Stichting Pensioenfonds ABP

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Stichting Pensioenfonds ABP
Tot 1996 Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds
Op de achtergrond het hoofdkantoor van het ABP in Heerlen, gezien vanaf de N281.
Op de achtergrond het hoofdkantoor van het ABP in Heerlen, gezien vanaf de N281.
Oprichting 1922
Oprichter(s) Rijksoverheid
Eigenaar Rijksoverheid
Geprivatiseerd sinds 1996
Sleutelfiguren Henk Brouwer, voorzitter van het bestuur
Hoofdkantoor Heerlen
Leden 2,8 miljoen
Actieve leden 1,1 miljoen deelnemers
913 duizend slapers
780 duizend gepensioneerden
Beheerd vermogen 281 miljard (2012)
Producten Pensioenen
Website www.abp.nl
www.apg.nl
Portaal  Portaalicoon   Economie

Stichting Pensioenfonds ABP (vaak kortweg aangeduid als ABP) is het bedrijfstakpensioenfonds voor de overheid en het onderwijs. ABP staat voor Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, het ABP is het grootste pensioenfonds van Nederland, alle ambtenaren - ook de gepensioneerden - zijn erbij aangesloten, in totaal zijn dit in 2012 2,8 miljoen mensen. Het ABP heeft anno 2012 ruim 1,1 miljoen actieve deelnemers (premiebetalers), 913 duizend slapers (mensen die ooit pensioen opbouwden bij het ABP en die nog pensioen tegoed hebben) en 780 duizend gepensioneerden.[1] Aan die laatste groep verstrekt het fonds ruim 5 miljard aan pensioenen per jaar.

Het ABP had eind 2013 een vermogen van 300 miljard euro, waarmee het het op een na grootste pensioenfonds ter wereld is. Het hoofdkantoor van ABP is gevestigd in Heerlen. De Nederlandsche Bank houdt toezicht op het ABP. In andere Europese landen is deze vorm van een overheidspensioenfonds onbekend.

Het louter bestaan van het pensioenfonds ABP verhoogt de statistische Nederlandse staatsschuld met 300 miljard euro[2], waarbij discutabel is hoe deze verhoging moet worden meegewogen in de evaluatie van de Nederlandse overheidsfinanciën.[3][4]

Deelnemers[bewerken]

De deelnemers vormen het personeel bij wat wordt aangeduid als overheid en onderwijs (O & O).

De sectoren waar het personeel onder het ABP valt zijn:

  • De sectoren Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, defensie, politie, rechterlijke macht en publiekrechtelijke ZBO’s (met uitzondering van het UWV). Het personeel heeft een ambtelijke aanstelling; het zijn ambtenaren die vallen onder de Ambtenarenwet.
  • De sectoren MBO en HBO, en de privaatrechtelijke ZBO’s die zogeheten B3-lichamen zijn. Het personeel heeft een arbeidsovereenkomst.
  • De sectoren PO, VO, WO, onderzoekinstellingen en (tot 1 jan 2014[5]) de universitair medische centra. Elk van deze sectoren is verdeeld in een publiekrechtelijk deel en een privaatrechtelijk deel. Dit laatste bestaat vooral uit het bijzonder onderwijs in de genoemde sectoren.

Voor de gehele O & O geldt dat de werkgevers eigenrisicodrager voor de WW zijn.

Er is een Stichting VSO (afkorting van Verbond van sectorwerkgevers) waarin deelnemen: de minister van Onderwijs, als werkgever van het voortgezet en primair onderwijs; de minister van Defensie, als werkgever van de sector defensie; de minister van Veiligheid en Justitie als werkgever van de sector rechterlijke macht; de VNG als werkgever van de sector gemeenten; het IPO als werkgever van de sector provincies; de Unie van Waterschappen als werkgever van de sector waterschappen; de HBO-raad als werkgever van de sector hoger beroepsonderwijs; de VSNU als werkgever van de sector universiteiten; de NFU als werkgever van de sector universitair medische centra; de WVOI als werkgever van de sector onderzoeksinstellingen; de MBO Raad als werkgever van de sector middelbaar beroepsonderwijs en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als werkgever van de sectoren rijk en politie.

Sommige werkgevers binnen O & O maken ook wel gebruik van uitzendkrachten, gedetacheerden en payrollers. Ze zijn dan niet de formele werkgever, en voor de werknemer gelden de arbeidsvoorwaarden van hun formele werkgever: het uitzendbureau, detacheerbureau of payrollbedrijf. Dit betekent onder meer dat ze niet onder het ABP vallen, en dat ook bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen vaak niet van toepassing zijn. Het betekent ook dat de O & O - opdrachtgever ("feitelijke werkgever") na afloop niet de eventuele WW-uitkering hoeft te betalen.

Er is een inhuurnorm: ministeries mogen niet meer dan 13 procent van hun personeelsbudget besteden aan de inhuur van externe krachten, of anders uitleggen waarom dat nodig was.

Soorten pensioen[bewerken]

ABP biedt een inkomen bij:

  • ouderdomspensionering:
    • Voor wie geboren is voor 1950 is er de aflopende regeling van FPU, gevolgd door ABP OuderdomsPensioen
    • Voor wie geboren is na 1949 is er ABP KeuzePensioen, zie onder.
  • arbeidsongeschiktheid: ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen (AAOP) - aanvulling op de WIA, verving per 1 januari 2007 voor nieuwe gevallen het ABP InvaliditeitsPensioen (IP) en de Herplaatsingstoelage (HPT).
  • overlijden: ABP NabestaandenPensioen (levenslange uitkering aan de partner na overlijden van de deelnemer of gepensioneerde, mits het partnerschap is aangegaan vòòr de deelnemer of gepensioneerde 65 jaar werd)

ABP KeuzePensioen[bewerken]

Artikel 7.3 van het pensioenreglement[6] bepaalt dat de deelnemer of gewezen deelnemer recht heeft op ouderdomspensioen op de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt. Het ouderdomspensioen gaat niet later in dan op de eerste dag van de maand waarin de werknemer 70 jaar wordt. Artikel 7.4 bepaalt dat de werknemer het ouderdomspensioen eerder kan laten ingaan, maar niet eerder dan op de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 60 jaar bereikt wordt. Artikel 7.6 bepaalt dat als het ouderdomspensioen eerder of later ingaat dan de eerste dag van de maand na die waarin de betrokkene 67 jaar is geworden, ABP het pensioen verlaagt of verhoogt met toepassing van de factoren, die voor hele jaren zijn opgenomen in bijlage G bij het reglement. Voor een tussenliggende aanvangsleeftijd wordt de factor door lineaire interpolatie bepaald. Uitgangspunt lijkt te zijn pensioen aanvangend rond de verjaardag.[7] Bij aanvang van het pensioen op 65-jarige leeftijd levert een maand uitstellen van het pensioen een verhoging van het periodieke bedrag van 0,575% op.

Uit het wettelijke doorwerkvereiste volgt dat ingeval de dienstbetrekking eindigt op of na de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 65 jaar bereikt wordt het pensioen niet later mag ingaan dan de dag waarop de dienstbetrekking eindigt.

Een voormalige deelnemer ("slaper") moet zijn pensioen uiterlijk op 65-jarige leeftijd laten ingaan.[8]

Het is mogelijk om stapsgewijs met pensioen te gaan, het aantal uren dat men per week werkt gaat dan niet in één keer, maar in twee of meer stappen naar nul. Voor het ABP KeuzePensioen geldt: hoe langer de werknemer doorwerkt, hoe hoger zijn pensioen wordt.

Met het KeuzePensioen kan voor een variabele uitkering worden gekozen, het pensioen is dan bijvoorbeeld de eerste jaren hoger dan daarna, of omgekeerd (bijvoorbeeld lager omdat men nog doorwerkt, of hoger omdat het huis nog niet is afbetaald, of om een periode zonder AOW te overbruggen, zie ook hieronder). De totale hoeveelheid opgebouwd pensioenkapitaal blijft wel gelijk (met dien verstande dat een werknemer die deels stopt met werken nog wel pensioen opbouwt over de uren die hij werkt), dus een variabele uitkering is een deel van de tijd hoger en een deel van de tijd lager dan een vaste uitkering zou zijn.[9] Het lagere pensioen mag niet lager zijn dan 75% van het hogere (excl. het deel dat het gemis aan AOW compenseert). Een slaper kan niet kiezen voor een hogere uitkering vóór de AOW ingaat.

Deelnemers van het ABP die geen partner hebben of een partner hebben die zelf een pensioen heeft opgebouwd, kunnen hun nabestaandenpensioen inruilen voor een hoger ouderdomspensioen (zie hierna).

Samenhang AOW[bewerken]

Pensioen is in principe een aanvulling op de AOW, maar kan eerder of later ingaan. De AOW start op de AOW-leeftijd, die elk jaar stijgt. Iemand die kiest voor stoppen met werken en ingaan van het pensioen na de AOW-leeftijd krijgt toch vanaf de AOW-leeftijd AOW, dit komt bovenop het salaris dat hij dan nog verdient. Omgekeerd geldt dat als iemand kiest voor stoppen met werken en ingaan van het pensioen vóór de AOW-leeftijd hij niet alleen een lager pensioen krijgt dan bij ingaan van het pensioen op de AOW-leeftijd maar ook nog geen AOW - dit kan dus veelal alleen als de betrokkene spaargeld heeft waarop hij kan interen. Daarnaast is een van de toepassingen van de bovenvermelde variabele uitkering een hogere uitkering tot de AOW-leeftijd, ter compensatie van het ontbreken van AOW.

Als men op 65-jarige leeftijd stopt met werken en het pensioen laat ingaan, dan wordt standaard aangenomen dat men ter compensatie tot de AOW-leeftijd een hoger pensioen wil (en dus de rest van het leven een iets lager pensioen). Als men deze hoog-laag-constructie niet wil moet men verzoeken om die niet toe te passen (opt-outsysteem).[10] Dit is in ieder geval nodig als men in aanmerking komt voor de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (door het ABP "SVB-regeling" genoemd), want aanvullend pensioen telt als inkomen dat daarop gekort wordt (waardoor in dit geval de overbruggingsuitkering AOW geheel vervalt).

Bij een laag aanvullend pensioen kan het voorkomen dat dit niet genoeg is om het AOW-gat te compenseren. Men zou dan tot de AOW-leeftijd minder krijgen dan het bedrag van de AOW, en daarna helemaal geen aanvullend pensioen meer.

Als men doorwerkt tot de AOW-leeftijd en dan het pensioen laat ingaan dan krijgt men een hoger pensioen dan als men het al op 65-jarige leeftijd laat ingaan.

Pensioengevend inkomen en franchise[bewerken]

Het zogenaamd pensioengevend inkomen is het voltijdse bruto jaarloon, het echte bruto inkomen kan minder zijn bijvoorbeeld omdat iemand in deeltijd werkt of op dat moment werkloos is. De premiegrondslag is het deel van het pensioengevend inkomen waarover pensioenpremie wordt betaald, dit is het pensioengevend inkomen minus de franchise (2012: € 10.850; 2013: € 10.950). De franchise is wat hoger dan de AOW-uitkering voor iemand met een gezamenlijke huishouding (ruwweg € 10.000), en lager dan de AOW-uitkering voor een alleenstaande (ruwweg € 14.000). Omdat iedereen die in Nederland woont een AOW-uitkering krijgt, hoeven werknemers over dat deel van het salaris geen pensioen op te bouwen.

Tot 1986 was er een systeem van "inbouw" van AOW, met per opbouwjaar een verrekening van 2% van de AOW-uitkering. Sinds 1986 wordt het franchisesysteem toegepast. In de periode 1986-1994 was er een gehuwdenfranchise van 2,5% van de AOW-uitkering van twee gehuwden samen, en een lagere ongehuwdenfranchise (ook van toepassing op een gehuwde vrouw) van 2,5% van de AOW-uitkering van een alleenstaande. Sinds 1995 is de franchise niet meer afhankelijk van de burgerlijke staat, voor iedereen wordt de ongehuwdenfranchise gehanteerd. Gehuwden zijn dus over een groter deel van hun salaris premie gaan betalen.[11]

De premie wordt betaald over de periode in een jaar dat iemand deelnemer van een fonds is (werkt iemand een half jaar, dan betaalt hij ook een half jaar premie), vermenigvuldigd met de deeltijdfactor (werkt iemand 50% dan betaalt hij ook maar 50%). Bij werkloosheid wordt de premie vermenigvuldigd met de factor 0,5 bij een ontslaguitkering (wachtgeld) (je betaalt dan dus de helft), of de factor 0,375 bij een WW-uitkering, al of niet met aanvullende en/of aansluitende uitkering. Overeenkomstig deze factoren wordt het jaar meegeteld bij de bepaling van de pensioengeldige tijd.

Pensioenpremie[bewerken]

Werkenden, ook degenen die niet meer van de FPU-regeling gebruik kunnen maken, moeten nog wel overgangspremie VPL betalen voor de werknemers die nog wel met de FPU kunnen. De overgangspremie VPL wordt vanaf 1 januari 2014 volledig betaald door de werkgever. De werkgever heeft de betaling overgenomen, daar staat tegenover dat de werknemer vanaf die datum verhoudingsgewijs meer pensioenpremie betaalt. Tot 1 januari 2014 betaalde de werknemer 30% van zijn eigen pensioenpremie, 70% kwam voor rekening van de werkgever. Deze percentages zijn sinds 1 januari 2014: 65,7% voor de werkgever en 34,3% voor de werknemer. Vanaf 1 januari 2016 worden er geen FPU-uitkeringen meer uitbetaald, de betaling van de overgangspremie VPL loopt echter nog door tot 1 januari 2023. Als de betaling van de overgangspremie VPL stopt, heeft de werkgever het voordeel dat hij minder hoeft bij te dragen aan het pensioen van de werknemer. [12]

Voor de bepaling van de premie wordt van het pensioengevend inkomen (zie boven) de franchise afgetrokken. Dit bedrag is de basis voor de pensioenpremie, de zogenoemde premiegrondslag.

Op 1 april 2012 was de pensioenpremie ABP KeuzePensioen - ouderdomspensioen/nabestaandenpensioen (OP/NP) inclusief tijdelijke herstelopslag 24,1%, de Anw-compensatie 0,3% en de overgangspremie VPL (zonder franchise) 3,9%. De premies worden betaald door werkgever en werknemer samen. De verdeling is als volgt: van de premie OP/NP betaalt de werkgever 70% en de werknemer 30%, van de Anw-compensatie betaalt de werkgever 25% en de werknemer 75% en van de overgangspremie VPL betaalt de werkgever 40% en de werknemer 60%. Op 1 januari 2014 is het opbouwpercentage van het ouderdomspensioen verlaagd. Het opbouwpercentage is het bedrag dat een werknemer fiscaal-vriendelijk mag opbouwen. Dit percentage was 2,05% van het pensioengevend inkomen en is vanaf 1.1.2014 1,95%. Omdat er minder opgebouwd mag worden, is de premie verlaagd naar 21,6%. De premies worden nog steeds betaald door werkgever en werknemer, de verdeling is wel gewijzigd. Vanaf 1.1.2014 betaalt de werkgever 65,7% en de werknemer 34,3% van de OP-premie. De overgangspremie VPL (per 1.1.2014 4%) wordt vanaf 1.1.2014 volledig door de werkgever betaald, deze premie vervalt per 1.1.2023. De Anw-premie is gelijk gebleven, ook de verdeling werkgever/werknemer is niet veranderd. [13] [14] [15]

Pensioenopbouw[bewerken]

De pensioenopbouw per uitkeringsjaar is in een opbouwjaar een percentage (2012: 2,05%[16]; 2014: 1,95%[17]) van de premiegrondslag, vermenigvuldigd met de pensioengeldige tijd in dat opbouwjaar. Het pensioen per uitkeringsjaar is de totale pensioenopbouw over alle opbouwjaren (middelloonsysteem). Dit bedrag geldt bij een pensioneringsleeftijd van 65 jaar. Bij een andere pensioneringsleeftijd wordt het pensioen met een factor vermenigvuldigd, variërend van 0,707 bij een pensioneringsleeftijd van 60 jaar tot 1,514 bij een van 70 jaar. Als in het eerste geval gekozen wordt voor een pensioen dat voor het ingaan van de AOW-uitkering hoger is dan daarna dan is de factor eerst hoger en later lager dan de genoemde 0,707.

Zoals gezegd, tot 1986 was er een systeem van "inbouw" van AOW, en sindsdien het franchisesysteem, echter met in de periode 1986-1994 een gehuwdenfranchise en een lagere ongehuwdenfranchise. Voor zover een pensioen dat nu en/of in de toekomst wordt ontvangen in die perioden is opgebouwd wordt nog rekening gehouden met die systemen, met als gevolg dat het pensioen van een ongehuwde hoger is dan van een gehuwde (de eerste krijgt een aanvulling voor alleenstaanden, niet te verwarren met de verhoging omdat verzekering van nabestaandenpensioen niet van toepassing is, zie onder). Daarbij gaat het om de burgerlijke staat ten tijde van de uitkering van de pensioentermijn. Het kan dus zijn dat men de hoge pensioenpremie voor alleenstaanden heeft betaald en het lage pensioen voor gehuwden krijgt, of omgekeerd. Ook bij verandering van burgerlijke staat na aanvang van het pensioen verandert het pensioen dienovereenkomstig. Als bijvoorbeeld een AOW-gerechtigde met aanvullend ABP-pensioen gaat samenwonen met iemand met alleen AOW gaat niet alleen de AOW-uitkering van beiden omlaag, maar ook het pensioen.

Per 1 januari 2014 gaat wettelijk de pensioenrichtleeftijd omhoog van 65 naar 67 jaar (zie Witteveenkader). Dit betekent dat het dan geldende opbouwpercentage (dat het ABP nog niet heeft vastgesteld, maar dat wettelijk niet hoger mag zijn dan 2,15%) geldt op basis van aanvang van het pensioen op 67-jarige leeftijd. Het tot 2014 opgebouwde pensioen op basis van aanvang op 65-jarige leeftijd en het vanaf 2014 opgebouwde pensioen op basis van aanvang op 67-jarige leeftijd worden beide actuarieel neutraal omgerekend naar een pensioen vanaf de daadwerkelijke, gekozen aanvangsleeftijd.

Het genoemde systeem van pensioenopbouw, onafhankelijk van leeftijd, is relatief ongunstig voor jongeren (gunstig voor het ABP t.a.v. jongeren), omdat de relatieve aangroei door indexering gemiddeld minder is dan het gemiddeld door ABP behaalde rendement op het vermogen, en omdat er ook een sterftekans is tussen opbouw en pensionering.

Afzien van nabestaandenpensioen[bewerken]

Iemand die bij pensionering (of gedeeltelijke pensionering) geen partner heeft, krijgt een toeslag (verhoging genoemd, niet te verwarren met wat aanvulling wordt genoemd) omdat het ABP NabestaandenPensioen niet van toepassing is. Hetzelfde geldt voor wie bij pensionering met toestemming van de partner definitief afziet van dit nabestaandenpensioen, bijvoorbeeld omdat de partner zelf een goed pensioen heeft opgebouwd. Inruil van het nabestaandenpensioen voor een hoger ouderdomspensioen geldt alleen voor pensioen opgebouwd vanaf 1 juli 1999. De toeslag bedraagt 12% over het van 1 juli 1999 tot 1 januari 2004 opgebouwde pensioen en 6% over hetgeen daarna is opgebouwd. Dat de inruil definitief is betekent ook dat er geen nabestaandenpensioen verzekerd is als een alleenstaande later alsnog een partner heeft.

Overgangsregeling afschaffing eindloonsysteem[bewerken]

Het ABP is op 1 januari 2004 overgegaan van een eindloonsysteem naar het hierboven uiteengezette middelloonsysteem. Als de opbouw eerder is gestopt geldt hiervoor het eindloonsysteem nog. Als de opbouw op 1 januari 2004 nog doorliep dan bedraagt de pensioenopbouw vóór 2004 per pensioengeldig jaar 1,75% van de premiegrondslag, gebaseerd op het pensioengevend inkomen begin 2004.

Voorwaardelijke indexatie[bewerken]

Het beleid van ABP omvat de ambitie om de pensioenen bestendig en volledig te indexeren. Het inhalen van in het verleden niet verleende volledige indexatie is onderdeel van die ambitie. Bestendig en volledig indexeren betekent dat het jaarlijks pensioenbedrag en de aanspraak op pensioen van een gewezen deelnemer wordt aangepast overeenkomstig de algemene bezoldigingswijzigingen van het overheidspersoneel. Dit gebeurt voor zover de financiële positie van het fonds dit mogelijk maakt.

Door de kredietcrisis zijn er grote beleggingsverliezen geleden, terwijl bovendien de rente is gedaald. Daarom vond er in 2009 geen indexatie plaats. Per 31 maart 2009 bedroeg de dekkingsgraad 86%; per 30 september was dit 105%.[18] In 2010 bedroeg de indexatie 0,28%. In 2011 en 2012 was de indexatie wederom 0%.[19] Tot 2013 mochten pensioenfondsen indexeren als de dekkingsgraad 105% of hoger was. Vanaf 2013 indexeren pensioenfondsen pas als de dekkingsgraad boven de 110% uitkomt.[20]

Geschiedenis[bewerken]

Het ABP werd in 1922 opgericht onder de naam Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. De oprichting was het gevolg van de in dat jaar aangenomen Pensioenwet die de pensioenen van ambtenaren regelde. Het pensioenfonds viel onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en belegde conservatief: driekwart van het geld werd belegd in Nederlandse staatsobligaties, de rest in onroerend goed en aandelen.

In het kader van de spreiding rijksoverheidspersoneel onder staatssecretaris Chris van Veen, verhuisde het ABP in 1969 van Den Haag naar Heerlen.

Het ABP kwam in 1986 opspraak door berichten dat het Rijk te veel subsidie had betaald voor woningbouwprojecten van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.[21] Dit leidde tot de Parlementaire enquête naar bouwsubsidies.

De prudente beleggingsstrategie, de beperkte productinnovatie en het feit dat de overheid nogal eens een greep deed in de spaarpot van het ABP als de overheidsfinanciën tekortschoten, leidde begin jaren negentig tot een tekort bij het ABP van dertig miljard gulden. Dit was de reden om het ABP op afstand van de overheid te plaatsen: in 1996 werd het ABP geprivatiseerd; de organisatie werd een zelfstandige stichting. De beleggingsstrategie van het ABP is na de privatisering sterk veranderd: na 1996 belegde het ABP nog maar zo'n veertig procent van het vermogen in obligaties, de overige gelden werden en worden belegd in onroerend goed en meer risicovolle beleggingen zoals hedgefondsen en private equity.[22]

Voor werknemers die na 1949 geboren zijn, is de FPU-regeling met de Wet VPL afgeschaft (FPU was de opvolger van de VUT). Deze werknemers kunnen nog wel eerder stoppen met werken, maar moeten hun vervroegde uittreding volledig zelf financieren. De FPU was voorheen deels zelf gefinancierd, maar het grootste deel werd gefinancierd middels een omslagstelsel. Bovendien konden werknemers het deel dat ze zelf moesten financieren fiscaal gunstig opbouwen. Net als het ouderdomspensioen werd de premie bruto betaald en werd er pas belasting betaald bij uitkering. De mogelijkheid om eerder te stoppen met werken is gebleven, maar het omslagstelsel is vervallen.

Uitvoeringsorganisatie APG[bewerken]

Het ABP heeft de uitvoering van de pensioenregeling per 1 maart 2008 ondergebracht in een zelfstandige uitvoeringsorganisatie: APG Algemene Pensioen Groep N.V. (kortweg APG). De APG Groep N.V. bestaat uit drie dochterorganisaties: APG, Loyalis en Inadmin. De splitsing was nodig omdat het ABP via Loyalis verzekeringen aanbood en aanbiedt en zo concurreerde met andere verzekeringsmaatschappijen. De maatschappijen beschouwden dat als oneerlijke concurrentie omdat het ABP een groot aantal 'gedwongen' klanten heeft. Nu wordt het verplichte pensioen door een andere organisatie uitgevoerd dan de vrijwillige verzekeringen.

Beleggingen[bewerken]

Het ABP had tot 2011 samen met het Pensioenfonds Zorg en Welzijn een eigen investeringsfirma: AlpInvest, AlpInvest houdt zich onder andere bezig met private equity. AlpInvest kwam diverse keren negatief in het nieuws vanwege de risicovolle beleggingen en de hoge bonussen voor de directie. AlpInvest is in 2011 verkocht aan de Carlyle Group. Daarnaast heeft het ABP deelnemingen in tientallen bedrijven, waaronder Vastgoedfonds Vesteda en tientallen hedgefondsen. Tot de oprichting van de APG was ook verzekeraar Loyalis onderdeel van het ABP.

Medezeggenschap en Verkiezingen[bewerken]

Het ABP heeft een deelnemersraad en een werkgeversraad. De deelnemersraad vertegenwoordigt werknemers en gepensioneerden. De deelnemersraad bestaat uit 36 personen: 24 vertegenwoordigers van actieven (premiebetalers) en 12 vertegenwoordigers van gepensioneerden (pensioenontvangers). Alle leden van de deelnemersraad zijn gelieerd aan een vakbond. De werkgeversraad vertegenwoordigt werkgevers binnen overheid en onderwijs, de raad bestaat uit 21 personen. Zij vertegenwoordigen bijvoorbeeld het hoger onderwijs, universiteiten, het Rijk, de politie enzovoorts.[23][24]

Van 11 tot en met 28 maart 2014 hebben 84.528 mensen hun stem uitgebracht op één van de 236 kandidaten voor het nieuwe Verantwoordingsorgaan.[25] [26] Ook onafhankelijke kandidaten werden gekozen.

ABP en de pensioencrisis van 2000[bewerken]

Eind 2000 stortten de beurzen in doordat de internetzeepbel knapte. Het rendement van het ABP daalde naar een gemiddelde van -1,6 procent en de dekkingsgraad zakte onder de honderd procent. Sindsdien eiste de politiek meer zekerheid van pensioenfondsen, pensioenfondsen moesten voortaan minstens 105 procent dekking aanhouden, deze 105 procent geldt alleen voor beleggingen in veilige obligaties. Voor beleggingen met meer risico eist De Nederlandsche Bank een hogere buffer van 125 procent. In 2005 was de dekkingsgraad weer gestegen naar 119 procent, de pensioenen waren toen al vijf jaar vrijwel niet geïndexeerd en ook de premies stegen omdat indexatie van bestaande pensioenen en premieverlaging pas is toegestaan bij een dekkingsgraad van 125 procent. En pas boven een dekkingsgraad van 140 procent mag het ABP de pensioenen weer volledig aanpassen aan de loonontwikkeling.[22]

Rentebesluit 2007 ABP[bewerken]

Het ABP heeft er tijdens de financiële crisis in 2007 bewust voor gekozen het renterisico voor 25% af te dekken en niet voor 100% of zelfs 200%, hetgeen critici achteraf bepleiten. Zie voor de discussie:[27]

ABP en de kredietcrisis van 2008[bewerken]

In de tweede helft van 2007 werd de kredietcrisis ook voor het ABP merkbaar, de beleggingen rendeerden minder dan voorheen. In 2008 moest het ABP 25% op zijn belegde vermogen afschrijven, alleen al van begin 2008 tot en met september 2008 verloor het ABP 22 miljard euro.[28] In 2007 stond de dekkingsgraad van het ABP op 140%, de dekkingsgraad is de verhouding tussen het vermogen van een pensioenfonds en de pensioenen die moeten worden uitgekeerd. Bij een dekkingsgraad van 125% staat tegenover elke € 100,- die wordt uitgekeerd een eigen vermogen van € 125,-. Over 2008 zakte de dekkingsgraad met bijna 60% naar een dieptepunt van 83% in februari 2009. Door de crisis op de financiële markten rendeerden de beleggingen van het ABP minder dan verwacht, bovendien had het ABP te riskant belegd, onder andere via de aan haar gelieerde investeringsmaatschappij Alpinvest. Eind maart kwam het ABP met een herstelplan,[29] dit plan behelsde: minder riskant beleggen, geen indexatie van de pensioenen en ophoging van de pensioenpremie met 3 %. Dit betekent dat van het inkomen van werknemers voortaan in plaats van 20%, 23% aan het ABP wordt overgemaakt, dit is een stijging van de door werkgevers/werknemers betaalde premie met 15%. Het ABP kondigde aan de pensioenen pas weer deels te indexeren als de dekkingsgraad het wettelijk minimum van 105% bereikt had, het ABP dacht daar in maart 2009 vijf jaar voor nodig te hebben. Volledige indexatie van de pensioenen vindt pas plaats bij een dekkingsgraad vanaf 125%. In juli 2009 ging de premie met 1 procentpunt omhoog, het ABP zei de premie vanaf 1 januari 2010 nog eens 2 procentpunt te verhogen. In realiteit steeg de premie minder dankzij gunstige beleggingsresultaten. Wat betreft de risicovolle investeringen zei het ABP toe drie procent van zijn vermogen te verschuiven van risicovolle beleggingen naar obligaties, infrastructuur en hedgefondsen. Obligaties zijn inderdaad minder risicovol, dat kan van infrastructuur en hedgefondsen niet gezegd worden.[30] Het ABP besloot in 2007 het rentirisco voor 25% af te dekken, een beslissing waar de huidige bestuursvoorzitter Henk Brouwer in 2013 nog steeds achterstaat.[31]

In december 2012 bereikte het ABP een overeenkomst met de Amerikaanse bank JPMorgan Chase & Co. Eén van de ondernemingen waar het ABP in het verleden (2006 en 2007) zeer risicovolle beleggingen gekocht had. ABP stelde dat zij beleggingen in hypotheken had aangekocht op basis van valse en misleidende informatie. Ondanks dat JPMorgan Chase deze claims ontkende, bereikte de bank en het ABP toch een schikking. Er is geen openheid gegeven over de inhoud van de schikking.[32][33] De in de woorden van ABP 'rommelbeleggingen' werden in 2006 en 2007 aangekocht door het aan ABP gelieerde AlpInvest. De leiding van AlpInvest ontving over 2007 nog een bonus van 112 miljoen euro o.a. voor de aankoop van deze achteraf slechte producten. Op 19 april 2013 bereikten Goldman Sachs en het ABP een schikking in hun RMBS-zaak.[34][35] Op 31 oktober kwamen de laatste twee schikkingen naar buiten met Credit Suisse en Morgan Stanley. Over de exacte hoogte van alle schikkingen wordt geen mededeling gedaan.[36]

Van een tweede verhoging van de premie in 2009/begin 2010 zou het ABP afzien als de dekkingsgraad op 31 december 2009 105% zou zijn. Op 30 september 2009 bereikte het ABP die dekkingsgraad van 105%, op 31 december 2009 was de dekkingsgraad 109%. Gegeven de toezeggingen van het ABP in 2009 zou het ABP met deze dekkingsgraad moeten afzien van verhoging van de premie, ook zou het ABP de uitkeringen deels moeten indexeren. In januari 2010 kwam het ABP echter met het bericht dat zij onderzoek had gedaan naar de levensverwachting van haar verzekerden waarbij het ABP zich naar eigen zeggen baseerde op gegevens van het CBS. Uit dit niet openbaar gemaakte onderzoek zou blijken dat de levensverwachting van ambtenaren de afgelopen drie jaar zoveel was gestegen dat het ABP haar vermogen met 11 miljard moest verlagen. De pensioenuitkeringen die het fonds in de toekomst moet verrichten zouden door de stijgende levensverwachting toenemen, wat een drukkend effect heeft op de dekkingsgraad. Hierdoor kwam de dekkingsgraad van het ABP volgens het ABP niet op 109% uit maar precies op 104%, door deze verlaging kon het ABP de premie toch verhogen en kon het fonds eveneens afzien van indexering van de bestaande pensioenen.[37][38]

ABP en de Europese staatsschuldencrisis van 2010[bewerken]

De Europese staatsschuldencrisis van 2010 brak uit toen Griekenland - als lid van de Eurozone - haar schulden niet meer kon financieren. Het bleek dat de staatsschuld van Griekenland veel hoger was dan de Grieken jarenlang hadden voorgespiegeld. De hoge Griekse staatsschuld leidde tot een daling van de waarde van de euro en een daling van Griekse waardepapieren. Het ABP bezat op dat moment 2,3 miljard euro Griekse staatsschulden die sterk in waarde daalden.[39]

In april 2010 deed zich de olieramp in de Golf van Mexico voor. BP (oliemaatschappij) was verantwoordelijk voor deze ramp. ABP had voor 570 miljoen euro geïnvesteerd in BP.

De investeringen in Griekenland en BP en de daling van de waarde van de euro, maakten dat de dekkingsgraad van het ABP in mei 2010 daalde naar 96 procent. Dat betekende dat de pensioenen weer niet werden geïndexeerd. Omdat de dekkingsgraad onder de 100 procent kwam, mocht ABP volgens de toezichthouder DNB niet meer meewerken aan waarde-overdracht van pensioenen naar andere fondsen. Dit verbod vervalt als de dekkingsgraad stijgt. In het tweede halfjaar van 2011 werd het pensioenfonds vol getroffen door de keiharde positie van Nederland binnen het eurogebied. Maar toen op 23 november 2011 ook de Duitse rente begon op te lopen [40], kon ook de kern van het eurogebied iets moeilijker aan kapitaal komen en liep de rekenrente heel even iets op. Maar na de Eurotop van 8 en 9 december zakte de Nederlandse tienjaarsrente weer verder weg en daarmee viel ook deze rekenrente per 31-12-2011 terug naar 2,38%, bijna het laagste niveau van 2011.[41]

Dat betekende dat de pensioenen weer niet werden geïndexeerd.

Op 6 januari 2012 kondigde DNB 2 maatregelen aan. Pensioenfondsen kregen de mogelijkheid de korting te maximeren op 7%. Tevens werd de rekenrente niet gebaseerd op de stand van de swaprente ultimo december 2012, maar op het gemiddelde van het laatste kwartaal.[42][43][44] Deze maatregel leverde een relatieve verhoging met circa 4%[45] van de rekenrente op.[46] Zou het hele jaar 2011 zijn genomen, dan steeg de tienjaarsrente van 2,38% naar 3%.[47] Om haar eigen redenen hanteert DNB nog steeds de grillige swaprentecurve, in plaats van de veel marktstabielere tienjaarsrente op de Nederlandse staatsleningen. De Tweede Kamer sprak zich op 9-11-2010 tegen de grillige swaprente uit.[48][49] Het ministerie van SZW en DNB kwamen op 17 mei 2011 met hun gezamenlijk antwoord op de aangenomen Tweede Kamer motie.[50] [51] Op 19-1-2012 was de rekenrente verder gezakt naar 2,35%. Die dag maakte ABP zijn dekkingsgraad bekend ultimo 2011 van 94%.[52][53] Op 1 februari besloot het ABP een mogelijke pensioenverlaging van 0,5% aan te kondigen per 1 april 2013. Vanaf 1 januari 2012 werd de premieopslag van 1 naar 3% met terugwerkende kracht verhoogd tot 2014.[54] Op 1 juni 2012 noteerde de tienjaarsrente een voorlopig dieptepunt van 1,532%. Op 2 juli mochten de verzekeraars met de nieuwe ultimate forward rate van 4,2% gaan rekenen. Minister Kamp liet de pensioenfondsen in het ongewisse en liet als verantwoordelijk minister niets van zich horen. Pas op 24 september kwam het kabinet via staatssecretaris Paul de Krom met een pakket waarin de ultimate forward rate op een zelfde manier is toegepast als bij de verzekeraars.[55] De dekkingsgraad van het ABP steeg hierdoor met 2,7% van 92% naar 94% ultimo augustus 2012.[56] Aan het eind van het derde kwartaal was de dekkingsgraad doorgestegen naar 97%.[57]

Op 1 februari maakte ABP bekend dat de pensioenen per 1 april 2013 voor het eerst in zijn bestaan zouden worden verlaagd met een 0,5%.[58] Dit geldt voor zowel deelnemers die pensioen opbouwen of hebben opgebouwd als gepensioneerden. Op 1 april 2013 stond de dekkingsgraad op 101%, waardoor het ABP weer mag meewerken aan het systeem van waarde-overdracht tussen de pensioenfondsen. Op 29 mei maakte het pensioenfonds bekend dat er nog steeds een tweede korting dreigt. Dit hoewel het belegde vermogen in 4 maanden tijd alweer met 16 miljard was toegenomen.[59] Op 30 januari 2014 maakte ABP bekend dat per 1 april 2014 de eerdere korting wordt teruggedraaid vanwege de gestegen dekkingsgraad per ultimo van 105,9%.[60]

Bestuursvoorzitters[bewerken]

  • Bert de Vries van juni 1997 tot 1 september 2001 (parttime)
  • Elco Brinkman van 1 september 2001 tot 1 april 2009 (parttime, gemiddeld 1 dag per week)
  • Harry Borghouts vanaf 1 april 2009 tot 1 augustus 2009
  • Ed Nijpels vanaf 1 augustus 2009 tot 19 februari 2011.[61]
  • Henk Brouwer per 1 januari 2012 [62] tot 1 juni 2014.[63]

Elco Brinkman is lange tijd bestuursvoorzitter geweest van het ABP, geheel in de lijn van het ABP koos het fonds voor een voorzitter met een flink netwerk in Den Haag. Op 1 april 2009 werd Brinkman tijdelijk opgevolgd door Harry Borghouts, toen Commissaris van de Koningin in Noord-Holland. Een groep ABP-leden, verenigd in de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen, (NBP) verzette zich tegen de benoeming van Borghouts. De NBP twijfelde aan zijn deskundigheid en betrouwbaarheid, waarbij de bond zich baseerde op de misstappen die Borghouts beging als commissaris van de Koningin en als voorzitter van de Raad van Toezicht van de IJsselmeerziekenhuizen.[64] Als gevolg van de affaire Icesave/Landsbanki binnen de provincie Noord-Holland (die de provincie 78 miljoen euro kostte) besloot Borghouts eind juni 2009 om een aantal nevenfuncties te laten vallen, waaronder die van waarnemend voorzitter van het ABP.[65] Provinciale Staten van Noord-Holland vond dit onvoldoende en dreigde met een motie van wantrouwen als Borghouts niet ook zijn functie als lid van bestuur van het ABP zou opgeven.[66]

Dat gebeurde op 1 augustus, toen Borghouts werd opgevolgd door Ed Nijpels, de voormalige VVD-fractieleider, minister, burgemeester en Commissaris van de Koningin van Friesland. Ook deze benoeming stuitte op verzet van de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen. Net als zijn voorgangers, Harry Borghouts en Elco Brinkman, grossiert Nijpels in bestuursfuncties en heeft hij geen verstand van pensioen, aldus de NBP. De vicevoorzitter van het ABP, Xander den Uyl (zoon van wijlen Joop den Uyl en naast vicevoorzitter van het ABP tevens bestuurssecretaris van de ABVAKABO FNV), verdedigde de keuze voor Nijpels. Volgens Den Uyl hoeft een voorzitter van het ABP geen financieel of pensioenexpert te zijn. Het pensioenfonds wilde vooral iemand met een netwerk in Den Haag en aan dat profiel voldeed Nijpels. De NBP meende dat het Nijpels aan kennis en tijd ontbrak om zijn werk voor het ABP goed te doen: Nijpels had op het moment van aantreden bij het ABP 25 functies.[67][68] Medio februari 2010 maakte Nijpels zijn aftreden bij het ABP bekend, dit was een paar dagen na een uitzending van het programma Reporter van de KRO waarin de val van DSB onder de loep genomen werd.[69] Volgens Nijpels zouden de onderzoeken naar DSB, waar hij tot september 2009 commissaris was, hem hinderen in zijn functioneren als voorzitter. Zijn vertrek had niets te maken met de kritiek op zijn rol binnen DSB of zijn ondeskundigheid, aldus Nijpels. Zijn vertrek werd gemotiveerd door de negatieve beeldvorming in de media rond zijn persoon, hetgeen het ABP zou kunnen schaden, aldus Nijpels.[70][71]

Ontwikkeling kapitaal, premies en uitkeringen ABP 2004-2014[bewerken]

Jaar Kapitaal x miljard euro Dekkingsgraad Premie (OP/NP) Premie VPL Premie Anw-compensatie Inkomsten uit premiebetaling x miljard euro Beleggingsresultaat x miljard euro Indexatie pensioenen Uitgekeerde pensioenen en verzekeringen x miljard euro Tienjaarsrente ultimo Rekenrente ultimo
2004 168 121% 5,8 0 5,3 3,63 4 (vast)
2005 190 120% 6,7 0 5,5 3,35 3,70
2006 208 133% 19,4% 6,5 0,17% 6,0 3,81 4,25
2007 216 140% 19,6% 6,7 7,4 2,82% 6,5 4,34 4,85
2008 173 90% 20% 4% 0,5% 7,2 - 44,1 2,05% plus na-indexatie van 1,96% (voor 2004-2007) 6,9 3,65 3,6
2009 208 104% 21% 4% 0,5% 7,36 34,9 0 6,9 3,44 3,9
2010 237 105% 20,3%, vanaf 1.8.10 21,3% 4%, vanaf 1.8.10 3,7% 0,5% 7,8 27,9 0,28% 7,2 3,16 3,5
2011 246 94% 21,9% 3,7% 0,3% 8,1 7,5 0 7,7 2,38 2,74 (2,52% ultimo 2011)
1-4-2012 261 95% 24,1% 3,9% 0,3% 0 2,25 2,5 [72][73]
1-7-2012 261 90% 24,1% 3,9% 0,3% 0 2,04 2,3[74]
1-1-2013 281 96,6% 25,4% 3,9% 0,3% 8,9 33,7 0 8,2[75] 1,50 2,43[76]
1-4-2013 292 101% 25,4% 3,9% 0,3% - 0,5 [77] 1,77 2,5[76]
1-1-2014 300 105,9 [78][79] 21,6% 4,0% 0,3% 9,9 17,5 0 2,23 2,75[76]

Per 1 augustus 2013 en 1 september 2013 was de dekkingsgraad 100%. Per 1 oktober 103,3% [80] Per 1 november 106,2%. Op 28 november maakt ABP bekend de pensioenpremie te verlagen van 25,4% naar 21,6%.[81]

Per 1 april 2014 wordt het opgebouwde pensioen verhoogd met een factor 100/99,5, dit is een verhoging met 0,503%, die de verlaging per 1 april 2013 terugdraait, behalve voor de uitkeringen in het tussenliggende jaar.[82]

Per 31 januari 2014 bedroeg de dekkingsgraad 105,4%. inclusief de bovengenoemde verhoging.[83]

Noten[bewerken]

  1. [1] Jaarverslag ABP 2012 pagina 6
  2. per 1-1-2013
  3. http://www.mejudice.nl/artikel/791/nederland-puissant-rijk-maar-gierig-als-een-oude-vrek
  4. "Voor een dergelijke vergelijking is ook van belang dat vanaf 2014 niet-gedekte pensioenverplichtingen van ambtenaren ook als schuld moeten worden opgevoerd. Voor Nederland heeft dit door het bestaan van het ABP geen directe gevolgen, maar voor landen zonder een ABP kan dit wel een substantieel verschil uit maken." [2] Staatsbalans 16 november 2011
  5. http://www.avbz.nl/pages/cao-info/persbericht-pfzw-abp.php
  6. ABP Pensioenreglement 2014[3]
  7. Enerzijds suggereert artikel 7.6 dat het uitgangspunt is pensioen vanaf de eerste dag van de maand na die waarin men jarig is, anderzijds suggereert artikel 7.3 dat het uitgangspunt is pensioen vanaf de eerste dag van de maand waarin men jarig is.
  8. http://www.abp.nl/over-pensioen/pensioen/wanneer-keuzepensioen.asp
  9. Het pensioenreglement bepaalt, refererend aan een tabel die voor iedere combinatie van een aanvangsleeftijd en een leeftijd waarop het uitkeringsniveau wijzigt een "factor" geeft: "ABP bepaalt de hoogte van het pensioen met toepassing van de factoren opgenomen in bijlage G bij dit reglement." Hoe ABP dit bepaalt met de betreffende "factor" staat niet vermeld, maar kennelijk geeft de tabelfactor f de verhouding van de totale contante waarde van de uitkeringen in de eerste periode en de totale contante waarde van de uitkeringen in de tweede periode in het geval dat de uitkeringshoogte gelijk zou blijven. Als de uitkering in de eerste periode q maal zo hoog is als die in de tweede geeft dit een uitkering in de tweede periode van (f+1)/(qf+1) maal het uitkeringsbedrag in het geval van een constante uitkering bij dezelfde aanvangsleeftijd.
  10. http://www.abp.nl/over-abp/aow-leeftijd/opvangen-aow-gat.asp#abp
  11. Zie ook Commissie Gelijke Behandeling
  12. [4] Overgangspremie VPL sinds 1.1.2014, publicatie ABP
  13. [5] Overgangspremie VPL sinds 1.1.2014, publicatie ABP
  14. [6] Opbouwpercentage vanaf 1.1.2014, publicatie ABP
  15. [7] Premiepercentages vanaf 1.1.2014, publicatie ABP
  16. http://www.pensioenpower.nl/pensioenfonds-abp.html
  17. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2013-34596.html
  18. ABP - Dekkingsgraad
  19. http://www.verzekeringnetwerk.nl/2011/12/abp-verhoogt-pensioenen-niet-in-2012/
  20. Pensioenmaatregelen 2013, Nieuwsbericht ABP over pensioenmaatregelen 2013, 26 september 2012
  21. Parlement en Politie: Parlementaire enquête bouwsubsidies (1986-1988)
  22. a b Het ABP: de grootste spaarpot van Nederland, Intermediair, 10 oktober 2006
  23. Werkgeversraad ABP, Website ABP
  24. Deelnemersraad ABP, Website ABP
  25. http://www.abp.nl/over-abp/nieuws/2014/uitslag-verkiezingen-bekend.asp
  26. [8] Zetelverdeling
  27. [9] Reactie Henk Brouwer 5-2-2013
  28. Persbericht en cijfers ABP, derde kwartaal 2008, uitgave ABP, oktober 2008
  29. Herstelplan ABP naar toezichthouder DNB, Herstelplan ABP, persbericht ABP, 31 maart 2009
  30. Update: ABP dekkingsgraad eind april op 91%, Het Financieele Dagblad, 11 mei 2009
  31. http://www.volkskrant.nl/vk/nl/3184/opinie/article/detail/3389065/2013/02/05/ABP-zou-in-dezelfde-situatie-opnieuw-dezelfde-beslissingen-nemen.dhtml
  32. Persbericht ABP over schikking met JPMC, persbericht ABP, 11 december 2012
  33. ABP schikt met JPMorgan Chase, Fincieel Dagblad, 11 december 2012
  34. http://www.abp.nl/over-abp/nieuws/2013/schikking-goldman-sachs.asp
  35. http://www.telegraaf.nl/dft/21491617/__Schikking_ABP_over_rommelhypotheken__.html
  36. http://www.beursgorilla.nl/nieuws-item.asp?titel=ABP+schikt+met+banken+in+VS&story_ID=586712
  37. ABP boekt in 2009 rendement van 20,2%, Het Financieele Dagblad, 21 januari 2010
  38. APB drukt dekkingsgraad door gestegen levensverwachting, Beurs.nl, 21 januari 2010
  39. ABP diep in BP, Nu.nl, 17 juni 2010
  40. http://www.rtl.nl/components/financien/rtlz/nieuws/2011/47/opbrengst-duitse-staatslening-valt-tegen.xml
  41. http://www.statistics.dnb.nl/index.cgi?lang=nl&todo=Rentes
  42. http://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/nieuws-2012/index.jsp
  43. Tienjaars swaprente ultimo maand 2011, 3,52%, 3,49%, 3,70% 3,60% 3,41% 3,49% 3,21% 2,93% 2,58% 2,61% 2,77% 2,61% ultimo december; bron http://www.statistics.dnb.nl/index.cgi?lang=nl&todo=Rentes
  44. rekenswaprente ABP eind 2010 3,5% Q1 Q2 3,8% Q3 Q4 2,7% de Q4 is het gemiddelde Q4 percentage, niet ultimo Q4 zoals DNB besloot.
  45. Bij een pensioenfonds zoals ABP, met 25% renteafdekking.
  46. http://www.dnb.nl/publicatie/publicaties-dnb/nieuwsbrief-verzekeren/nieuwsbrief-verzekeren-januari-2012/dnb266213.jsp
  47. http://www.statistics.dnb.nl/index.cgi?lang=nl&todo=Rentes&service=show&data=121&type=m&cur=&s=3.1.1&begin2=1&begin1=2011&end2=12&end1=2011
  48. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32043-17.pdf
  49. http://www.treasury.nl/blog/tag/rentecurve/
  50. Op 17 mei jongstleden heeft Minister Kamp het onderzoeksrapport over risicovrije rentes voor pensioenfondsen aan de Tweede Kamer gepresenteerd. Dit onderzoek is tot stand gekomen door de aangenomen motie van kamerlid Van Dijck van de PVV van 9 november 2010. http://www.towerswatson.com/netherlands/newsletters/update/4660
  51. Voor het rapport zelf zie: http://www.edmondhalley.nl/nieuws/item/rapport-onderzoek-risicovrije-rentes-voor-pensioenfondsen/
  52. http://www.abp.nl/abp/abp/over-abp/actualiteit/abp-pensioen-aanvullende-maatregelen-nodig.asp
  53. http://www.abp.nl/abp/abp/over-abp/actualiteit/dekkingsgraad-abp-94procent.asp
  54. http://www.abp.nl/abp/abp/over-abp/actualiteit/abp-maatregelen-pensioen-en-premie.asp
  55. [10] septemberpakket kabinet
  56. Reactie ABP op septemberpakket
  57. http://www.abp.nl/over-abp/nieuws/2012/verlaging-pensioenen-dichterbij.asp
  58. http://www.abp.nl/over-abp/nieuws/2013/verlaging-pensioen.asp
  59. http://www.abp.nl/over-abp/nieuws/2013/pensioenverlaging-2014.asp
  60. http://www.abp.nl/over-abp/financiele-positie/abp-beeindigt-verlaging.asp
  61. http://www.abp.nl/abp/abp/service/nieuws/nijpels-stopt-voorzitter-abp-bestuur.asp
  62. http://www.abp.nl/abp/abp/over-abp/actualiteit/henk-brouwer-nieuwe-bestuursvoorzitter-abp.asp
  63. http://www.beursgorilla.nl/nieuws-item.asp?titel=Topman+ABP+vertrekt&story_ID=595247
  64. Verzet tegen benoeming nieuwe ABP-voorzitter, NOVA, 20 april 2009
  65. 'Borghouts houdt bijbaan bij pensioenfonds ABP', Noordhollands Dagblad (30-6-2009)
  66. CDA en PvdA: Borghouts moet ABP-baan opgeven, NRC Handelsblad (3-7-2009)
  67. Forse kritiek op de nevenfuncties van Ed Nijpels, EénVandaag, 18 augustus 2009
  68. 'Nijpels ongeschikt als voorzitter ABP', Nu.nl, 18 augustus 2009
  69. Ondergang van de DSB, KRO Reporter, 7 februari 2010
  70. Nijpels: 'Geen grip meer op beeldvorming', Het Financieele Dagblad, 22 februari 2010
  71. name="fd.nl">Ed Nijpels weg bij ABP vanwege tumult rond DSB, Het Financieele Dagblad, 19 februari 2010
  72. http://www.abp.nl/over-abp/nieuws/2012/dekkingsgraad-abp-1-procent-omhoog.asp
  73. http://www.abp.nl/over-abp/nieuws/2011/pensioenen-niet-omhoog-in-2012.asp
  74. DNB rekenrente, gemiddelde 3 maanden
  75. http://www.abp.nl/images/ABP-jaarverslag-2012_tcm160-158974.pdf Jaarverslag ABP pagina 85 ev
  76. a b c Inclusief effect UFR
  77. http://www.abp.nl/over-abp/pers/persberichten/ABP-verlaagt-pensioenen.asp
  78. http://www.nu.nl/economie/3689356/grootste-pensioenfonds-schrapt-korting.html
  79. Jaarverslag 2013 ABP [11]
  80. http://www.abp.nl/over-abp/nieuws/2013/dekkingsgraad-derde-kwartaal-gestegen.asp
  81. http://www.abp.nl/over-abp/nieuws/2013/pensioenpremie-daalt.asp
  82. http://www.abp.nl/over-abp/financiele-positie/ABP-beeindigt-verlaging-pensioenen.asp
  83. http://www.abp.nl/over-abp/resultaten/dekkingsgraad/dekkingsgraad.asp

Externe links[bewerken]