Wet werk en bijstand

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Wet van 9 oktober 2003, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten of Wet werk en bijstand (WWB) is de wet die in Nederland de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en bijstand regelt voor mensen die weinig of geen ander inkomen (waaronder andere uitkeringen) hebben en ook weinig of geen vermogen.

Doel van de WWB is ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten. Werk gaat voor inkomen: oogmerk is om mensen op de kortste weg naar betaald werk te kunnen zetten; daartoe moet men ingeschreven staan bij het UWV. De gemeenten voeren de wet uit en bepalen, binnen de wettelijke grenzen, hun eigen beleid. Tegenover minder regels van het rijk en meer eigen autonomie staan (sinds 2004) een financiële verantwoordelijkheid voor de gemeenten, daarom is het voor hen van belang de instroom te beperken en de uitstroom te bevorderen.

Geschiedenis[bewerken]

Nederland kende sinds 1963 de Algemene Bijstandswet (ABW). Op 1 januari 1996 is deze vervangen door de Algemene bijstandswet (met een kleine b), voluit Wet van 12 april 1995, houdende herinrichting van de Algemene Bijstandswet. De Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet bepaalde dat de Algemene Bijstandswet (met een grote B) werd ingetrokken. In de acht jaar dat de nieuwe wet van kracht is geweest is deze 61 keer gewijzigd. Op 1 januari 2004 is deze wet vervangen door de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375).

In de WWB zijn de oude Algemene bijstandswet, de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (Wfa), de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) en het Besluit in- en doorstroombanen geïntegreerd (niet de IOAW en IOAZ zelf).

In 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) ingevoerd. Jongeren van 18 tot 27 jaar die een bijstandsuitkering aanvragen, moesten van de gemeente een aanbod krijgen voor werk, scholing, of een combinatie van beide. De wet is per 1 januari 2012 ingetrokken.

Huishoudinkomenstoets[bewerken]

De huishoudinkomenstoets was een per 1 januari 2012 ingevoerde aanscherping van de gezinsbijstand voor nieuwe gevallen die per 1 juli 2012 ook zou worden ingevoerd voor oude gevallen. De regels vloeiden voort uit het regeerakkoord VVD-CDA van 2010 van het Kabinet-Rutte I, waaarin stond "In de WWB wordt de bijstand voor inwonenden afgeschaft en wordt de toets op het partnerinkomen vervangen door een toets op het huishoudinkomen." Voorgestemd hebben VVD, CDA, PVV en SGP. Wat betreft de naam versus de inhoud: er was ook een toets op het huishoudvermogen; beide golden alleen voor eerstegraads bloed- en aanverwanten.

Wegens verandering van de politieke coalitie (VVD en CDA niet meer samen met PVV maar met D66, GroenLinks en ChristenUnie) en overeenkomstig een onderdeel van een veel meer omvattend Begrotingsakkoord 2013 is met algemene stemmen aangenomen in de Tweede Kamer en als hamerstuk afgedaan in de Eerste Kamer de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met de herziening van de definities van gezin en middelen (Wet afschaffing huishoudinkomenstoets), die de huishoudinkomenstoets met terugwerkende kracht per 1 januari 2012 deed vervallen.

Naast gehuwden golden als gezin onder meer de volgende groepen volwassenen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden[1]:

  • gehuwden met hun meerderjarige kinderen
  • een alleenstaande met een of meer meerderjarige kinderen

Er werd getoetst op het inkomen en het vermogen van de hele groep samen. Het totale norminkomen en vrijgelaten vermogen voor drie of meer personen was gelijk aan die voor twee personen. Als bijvoorbeeld iemand met een voltijdse baan nog bij zijn ouders woonde kregen die geen bijstand, en als iemands bejaarde ouders bij hem inwoonden kreeg hij in het algemeen geen bijstand omdat die ouders AOW kregen.

Het gezin (in deze ruime zin van het woord) vormde daarbij een zelfstandig subject van bijstand, de gezinsleden moesten gezamenlijk een aanvraag doen. De regering lichtte toe dat bijstand voor het individu binnen deze leefsituatie daarmee de facto werd afgeschaft.

De bijstandsuitkering werd in gelijke delen aan ieder van de meerderjarige gezinsleden uitbetaald (onafhankelijk van wie andere inkomsten had) tenzij ze gezamenlijk om een andere wijze van uitbetaling vroegen. Als een van de gezinsleden zijn verplichtingen niet nakwam kon de gezinsbijstand worden gekort, wat ook voor de andere gezinsleden nadelig kon zijn.

Anders dan het vrijwillig opgeven van inkomsten door ontslag te nemen waren gedragsreacties toegestaan, zoals het verbreken van familiaire samenlevingsverbanden (verhuizen) ter voorkoming van het moeten delen met anderen van loon, AOW-uitkering en aanvullend pensioen, bijstand of een andere uitkering, en/of de situatie dat iemand moest interen op zijn vermogen, niet alleen ten behoeve van het levensonderhoud van zichzelf maar ook dat van anderen. Dit vergde niet altijd extra woonruimte en bijbehorende kosten: door het uitwisselen van personen kon het in dezelfde woning wonen van mensen met eerstegraadsrelaties worden beperkt.

Voor studerende kinderen en zorgbehoevende gezinsleden golden afwijkende regelingen. Minderjarige kinderen behoorden ook tot het gezin; voor hun inkomsten gold ook een afwijkende regeling.

Er was niet alleen kritiek op de inhoud maar ook op de wetstechnische kwaliteit.[2]

Tussen het akkoord tot en de publicatie in het Staatsblad van de afschaffing deden de gemeenten op verzoek van de regering openstaande aanvragen af zonder inachtneming van de huishoudinkomenstoets..

Bevoegdheid[bewerken]

Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand, en voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling.

De gemeenteraad dient in elk geval de volgende verordeningen vast te stellen:

Terugvordering en verhaal[bewerken]

Indien na verlening van de bijstand blijkt dat deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, en meestal ook verplicht, het te veel betaalde terug te vorderen. Dat kan van de betrokkene zelf. Indien er te veel is betaald omdat geen rekening was gehouden met een partner, dan kan ook van die partner worden teruggevorderd.

Naast terugvordering kan er ook sprake zijn van verhaal van kosten. Het college is verplicht om de kosten te verhalen op degene die onderhoudsplichtig is voor de persoon die bijstand ontvangt. In de praktijk gaat het daarbij om de ouders, (ex-)echtgenoot of (ex-)partner.

Het loont om een ontstane vordering in het huidig dienstjaar terug te betalen. Als een vordering 'over het jaar heen wordt getild', dan wordt het restbedrag eenmalig gebruteerd. De afgedragen loonbelasting aan de fiscus wordt dan verrekend aan de klant. Zo kan een vordering met gemak 30 tot 40% hoger worden. Deze verrekening van loonbelasting tussen burger en gemeente kan overigens in de aangifte inkomstenbelasting worden gecorrigeerd door het volledige terugbetaalde bedrag in de aangifte van het betreffende kalenderjaar, op te voeren als negatief loon.

Financiering[bewerken]

Gemeenten krijgen van de rijksoverheid twee budgetten: een inkomensdeel en een werkdeel. Uit het inkomensdeel moeten de uitkeringen worden betaald. Uit het werkdeel moeten de re-integratie-activiteiten worden betaald. Het werkdeel valt vanaf 2009 onder het zogenoemde participatiebudget. De budgetten worden jaarlijks in september definitief vastgesteld.

Gemeenten dienen zelf eventuele tekorten op die budgetten aan te vullen. Daar staat tegenover dat overschotten op het inkomensdeel in de gemeentekas vloeien. Het is dus zaak voor gemeenten om zo weinig mogelijk instroom in de bijstand te hebben, en zo veel mogelijk uitstroom.

Als het werkdeel niet volledig of onrechtmatig wordt besteed vordert het ministerie het niet - of onrechtmatig bestede deel van de gemeente terug.

Recht op bijstand[bewerken]

Artikel 11 lid 1 WWB bepaalt: Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Deze bepaling vormt het sluitstuk van het stelsel van sociale zekerheid: bijstand is het laatste vangnet. Er is een middelentoets: de uitkering is afhankelijk van het inkomen en dat van de eventuele partner, en een vermogenstoets.

Artikel 13 (Uitsluiting van bijstand) bepaalt dat geen recht op bijstand heeft degene:

  • aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen (zoals criminelen);
  • die zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;
  • die wegens werkonderbreking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid;
  • die langer dan vier weken in het buitenland verblijft;
  • die jonger is dan 18 jaar (personen van 18 tot 27 jaar vielen vanaf 1 oktober 2009 onder de Wet Investeren in Jongeren (WIJ), maar deze is alweer vervallen per 1 januari 2012)

Volgens het Regeerakkoord 2012 zal wie de Nederlandse taal niet beheerst geen bijstandsuitkering meer krijgen. Dit zal gelden voor iedereen: vreemdelingen van buiten de EU, EU-onderdanen en Nederlanders. In 2014 heeft de EU echter laten weten dat dit strafbaar is voor alle EU leden en haar burgers. Elke EU burger en vreemdeling heeft recht op bijstand ongeacht haar taal, het land waar dit wordt aangevraagd en het land van herkomst! De wet wijziging is dus onmogelijk.

Referentieminimumloon[bewerken]

Het in artikel 37 bedoelde netto minimumloon wordt het (algemene) referentieminimumloon genoemd (niet te verwarren met het referentieminimumloon voor de AOW). Het is het bedrag dat twee partners samen netto zouden ontvangen als één van beiden bruto een bedrag aan uitkering zou krijgen gelijk aan het bruto minimumloon incl. vakantietoeslag, en zijn/haar partner zijn/haar eigen algemene heffingskorting voor 88,75% (1e helft 2014) uitbetaald zou krijgen.

Hetzelfde artikel bepaalt dat het bovengenoemde percentage van de algemene heffingskorting dat voor de partner in aanmerking wordt genomen halfjaarlijks wordt verlaagd, op 1 januari en 1 juli. Tot en met de verlaging van 1 juli 2017 bedraagt deze verlaging steeds 1,25 %-punt (het percentage is dan 80), daarna steeds 2,5 %-punt, tot en met de verlaging van 1 juli 2033 (het percentage is dan 0).

De Wet van 15 december 2011, houdende geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon tot een keer de algemene heffingskorting met uitzondering van het referentieminimumloon voor de Algemene Ouderdomswet bepaalde de daling in halfjaarlijkse stappen van elk 2,5 %-punt, tot het percentage per 1 juli 2031 nul zou zijn. De Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013) bepaalt onder meer dat de afbouw in de jaren 2014 t/m 2017 gesteld wordt op 1,25 %-punt per halfjaar in plaats van 2,5 %-punt, waardoor het percentage twee jaar later nul is.

De halfjaarlijkse stappen van elk 2,5 %-punt resulteren in een halfjaarlijkse daling van het referentieminimumloon met ruim € 4 per maand. In combinatie met de inflatiecorrectie is er naar verwachting meestal toch nog wel een kleine stijging van het nominale bedrag.[3]

Het referentieminimumloon wijkt af van het netto loon van iemand die werkt voor het minimumloon, of wat beiden samen netto zouden ontvangen als dit voor een van beiden zou gelden, want iemand die werkt krijgt arbeidskorting, terwijl anderzijds de heffingskorting(en) lager zouden zijn: in het eerste geval zou die eenmaal ontvangen worden, in het tweede geval zou de partner een kleiner deel van de algemene heffingskorting dan hierboven genoemd ontvangen, doordat de afbouw van de dubbele heffingskorting voor kostwinners eerder is begonnen en wat sneller verloopt.

Uiteindelijk is het referentieminimumloon dus het bedrag dat iemand netto zou ontvangen als hij bruto een bedrag aan uitkering zou krijgen gelijk aan het minimumloon incl. vakantietoeslag. Door het ontbreken van arbeidskorting is het uiteindelijke referentieminimumloon minder dan het individuele netto minimumloon.

De dubbele heffingskorting wordt ook in het referentieminimumloon afgebouwd om te voorkomen dat over een aantal jaren twee partners samen financieel beter af zouden zijn met bijstand dan wanneer één voltijds tegen het minimumloon werkt, of dat recht zou ontstaan op aanvullende bijstand als van twee partners één voltijds tegen het minimumloon werkt, en de ander wel wil werken maar geen werk kan vinden.[4]

De verlagingen werken door in alle WWB-uitkeringen doordat de normbedragen vaste percentages zijn van het referentieminimumloon (zie onder), maar ook in de Anw, IOAW, IOAZ en TW. Echter niet in de AOW, deze blijft op hetzelfde niveau.

Berekening per 1 januari 2014:

Het bruto minimumloon inclusief vakantie-uitkering bedraagt € 1604,45 per maand, dit is per jaar € 19.253,40. Naar beneden afgerond op een veelvoud van € 54 is dit € 19.224. De loonheffing volgens box 1 is 36,25% van € 19.224 (naar beneden op euro's afgerond), is € 6968. De heffingskorting is 1,8875 maal de algemene heffingskorting van € 2103, is € 3969. De loonheffing is dus € 2999 per jaar, dit is € 249,91 per maand. Het algemene referentieminimumloon (niet te verwarren met het referentieminimumloon voor de AOW) is dus € 1604,45 - € 249,91 = € 1354,54 per maand.[5] (€ 16.254,48 per jaar).

Berekening per 1 juli 2013:

Het bruto minimumloon inclusief vakantie-uitkering bedraagt € 1596,02 per maand, dit is per jaar € 19.152,24. Naar beneden afgerond op een veelvoud van € 54 is dit € 19.116. De loonheffing volgens box 1 is 37% van € 19.116 (naar beneden op euro's afgerond), is € 7072. De heffingskorting is 1,9 maal de algemene heffingskorting van € 2001, is € 3802. De loonheffing is dus € 3270 per jaar, dit is € 272,50 per maand. Het algemene referentieminimumloon (niet te verwarren met het referentieminimumloon voor de AOW) is dus € 1596,02 - € 272,50 = € 1323,52 per maand. Het daadwerkelijke bedrag is € 1323,53 per maand[5] (€ 15.882,36 per jaar).

Begrip gehuwde[bewerken]

Artikel 3 bepaalt dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een bloed- of aanverwant in de eerste graad is.

Aanvulling inkomen tot norm[bewerken]

Onder inkomen wordt verstaan inkomsten uit of in verband met arbeid, uit vermogen, uit (onder)verhuur, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud (alimentatie) en voorlopige teruggaven van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor zover deze inkomsten betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Artikel 19 bepaalt dat algemene bijstand het eigen inkomen aanvult tot maximaal de toepasselijke bijstandsnorm (ook wel sociaal minimum genoemd). De artikelen 20 t/m 23 geven de bedragen. Dit zijn deels de facto ronde percentages van het referentieminimumloon, hoewel de percentages niet in de wet genoemd worden. Artikel 38 bepaalt dat met ingang van de dag waarop het referentieminimumloon wijzigt de bedragen worden herzien met het percentage van deze wijziging. Daardoor zijn de bedragen de facto (behoudens de doorwerking van afrondfouten) vaste percentages van het referentieminimumloon. Artikel 19 bepaalt verder dat in de algemene bijstand een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 5% van die bijstand (de vakantietoeslag is daardoor ongeveer 5,26% van het bedrag zonder vakantietoeslag). Artikel 38 bepaalt dat dit percentage gelijk gelijk wordt gehouden aan de procentuele verhouding tussen de netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag over het minimumloon en het netto minimumloon. Onder netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag wordt verstaan het verschil tussen het referentieminimumloon en het bedrag dat het referentieminimumloon zou zijn zonder zonder rekening te houden met de aanspraak op vakantiebijslag. Dit wordt afgerond op 5%.[6] Uit het vorenstaande blijkt dat het percentage van 5,26% lager is dan de gebruikelijke 8% doordat het om het netto bedrag gaat, niet door een aparte keuze om minder te verstrekken.

De norm (netto, incl. vakantietoeslag) is voor personen van 21 tot 65 jaar 50% van het referentieminimumloon. Dit is per 1 juli 2012 netto € 668,44 per maand (€ 8021 per jaar). Een alleenstaande die de (woon)kosten niet met anderen kan delen krijgt een toeslag tot 20% van het referentieminimumloon, dus in totaal € 935,81 per maand, d.i. € 11.230 per jaar). Voor een alleenstaande ouder (zie onder) geldt een hoger bedrag, voor een jongere lagere.[7]

Bij twee "gehuwden" is er pas recht op bijstand als de gezamenlijke inkomsten minder zijn dan de norm voor beiden gezamenlijk. De norm is gelijk aan het referentieminimumloon, dit is per kalendermaand per 1 juli 2012 € 1336,87.

AIO[bewerken]

Een onderdeel van de WWB is de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO), uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank. Het betreft een alleenstaande die de AOW-leeftijd heeft bereikt, en twee partners van wie dat voor minstens één van beide geldt. Er kan aanspraak bestaan op AIO als de alleenstaande of één of beide partners een onvolledige AOW hebben. Voor een alleenstaande is de norm ongeveer 76,8% van het algemene referentieminimumloon (niet te verwarren met het referentieminimumloon voor de AOW), en voor twee partners samen 105,7%. De bedragen zijn € 1026,66 en € 1413,13 per maand.[8] Er zijn ongeveer 40.000 uitkeringsgerechtigden. Per jaar bedragen deze uitkeringen in totaal ongeveer € 200 miljoen.[9]

Volgens het Regeerakkoord 2012 wordt per 1 juli 2014 de MKOB niet langer meegenomen in de middelentoets, men krijgt de MKOB dus bovenop het norminkomen. Volgens latere berichten wordt de MKOB echter mogelijk met ingang van 2015 afgeschaft.

Beleidsoptie 1 van het IBO Inkomen en vermogen van ouderen is het verlagen van de norm tot die voor mensen die jonger zijn, plus langdurigheidstoeslag.

Vermogen[bewerken]

Er is een vermogenstoets: artikel 19 bepaalt dat er slechts recht op algemene bijstand bestaat indien er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Artikel 34 bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan voor een alleenstaande € 5850 per 1 januari 2014 of voor twee "gehuwden" samen het dubbele.

Van de overwaarde van het eigen huis wordt in 2014 maximaal € 49.400 buiten beschouwing gelaten. Als deze waarde meer is dan kan de gemeente een krediethypotheek afsluiten.

Als iemand na het opmaken van het niet-vrijgelaten vermogen bijstand aanvraagt, wordt bezien of hij zijn vermogen niet te snel heeft uitgegeven. Er kan dan geconcludeerd worden dat hij "onvoldoende besef van verantwoordelijkheid heeft betoond bij het voorzien in de kosten van het bestaan." In dat geval wordt een sanctie toegepast bij de uitbetaling van de bijstand.

Wegens het wettelijke afkoopverbod telt pensioenvermogen dat is opgebouwd in de tweede pijler niet als vermogen, maar dat in de derde pijler wel. De regering heeft aangekondigd ook een derdepijlerpensioen tot (incl. eventueel tweedepijlerpensioen) twee maal de AOW vrij te gaan laten. Om te voorkomen dat mensen vlak voor een bijstandsaanvraag hun vermogen wegsluizen naar hun derdepijlerpensioen, geldt daarbij de randvoorwaarde dat er in de jaren voor de bijstandsaanvraag sprake moet zijn van een gelijkblijvende of dalende inleg.[10]

Wijzigingen 2012 en 2013[bewerken]

De Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden is deels in werking getreden op 1 januari 2012, en deels op 1 juli 2012. De huishoudinkomenstoets is ingevoerd per 1 januari 2012, maar inmiddels met terugwerkende kracht per 1 januari 2012 weer vervallen (zie boven, en voor de nasleep verderop).

De belangrijkste wijzigingen zijn:

  1. De Wet investeren in jongeren is per 1 januari 2012 vervallen. Jongeren tot 27 jaar die zich melden voor bijstand moeten zelf 4 weken naar een baan zoeken (aantoonbaar) en kijken of ze regulier onderwijs kunnen volgen. Pas na die 4 weken kan een aanvraag WWB ingediend worden.
  2. De wWIK is per 1 januari 2012 vervallen. Kunstenaars die (nog) niet in staat zijn zelf in de kosten van het bestaan te voorzien kunnen een beroep doen op het Bbz (zie hieronder) of de WWB. Na een rechtszaak is een overgangsregeling afgesproken voor de zittende uitkeringsgerechtigden in de wWIK.
  3. In ruil voor het recht op bijstand is er een wettelijke verplichting gekomen tot ‘tegenprestatie naar vermogen’ die de gemeente kan opleggen, zie onder.
  4. De vrijstelling van de verplichting om werk te zoeken voor alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar oud is vervallen.
  5. De inkomensvrijlating voor het werken in deeltijd voor alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar oud is verruimd.
  6. De tijd die iemand met behoud van bijstand met vakantie mag naar het buitenland is voor iedereen ingekort tot 4 weken.
  7. Er is wettelijke inkomensgrens voor gemeentelijk minimabeleid ingevoerd van 110% van de bijstandsnorm.
  8. Gemeenten moeten de categoriale bijzondere bijstand voor gezinnen met schoolgaande kinderen in een verordening vastleggen.

Op 1 januari 2013 is in werking getreden de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgevingen de wet Wet huisbezoeken in de sociale zekerheid.

Nasleep huishoudinkomenstoets[bewerken]

Voor wie door de huishoudinkomenstoets (zie boven) te weinig bijstand heeft gekregen wordt deze herberekend en nabetaald.

Iemand aan wie bijstand is geweigerd wegens de huishoudinkomenstoets hoeft geen nieuwe aanvraag in te dienen als het college aanleiding ziet om gebruik te maken van de in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde bevoegdheid tot intrekking of wijziging van een besluit. Zo niet dan moet men opnieuw bijstand aanvragen over (mede) de verstreken periode, zoals hieronder beschreven.

Iemand die geen bijstand heeft aangevraagd omdat hij er volgens de huishoudinkomenstoets geen recht op had kan dit alsnog doen over (mede) de verstreken periode: het nieuwe artikel 78w in hoofdstuk 7a (Overgangsrecht) met de titel "Recht op bijstand voor datum melding" bepaalt dat hij zich tussen 26 april 2012 en 2 maanden na publicatie van de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets in het Staatsblad (17 juli 2012, twee maanden later is dus 17 september) kan melden om bijstand aan te vragen; als hij als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets recht heeft op algemene bijstand, wordt die bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan en kan deze dag, in afwijking van artikel 44, eerste lid (volgens welk de bijstand niet wordt toegekend over de tijd vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen), liggen vóór de dag waarop belanghebbende zich heeft gemeld doch niet voor 1 januari 2012.

Uiteraard geldt dit ook voor personen die inmiddels door inkomen en/of vermogen niet meer aan de voorwaarden voor bijstand voldoen. Wel geldt dat de WWB als uitgangspunt heeft dat geen bijstand kan worden verleend als in het gevraagde is voorzien. Volgens de nota naar aanleiding van het verslag is daarom voorwaarde dat de betrokkene schulden heeft moeten maken of heeft moeten interen op een vermogen dat na die intering minder bedraagt dan het vrij te laten vermogen. Als het het betrokken huishouden is gelukt de uitgaven in overeenstemming te brengen met de lagere inkomsten dan heeft het volgens de regering geen recht op een nabetaling. Voorts dient men aan te tonen dat men voldaan heeft aan de plicht tot arbeidsinschakeling.

Als gevolg van dit wetsvoorstel in combinatie met het verzoek aan gemeenten om te anticiperen is de huishoudinkomenstoets niet toegepast op het zittend bestand.

Zittende uitkeringsgerechtigden voor wie de huishoudinkomenstoets voordelig was raken dit voordeel niet met terugwerkende kracht maar uiterlijk per 1 januari 2013 kwijt.

Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten[bewerken]

Aanhangig in de Eerste Kamer is het Voorstel van wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en enkele andere sociale zekerheidswetten (Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten), volgens welk de uitkering van iemand die in een woning woont met in totaal n volwassenen, [ 30 + 40 / n ] % van het referentieminimumloon bedraagt (kostendelersnorm). Dit is dus 70% bij 1 persoon, 50% bij 2, 43 1/3 % bij 3, 40% bij 4, 38% bij 5, enz. De inkomens- en vermogenstoets zullen net als nu individueel of per paar toegepast worden.

Niet meegerekend wordt de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft. Een grootouder, ouder, kind, kleinkind, broer of zus die tegen een commerciële prijs bijvoorbeeld een kamer huurt telt dus wel mee.

Ook personen jonger dan 21 jaar worden niet meegerekend.

Voor wie jonger is dan 21 jaar of de AOW-leeftijd heeft bereikt geldt de formule met een ander referentiebedrag.

Verder verplicht het wetsvoorstel de gemeente beleid te formuleren om aan mensen die een WWB-, IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangen en de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt maar nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd, en niet volledig arbeidsongeschikt zijn, onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden als tegenprestatie voor de uitkering op te dragen en daar uitvoering aan te geven, zie onder. De beoogde ingangsdatum van dit onderdeel is 1 juli 2014.

Er wordt gepraat over aanpassingen en uitstel.[11]

Invoeringswet Participatiewet[bewerken]

Aanhangig in de Eerste Kamer is de Wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Participatiewet). De naam "Wet werk en bijstand" wordt gewijzigd in Participatiewet; ook de inhoud wordt gewijzigd. De Wet sociale werkvoorziening wordt gewijzigd. De naam "Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten" (Wajong) wordt gewijzigd in "Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten". Deze geldt dan alleen nog voor duurzaam volledig arbeidsongeschikte jonggehandicapten. Beoogde inwerkingtreding is op 1 januari 2015.[12]

In eerdere instantie was de citeertitel Invoeringswet Wet werken naar vermogen (WWNV), en bevatte deze de bepaling dat de nieuwe versie van de Wet werk en bijstand als citeertitel zou krijgen Wet werken naar vermogen (WWNV).[13] De vierde nota van wijziging, van december 2013, van het wetsvoorstel Invoeringswet Wet werken naar vermogen heeft het ingrijpend gewijzigd, en ook de citeertitel gewijzigd in Invoeringswet Participatiewet.

Werklozen met een beperking, zoals een handicap of verslaving, zouden meer aan het werk moeten worden geholpen door gemeenten.[14]

Gemeenten zouden één ontschot (ook genoemd: gebundeld) re-integratiebudget krijgen (de gemeente krijgt een totaalbedrag, zonder voorschrift welk deel daarvan voor elke categorie mag worden uitgegeven). De belangrijkste wijzigingen van de WWNV zouden zijn dat personen die niet in staat zijn het minimumloon te verdienen, bijvoorbeeld door een handicap, gebruik zouden kunnen maken van loondispensatie. De werkgever zou dan enkel het salaris betalen voor het deel dat iemand werkelijk kan werken. De gemeente zou aanvullen tot een inkomen dat tussen dat van de bijstand en dat van het minimumloon ligt.

Een jonggehandicapte gaat vallen onder de Participatiewet, en krijgt dus te maken met de afhankelijkheid van de uitkering van het inkomen van een eventuele partner, en met de vermogenstoets. Inmiddels is overeengekomen dat dit niet gaat gelden voor oude gevallen.

Er komt een regeling die gemeenten in staat stelt door middel van individueel maatwerk voor kwetsbare groepen met een zorgbehoefte de effecten van de kostendelersnorm te compenseren.

Omdat door de ingrijpende vierde nota van wijziging onoverzichtelijk is geworden wat de geconsolideerde tekst is van het voorstel tot wijziging van de Wet werk en bijstand, en des te meer wat de nieuwe tekst van die wet (dan Participatiewet geheten) wordt, heeft de regering de voorgestelde nieuwe tekst gepubliceerd, met de wijzigingen gemarkeerd.[15]

Alleenstaande ouder[bewerken]

De bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder bedraagt 90% van het referentieminimumloon, tegen 70% voor een alleenstaande zonder kinderen die zelfstandig woont. De toeslag voor het verzorgen van een of meer kinderen bedraagt dus 20% van het referentieminimumloon, dit is ongeveer € 3.200 per jaar. Omdat dit netto bedragen zijn zit er de alleenstaande-ouderkorting van € 947 in verwerkt.

Aanhangig is de Wet hervorming kindregelingen volgens welke de aparte norm voor de alleenstaande ouder wordt afgeschaft. In plaats daarvan komt de alleenstaande-ouderkop, die wel afhankelijk is van het inkomen, maar verder niet van wel of niet werken. Dit beoogt de armoedeval weg te nemen.

Algemene bijstand[bewerken]

Algemene bijstand is een uitkering voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

Tot algemeen noodzakelijke kosten worden niet gerekend:

  • de voldoening van alimentatieverplichtingen;
  • de betaling van een boete;
  • geleden of toegebrachte schade;
  • vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering;
  • kosten van medische behandeling die als ontwikkelingsgeneeskunde zijn aan te merken, of kosten die in het buitenland worden gemaakt.

Bijzondere bijstand[bewerken]

Bijzondere bijstand is een uitkering voor uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan die niet uit het inkomen of vermogen kunnen worden voldaan.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan vergoeding voor de eigen bijdrage thuiszorg, brillen, hoortoestellen en orthopedisch schoeisel, veelal is een aanvullende zorgverzekering een vereiste om voor vergoeding voor medische kosten in aanmerking te komen. Maar ook vergoeding voor schoolreisjes of het lidmaatschap van een sportclub.

Het college van Burgemeester en wethouders dient de noodzaak van de bijstandsverlening vast te stellen. Daarbij heeft het college enige beoordelingsvrijheid. Daarnaast heeft het college een behoorlijke beleidsvrijheid als het gaat om het bepalen van de draagkracht.

Er bestaan in de praktijk soms grote verschillen tussen de verschillende gemeenten in de wijze waarop de verlening van bijzondere bijstand plaatsvindt.

Anders dan een aanvraag voor algemene bijstand, moet een aanvraag voor bijzondere bijstand niet bij het UWV worden ingediend maar bij het college van burgemeester en wethouders. Doorgaans zal de aanvrager zich daarvoor tot de Gemeentelijke Sociale Dienst moeten wenden.

Categoriale inkomensondersteunende voorzieningen houden in dat aan een categorie mensen inkomensondersteuning wordt verstrekt zonder dat voor iedereen in de categorie wordt vereist dat hij de (on)kosten daadwerkelijk maakt, en dat de ondersteuning noodzakelijk is. Artikel 35 WWB staat gemeenten toe deze te verlenen aan mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, aan chronisch zieken en gehandicapten, en aan mensen met schoolgaande kinderen, mits deze mensen een inkomen hebben van niet meer dan 110% van de bijstandsnorm. Zie ook gemeentelijk minimabeleid.

Langdurigheidstoeslag[bewerken]

Op grond van artikel 36 van de WWB verlenen gemeenten op aanvraag een zogenaamde langdurigheidstoeslag. De langdurigheidstoeslag is een tegemoetkoming voor personen van 21 tot 65 jaar die langere tijd van een minimuminkomen hebben moeten leven, geen of weinig eigen vermogen hebben en ook geen uitzicht hebben op betaald werk. De gemeente stelt zelf het beleid en de uitvoering ervan vast. In een gemeentelijke verordening is vastgelegd hoe hoog de langdurigheidstoeslag is en wanneer er sprake is van een langdurig laag inkomen.

Aanhangig is de Invoeringswet Participatiewet (zie boven) met onder meer vervanging van de langdurigheidstoeslag door een Individuele inkomenstoeslag.

Algemeen geaccepteerde arbeid[bewerken]

Onder de WWB is de cliënt die jonger is dan de AOW-leeftijd verplicht om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Dit is een verzwaring ten opzichte van de Abw waarin nog werd gesproken van passende arbeid.

Tegenprestatie[bewerken]

De Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden heeft aan WWB art. 9, 1e lid toegevoegd onderdeel c, dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd verplicht naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. In gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren besteedt de klant hier gemiddeld 16 uur per week aan, maar de variatie onder gemeenten is groot: in een aantal gemeenten ligt het gemiddelde rond de 4 uur, maar er zijn ook gemeenten die klanten minstens 24 uur aan de tegenprestatie laten besteden per week. De gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren geven in meerderheid aan dat het instrument ook wordt ingezet om burgers te ontmoedigen een uitkering aan te vragen. Gemeenten kiezen hiervoor als zij het vermoeden hebben dat deze de uitkering eigenlijk niet nodig heeft, of als onderdeel van een beleid om de instroom te verkleinen. Bij ongeveer de helft van de gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren is de gemiddelde duur korter dan een halfjaar. Ongeveer de helft van de gemeenten die de tegenprestatie uitvoert heeft een maximum gesteld aan de duur van de tegenprestatie. Een aantal gemeenten geeft aan dat de duur afhankelijk is van de individuele situatie, of dat de tegenprestatie duurt tot het einde van de uitkering. In de meeste gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren heeft de WWB'er invloed op de keuze van de activiteiten die hij opgelegd krijgt. De minister juicht dit toe.[16][17]

Aanhangig is de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten (zie boven) die onder meer bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het opdragen van de tegenprestatie, die in ieder geval ook betrekking hebben op hoe wordt omgegaan met de situatie dat niet direct maatschappelijk nuttige activiteiten voorhanden zijn. Hierbij worden alle colleges dus verplicht beleid te formuleren om de genoemde tegenprestatie op te dragen en daar uitvoering aan te geven. Het college legt geen tegenprestatie op aan personen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de tegenprestatie.

Omdat de tegenprestatie geacht kan worden te vallen onder het "opleggen van normale burgerlijke verplichtingen dan wel kleine gemeenschapsdiensten" en deze bovendien alleen verlangd wordt van degene die is aangewezen op uitkeringen die bekostigd worden uit de algemene middelen, en daarnaast nog onder de beperkende voorwaarde dat betrokkene deze verplichtingen naar vermogen kunnen worden opgelegd, is er volgens de regering geen schending van het verbod op dwangarbeid. Zie ook werkverschaffing.

Een en ander geldt ook voor degenen met een IOAW- of IOAZ-uitkering.

Zelfstandig ondernemerschap[bewerken]

Het Besluit van 10 oktober 2003 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004) (Bbz) het verschaffen van financiële steun aan mensen in de bijstand, die zelfstandig ondernemer willen worden. Voordat de Bbz bestond werden bijstandsgerechtigden die zelfstandig ondernemer wilden worden, geholpen met micro-kredieten.

Er kan een renteloze lening worden verstrekt van maximaal € 2534,00 en deze wordt alleen rentedragend wanneer de betrokkene daadwerkelijk zijn bedrijf start. Wanneer zijn bedrijf echter niet levensvatbaar wordt, wordt dit bedrag omgezet in een schenking.

Daarnaast bestaat er nog de mogelijkheid tot het aanvragen van een rentedragend krediet van maximaal € 30.668,00 tegen een rentepercentage van 4,5% en een looptijd van 10 jaren.

Ten derde kan er nog aanspraak worden gemaakt op een uitkering inzake levensonderhoud als aanvulling op het eigen (gezins)inkomen (tot het bedrag, wat men anders ook als bijstandsinkomen had gehad), gedurende maximaal 36 maanden (3 jaren), nadat men van start is gegaan als ondernemer. Men houdt dan zolang een bijstandsuitkering als aanvulling op het inkomen als zelfstandige. Deze bijstandsuitkering wordt dan verstrekt als een lening en moet alleen worden terugbetaald als het bedrijf echt succesvol is. Dit is niet het geval als de onderneming binnen die 3 jaren wordt gestaakt.

De gemeente (sociale dienst) is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Bbz., maar schakelt vaak de onafhankelijke advies- en begeleidingsorganisatie IMK Intermediair (Instituut Midden- en Kleinbedrijf) in om de cliënten te begeleiden die zelfstandig ondernemer willen worden.

Cliënten zijn tijdens dit traject vrijgesteld van hun sollicitatieplicht en hoeven niet langer ingeschreven te staan bij het UWV WERKbedrijf.

Rechtsbescherming[bewerken]

Tegen beslissingen over het (niet) verlenen van bijstand en beslissingen over terugvordering kan betrokkene een bezwaarschrift indienen. Op die procedure is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat impliceert dat tegen de beslissing op bezwaar desgewenst beroep kan worden ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank en eventueel hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. In spoedgevallen kan ook een voorlopige voorziening gevraagd worden bij de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Samenhang met verblijfsrecht[bewerken]

Gemeenten worden vanaf 1 januari 2015 verplicht de Immigratie- en Naturalisatiedienst in te schakelen als een EU-burger bijstand aanvraagt en er twijfel is over het verblijfsrecht. Nu is het nog zo dat de IND achteraf toetst of het toekennen van bijstand gevolgen heeft voor het verblijfsrecht.[18]

Wet koopkrachttegemoetkoming lage inkomens[bewerken]

Aanhangig in de Eerste Kamer is de Wijziging van de Wet werk en bijstand en enige andere wetten in verband met het verstrekken van een koopkrachttegemoetkoming aan lage inkomens (Wet koopkrachttegemoetkoming lage inkomens). Het gaat om een eenmalig belastingvrij bedrag van € 100 voor een paar, € 90 voor een alleenstaande ouder en € 70 voor een alleenstaande. Het betrof in eerste instantie een recht op een koopkrachttegemoetkoming voor bijstandsgerechtigden in combinatie met een bevoegdheid voor gemeenten om andere huishoudens met een inkomen tot ten hoogste 110% van het sociaal minimum de koopkrachttegemoetkoming te verstrekken, waarbij laatstgenoemden dus geen recht zouden hebben op de uitkering op grond van de wet, het zou ervan afhangen welke criteria de gemeente zelf zou hanteren. Als gevolg van een aangenomen amendement behelst het voorstel nu dat iedereen met een inkomen onder de grens recht heeft op de uitkering. Er is, onder meer om uitvoeringstechnische redenen, geen vermogenstoets.

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. http://www.ipsz.nl/pagina/8515/huishoudinkomenstoets
  2. Knelpunten bij het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ (32 815)
  3. Per 1 juli 2013 resulteerde bijvoorbeeld een stijging van het bruto minimumloon van € 9,07 per maand in een stijging van het referentieminimumloon van € 1,57 per maand (zie verderop in de paragraaf). Deze laatste stijging is € 7,50 per maand minder, waarvan € 4,17 per maand door de afbouw van de dubbele heffingskorting, en € 3,33 per maand door de marginale loonheffing van 37% over de toename. Voor wat betreft dit laatste bedrag kunnen er door de indeling in loonklassen van € 4,50 per maand afrondingsverschillen tot € 1,67 per maand zijn; bij de stijging van het bruto minimumloon van € 9,07 per maand had de toename van de loonheffing ook € 5 per maand kunnen zijn, waardoor het referentieminimumloon € 0,10 per maand zou zijn gedaald.
  4. De mogelijkheid dat recht ontstaat op aanvullende bijstand als van twee partners één voltijds tegen het minimumloon werkt, en de ander wel wil werken maar geen werk kan vinden, zou een logische consequentie zijn van het minder dan het referentieminimumloon verdienen, maar impliciet wordt dit in de MvT als ongewenst beschouwd.
  5. a b http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/regelingen/2013/11/19/rekenregels-bijlage-ii-1-t-m-ii-3.html
  6. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-25906.html
  7. Bijstand
  8. Dit zijn behoudens afrondingsverschillen vaste percentages. Dat de percentages geen ronde getallen zijn komt doordat de bedragen vóór 2012 gekoppeld waren aan de hoogte van de AOW-uitkering.
  9. http://www.svb.nl/Images/F%26CU12%2E0340%20De%20SVB%20in%20de%20eerste%20acht%20maanden%20van%202012%20DEFINITIEF.pdf
  10. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/01/15/kamerbrief-zelfstandigen-en-pensioen.html
  11. http://www.telegraaf.nl/binnenland/22260712/__Uitstel_voor_nieuwe_wet_op_bijstand__.html
  12. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/12/02/wetsvoorstel-invoering-participatiewet.html
  13. Wet werken naar vermogen (WWNV), Rijksoverheid. - Onderwerp: Wet werken naar vermogen
  14. De Krom loodst 'nieuwe bijstand' door Kamer, AD, 19 april 2012.
  15. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/01/10/bijlage-wwb-na-invoering-van-de-participatiewet-dd-6-januari-2014.html
  16. Voor wat, hoort wat. Een beschrijving van de uitvoering van de tegenprestatie naar vermogen door gemeenten
  17. Zie ook [1] en [2].
  18. http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/szw/nieuws/2013/07/10/geen-uitkering-voor-eu-burgers-zonder-verblijfsrecht.html

Externe links[bewerken]