedurende een maand) een eenmalige extra heffing van maximaal € 500 aan AOW-premie over de eerste twee schijven van box 1, € 36 wegens het later ingaan van de alleenstaande-ouderenkorting, en eventueel € 64 wegens het later ingaan van de ouderenkorting. Daar staat onder meer een voordeel van maximaal € 92 tegenover door het later verlagen van de algemene heffingskorting. (Alle bedragen zijn netto.)

Aftrek tegen een lager tarief[bewerken]

De Wet maatregelen woningmarkt 2014 II regelt onder meer de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning. Het is een vorm van beperkte aftrekbaarheid van bepaalde kosten, die niet wordt vormgegeven als volledige aftrekbaarheid van een deel van het bedrag, maar als een gereduceerd belastingtarief voor inkomen besteed aan zulke kosten.[12] De regeling is vergelijkbaar met de al langer bestaande regeling in de Wet inkomstenbelasting BES.

Systeem van beperkte aftrekbaarheid[bewerken]

Een schijventarief wordt gegeven door een marginaal tarief als functie van inkomen. Het gaat hier om een systeem van beperkte aftrekbaarheid, waarbij het gewone schijventarief wordt gesplitst in twee schijventarieven: een gereduceerd tarief (voor inkomen besteed aan kosten met beperkte aftrekbaarheid) en een aftrektarief.

Als A het inkomen is na aftrek van alle aftrekposten, inclusief die met beperkte aftrekbaarheid, en B het bedrag van de kosten met beperkte aftrekbaarheid, dan is de belasting de uitkomst van toepassing van het gewone schijventarief over het inkomensinterval [0,A] (zie toepassing van een schijventarief over een interval), vermeerderd met de uitkomst van toepassing van het gereduceerde schijventarief over het inkomensinterval [A,A+B]. Het eerste belastingbedrag is dat wat zou gelden bij volledige aftrekbaarheid.

Het verschil tussen het gewone en gereduceerde schijventarief is een schijventarief gegeven door het aftrektarief als functie van inkomen. De MvT spreekt over het aangepaste tarief (niet te verwarren met het bovengenoemde gereduceerde schijventarief). De belasting kan ook worden berekend als de uitkomst van het toepassen van het gewone schijventarief over het inkomensinterval [0,A+B], verminderd met de uitkomst van het toepassen van het aftrektarief over het inkomensinterval [A,A+B]. Het eerste is de belasting zonder aftrekpost, het tweede de belastingvermindering.

Het gereduceerde schijventarief ligt tussen het nultarief (dat zou corresponderen met normale aftrekbaarheid) en het gewone schijventarief (dat zou corresponderen met niet aftrekbaar zijn).

Nog weer een andere manier van berekenen: de belasting is het aftrektarief over een inkomen A plus het gereduceerde tarief over een inkomen A+B.[13]

Uitwerking[bewerken]

Het gereduceerde marginale tarief is nul in de 1e, 2e en 3e schijf. De extra belasting is dus het gereduceerde marginale tarief in de 4e schijf, berekend over het deel van inkomensinterval [A,A+B] dat in de 4e schijf valt. Als we het begininkomen van de 4e schijf C noemen dan is er alleen extra belasting als A+B groter is dan C, en wordt deze dan berekend over A+B verminderd met de grootste van de waarden A en C; anders gezegd: deze wordt dan berekend over A+B-C, maar over niet meer dan B.

De kosten met beperkte aftrekbaarheid zijn de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning. In 2014 is het gereduceerde marginale tarief in de 4e schijf 0,5%. De wetstechnische vormgeving (hier ingevuld voor 2014) is als volgt. Er wordt bepaald dat indien bij het bepalen van het belastbare inkomen in box 1 aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning in aftrek zijn gebracht, de belasting in box 1 het op de traditionele wijze berekende bedrag is, vermeerderd met 0,5% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen in box 1 en de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning, het begininkomen van de 4e schijf te boven gaat[14] (dit is het deel van inkomensinterval [0,A+B] dat in de 4e schijf valt), maar ten hoogste met 0,5% van de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning (dus ten hoogste met 0,5% van B).

Het aftrektarief / aangepast tarief is in de 1e, 2e en 3e schijf gelijk aan het gewone tarief. In de 4e schijf is het 52%, verminderd met het gereduceerde marginale tarief in de 4e schijf, dus het is 51,5% in 2014.

Terminologie, verzamelinkomen[bewerken]

Het "belastbare inkomen uit werk en woning" wordt door het beperken van de aftrekbaarheid niet hoger, dus het verzamelinkomen ook niet. Het inkomen waarover een gereduceerd belastingtarief verschuldigd is, namelijk het inkomen uitgegeven aan kosten met betrekking tot een eigen woning, telt daarbij dus niet mee. De "belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning" is echter niet alleen afhankelijk van het "belastbare inkomen uit werk en woning", maar ook van de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning. Men kan zelfs inkomstenbelasting verschuldigd zijn als het verzamelinkomen nul is.[15]

Loonbelasting[bewerken]

De Nederlandse loonbelasting wordt geheven over de volgende onderdelen van box 1:

De loonbelasting is in principe een voorheffing van de inkomstenbelasting, dat wil zeggen de betaalde loonbelasting komt geheel in mindering van de verschuldigde inkomstenbelasting, en als de betaalde loonbelasting meer is dan de in totaal verschuldigde inkomstenbelasting (op basis van de inkomsten in alle boxen) wordt het meerdere terugbetaald. Er gelden dan ook overeenkomstige schijventarieven. In bepaalde gevallen is de loonbelasting echter een zogenoemde eindheffing.

Middeling[bewerken]

Als in drie opeenvolgende kalenderjaren de IB/PVV in box 1 (zonder aftrek van heffingskortingen en op basis van de leeftijd bij aanvang van de periode van drie jaar[16]) samen meer is dan als het totale inkomen in deze box gelijk verdeeld zou zijn over de drie kalenderjaren, en het verschil is meer dan het drempelbedrag van € 545, dan kan men dit meerdere (de middelingsteruggaaf) terugkrijgen.

Als door de middeling bijvoorbeeld € 20.000 zou verhuizen van een schijf van 42% naar een schijf van 37% dan zou de IB/PVV € 1000 minder worden. Men krijgt dan € 1000 - € 545 = € 455 terug.

Doordat geen rekening gehouden wordt met heffingskortingen kan de middelingsregeling niet gebruikt worden om heffingskortingen meer te benutten. De heffingskortingen worden niet volledig benut als in een kalenderjaar de verschuldigde IB/PVV vóór toepassing van de heffingskortingen in totaal minder is dan het totaal aan heffingskortingen waar men in principe recht op heeft. Ook al is de IB/PVV na middeling wel meer in elk jaar, men krijgt dan toch niet meer heffingskorting: de verlaging van de heffingskorting wegens de regel "De gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing" wordt gehandhaafd ("gecombineerd" slaat hier op combinatie van IB en PVV, niet op combinatie van de drie jaren). Zie ook verschil, ten aanzien van middeling, met een tarief met een schijf van 0% en benutting algemene heffingskorting.

Verliesverrekening[bewerken]

Een verlies (doordat men bijvoorbeeld verlies uit een onderneming had, of weinig inkomen uit werk maar wel hypotheekrente-aftrek) kan niet verrekend worden met positief inkomen in een andere box, maar onder voorwaarden wel met een positief inkomen in box 1 van een ander jaar. Indien men in vorige jaren een negatief inkomen uit werk en woning had, mag men dit eerst verrekenen met een winst uit de afgelopen 3 jaar, waarbij het oudste jaar als eerste wordt verrekend. Indien dit niet mogelijk is, of als er niet genoeg winst is om mee te verrekenen, mag het verlies in de komende negen jaar gebruikt worden om een eventueel positief inkomen te compenseren.

Toekomst[bewerken]

Wijziging percentages schijventarief en verdere verlaging aftrektarief kosten eigen woning[bewerken]

Het Belastingplan 2014 bepaalt dat met ingang van 2015 het tarief van de eerste schijf verlaagd wordt met 0,29 %-punt, en met ingang van 2016 verhoogd wordt met 0,06 %-punt (en dan dus 0,23 %-punt lager is dan in 2013 en 2014).

De Wet maatregelen woningmarkt 2014 II regelt dat geleidelijk het gecombineerde tarief in de tweede schijf en het tarief in de derde schijf wordt verlaagd van 42% naar 38% in 2042, en wel vanaf 2018 achtereenvolgens negen keer met 0,05 %-punt per jaar, vijf keer met 0,1 %-punt per jaar, drie keer met 0,15 %-punt per jaar, vier keer met 0,2 %-punt per jaar, een keer met 0,3 %-punt, en drie keer met 0,5 %-punt per jaar. Ook het tarief van de vierde schijf wordt verlaagd, en wel zo dat dit tarief 10 %-punt hoger blijft dan het tarief in de tweede en derde schijf, totdat het 49,5% is in 2039, waarna uitsluitend het tarief in de tweede en derde schijf, zoals gezegd, drie keer met 0,5 %-punt per jaar daalt.[17]

Het aftrektarief kosten eigen woning, dat in 2014 51,5% bedraagt, daalt jaarlijks met 0,5 %-punt, maar wordt niet lager dan het tarief in de tweede en derde schijf. In 2037 is het 40%, net als het tarief in de tweede en derde schijf. Vervolgens blijft het daaraan gelijk, en daalt dus mee: een keer met 0,2 %-punt, een keer met 0,3 %-punt, en drie keer met 0,5 %-punt per jaar.

Het gereduceerde belastingtarief voor inkomen besteed aan kosten eigen woning is steeds het tarief in de vierde schijf, verminderd met het aftrektarief. In 2014 bedraagt het dus 0,5% (zie ook boven), het stijgt met 0,5 %-punt per jaar tot 2% in 2017, en vervolgens achtereenvolgens negen keer met 0,45 %-punt per jaar tot 6,05% in 2026, vijf keer met 0,4 %-punt per jaar tot 8,05% in 2031, drie keer met 0,35 %-punt per jaar tot 9,1% in 2034, drie keer met 0,3 %-punt per jaar tot 10% in 2037. Het blijft vervolgens twee keer gelijk, en vanaf 2040 stijgt het weer, en wel drie keer met 0,5 %-punt per jaar tot 11,5% in 2042.

Zoals altijd ligt het tarief van de tweede schijf voor AOW'ers steeds 17,9 %-punt lager dan de bovengenoemde percentages voor wie jonger is.

De wetstechnische vormgeving is als volgt. De Wet maatregelen woningmarkt 2014 II verlaagt met ingang van 1 januari van elk betreffend jaar de in art. 2.10, eerste lid, IB opgenomen percentages van het tarief in de tweede, derde en eventueel vierde schijf met het aangegeven aantal %-punt.

Artikel 10.2a IB (Jaarlijkse aanpassing correctie tarief aftrekbare kosten eigen woning) wordt alleen per 1 januari 2015 gewijzigd. Het bepaalt dat bij het begin van het kalenderjaar het in artikel 2.10, tweede lid vermelde percentage (het gereduceerde belastingtarief voor inkomen besteed aan kosten eigen woning) verhoogd wordt met 0,5%-punt en vervolgens verminderd of vermeerderd wordt met eenzelfde aantal procentpunten als het aantal procentpunten waarmee het tarief van de vierde schijf wordt verlaagd, respectievelijk verhoogd. Het wordt echter niet meer dan het verschil tussen het tarief van de vierde en dat van de derde schijf. Voor het geval het tarief van de vierde schijf met een andere wijzigingswet in enig jaar zou worden verlaagd tot onder het beoogde aftrektarief van dat jaar, wordt alvast bepaald dat het gereduceerde belastingtarief voor inkomen besteed aan kosten eigen woning dan niet negatief wordt maar nul, dus dat het aftrektarief dan extra verlaagd wordt, tot het nieuwe tarief van de vierde schijf.

Verlenging derde schijf[bewerken]

De Wet maatregelen woningmarkt 2014 II regelt dat de derde schijf vanaf 2015 jaarlijks wordt verlengd, met bedragen die dalen van € 540 in 2015 naar € 10 in 2037 en 2038, en vervolgens € 435 in 2039, € 490 in 2040, € 1830 in 2041, en verreweg de grootste verlenging met € 11.700 in 2042, waarbij de bovengrens van de derde schijf van € 68.481 naar € 80.181 gaat.

Bij het bovengenoemde alternatief (waarbij ook het percentage in de vierde schijf wordt verlaagd) gaat de verlenging van de derde schijf iets sneller, maar stopt deze als de bovengrens van de derde schijf in 2031 € 66.086 bedraagt.

Verdere afbouw algemene heffingskorting[bewerken]

Het Belastingplan 2014, gewijzigd naar aanleiding van de Begrotingsafspraken 2014 via de Tweede Nota van Wijziging, regelt onder meer een verdere afbouw van de algemene heffingskorting die materieel neerkomt op het volgende (soortgelijke effecten hebben de op- en afbouw van de arbeidskorting, maar omdat die geldt voor slechts een deel van de inkomsten in box 1 is de equivalentie met een ander schijventarief minder eenduidig):

  • In 2015 geschiedt de afbouw (behoudens inflatiecorrectie) nog steeds tot hetzelfde inkomen van € 56.531, niet tot de dan geldende bovengrens van de 3e schijf (die jaarlijks omhoog gaat, zie onder).
  • In 2016 wordt de afbouw 3%, dus het effectieve tarief in de 2e schijf en een groot deel van de 3e schijf stijgt van 44% naar 45%. Daarboven is er effectief een kleine schijf van 42%, en vervolgens de schijf van 52%.

Met betrekking tot inkomen waarover men zelf IAB betaalt (arbeidsinkomen van een zelfstandige, pensioen, lijfrente, partneralimentatie) zijn de AOW-min totaaltarieven, uitgaande van een tarief voor de lage IAB van 5,4%, en zonder rekening te houden met eventuele arbeidskorting, 42,4%, 49,4% (tweede/derde schijf tot de maximumgrondslag IAB), 44% (rest van de derde schijf) en 52%. Voor een AOW'er is dit ongeveer 25%, 33% (tweede schijf), 51% (derde schijf tot de maximumgrondslag IAB), 44% (rest van de derde schijf) en 52%.

Bij hogere inkomsten uit tegenwoordige arbeid is de marginale druk nog 4%-punt hoger door de afbouw van de arbeidskorting, maar uiteindelijk gaat deze weer omlaag naar 52% bij een inkomen van € 110.000 (als de arbeidskorting nul is). In veel gevallen is de marginale druk dus 48%, of met IAB erbij 53,4%.

De "rest van de derde schijf" is een langer inkomenstraject als er aftrekposten[18] zijn, doordat die niet meetellen voor de IAB. Bovendien wordt dit traject langer doordat geleidelijk de bovengrens van de derde schijf wordt verhoogd (zie onder).

Wlz en IAB[bewerken]

De AWBZ vervalt in 2015. In plaats van premie AWBZ wordt dan premie Wlz geheven. Deze zal lager zijn, ongeveer 10%. De overhevelingen naar de Zvw leiden tot een hogere IAB, maar deze stijging wordt geleidelijk doorgevoerd, over een reeks van jaren.[19]

Winstbox[bewerken]

Volgens het Regeerakkoord 2012 komt er een winstbox: een aparte box voor winst. Daarbij worden fiscale faciliteiten in versoberde vorm omgezet in een lager en meer proportioneel tarief voor ondernemers.

Commissie Van Dijkhuizen[bewerken]

De Commissie Van Dijkhuizen stelt voor de eerste drie schijven samen te voegen tot één schijf met een totaaltarief van 37%[20] en het tarief van de vierde (dan tweede) schijf te verlagen tot 49%, met de grens bij een inkomen van ongeveer € 62.500.

De Commissie Van Dijkhuizen stelt bovendien voor de AOW-premie geleidelijk door belasting te vervangen (versnelde fiscalisering).[21] De AOW-premie van 17,9% wordt vanaf 2014 in jaarlijkse stappen van 1 procentpunt in 18 stappen vervangen door een verhoging van de belasting. Als de eerste per 1 januari 2014 is dan is de laatste per 1 januari 2031 (volgens het rapport in 2032).

Het totaaltarief voor wie de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt (in 2013 in de huidige eerste schijf 37% en in de huidige tweede schijf 42%) wordt in 2014 37%, dus wordt (bij gelijkblijvende premies Anw en AWBZ, samen 13,25%) de belasting 6,85% (1 procentpunt meer dan in 2013 in de eerste schijf en 4% minder dan in 2013 in de tweede schijf) en de AOW-premie 16,9%. In 2015 wordt de belasting 7,85% en de AOW-premie 15,9%, enz. In 2031 wordt de belasting 23,75% en de AOW-premie nul. Het totaaltarief voor wie de AOW-leeftijd heeft bereikt (in 2013 in de huidige eerste schijf 19,1% en in de huidige tweede schijf 24,1%) wordt dus in 2014 20,1%[22], in 2015 21,1%, enz. In 2031 wordt het dan 37%, net als voor anderen.

Voor wat betreft het AOW-deel van het inkomen levert dit voor de AOW-gerechtigde in combinatie met de hogere algemene heffingskorting geen nadeel op door de netto-netto koppeling van de AOW-uitkering aan het minimumloon.

Het nadeel van fiscalisering van de AOW zou zonder verdere tariefwijzigingen voor iemand die de AOW-leeftijd heeft bereikt zijn 17,9% van maximaal ongeveer € 33.000 min € 13.000, is ongeveer € 3600 per jaar. Als wordt meegerekend dat het tarief van de huidige tweede schijf 37% wordt is het nadeel maximaal ongeveer € 2900 (maar tegenover die "verlaging" van het tarief staat in het voorstel wel verhoging van de btw, enz.).

De fiscalisering komt materieel neer op onder meer een (extra) "korting" op de aanvullende pensioenen en lijfrenten van (voor zover binnen de huidige eerste schijf) 17,9 procentpunt op 75,9% (100% min 19,1% totaalpremie en 5% IAB), is 24%.

Daarnaast betekent het het afschaffen van het fiscale voordeel van werken na de AOW-leeftijd.

Daar staat tegenover dat fiscalisering het voordeel van hypotheekrenteaftrek (voor zover men daar op deze leeftijd nog aanspraak op kan maken gezien de maximumtermijn van 30 jaar) groter wordt.

Per saldo levert het een koopkrachtdaling op tot 12% (dit maximum treedt op bij een inkomen van € 33.000, de bovengrens van de huidige tweede schijf)[23]; zie ook [18].

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Het belastbare inkomen in deze box wordt behandeld in hoofdstuk 3, het tarief in de artikelen 2.10 en 2.10a van de wet. Voor buitenlands belastingplichtigen vindt men de regels in hoofdstuk 7.
  2. Zie ook gecombineerde effecten van belastbare inkomsten uit eigen woning
  3. Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 10
  4. Regeling vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen, volksverzekeringen en opslag kinderopvang 2012 en Regeling vaststelling premiepercentage AWBZ 2012; de 17,9 % voor de AOW is constant sinds 1999, zie financiering van de AOW.
  5. http://www.watvindtnederlandervan.nl/index.php?fPID=Nieuws&fID=100
  6. http://www.plusonline.nl/mensenenmeningen/nieuws/nieuws/462/bos-belasting-goedgekeurd-
  7. De grens van 1 januari 1946 verschuift niet per jaar, want dit is een overgangsmaatregel. Bij invoering was de bedoeling dat de maatregel maximaal 950 euro per belastingplichtige zou opleveren in 2030. Voor het tarief inclusief premies volksverzekeringen moeten er dus vanaf 2011 drie gevallen onderscheiden worden.
  8. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-164898.html
  9. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-189757.html
  10. http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/belastingtarieven/documenten-en-publicaties/circulaires/2011/12/21/eindejaarsbericht-wijzigingen-in-de-belastingheffing-2012.html
  11. http://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/inkomstenbelasting/aftrekposten_boxen_en_tarieven/boxen_en_tarieven/overzicht_tarieven_en_schijven/u_hebt_voor_2014_de_aow_leeftijd_bereikt
  12. Een alternatieve uitwerking van de aftrek tegen een lager tarief had kunnen gebeuren met vervanging van de aftrekpost in box 1 door een heffingskorting (dit is voorgesteld door de Commissie Van Dijkhuizen). Zonder nadere bepalingen verhoogt dit echter ook het verzamelinkomen van iedereen voor wie hypotheekrenteaftrek van toepassing was (ook wie niet in de 4e schijf valt). Dit kan van belang zijn bij inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen en eigen bijdragen. Door deze onbedoelde effecten (en de ingewikkeldheid van eventuele compenserende maatregelen) heeft de regering hier niet voor gekozen. Zie hoofdstuk 4 van [1]
  13. Dit is in zekere zin het eenvoudigst, omdat gewoon twee keer een schijventarief op een inkomen wordt toegepast (al zijn het wel twee verschillende schijventarieven; het algemenere, het toepassen van een schijventarief over een inkomensinterval, is niet nodig), en de resultaten worden opgeteld. Het kan echter vreemd overkomen dat "twee keer belasting moet worden betaald" over inkomen A.
  14. Met "het bedrag dat A B te boven gaat" wordt bedoeld (enkele gelijkwaardige formuleringen):
    • A - B, maar niet minder dan 0
    • als A < B dan 0 anders A - B
    • max ( 0, A - B )
    • max ( A, B ) - B
  15. In 2014 is dit door het lage tarief van 0,5% nog alleen mogelijk in extreme gevallen, bijvoorbeeld bij een inkomen van € 500.000 dat geheel besteed wordt aan rente eigenwoningschuld. Het "additionele belastingbedrag als gevolg van de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning" is dan hoger dan de algemene heffingskorting.
  16. Als men in de periode van drie kalenderjaren de AOW-leeftijd bereikt, en niet in de eerste maand, dan betreft dit dus een fictief bedrag aan IB/PVV. Zie [2] en [3].
  17. Zie het aangenomen amendement
  18. a b Als deze aftrek hypotheekrenteaftrek is dan is de marginale druk op het verlengde deel van dit traject hoger dan 45%, bijvoorbeeld 45,5% in 2014: bij een gegeven aftrekbaar rentebedrag moet bij een toename van het inkomen met € 100 zonder met de aftrek rekening te houden op dit traject € 52 extra belasting worden betaald en er is € 3 minder algemene heffingskorting, waar tegenover staat dat over € 100 van de rente het belastingvoordeel € 51,50 bedraagt in plaats van € 42, dus de extra belasting wegens het extra inkomen is € 45,50.
  19. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/03/04/kamerbrief-over-premiegevolgen-overhevelingen-zvw-en-awbz.html
  20. Hoewel dit één schijf wordt genoemd bestaat deze blijkbaar ook nadat de AOW volledig is gefiscaliseerd uit een eerste deel met belasting en Anw- en AWBZ-premie, en een tweede deel met alleen belasting.
  21. Ook wel geformuleerd als opheffing van de vrijstelling van betaling van AOW-premie voor wie de AOW-leeftijd heeft bereikt, wat materieel op hetzelfde neerkomt.
  22. Een en ander volgt mede uit de volgende tekst van het rapport: Ouderen met een aanvullend pensioen hebben in de periode tot 2017 slechts beperkt last van de fiscalisering omdat de verlaging van het belastingtarief van vijf procentpunt in de huidige tweede schijf groter is dan de tariefverhoging als gevolg van de fiscalisering, die uitkomt op vier procentpunt. Het resulterende belastingtarief komt hierdoor voor inkomens in de huidige tweede belastingschijf in 2017 lager uit dan het tarief in 2013. Figuur 4.2.2 van het rapport wijkt hier echter vanaf. Hier lijkt te zijn aangegeven dat het totaaltarief voor ouderen in 2014 in de huidige tweede schijf gelijk is aan dat van 2013.
  23. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/07/rapport-studiecommissie-belastingstelsel.html, figuur 5.10