Algemene heffingskorting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De algemene heffingskorting is een heffingskorting in de Wet inkomstenbelasting 2001 van Nederland (art. 8.10) waar iedere belastingbetaler recht op heeft.

De algemene heffingskorting bedraagt:

leeftijd 2013 2014
Jonger dan de AOW-leeftijd € 2001 € 1366 tot € 2103
Vanaf de AOW-leeftijd € 1034 € 704 tot € 1084

In het jaar waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt geldt een tijdsevenredige berekening.

De artikelen 10.1 en 10.2 IB regelen de inflatiecorrectie via de tabelcorrectiefactor.

Inkomensafhankelijkheid[bewerken]

Het Belastingplan 2014, gewijzigd naar aanleiding van de Begrotingsafspraken 2014 via de Tweede Nota van Wijziging, regelt onder meer de afbouw, naar inkomen in box 1, van de algemene heffingskorting: de algemene heffingskorting bedraagt € 2103, verminderd met 2% van het gedeelte van het inkomen in box 1 dat meer bedraagt dan € 19.645, met dien verstande dat de vermindering ten hoogste € 737 bedraagt. De algemene heffingskorting bedraagt dan dus € 1366. Dit minimum wordt bereikt na een inkomenstraject van € 36.850, dus bij een inkomen van € 56.495 (ongeveer de bovengrens van de 3e schijf). Indirect wordt zo het totaaltarief in de 2e en 3e schijf 42% + 2% = 44%.[1]

Voor 2015 komt het voorgestelde afbouwpercentage op 2,32% en voor 2016 op 3,32%.

Voor AOW'ers bedraagt de maximale heffingskorting de gebruikelijke fractie van die voor AOW-minners.

Geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting voor kostwinners[bewerken]

Vóór 2009 kon aan iemand die onvoldoende verdiende om de algemene heffingskorting af te trekken van de te betalen belasting, deze volledig worden uitbetaald, indien deze persoon een fiscale partner had, en voor zover de belasting van de twee samen niet negatief werd (dit werd ook wel "aanrechtsubsidie" genoemd). Voor minstverdieners geboren na 1971 wordt deze regeling in de loop van 15 jaar, sinds 2009, geleidelijk afgeschaft ("versobering uitbetaling algemene heffingskorting", "afbouw dubbele heffingskorting voor kostwinners") met 6 2/3 procentpunt per jaar; dus in 2013 66 2/3 %, in 2014 60%). In 2014 wordt voor deze betrokkenen voor de bepaling van een negatieve belastingaanslag de algemene heffingskorting van € 2103 dan ook nog slechts voor € 1262 meegerekend.[2] Hierdoor is er bij gaan werken een toename van de heffingskorting die niet slechts bestaat uit de arbeidskorting, maar ook uit een aanvulling tot het volle bedrag van de algemene heffingskorting. Dit beoogt de nietverdienende partner te stimuleren om te gaan werken.

Met wijzigingen van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 per 1 januari 2012, 2013 en 2014 werd bewerkstelligd dat een uitzondering voor de minstverdienende partner met jonge kinderen en een uitzondering voor de minstverdienende partner geboren in de periode 1963 - 1971 werden afgeschaft door het in aanmerking te nemen percentage van de algemene heffingskorting in drie stappen van elk 13 1/3%-punt te verlagen van 100% naar 60%, het percentage dat in 2014 ook voor de overige gevallen geldt. Vanaf 2014 geldt alleen nog voor de minstverdienende partner geboren vóór 1963 een uitzondering.

Recente veranderingen[bewerken]

2011[bewerken]

De algemene heffingskorting was per 1-1-2011 € 1987.

2012[bewerken]

  • Belastingplan 2011: De algemene heffingskorting wordt per 1-1-2012 verlaagd met € 13 tot € 1974.
  • De tabelcorrectiefactor 2012 is 1,017, dus de algemene heffingskorting werd per 1-1-2012 verhoogd met 1,7%, van € 1974 naar € 2008.
  • Belastingplan 2012:
    • De algemene heffingskorting wordt per 1-1-2012 verhoogd met € 25 (als onderdeel van het pakket wijzigingen kindregelingen verlaagd met € 20, en in het kader van het koopkrachtpakket verhoogd met € 45).
    • De algemene heffingskorting wordt per 1-1-2013 verhoogd met € 3.
    • De algemene heffingskorting wordt per 1-1-2014 verlaagd met € 39.

De algemene heffingskorting werd per 1-1-2012 dus € 2008 + € 25 = € 2033.

2013[bewerken]

Art. 10.1 (toepassing tabelcorrectiefactor) vond geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2013.

De algemene heffingskorting werd per 1-1-2013 dus € 2033 + € 3 - € 35 = € 2001.

2014[bewerken]

De algemene heffingskorting werd per 1-1-2014 op grond van het bovengenoemde € 2001 - € 39 = € 1962.

Belastingplan 2014:

  • Per 1-1-2014:
    • "De algemene heffingskorting bedraagt € 1.962" wordt vervangen door "De algemene heffingskorting bedraagt € 2.103, verminderd met 2% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat meer bedraagt dan € 19.645, met dien verstande dat de vermindering ten hoogste € 737 bedraagt".
    • Art. 10.1 (toepassing tabelcorrectiefactor) vindt geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2014.
  • Per 1-1-2015:
    • Het als eerste genoemde bedrag wordt verhoogd met € 80.
  • Per 1-1-2016:
    • Het als eerste genoemde bedrag wordt verhoogd met € 14, het als derde genoemde bedrag wordt vervangen door € 1.106, en 2% wordt vervangen door 3%.
  • Per 1-1-2017:
    • Het als eerste genoemde bedrag wordt verlaagd met € 39.

2015[bewerken]

De tabelcorrectiefactor 2015 is 1,009[3], dus de bedragen worden per 1-1-2015 verhoogd met 0,9%.

Belastingplan 2015 (aanhangig):

  • "2%" wordt "2,32%", het als derde genoemde bedrag wordt vervangen door € 861. De wijziging wordt toegepast na de verhogingen met 0,9%, waarmee het wordt: "De algemene heffingskorting bedraagt € 2.203, verminderd met 2,32% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat meer bedraagt dan € 19.822, met dien verstande dat de vermindering ten hoogste € 861 bedraagt".
  • Per 1-1-2016: "2,32%" wordt "3,32%"

Benutting algemene heffingskorting[bewerken]

De algemene heffingskorting wordt volledig benut (als er geen inkomen in box 2 en 3 is) bij een inkomen in box 1 van € 5408 (tarief 2013). Behoudens een klein afrondingsverschil geldt dit zowel voor AOW-min als voor de AOW'er: 37% van € 5408 is € 2001, 19,1% van € 5413 is € 1034.

Als iemand (AOW-min) alleen inkomen heeft in box 3 wordt de algemene heffingskorting volledig benut bij een fictief vermogensrendement van € 6670, dit is bij een vermogen van € 166.500 + € 21.139 = € 187.639 .

Doordat bij de middelingsregeling geen rekening gehouden wordt met heffingskortingen kan deze niet gebruikt worden om bij het in eerste instantie niet of onvolledig benutten van de heffingskortingen deze alsnog of meer te benutten, zie verschil, ten aanzien van middeling, met een tarief met een schijf van 0%.

Voor de benutting van de algemene heffingskorting in een periode van werkloosheid zonder uitkering (zoals na afloop van de WW, bij een te groot vermogen om WWB te krijgen), in een periode van vrijwillig niet werken, of tijdens het AOW-gat tussen de 65-jarige leeftijd en de AOW-leeftijd, is het opnemen van levenslooptegoed een mogelijkheid. Tijdens het AOW-gat zijn pensioen (oorspronkelijk bedoeld als aanvulling op de AOW) en lijfrente mogelijkheden.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. De Commissie Van Dijkhuizen had voorgesteld de inkomensafhankelijkheid van de algemene heffingskorting te heroverwegen, omdat deze overeenkomt met een aanpassing van het schijventarief, en het stelsel onnodig ingewikkelder maakt.
  2. Wet van 20 december 2007, houdende wijzigingen van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008), resulterend in de nieuwe versie van art. 8.9 en voor toekomstige jaren artikel 10.6a van de Wet inkomstenbelasting 2001.
  3. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-381209.pdf