Wet werk en bijstand
De Wet werk en bijstand (WWB) is de wet die in Nederland de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en bijstand regelt voor mensen die weinig of geen ander inkomen hebben en ook weinig of geen vermogen.
Inhoud |
[bewerken] Inleiding
De volledige naam van de wet luidt: Wet van 9 oktober 2003, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten.
Doel van de WWB is ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten. Werk gaat voor inkomen: oogmerk is om mensen op de kortste weg naar betaald werk te kunnen zetten; daartoe moet men ingeschreven staan bij het UWV. De gemeenten vervullen ook een grote rol. Tegenover minder regels van het rijk en meer eigen autonomie staan een eigen financiële verantwoordelijkheid en het belang van het beperken van de instroom en het bevorderen van de uitstroom.
In de WWB zijn de oude Algemene bijstandswet, de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (Wfa), de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) en het Besluit in- en doorstroombanen geïntegreerd (niet de IOAW en IOAZ zelf).
In 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) ingevoerd. Jongeren van 18 tot 27 jaar die een bijstandsuitkering aanvragen, moeten van de gemeente een aanbod krijgen voor werk, scholing, of een combinatie van beide.
[bewerken] Geschiedenis
Nederland kende sinds 1963 de Algemene Bijstandswet (ABW). Op 1 januari 1996 is deze vervangen door de Algemene bijstandswet (met een kleine b), voluit Wet van 12 april 1995, houdende herinrichting van de Algemene Bijstandswet. De Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet bepaalde dat de Algemene Bijstandswet (met een grote B) werd ingetrokken. In de acht jaar dat de nieuwe wet van kracht is geweest is deze 61 keer gewijzigd. Op 1 januari 2004 is deze wet vervangen door de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375).
[bewerken] Bevoegdheid
Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand, en voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling.
De gemeenteraad dient in elk geval de volgende verordeningen vast te stellen:
- een re-integratieverordening;
- een toeslagenverordening;
- een maatregelverordening;
- een fraudeverordening;
- een verordening cliëntenparticipatie
[bewerken] Terugvordering en verhaal
Indien na verlening van de bijstand blijkt dat deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, en meestal ook verplicht, het te veel betaalde terug te vorderen. Dat kan van de betrokkene zelf. Indien er te veel is betaald omdat geen rekening was gehouden met een partner, dan kan ook van die partner worden teruggevorderd.
Naast terugvordering kan er ook sprake zijn van verhaal van kosten. Het college is verplicht om de kosten te verhalen op degene die onderhoudsplichtig is voor de persoon die bijstand ontvangt. In de praktijk gaat het daarbij om de ouders, (ex-)echtgenoot of (ex-)partner [2].
Het loont om een ontstane vordering in het huidig dienstjaar terug te betalen. Als een vordering 'over het jaar heen wordt getild', dan wordt het restbedrag eenmalig gebruteerd. De afgedragen loonbelasting aan de fiscus wordt dan verrekend aan de klant. Zo kan een vordering met gemak 30 tot 40% hoger worden.
[bewerken] Financiering
Gemeenten krijgen van de rijksoverheid twee budgetten: een inkomensdeel en een werkdeel. Uit het inkomensdeel moeten de uitkeringen worden betaald. Uit het werkdeel moeten de re-integratie-activiteiten worden betaald. Het werkdeel valt vanaf 2009 onder het zogenoemde participatiebudget. De budgetten worden jaarlijks in september definitief vastgesteld.
Gemeenten dienen zelf eventuele tekorten op die budgetten aan te vullen. Daar staat tegenover dat overschotten op het inkomensdeel in de gemeentekas vloeien. Het is dus zaak voor gemeenten om zo weinig mogelijk instroom in de bijstand te hebben, en zo veel mogelijk uitstroom.
Als het werkdeel niet volledig of onrechtmatig wordt besteed vordert het ministerie het niet - of onrechtmatig bestede deel van de gemeente terug.
[bewerken] Recht op bijstand
Artikel 11 lid 1 WWB bepaalt: Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Deze bepaling vormt het sluitstuk van het stelsel van sociale zekerheid: bijstand is het laatste vangnet.
Geen recht op bijstand heeft degene:
- aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen (zoals criminelen);
- gehuwd en ongehuwd samenwonenden met een gezamenlijk inkomen hoger dan de bijstandsnorm
- die zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;
- die wegens werkonderbreking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid;
- die langer dan vier weken in het buitenland verblijft;
- die jonger is dan 18 jaar (personen van 18 tot 27 jaar vallen per 1 oktober 2009 onder de Wet Investeren in Jongeren (WIJ)).
[bewerken] Referentieminimumloon
Het referentieminimumloon is het bedrag dat twee partners samen netto zouden ontvangen als één van beiden bruto een bedrag aan uitkering zou krijgen gelijk aan het bruto minimumloon incl. vakantietoeslag, en zijn/haar partner zijn/haar eigen algemene heffingskorting uitbetaald zou krijgen. Het bedraagt per 1 juli 2011 € 1319,85 per maand, d.i. € 15.838 per jaar.
Dit moet niet verward worden met het netto loon van iemand die werkt voor het minimumloon, of wat beiden samen netto zouden ontvangen als dit voor een van beiden zou gelden, want iemand die werkt krijgt arbeidskorting, terwijl ook de heffingskorting(en) zouden afwijken: in het eerste geval zou die eenmaal ontvangen worden, in het tweede geval een aantal maal dat tussen 1 en 2 ligt wegens de afbouw van de dubbele heffingskorting voor kostwinners.
Aangenomen is de Geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon tot een keer de algemene heffingskorting met uitzondering van het referentieminimumloon voor de Algemene Ouderdomswet: hierbij wordt ook de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon afgebouwd, in 40 halfjaarlijkse stappen van elk 2,5% van de volledige algemene heffingskorting, voor het eerst per 1 januari 2012, en dus voor het laatst per 1 juli 2031. Hiermee wordt voorkomen dat over een aantal jaren twee partners samen financieel beter af zouden zijn met bijstand dan wanneer één voltijds tegen het minimumloon werkt, of dat recht zou ontstaan op aanvullende bijstand als van twee partners één voltijds tegen het minimumloon werkt, en de ander wel wil werken maar geen werk kan vinden.[1]
Uiteindelijk is het referentieminimumloon dus het bedrag dat iemand netto zou ontvangen als hij bruto een bedrag aan uitkering zou krijgen gelijk aan het minimumloon incl. vakantietoeslag, op basis van het minimumloon van 1 juli 2011 en de tarieven van 2011 is dit € 1154,25 per maand, d.i. € 13.851 per jaar. Dit is € 165,60 per maand (€ 1987 per jaar) minder dan het huidige referentieminimumloon (dit verschil is het bedrag van de algemene heffingskorting). Door het ontbreken van arbeidskorting is het uiteindelijke referentieminimumloon minder dan het individuele netto minimumloon.
De verlagingen werken door in alle WWB-uitkeringen (zie onder), maar ook in de Anw, IOAW, IOAZ en TW.
[bewerken] Inkomen
Onder inkomen wordt verstaan inkomsten uit of in verband met arbeid, uit vermogen, uit (onder)verhuur, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud (alimentatie) en voorlopige teruggaven van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor zover deze inkomsten betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Algemene bijstand vult het eigen inkomen aan tot maximaal de toepasselijke bijstandsnorm. Deze is voor personen van 21 tot 65 jaar netto 50% van het referentieminimumloon. Dit is netto € 659,93 per maand (€ 7919 per jaar); hiervan wordt 5% gereserveerd om jaarlijks 60% van het maandbedrag uit te betalen als vakantietoeslag. Een alleenstaande die de (woon)kosten niet met anderen kan delen krijgt een toeslag tot netto 20% van het referentieminimumloon, dus € 263,97 per maand (in totaal € 923,90 per maand, d.i. € 11.087 per jaar); voor een alleenstaande ouder en voor een oudere gelden hogere bedragen, voor een jongere lagere [3]. De aanhangige verlagingen van het referentieminimumloon werken dus door in alle uitkeringen; 70% van het uiteindelijke bedrag is, verder op basis van het minimumloon van 1 juli 2011 en de tarieven van 2011, € 807,98 per maand, d.i. € 9696 per jaar. Dit is € 115,92 per maand (€ 1391 per jaar) minder dan 70% van het huidige referentieminimumloon (dit verschil is 70% van de algemene heffingskorting).
Bij gehuwden en ongehuwd samenwonenden is er pas recht op bijstand als de gezamenlijke inkomsten minder zijn dan de gezamenlijke bijstandsnorm. Wanneer bijvoorbeeld één van beide partners al een inkomen heeft van tenminste het wettelijk minimumloon, is er geen recht op bijstand voor de andere partner.
[bewerken] Vermogen
Er is een vermogenstoets: er is geen recht op bijstand indien het vermogen (bezittingen min schulden) meer bedraagt dan:
- voor een alleenstaande: € 5.685,-
- voor een alleenstaande ouder en gehuwden: € 11.370
(bedragen per 1 januari 2012)
Van de overwaarde van het eigen huis wordt maximaal € 48.000 buiten beschouwing gelaten. Als deze waarde meer is dan kan de gemeente een krediethypotheek afsluiten.
Als iemand na opmaken van het niet-vrijgelaten vermogen bijstand wenst wordt bezien of hij zijn vermogen niet te snel heeft opgemaakt. Er kan dan geconcludeerd worden dat hij onvoldoende besef van verantwoordelijkheid heeft betoond in de voorziening in het bestaan.
[bewerken] Overige wijzigingen
Aangenomen is de Wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden: deels per 1 januari 2012 en deels per 1 juli 2012 wordt de WWB op een groot aantal punten gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen zijn:[2]
- Bijstand voor inwonenden verdwijnt. Er komt een toets op het huishoudinkomen en vermogen. Alle gezinsleden (inclusief inwonende kinderen) moeten samen bijstand aanvragen;
- Een groter deel van het inkomen uit studiefinanciering wordt gekort op de uitkering;
- In ruil voor het recht op bijstand komt een wettelijke verplichting tot ‘tegenprestatie naar vermogen’ die de gemeente kan opleggen. Gemeenten mogen van uitkeringsgerechtigden dus verlangen dat er een aantal uur per week gewerkt wordt als tegenprestatie voor de bijstand;
- Het meewerken aan huisbezoeken wordt een verplichting. Niet meewerken leidt hoe dan ook tot afwijzing of beëindiging van de uitkering;
- De Wet investeren in jongeren verdwijnt. Jongeren tot 27 jaar die zich melden voor bijstand moeten vervolgens zelf 4 weken naar een baan zoeken (aantoonbaar) en kijken of ze regulier onderwijs kunnen volgen. Pas na die 4 weken kan een aanvraag WWB ingediend worden;
- De wWIK verdwijnt. Kunstenaars die (nog) niet in staat zijn zelf in de kosten van het bestaan te voorzien kunnen een beroep doen op de WWB;
- De vrijstelling van de verplichting om werk te zoeken voor alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar oud verdwijnt;
- De inkomensvrijlating voor het werken in deeltijd voor alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar oud wordt verruimd;
- Loondispensatie voor mensen die (nog) niet volledig kunnen werken, bijvoorbeeld door een handicap. De werkgever betaalt enkel het salaris voor het deel dat iemand werkelijk kan werken. De overheid vult aan tot een inkomen op het niveau van het minimumloon;
- De tijd die iemand met behoud van bijstand met vakantie mag naar het buitenland wordt voor iedereen ingekort tot 4 weken;
- Er komt een wettelijke inkomensgrens voor gemeentelijk minimabeleid van 110% van de bijstandsnorm;
- Gemeenten moeten de categoriale bijzondere bijstand voor gezinnen met schoolgaande kinderen in een verordening vastleggen;
- Terugvordering van fraudeschulden wordt (opnieuw) een plicht voor de gemeente (vermoedelijk pas per 1 juli 2012);
- Recidiverende fraudeurs worden voor 3 maanden uitgesloten van het recht op bijstand (vermoedelijk pas per 1 juli 2012).
Het streven van de regering is om het wetsvoorstel 'aanscherpen frauderegime' per 1 juli 2012 in te voeren.
Per 1 januari 2013 zal naar alle waarschijnlijkheid een nieuwe wet, de Wet werken naar vermogen (WWNV), de WWB, de Wajong en de WSW vervangen. Gemeenten krijgen één ontschot re-integratiebudget (de gemeente krijgt een totaalbedrag, zonder voorschrift welk deel daarvan voor elke categorie mag worden uitgegeven).
[bewerken] Algemene bijstand
Algemene bijstand is een uitkering voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Tot algemeen noodzakelijke kosten worden niet gerekend:
- de voldoening van alimentatieverplichtingen;
- de betaling van een boete;
- geleden of toegebrachte schade;
- vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering;
- kosten van medische behandeling die als ontwikkelingsgeneeskunde zijn aan te merken, of kosten die in het buitenland worden gemaakt.
[bewerken] Bijzondere bijstand
Bijzondere bijstand is een uitkering voor uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan die niet uit het inkomen of vermogen kunnen worden voldaan.
[bewerken] Langdurigheidstoeslag
Op grond van artikel 36 van de WWB verlenen gemeenten op aanvraag een zogenaamde langdurigheidstoeslag. De langdurigheidstoeslag is een tegemoetkoming voor personen van 21 tot 65 jaar die langere tijd van een minimuminkomen hebben moeten leven, geen of weinig eigen vermogen hebben en ook geen uitzicht hebben op betaald werk. De gemeente stelt zelf het beleid en de uitvoering ervan vast. In een gemeentelijke verordening is vastgelegd hoe hoog de langdurigheidstoeslag is en wanneer er sprake is van een langdurig laag inkomen.
[bewerken] Algemeen geaccepteerde arbeid
Onder de WWB is de cliënt verplicht om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Dit is een verzwaring ten opzichte van de Abw waarin nog werd gesproken van passende arbeid.
[bewerken] Zelfstandig ondernemerschap
In 2004 is het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) opgesteld met als doel het verschaffen van financiële steun aan mensen in de bijstand, die zelfstandig ondernemer willen worden. Voordat de Bbz. bestond werden bijstandsgerechtigden die zelfstandig ondernemer wilden worden, geholpen met micro-kredieten.
Er kan een renteloze lening worden verstrekt van maximaal € 2534,00 en deze wordt alleen rentedragend wanneer de betrokkene daadwerkelijk zijn bedrijf start. Wanneer zijn bedrijf echter niet levensvatbaar wordt, wordt dit bedrag omgezet in een schenking.
Daarnaast bestaat er nog de mogelijkheid tot het aanvragen van een rentedragend krediet van maximaal € 30.668,00 tegen een rentepercentage van 4,5% en een looptijd van 10 jaren.
Ten derde kan er nog aanspraak worden gemaakt op een uitkering inzake levensonderhoud als aanvulling op het eigen (gezins)inkomen (tot het bedrag, wat men anders ook als bijstandsinkomen had gehad), gedurende maximaal 36 maanden (3 jaren), nadat men van start is gegaan als ondernemer. Men houdt dan zolang een bijstandsuitkering als aanvulling op het inkomen als zelfstandige. Deze bijstandsuitkering wordt dan verstrekt als een lening en moet alleen worden terugbetaald als het bedrijf echt succesvol is. Dit is niet het geval als de onderneming binnen die 3 jaren wordt gestaakt.
De gemeente (sociale dienst) is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Bbz., maar schakelt vaak de onafhankelijke advies- en begeleidingsorganisatie IMK Intermediair (Instituut Midden- en Kleinbedrijf) in om de cliënten te begeleiden die zelfstandig ondernemer willen worden.
Cliënten zijn tijdens dit traject vrijgesteld van hun sollicitatieplicht en hoeven niet langer ingeschreven te staan bij het UWV WERKbedrijf.
[bewerken] Rechtsbescherming
Tegen beslissingen over het (niet) verlenen van bijstand en beslissingen over terugvordering kan betrokkene een bezwaarschrift indienen. Op die procedure is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat impliceert dat tegen de beslissing op bezwaar desgewenst beroep kan worden ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank en eventueel hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. In spoedgevallen kan ook een voorlopige voorziening gevraagd worden bij de voorzieningenrechter van de rechtbank.
[bewerken] Zie ook
Noten
Externe links
|