Wet werk en bijstand

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Wet werk en bijstand (WWB) is de wet die in Nederland de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en bijstand regelt voor mensen die weinig of geen ander inkomen hebben en ook weinig of geen vermogen.

Inhoud

Inleiding [bewerken]

De volledige naam van de wet luidt: Wet van 9 oktober 2003, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten.

Doel van de WWB is ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten. Werk gaat voor inkomen: oogmerk is om mensen op de kortste weg naar betaald werk te kunnen zetten; daartoe moet men ingeschreven staan bij het UWV. De gemeenten voeren de wet uit en bepalen, binnen de wettelijke grenzen, hun eigen beleid. Tegenover minder regels van het rijk en meer eigen autonomie staan (sinds 2004) een financiële verantwoordelijkheid voor de gemeenten, daarom is het voor hen van belang de instroom te beperken en de uitstroom te bevorderen.

In de WWB zijn de oude Algemene bijstandswet, de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (Wfa), de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) en het Besluit in- en doorstroombanen geïntegreerd (niet de IOAW en IOAZ zelf).

In 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) ingevoerd. Jongeren van 18 tot 27 jaar die een bijstandsuitkering aanvragen, moesten van de gemeente een aanbod krijgen voor werk, scholing, of een combinatie van beide. De wet is per 1 januari 2012 ingetrokken.

Geschiedenis [bewerken]

Nederland kende sinds 1963 de Algemene Bijstandswet (ABW). Op 1 januari 1996 is deze vervangen door de Algemene bijstandswet (met een kleine b), voluit Wet van 12 april 1995, houdende herinrichting van de Algemene Bijstandswet. De Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet bepaalde dat de Algemene Bijstandswet (met een grote B) werd ingetrokken. In de acht jaar dat de nieuwe wet van kracht is geweest is deze 61 keer gewijzigd. Op 1 januari 2004 is deze wet vervangen door de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375).

Huishoudinkomenstoets [bewerken]

De huishoudinkomenstoets was een per 1 januari 2012 ingevoerde aanscherping van de gezinsbijstand voor nieuwe gevallen die per 1 juli 2012 ook zou worden ingevoerd voor oude gevallen. De regels vloeiden voort uit het regeerakkoord VVD-CDA van 2010 van het Kabinet-Rutte I, waaarin stond "In de WWB wordt de bijstand voor inwonenden afgeschaft en wordt de toets op het partnerinkomen vervangen door een toets op het huishoudinkomen." Voorgestemd hebben VVD, CDA, PVV en SGP. Wat betreft de naam versus de inhoud: er was ook een toets op het huishoudvermogen; beide golden alleen voor eerstegraads bloed- en aanverwanten.

Wegens verandering van de politieke coalitie (VVD en CDA niet meer samen met PVV maar met D66, GroenLinks en ChristenUnie) en overeenkomstig een onderdeel van een veel meer omvattend Begrotingsakkoord 2013 is met algemene stemmen aangenomen in de Tweede Kamer en als hamerstuk afgedaan in de Eerste Kamer de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met de herziening van de definities van gezin en middelen (Wet afschaffing huishoudinkomenstoets), die de huishoudinkomenstoets met terugwerkende kracht per 1 januari 2012 deed vervallen.

Naast gehuwden golden als gezin onder meer de volgende groepen volwassenen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden[1]:

  • gehuwden met hun meerderjarige kinderen
  • een alleenstaande met een of meer meerderjarige kinderen

Er werd getoetst op het inkomen en het vermogen van de hele groep samen. Het totale norminkomen en vrijgelaten vermogen voor drie of meer personen was gelijk aan die voor twee personen. Als bijvoorbeeld iemand met een voltijdse baan nog bij zijn ouders woonde kregen die geen bijstand, en als iemands bejaarde ouders bij hem inwoonden kreeg hij in het algemeen geen bijstand omdat die ouders AOW kregen.

Het gezin (in deze ruime zin van het woord) vormde daarbij een zelfstandig subject van bijstand, de gezinsleden moesten gezamenlijk een aanvraag doen. De regering lichtte toe dat bijstand voor het individu binnen deze leefsituatie daarmee de facto werd afgeschaft.

De bijstandsuitkering werd in gelijke delen aan ieder van de meerderjarige gezinsleden uitbetaald (onafhankelijk van wie andere inkomsten had) tenzij ze gezamenlijk om een andere wijze van uitbetaling vroegen. Als één van de gezinsleden zijn verplichtingen niet nakwam kon de gezinsbijstand worden gekort, wat ook voor de andere gezinsleden nadelig kon zijn.

Anders dan het vrijwillig opgeven van inkomsten door ontslag te nemen waren gedragsreacties toegestaan, zoals het verbreken van familiaire samenlevingsverbanden (verhuizen) ter voorkoming van het moeten delen met anderen van loon, AOW-uitkering en aanvullend pensioen, bijstand of een andere uitkering, en/of de situatie dat iemand moest interen op zijn vermogen, niet alleen ten behoeve van het levensonderhoud van zichzelf maar ook dat van anderen. Dit vergde niet altijd extra woonruimte en bijbehorende kosten: door het uitwisselen van personen kon het in dezelfde woning wonen van mensen met eerstegraadsrelaties worden beperkt.

Voor studerende kinderen en zorgbehoevende gezinsleden golden afwijkende regelingen. Minderjarige kinderen behoorden ook tot het gezin; voor hun inkomsten gold ook een afwijkende regeling.

Er was niet alleen kritiek op de inhoud maar ook op de wetstechnische kwaliteit.[2]

Tussen het akkoord tot en de publikatie in het Staatsblad van de afschaffing deden de gemeenten op verzoek van de regering openstaande aanvragen af zonder inachtneming van de huishoudinkomenstoets..

Bevoegdheid [bewerken]

Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand, en voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling.

De gemeenteraad dient in elk geval de volgende verordeningen vast te stellen:

Terugvordering en verhaal [bewerken]

Indien na verlening van de bijstand blijkt dat deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, en meestal ook verplicht, het te veel betaalde terug te vorderen. Dat kan van de betrokkene zelf. Indien er te veel is betaald omdat geen rekening was gehouden met een partner, dan kan ook van die partner worden teruggevorderd.

Naast terugvordering kan er ook sprake zijn van verhaal van kosten. Het college is verplicht om de kosten te verhalen op degene die onderhoudsplichtig is voor de persoon die bijstand ontvangt. In de praktijk gaat het daarbij om de ouders, (ex-)echtgenoot of (ex-)partner.

Het loont om een ontstane vordering in het huidig dienstjaar terug te betalen. Als een vordering 'over het jaar heen wordt getild', dan wordt het restbedrag eenmalig gebruteerd. De afgedragen loonbelasting aan de fiscus wordt dan verrekend aan de klant. Zo kan een vordering met gemak 30 tot 40% hoger worden. Deze verrekening van loonbelasting tussen burger en gemeente kan overigens in de aangifte inkomstenbelasting worden gecorrigeerd door het volledige terugbetaalde bedrag in de aangifte van het betreffende kalenderjaar, op te voeren als negatief loon.

Financiering [bewerken]

Gemeenten krijgen van de rijksoverheid twee budgetten: een inkomensdeel en een werkdeel. Uit het inkomensdeel moeten de uitkeringen worden betaald. Uit het werkdeel moeten de re-integratie-activiteiten worden betaald. Het werkdeel valt vanaf 2009 onder het zogenoemde participatiebudget. De budgetten worden jaarlijks in september definitief vastgesteld.

Gemeenten dienen zelf eventuele tekorten op die budgetten aan te vullen. Daar staat tegenover dat overschotten op het inkomensdeel in de gemeentekas vloeien. Het is dus zaak voor gemeenten om zo weinig mogelijk instroom in de bijstand te hebben, en zo veel mogelijk uitstroom.

Als het werkdeel niet volledig of onrechtmatig wordt besteed vordert het ministerie het niet - of onrechtmatig bestede deel van de gemeente terug.

Recht op bijstand [bewerken]

Artikel 11 lid 1 WWB bepaalt: Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Deze bepaling vormt het sluitstuk van het stelsel van sociale zekerheid: bijstand is het laatste vangnet.

Artikel 13 (Uitsluiting van bijstand) bepaalt dat geen recht op bijstand heeft degene:

  • aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen (zoals criminelen);
  • die zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;
  • die wegens werkonderbreking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid;
  • die langer dan vier weken in het buitenland verblijft;
  • die jonger is dan 18 jaar (personen van 18 tot 27 jaar vielen vanaf 1 oktober 2009 onder de Wet Investeren in Jongeren (WIJ), maar deze is alweer vervallen per 1 januari 2012)

Volgens het Regeerakkoord 2012 zal wie de Nederlandse taal niet beheerst geen bijstandsuitkering meer krijgen. Dit zal gelden voor iedereen: vreemdelingen van buiten de EU, EU-onderdanen en Nederlanders.

Referentieminimumloon [bewerken]

Het in artikel 37 bedoelde netto minimumloon wordt het referentieminimumloon genoemd. Het is het bedrag dat twee partners samen netto zouden ontvangen als één van beiden bruto een bedrag aan uitkering zou krijgen gelijk aan het bruto minimumloon incl. vakantietoeslag, en zijn/haar partner zijn/haar eigen algemene heffingskorting voor 95% (2e helft 2012) uitbetaald zou krijgen.

De Wet van 15 december 2011, houdende geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon tot een keer de algemene heffingskorting met uitzondering van het referentieminimumloon voor de Algemene Ouderdomswet bepaalt het bovengenoemde percentage van de algemene heffingskorting dat voor de partner in aanmerking wordt genomen. Het daalt in halfjaarlijkse stappen van elk 2,5 %-punt, tot het per 1 juli 2031 nul is. Dit resulteert in een halfjaarlijkse daling van het referentieminimumloon met ruim €4 per maand. In combinatie met de inflatiecorrectie is er naar verwachting meestal toch nog wel een kleine stijging van het nominale bedrag.[3] Naar aanleiding van het Regeerakkoord 2012 is opgenomen in het aanhangige Voorstel van wet tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013) dat de afbouw in de jaren 2014 t/m 2017 gesteld wordt op 1,25 %-punt per halfjaar in plaats van 2,5 %-punt, waardoor het percentage twee jaar later, per 1 juli 2033, nul is.

Het referentieminimumloon wijkt af van het netto loon van iemand die werkt voor het minimumloon, of wat beiden samen netto zouden ontvangen als dit voor een van beiden zou gelden, want iemand die werkt krijgt arbeidskorting, terwijl anderzijds de heffingskorting(en) lager zouden zijn: in het eerste geval zou die eenmaal ontvangen worden, in het tweede geval zou de partner een kleiner deel van de algemene heffingskorting dan hierboven genoemd ontvangen, doordat de afbouw van de dubbele heffingskorting voor kostwinners eerder is begonnen en wat sneller verloopt.

Uiteindelijk is het referentieminimumloon dus het bedrag dat iemand netto zou ontvangen als hij bruto een bedrag aan uitkering zou krijgen gelijk aan het minimumloon incl. vakantietoeslag. Door het ontbreken van arbeidskorting is het uiteindelijke referentieminimumloon minder dan het individuele netto minimumloon.

De dubbele heffingskorting wordt ook in het referentieminimumloon afgebouwd om te voorkomen dat over een aantal jaren twee partners samen financieel beter af zouden zijn met bijstand dan wanneer één voltijds tegen het minimumloon werkt, of dat recht zou ontstaan op aanvullende bijstand als van twee partners één voltijds tegen het minimumloon werkt, en de ander wel wil werken maar geen werk kan vinden.[4]

De verlagingen werken door in alle WWB-uitkeringen doordat de normbedragen vaste percentages zijn van het referentieminimumloon (zie onder), maar ook in de Anw, IOAW, IOAZ en TW. Echter niet in de AOW, deze blijft op hetzelfde niveau.

Berekening per 1 juli 2012:

Het bruto minimumloon inclusief vakantie-uitkering bedraagt € 1572,70 per maand. De IAB is 7,1% hiervan, dus € 111,66. Het belastbaar loon is dus € 1683,36, dit is per jaar € 20.200,32. Naar beneden afgerond op een veelvoud van € 54 is dit € 20.196. De loonheffing volgens box 1 is 33,1% van € 18.945 plus 41,95% van € 1251 (beide naar beneden op euro's afgerond), is € 6270 + € 524 = € 6794. De heffingskorting is 1,95 maal de algemene heffingskorting van € 2033, is € 3964. De loonheffing is dus € 2830 per jaar, dit is € 235,83 per maand. Het algemene referentieminimumloon (niet te verwarren met het referentieminimumloon voor de AOW) is dus € 1572,70 - € 235,83 = € 1336,87 per maand[5] (€ 16.042 per jaar).

Berekening per 1 januari 2013:

Het bruto minimumloon inclusief vakantie-uitkering bedraagt € 1586,95 per maand, dit is per jaar € 19.043,40. Naar beneden afgerond op een veelvoud van € 54 is dit € 19.008. De loonheffing volgens box 1 is 37% van € 19.008 (naar beneden op euro's afgerond), is € 7032. De heffingskorting is 1,925 maal de algemene heffingskorting van € 2001, is € 3852. De loonheffing is dus € 3180 per jaar, dit is € 265 per maand. Het algemene referentieminimumloon (niet te verwarren met het referentieminimumloon voor de AOW) is dus € 1586,95 - € 265 = € 1321,95 per maand. Het daadwerkelijke bedrag is € 1321,96 per maand[6] (€ 15.863,52 per jaar).

Begrip gehuwde [bewerken]

Artikel 3 bepaalt dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een bloed- of aanverwant in de eerste graad is.

Aanvulling inkomen tot norm [bewerken]

Onder inkomen wordt verstaan inkomsten uit of in verband met arbeid, uit vermogen, uit (onder)verhuur, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud (alimentatie) en voorlopige teruggaven van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor zover deze inkomsten betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Artikel 19 bepaalt dat algemene bijstand het eigen inkomen aanvult tot maximaal de toepasselijke bijstandsnorm (ook wel sociaal minimum genoemd). De artikelen 20 t/m 23 geven de bedragen. Dit zijn deels de facto ronde percentages van het referentieminimumloon, hoewel de percentages niet in de wet genoemd worden. Artikel 38 bepaalt dat met ingang van de dag waarop het referentieminimumloon wijzigt de bedragen worden herzien met het percentage van deze wijziging. Daardoor zijn de bedragen de facto (behoudens de doorwerking van afrondfouten) vaste percentages van het referentieminimumloon. Artikel 19 bepaalt verder dat in de algemene bijstand een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 5% van die bijstand (de vakantietoeslag is daardoor ongeveer 5,26% van het bedrag zonder vakantietoeslag). Artikel 38 bepaalt dat dit percentage gelijk gelijk wordt gehouden aan de procentuele verhouding tussen de netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag over het minimumloon en het netto minimumloon. Onder netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag wordt verstaan het verschil tussen het referentieminimumloon en het bedrag dat het referentieminimumloon zou zijn zonder zonder rekening te houden met de aanspraak op vakantiebijslag. Dit kwam per 1 juli 2012 uit op 4,9%, maar werd afgerond op 5%.[5] Uit het vorenstaande blijkt dat het percentage van 5,26% lager is dan de gebruikelijke 8% doordat het om het netto bedrag gaat, niet door een aparte keuze om minder te verstrekken.

De norm (netto, incl. vakantietoeslag) is voor personen van 21 tot 65 jaar 50% van het referentieminimumloon. Dit is per 1 juli 2012 netto € 668,44 per maand (€ 8021 per jaar). Een alleenstaande die de (woon)kosten niet met anderen kan delen krijgt een toeslag tot 20% van het referentieminimumloon, dus in totaal € 935,81 per maand, d.i. € 11.230 per jaar). Voor een alleenstaande ouder (zie onder) geldt een hoger bedrag, voor een jongere lagere.[7]

Bij twee "gehuwden" is er pas recht op bijstand als de gezamenlijke inkomsten minder zijn dan de norm voor beiden gezamenlijk. De norm is gelijk aan het referentieminimumloon, dit is per kalendermaand per 1 juli 2012 € 1336,87.

AIO [bewerken]

Een onderdeel van de WWB is de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO), uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank. Het betreft een alleenstaande die de AOW-leeftijd heeft bereikt, en twee "gehuwden" van wie dat voor minstens één van beide geldt. Er kan aanspraak bestaan op AIO als de alleenstaande of één of beide "gehuwden" een onvolledige AOW hebben. Voor een alleenstaande is de norm ongeveer 76,8% van het referentieminimumloon, en voor twee "gehuwden" 105,7%. De bedragen zijn € 1026,66 en € 1413,13 per maand.[8] Er zijn ongeveer 40.000 uitkeringsgerechtigden. Per jaar bedragen deze uitkeringen in totaal ongeveer € 200 miljoen.[9]

Volgens het Regeerakkoord 2012 wordt per 1 juli 2014 de MKOB niet langer meegenomen in de middelentoets, men krijgt de MKOB dus bovenop het norminkomen.

Vermogen [bewerken]

Er is een vermogenstoets: artikel 19 bepaalt dat er slechts recht op algemene bijstand bestaat indien er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Artikel 34 bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan (per 1 januari 2013) voor een alleenstaande € 5.795 of voor twee "gehuwden" samen het dubbele.

Van de overwaarde van het eigen huis wordt maximaal € 48.900 buiten beschouwing gelaten. Als deze waarde meer is dan kan de gemeente een krediethypotheek afsluiten.

Als iemand na het opmaken van het niet-vrijgelaten vermogen bijstand aanvraagt, wordt bezien of hij zijn vermogen niet te snel heeft uitgegeven. Er kan dan geconcludeerd worden dat hij "onvoldoende besef van verantwoordelijkheid heeft betoond bij het voorzien in de kosten van het bestaan." In dat geval wordt een sanctie toegepast bij de uitbetaling van de bijstand.

Wegens het wettelijke afkoopverbod telt pensioenvermogen dat is opgebouwd in de tweede pijler niet als vermogen, maar dat in de derde pijler wel. De regering onderzoekt of, hoe en onder welke voorwaarden het wenselijk is dat derdepijlerpensioenvermogen buiten de toets van de bijstand blijft.[10][11][12]

Wijzigingen 2012 en 2013 [bewerken]

De Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden is deels in werking getreden op 1 januari 2012, en deels op 1 juli 2012. De huishoudinkomenstoets is ingevoerd per 1 januari 2012, maar inmiddels met terugwerkende kracht per 1 januari 2012 weer vervallen (zie boven, en voor de nasleep verderop).

De belangrijkste wijzigingen zijn:

  1. De Wet investeren in jongeren is per 1 januari 2012 vervallen. Jongeren tot 27 jaar die zich melden voor bijstand moeten zelf 4 weken naar een baan zoeken (aantoonbaar) en kijken of ze regulier onderwijs kunnen volgen. Pas na die 4 weken kan een aanvraag WWB ingediend worden.
  2. De wWIK is per 1 januari 2012 vervallen. Kunstenaars die (nog) niet in staat zijn zelf in de kosten van het bestaan te voorzien kunnen een beroep doen op het Bbz (zie hieronder) of de WWB. Na een rechtszaak is een overgangsregeling afgesproken voor de zittende uitkeringsgerechtigden in de wWIK.
  3. In ruil voor het recht op bijstand is er een wettelijke verplichting gekomen tot ‘tegenprestatie naar vermogen’ die de gemeente kan opleggen. Gemeenten mogen van uitkeringsgerechtigden dus verlangen dat er een aantal uur per week gewerkt wordt als tegenprestatie voor de bijstand, ook als die tegenprestatie niet direct helpt de kans om regulier aan het werk te gaan te vergroten.[13]
  4. De vrijstelling van de verplichting om werk te zoeken voor alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar oud is vervallen.
  5. De inkomensvrijlating voor het werken in deeltijd voor alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar oud is verruimd.
  6. De tijd die iemand met behoud van bijstand met vakantie mag naar het buitenland is voor iedereen ingekort tot 4 weken.
  7. Er is wettelijke inkomensgrens voor gemeentelijk minimabeleid ingevoerd van 110% van de bijstandsnorm.
  8. Gemeenten moeten de categoriale bijzondere bijstand voor gezinnen met schoolgaande kinderen in een verordening vastleggen.

Op 1 januari 2013 is in werking getreden de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgevingen de wet Wet huisbezoeken in de sociale zekerheid.

Nasleep huishoudinkomenstoets [bewerken]

Voor wie door de huishoudinkomenstoets (zie boven) te weinig bijstand heeft gekregen wordt deze herberekend en nabetaald.

Iemand aan wie bijstand is geweigerd wegens de huishoudinkomenstoets hoeft geen nieuwe aanvraag in te dienen als het college aanleiding ziet om gebruik te maken van de in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde bevoegdheid tot intrekking of wijziging van een besluit. Zo niet dan moet men opnieuw bijstand aanvragen over (mede) de verstreken periode, zoals hieronder beschreven.

Iemand die geen bijstand heeft aangevraagd omdat hij er volgens de huishoudinkomenstoets geen recht op had kan dit alsnog doen over (mede) de verstreken periode: het nieuwe artikel 78w in hoofdstuk 7a (Overgangsrecht) met de titel "Recht op bijstand voor datum melding" bepaalt dat hij zich tussen 26 april 2012 en 2 maanden na publicatie van de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets in het Staatsblad (17 juli 2012, twee maanden later is dus 17 september) kan melden om bijstand aan te vragen; als hij als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets recht heeft op algemene bijstand, wordt die bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan en kan deze dag, in afwijking van artikel 44, eerste lid (volgens welk de bijstand niet wordt toegekend over de tijd vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen), liggen vóór de dag waarop belanghebbende zich heeft gemeld doch niet voor 1 januari 2012.

Uiteraard geldt dit ook voor personen die inmiddels door inkomen en/of vermogen niet meer aan de voorwaarden voor bijstand voldoen. Wel geldt dat de WWB als uitgangspunt heeft dat geen bijstand kan worden verleend als in het gevraagde is voorzien. Volgens de nota naar aanleiding van het verslag is daarom voorwaarde dat de betrokkene schulden heeft moeten maken of heeft moeten interen op een vermogen dat na die intering minder bedraagt dan het vrij te laten vermogen. Als het het betrokken huishouden is gelukt de uitgaven in overeenstemming te brengen met de lagere inkomsten dan heeft het volgens de regering geen recht op een nabetaling. Voorts dient men aan te tonen dat men voldaan heeft aan de plicht tot arbeidsinschakeling.

Als gevolg van dit wetsvoorstel in combinatie met het verzoek aan gemeenten om te anticiperen is de huishoudinkomenstoets niet toegepast op het zittend bestand.

Zittende uitkeringsgerechtigden voor wie de huishoudinkomenstoets voordelig was raken dit voordeel niet met terugwerkende kracht maar uiterlijk per 1 januari 2013 kwijt.

Huishouduitkeringstoets [bewerken]

Volgens het Regeerakkoord 2012 wordt per 2015 een huishouduitkeringstoets ingevoerd, waarbij het normbedrag wordt verlaagd naarmate er meer volwassenen een gezamenlijke huishouding voeren. Bij bijvoorbeeld drie personen waarvan twee een stel vormen wordt het inkomen van het stel echter niet gekort op de uitkering van de derde of omgekeerd.

Invoeringswet Wet werken naar vermogen [bewerken]

Aanhangig is de Wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Wet werken naar vermogen) (WWNV), waarbij de nieuwe versie van de Wet werk en bijstand als citeertitel krijgt Wet werken naar vermogen (WWNV).[14] Het wetsvoorstel werd op 1 februari 2012 aangeboden aan de Tweede Kamer.[14]

De regering streefde ernaar dat de WWNV per 1 januari 2013 in werking treedt. Deze zou ook de Wajong en de WSW vervangen. Met de nieuwe Wet werken naar vermogen zouden werklozen met een beperking, zoals een handicap of verslaving, meer aan het werk moeten worden geholpen door gemeenten.[15]

Gemeenten zouden één ontschot (ook genoemd: gebundeld) re-integratiebudget krijgen (de gemeente krijgt een totaalbedrag, zonder voorschrift welk deel daarvan voor elke categorie mag worden uitgegeven). De belangrijkste wijzigingen van de WWNV zouden zijn dat personen die niet in staat zijn het minimumloon te verdienen, bijvoorbeeld door een handicap, gebruik zouden kunnen maken van loondispensatie. De werkgever zou dan enkel het salaris betalen voor het deel dat iemand werkelijk kan werken. De gemeente zou aanvullen tot een inkomen dat tussen dat van de bijstand en dat van het minimumloon ligt.

Volgens het Begrotingsakkoord 2013 zal de wet geen doorgang vinden. Het wetsvoorstel is voorlopig niet ingetrokken, maar is door de Tweede Kamer wel controversieel verklaard, dus het is niet behandeld. Volgens het Regeerakkoord 2012 wordt de wet vervangen door een wet die Participatiewet gaat heten.

Alleenstaande ouder [bewerken]

De bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder bedraagt 90% van het referentieminimumloon, tegen 70% voor een alleenstaande zonder kinderen die zelfstandig woont. De toeslag voor het verzorgen van een of meer kinderen bedraagt dus 20% van het referentieminimumloon, dit is ongeveer € 3.200 per jaar. Omdat dit netto bedragen zijn zit er de alleenstaande-ouderkorting van € 947 in verwerkt.

In het kader van een reorganisatie van de kindregelingen zijn er plannen om voor de alleenstaande ouder niet meer een aparte norm maar de alleenstaande-norm te hanteren.

De alleenstaande ouder zonder werk zou daarbovenop alleen nog kinderbijslag en kindgebonden budget volgens een nieuwe regeling krijgen, die een werkende ouder ook krijgt. Dit zou de armoedeval wegnemen.

Volgens het Regeerakkoord 2012 wordt de aanvulling in de bijstand voor alleenstaande ouders afgeschaft. Dit wordt deels gecompenseerd door het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders te verhogen met € 2800 per jaar.

Algemene bijstand [bewerken]

Algemene bijstand is een uitkering voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

Tot algemeen noodzakelijke kosten worden niet gerekend:

  • de voldoening van alimentatieverplichtingen;
  • de betaling van een boete;
  • geleden of toegebrachte schade;
  • vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering;
  • kosten van medische behandeling die als ontwikkelingsgeneeskunde zijn aan te merken, of kosten die in het buitenland worden gemaakt.

Bijzondere bijstand [bewerken]

Bijzondere bijstand is een uitkering voor uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan die niet uit het inkomen of vermogen kunnen worden voldaan.

Langdurigheidstoeslag [bewerken]

Op grond van artikel 36 van de WWB verlenen gemeenten op aanvraag een zogenaamde langdurigheidstoeslag. De langdurigheidstoeslag is een tegemoetkoming voor personen van 21 tot 65 jaar die langere tijd van een minimuminkomen hebben moeten leven, geen of weinig eigen vermogen hebben en ook geen uitzicht hebben op betaald werk. De gemeente stelt zelf het beleid en de uitvoering ervan vast. In een gemeentelijke verordening is vastgelegd hoe hoog de langdurigheidstoeslag is en wanneer er sprake is van een langdurig laag inkomen.

Algemeen geaccepteerde arbeid [bewerken]

Onder de WWB is de cliënt die jonger is dan de AOW-leeftijd verplicht om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Dit is een verzwaring ten opzichte van de Abw waarin nog werd gesproken van passende arbeid.

Zelfstandig ondernemerschap [bewerken]

In 2004 is het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) opgesteld met als doel het verschaffen van financiële steun aan mensen in de bijstand, die zelfstandig ondernemer willen worden. Voordat de Bbz. bestond werden bijstandsgerechtigden die zelfstandig ondernemer wilden worden, geholpen met micro-kredieten.

Er kan een renteloze lening worden verstrekt van maximaal € 2534,00 en deze wordt alleen rentedragend wanneer de betrokkene daadwerkelijk zijn bedrijf start. Wanneer zijn bedrijf echter niet levensvatbaar wordt, wordt dit bedrag omgezet in een schenking.

Daarnaast bestaat er nog de mogelijkheid tot het aanvragen van een rentedragend krediet van maximaal € 30.668,00 tegen een rentepercentage van 4,5% en een looptijd van 10 jaren.

Ten derde kan er nog aanspraak worden gemaakt op een uitkering inzake levensonderhoud als aanvulling op het eigen (gezins)inkomen (tot het bedrag, wat men anders ook als bijstandsinkomen had gehad), gedurende maximaal 36 maanden (3 jaren), nadat men van start is gegaan als ondernemer. Men houdt dan zolang een bijstandsuitkering als aanvulling op het inkomen als zelfstandige. Deze bijstandsuitkering wordt dan verstrekt als een lening en moet alleen worden terugbetaald als het bedrijf echt succesvol is. Dit is niet het geval als de onderneming binnen die 3 jaren wordt gestaakt.

De gemeente (sociale dienst) is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Bbz., maar schakelt vaak de onafhankelijke advies- en begeleidingsorganisatie IMK Intermediair (Instituut Midden- en Kleinbedrijf) in om de cliënten te begeleiden die zelfstandig ondernemer willen worden.

Cliënten zijn tijdens dit traject vrijgesteld van hun sollicitatieplicht en hoeven niet langer ingeschreven te staan bij het UWV WERKbedrijf.

Rechtsbescherming [bewerken]

Tegen beslissingen over het (niet) verlenen van bijstand en beslissingen over terugvordering kan betrokkene een bezwaarschrift indienen. Op die procedure is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat impliceert dat tegen de beslissing op bezwaar desgewenst beroep kan worden ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank en eventueel hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. In spoedgevallen kan ook een voorlopige voorziening gevraagd worden bij de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Zie ook [bewerken]

Noten

  1. http://www.ipsz.nl/pagina/8515/huishoudinkomenstoets
  2. Knelpunten bij het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ (32 815)
  3. Per 1 juli 2012 resulteerde bijvoorbeeld een stijging van het bruto minimumloon van € 10,37 per maand in een stijging van het referentieminimumloon van € 0,45 per maand. Naast de marginale loonheffing van 41,95% over 107,1% van de toename en de afbouw van de dubbele heffingskorting zijn er door de indeling in loonklassen van € 4,50 per maand ook afrondingsverschillen tot € 2 per maand.
  4. De mogelijkheid dat recht ontstaat op aanvullende bijstand als van twee partners één voltijds tegen het minimumloon werkt, en de ander wel wil werken maar geen werk kan vinden, zou een logische consequentie zijn van het minder dan het referentieminimumloon verdienen, maar impliciet wordt dit in de MvT als ongewenst beschouwd.
  5. a b https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-13237.html
  6. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/regelingen/2012/11/21/rekenregels-bijlage-ii-1.html
  7. Bijstand
  8. Dit zijn behoudens afrondingsverschillen vaste percentages. Dat de percentages geen ronde getallen zijn komt doordat de bedragen vóór 2012 gekoppeld waren aan de hoogte van de AOW-uitkering.
  9. http://www.svb.nl/Images/F%26CU12%2E0340%20De%20SVB%20in%20de%20eerste%20acht%20maanden%20van%202012%20DEFINITIEF.pdf
  10. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20122013-440.html
  11. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/03/18/onderzoek-pensioen-van-zelfstandigen.html
  12. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/03/18/kamerbrief-pensioen-zelfstandigen.html
  13. Zie ook [1] en [2].
  14. a b Wet werken naar vermogen (WWNV), Rijksoverheid. - Onderwerp: Wet werken naar vermogen
  15. De Krom loodst 'nieuwe bijstand' door Kamer, AD, 19 april 2012.

Externe links