Kruistocht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Kruistochten

Naar Palestina en Noord-Afrika
Eerste · Tweede · Derde · Vierde · Kinderkruistocht · Vijfde · Zesde · Zevende · Achtste · Negende
Tegen de Albigenzen
Albigenzische Kruistocht
Tegen Aragon
Aragonese Kruistocht
Tegen de hussieten
Hussitische Oorlogen
Tegen moslims in Iberië
Reconquista
Van 1396
Slag bij Nicopolis
Tegen de Wenden
Wendenkruistocht
Tegen de Pruisen en Litouwers
Pruisentochten

De verovering van Jeruzalem in 1099

Kruistochten in enge zin waren een aantal militaire ondernemingen tussen 1095 en 1271 om het Heilige Land te bevrijden. In ruime zin slaan ze op alle christelijke gemotiveerde conflicten uit de late Middeleeuwen. In overdrachtelijke zin kan met "kruistocht" elke ideologisch gemotiveerde, heftige poging verandering te bewerkstelligen, aangeduid worden; doorgaans met een negatieve connotatie.

Inhoud

[bewerken] Definities

Kruistochten noemt men:

  • in ruime zin alle middeleeuwse religieus gemotiveerde militaire ondernemingen vanuit het katholieke westerse christendom tegen niet-christenen of ketters (vijandelijke groepen waren bijvoorbeeld katharen en moslims). Dit wordt de 'pluralistische interpretatie genoemd. Men zou hier ook latere militaire en navale operaties onder kunnen verstaan, zoals de Slag bij Lepanto in 1571
  • in engere zin de verschillende heroveringstochten die westerse legers van de 11e tot de 13e eeuw ondernamen tegen de islamitische invasies, voor de herovering en het behoud van de voor christenen heilige plaatsen in Palestina.

[bewerken] Kenmerken

De kruistochten (in engere zin) waren een serie militaire campagnes die plaatsvonden tijdens de 11e, 12e en 13e eeuw. Ze begonnen als een poging van de christenen om Jeruzalem, de heiligste plaats in het christendom, op de moslims te heroveren. De Kruistochten hadden een aantal specifieke kenmerken. Zo begonnen ze meestal met een proclamatie door de paus (dat geldt voor de eerste vijf kruistochten). De oproep werd daarop verspreid door middel van een pauselijke bul en preken van geestelijken. Formeel waren alleen kruisridders gerechtigd om op kruistocht te gaan (dat veranderde in 1213). De kruistochten werden gefinancieerd door een specifieke belasting, zoals de cruzada of de 'Saladintiende'. Een laatste kenmerk is dat kruisvaarders een aflaat ontvingen.

Hoewel kruistochten later als een bijzondere categorie oorlogen werden beschouwd, zagen tijdgenoten dat anders. De kenmerken van de kruistocht liepen parallel aan de zogenaamde rechtvaardige oorlog (bellum justum). De rechtvaardige oorlog was een Romeins concept dat in de christelijke traditie geïntegreerd werd door Augustinus. Thomas van Aquino en Gratianus werkten zijn ideeën verder uit. Drie kenmerken stonden centraal: de oorlog moest worden uitgeroepen door een legitieme autoriteit, worden gevochten voor een rechtvaardig doel, en gevochten worden met een juiste intentie. In feite voldeed de kruistocht aan al deze voorwaarden: de legitieme autoriteit was de paus, het doel was de bevrijding van Jeruzalem, en de intentie van de strijders was juist omdat ze religieus gemotiveerd waren.

Overigens werd de term kruistocht of kruisvaarder aanvankelijk niet gebruikt, hoewel wel gesproken werd van ridders van het kruis of ridders van Christus. De kruisvaarders zagen zichzelf vooral als pelgrims.

[bewerken] Historische achtergrond

[bewerken] De tijd vóór de kruistochten

De oorspronkelijke verovering van Palestina door islamitische strijdmachten had nauwelijks een storende werking op de pelgrimage of bedevaart naar de heilige plaatsen van de christenen, zoals Jeruzalem, Bethlehem en Nazareth. In het jaar 1009 echter liet de fatimidische kalief van Caïro, Hakem, de Heilig Grafkerk vernietigen. Zijn opvolger stond het Byzantijnse Keizerrijk toe om de kerk te herbouwen en pelgrimage werd weer toegestaan. In 1056 werden 300 Christenen verbannen uit Jeruzalem en werd het Europese christenen verboden om de Heilig Grafkerk binnen te gaan. [1]

[bewerken] Oorzaak van de kruistochten

[bewerken] Oorzaken in het Midden-Oosten

Het beslissende verlies van het Byzantijnse leger tegen de Seltsjoekse Turken in de Slag bij Manzikert in 1071 zorgde voor de eerste bedes om hulp en troepen uit het westen. Het was dus niet alleen het heroveren van Jeruzalem, maar ook het bijstaan van het Byzantijnse leger tegen de Turken, het voorkomen van gebiedsuitbreiding van de islamieten, en het vergroten van de invloed van het westen in het oosten, waar op gemikt werd. De bede om hulp die keizer Alexius I van Byzantium in 1091 naar paus Urbanus II en Robrecht I de Fries, de graaf van Vlaanderen, stuurde was overigens eerder bedoeld als een verzoek om meer huurlingen en zeker niet om wat er door de paus en vele landhongerige edelen van gemaakt werd. De keizer zat dan ook flink met de kruisvaarders in zijn maag.

De geschiedschrijving is lange tijd beïnvloed door het beeld dat werd neergezet door de katholieke Kerk. Hierin was de voornaamste reden voor de kruistochten het feit dat de Seltsjoeken, nadat ze Palestina veroverd hadden, christelijke pelgrimages naar Jeruzalem en andere steden moeilijk of zelfs onmogelijk maakten. Dit was in de voorgaande tijd wel mogelijk geweest, alhoewel het gebied onder islamitisch bestuur stond. Het westen had echter de veroveringen van Jeruzalem in 614 en 637 genegeerd, net als de verwoesting van de Heilig Grafkerk door de Fatimidische kalief Al-Hakim. Er waren dan ook redenen buiten Palestina die meewogen tot de beweging die tot de kruistochten leidde.

[bewerken] Oorzaken in Europa

In de tiende eeuw was er een einde gekomen aan de invasies van Europa door Vikingen, Moren en Aziatische steppevolkeren. De hierop volgende stabiliteit zorgde vanaf de elfde eeuw voor een expansiebeweging. Venen en moerassen werden drooggelegd, bossen gerooid en grond werd ontgonnen. Door de groeiende bevolking ontstond een Drang nach Osten en met de verovering van Zuid-Italië door de Normandiërs vanaf 1029 begon een eeuwenlange kolonisatie, eerst rond de Middellandse Zee door onder andere de Repubbliche Marinare, later ook de rest van de wereld.

Nu de dreiging van buitenaf was weggevallen, richtte de klasse van krijgers die aanvankelijk de Vikingen en andere binnenvallende volken bestreden hadden, zich tegen elkaar en de lokale bevolking. Als reactie hierop ontstond de godsvredebeweging. Was dit aanvankelijk een oproep aan lokale heren, later werd dit ook een oproep aan christelijke staten om onderling geweld te stoppen. Paus Urbanus II gebruikte dit argument om de onderlinge strijd te staken en zich te richten op de gemeenschappelijke vijand van het geloof.

In de Vroege Middeleeuwen werd met relatieve openheid gesproken over de inhoud van de leer. Dit bracht met zich mee dat er verschillende interpretaties van die leer waren, wat de eenheid van de Kerk niet ten goede kwam. Augustinus zag ketterij — of heresie van het Griekse hairesis voor keuze — als afwijking van christenen van het ware geloof. Men begon dogma's vast te stellen om het ware geloof te definiëren. Met de ontwikkeling van de dogmatiek werd niet alleen duidelijk wat het ware geloof inhield, het maakte ook duidelijk wat hier niet mee overeenkwam. Dit kon niet meer getolereerd worden en aanhangers hiervan werden vanaf de twaalfde eeuw vervolgd, wat Robert Ian Moore de Persecuting Society heeft genoemd.[2]

Vanaf de elfde eeuw waren zowel de Kerk als de grote Europese koninkrijken in staat om hun ideologieën en doelen beter te definiëren. Dit resulteerde in een afwijzing van corruptie en verwereldlijking binnen de Kerk, maar ook in een afwijzing van groepen die afweken van die ideologieën. Dit was niet alleen de islam, maar ook bewegingen als de bulgarelli, de Waldenzen en de kathari. Andere bewegingen als de franciscanen en de humiliati werden wel erkend, waarbij niet altijd duidelijk is wat de overwegingen waren om de ene groepering wel op te nemen en de andere niet.

In 1063 gaf paus Alexander II zijn zegen aan de kruistochten van de Reconquista. In 1085 namen de Spanjaarden Toledo in, en in 1092 werden de moslims van Sicilië verdreven. Ongetwijfeld werden de kruisvaarders gesterkt door deze successen tegen de islam.

Paus Innocentius III besloot dat tegen de Katharen krachtiger moest worden opgetreden. In 1209 verzamelde hij een leger voor een kruistocht naar Occitanië. Tijdens de vierde Lateraans concilie werden een aantal religieuze groepen veroordeeld en andere erkend. Er werden decreten tegen de Katharen en de Waldenzen afgekondigd. Joden moesten een geel insigne gaan dragen en ook moslims moesten onderscheidende tekenen gaan dragen. Paus Gregorius IX gaf in 1232 bevel aan de nieuwe orde der dominicanen de taak van de inquisitie op zich te nemen. De Katharen waren hier het eerste slachtoffer van, maar ook de Joden — die bij Augustinus wel een aparte status hadden, maar wel bescherming genoten — leprozen en homoseksuelen werden al snel het slachtoffer. Dit was de schaduwzijde van de economische expansie en de nieuwe spiritualiteit.

[bewerken] Motivaties voor de kruistochten

  • Bevrijding van Jeruzalem.
  • De islamitische macht buiten Europa houden
  • De Oosterse Kerk herenigen met de rooms-katholieke Kerk.
  • Uitbreiding van de wereldse macht naar het oosten (economisch).

In het kielzog van paus Gregorius VII is een toenemende vroomheid zichtbaar, waardoor een voedingsbodem ontstond voor de kruistochten. Het oproepen tot de kruistochten gaf de paus ook een zekere autoriteit ten aanzien van de keizer: het lag immers niet voor de hand dat een geestelijk leider opriep tot gewapende strijd, dat was de taak van wereldlijk leiders. In die zin moet de competentiestrijd tussen paus en keizer ook gezien worden als een opmaat tot de Investituurstrijd. De kruistochten verschaften ook een goede uitlaatklep voor de interne problematiek van Europa. Voor de kerkelijke macht was het een uitstekende manier om bepaalde elementen, die anders voor ongewenste agressie zouden zorgen binnen Europa, te verplaatsen en in te zetten voor wat men als een goede zaak beschouwde. Vele nobelen en ridders gingen uit puur eigenbelang, om land of geld te verkrijgen. Veel ridders bezaten immers zelf geen land meer door de vele landopdeling als gevolg van het feodale systeem. Ook handelaars gingen mee om zo handelsrouten tussen het Midden-Oosten en West-Europa tot stand te brengen.

[bewerken] Overzicht van de verschillende kruistochten naar Jeruzalem

[bewerken] Eerste Kruistocht (1096 - 1099)

Zie Eerste Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Paus Urbanus II

Op 26 november 1095 riep paus Urbanus II tijdens het concilie van Clermont op tot het houden van een kruistocht. In de voorbereiding van het concilie had de Byzantijnse keizer Alexius I militaire hulp gevraagd tegen de Turkse Seldjoeken. De paus stond er voor open, maar had nog meer op het oog. Hij wilde bovenal het Heilige Land bevrijden van de moslims, zodat Jeruzalem weer een veilige plek werd voor de christenen. Wie deelnam aan de kruistocht, kreeg vergeving van al zijn zonden. Het enthousiasme was groot.

Drie volkslegers onder leiding van de Franse prediker Peter de Kluizenaar en de Duitse ridder Walter Zonder Have begonnen eerst aan de tocht van meer dan 4.000 km naar Jeruzalem. De meeste deelnemers van deze Volkskruistocht waren militair onkundig en sneuvelden onder de aanvallen van Bulgaren en Turken. Later vertrokken de overige vier legers onder het commando van getrainde edellieden. In de eerste jaren haalden de kruisvaarders de grootste successen, geholpen door de verdeeldheid van de islamitische leiders. Zij werden heer en meester over de meeste steden van het Heilige Land, maar hadden te weinig soldaten om het platteland continu onder de duim te houden. Ze stichtten vier kruisvaardersstaten:

  1. Graafschap Edessa: De stad Edessa was in handen van Cilicische Armeniërs. Zij vroegen hulp tegen de Seldjoeken aan de kruisvaarders die Antiochië belegerden. Boudewijn van Boulogne, broer van Godfried van Bouillon, ontzette Edessa en werd in 1098 graaf.
  2. Vorstendom Antiochië: Op weg naar Jeruzalem belegerden de kruisvaarders de stad Antiochië. Na de inname riep de Siciliaan Bohemund I van Tarente zich in 1098 uit tot vorst.
  3. Koninkrijk Jeruzalem: Op 15 juli 1099 veroverden de kruisvaarders Jeruzalem en vermoordden bijna alle joodse en islamitische inwoners. De Vlaming Godfried van Bouillon werd uitgeroepen tot de eerste koning van Jeruzalem, maar aanvaardde slechts de titel van Beschermer van het Heilige Graf.
  4. Graafschap Tripoli: Raymond IV van Toulouse liet zijn oog vallen op Tripoli. De stad werd pas na zijn dood ingenomen en zijn zoon Bertrand van Toulouse werd in 1109 graaf.

[bewerken] Tweede Kruistocht (1147 - 1149)

Zie Tweede Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De als eerste opgerichte kruisvaardersstaat, Edessa, was ook de eerste die weer viel. In 1144 werd Edessa veroverd door de Seltsjoekse Turken. Als reactie riep de monnik Bernard van Clairvaux in opdracht van paus Eugenius II op tot een nieuwe kruistocht. De Tweede Kruistocht begon in 1147, en eindigde in 1149 voor Damascus.

Reynauld van Châtillon viel in 1181, ondanks het verdrag van 1180 tussen Saladin en Boudewijn IV van Jeruzalem, moslimkaravanen aan. Saladin trok ten strijde tegen de christelijke heersers, veroverde in 1187 Jeruzalem en had binnen de drie maanden heel het "Heilige Land" in handen.

[bewerken] Derde Kruistocht (1189 - 1192)

Saladin
Zie Derde Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Toen het nieuws van de veroveringen van Saladin werd vernomen in Europa, riep Paus Clemens III op tot een nieuwe kruistocht. Deze kruistocht stond onder leiding van de Engelse koning Richard Leeuwenhart, de Duitse keizer Frederik Barbarossa en de Franse koning Filips II. Om deel te kunnen nemen aan deze Derde Kruistocht staakten de Franse en Engelse koning tijdelijk hun vijandelijkheden. Ook graaf Willem I van Holland nam deel aan de kruistocht.

Het eerste doel was om Akko in Palestina te veroveren. De Duitse keizer reisde over land naar Akko maar verdronk onderweg in de rivier Selef op 10 juni 1190, waarna het Duitse leger uiteenviel en grotendeels huiswaarts keerde. Richard en Filips daarentegen gingen per schip. Kort na zijn vertrek uit Sicilië werd Richards vloot getroffen door een hevige storm en enkele afgedreven schepen werden geplunderd door Comnenus, de keizer van Cyprus. Beide partijen kwamen tot een overeenkomst, die Comnenus echter al spoedig weer verbrak. Daarop veroverde Richard Cyprus. De Franse en Engelse koningen veroverden ook Akko in 1191. Tijdens het beleg stierf de Graaf van Vlaanderen Filips I van de Elzas op 1 juni 1191.

Wegens aanhoudende wrijvingen met Richard trok Filips van Frankrijk zich terug. Daarna kon de koning van Engeland niet echt meer een vuist maken tegen Saladin. Hij slaagde er niet in Jeruzalem te heroveren en verkreeg van Saladin slechts vrije toegang voor christelijke pelgrims tot de heilige plaatsen. Richard veroverde wel een deel van de kuststreek.

[bewerken] Vierde Kruistocht (1202 - 1204)

Zie Vierde Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Vierde Kruistocht, met als doel het veroveren van het Heilige Land via Egypte, werd in 1202 in gang gezet door paus Innocentius III. Door een gebrek aan middelen haalde men Palestina niet eens; in plaats daarvan veroverden de kruisvaarders Constantinopel, de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk. Daar stichtten ze het Latijnse Keizerrijk, met Boudewijn van Vlaanderen als eerste keizer. De Kerk kwam onder die van Rome te staan.

Deze kruistocht zorgde ervoor dat de reeds weinig vriendschappelijke relatie tussen de Oosterse en Westerse christenen nog verslechterde. In 1261 kon de keizer van Nicea Constantinopel heroveren, maar het Oost-Romeinse Rijk was danig verzwakt.

[bewerken] Vijfde Kruistocht (1217–1221)

Zie Vijfde Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De vijfde Kruistocht werd in 1215 door paus Innocentius III uitgevaardigd, omdat hij met de toestand in het Heilige Land geen genoegen nam. Hollanders en Friezen speelde een grote rol op zee tijdens deze kruistocht. De Vijfde Kruistocht werd door de bemoeienis van het Vaticaan een volledige mislukking.

[bewerken] Zesde Kruistocht (1228–1229)

Zie Zesde Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Duitse keizer Frederik II was de centrale figuur van de Zesde Kruistocht. Hij beschikte over weinig soldaten, hield een wapenschouw met zijn leger langs de kust en heeft nauwelijks gevochten. Maar via onderhandelingen met de Egyptische sultan kwamen Jeruzalem, Bethlehem en Nazareth in 1229 weer in het bezit van de christenen; de Tempelberg bleef in de handen van de moslims.

Veel christenen gingen niet akkoord met het diplomatiek succes van Frederik II en lagen al langer met de keizer overhoop. Nog voor zijn aankomst in het Heilige Land had de paus hem in de kerkelijke ban gedaan, omdat hij koning van Jeruzalem wilde worden. Daarmee pleegde hij inbreuk op de rechten van zijn zoon, de kleinzoon van Jan van Brienne. De keizer steunde op de Duitse Orde, maar leefde op gespannen voet met de tempeliers en de hospitaalridders die trouw waren aan de paus. Frederik kroonde zich in 1229 tot koning van Jeruzalem, terwijl de aartsbisschop en de tempeliers troepen verzamelden om hem af te zetten. Toen viel een pauselijk leger zijn grondgebied in Sicilië aan en was Frederik gedwongen om snel naar daar te vertrekken. Zo werd een openlijke oorlog voorkomen in Jeruzalem. Ondanks de verdeeldheid waren de kruisvaardersstaten weer bijna zo groot als op het toppunt van hun macht in 1150.

[bewerken] Zevende Kruistocht (1248–1254)

Zie Zevende Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Jeruzalem viel in 1244 weer in de handen van de sultan van Egypte. De Franse koning Lodewijk IX de Heilige probeerde de kruisvaardersstaten te helpen. Hij viel Cyprus, Egypte en Syrië aan, doch zonder succes. Voor de Zevende Kruistocht liet Lodewijk de Heilige in Zuid-Frankrijk een haven aanleggen: Aigues-Mortes.

[bewerken] Achtste Kruistocht (1270)

Zie Achtste Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1270 was het weer Lodewijk IX van Frankrijk die het voortouw nam in een nieuwe kruistocht. Onderweg naar het Heilige Land werd hem echter gevraagd om zijn broer te helpen met zijn strijd tegen het islamitisch 'piratennest' Tunis. Uiteindelijk gaf hij hieraan gehoor, maar toen het leger bij Tunis zijn tenten had opgeslagen brak de pest uit, waarbij Lodewijk stierf samen met een groot deel van zijn leger. Zijn dood betekende het einde van de grote kruistochten.

[bewerken] Negende Kruistocht (1271–1272)

Zie Negende Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Eduard I van Engeland was al op weg om zich bij het leger van Lodewijk IX te voegen. Samen wilden zij optrekken voor de Negende Kruistocht naar het Heilige Land. Na de dood van Lodewijk IX trok Eduard I zelf op naar het Heilige Land, om te strijden tegen sultan Baibars.

Na 1270 waren het alleen nog kleine legertroepen die zo nu en dan een stad veroverden op de Turken. Maar die aanvallen hadden weinig succes en de Turken rukten steeds verder op. Zo ver zelfs dat in 1453 de stad Constantinopel viel.

[bewerken] Arabische reacties

De moslims bestempelden de kruisvaarders als Franken en zagen hen als handlangers van de Byzantijnen die curieus genoeg nooit een concept van kruistocht hadden ontwikkeld. De aanvankelijke reactie was desinteresse. De kalief in Bagdad negeerde oproepen uit Palestina om te hulp te schieten. De belangrijkste reden was een tijdelijke verzwakking van zijn (soennitische) rijk dat in strijd verwikkeld was met de sji'itische Fatamiden in Caïro. Bovendien was de kalief Malik-Shah in 1092 overleden waardoor het rijk tijdelijk zwak was. Ironisch genoeg wisten de kruisvaarders Jeruzalem in te nemen met een relatief kleine macht, terwijl de islamitische rijken uitgeput waren door hun machtsstrijd. Pas in 1105 zou al-Sulami oproepen tot een jihad tegen de christelijke invasie en zou het conflict met de kruisvaarders ook van islamitische kant een religieus karakter verwerven. Niettemin zou het tot 1183 duren voordat een serieus religieus tegenoffensief begon onder leiding van Saladin, die de jihad uitriep tegen de kruisvaarders. Deze oproep ging gepaard met een oproep tot interne heiliging en islamitische vroomheid.

[bewerken] Na de kruistochten

Het Byzantijnse Keizerrijk wist uiteindelijk in 1261 Constantinopel terug te veroveren, maar zijn macht keerde nooit volledig terug en het rijk viel uiteindelijk in 1453 in handen van de islamitische Turken, de Ottomanen.

De kruisvaardersstaten zijn langzamerhand allen weer verloren gegaan, de laatste was Akko in 1291.

[bewerken] Gevolgen

De gevolgen van de kruistochten waren onder meer:

Er wordt getwijfeld aan de feitelijke juistheid van dit gedeelte

Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie, en pas na controle desgewenst het artikel aan.

  • De kruistochten ging gepaard met veel Jodenvervolgingen in grote delen van Europa en het Midden-Oosten.
  • Er vielen veel slachtoffers aan beide zijden.
  • Bestendiging van het Oosters Schisma van 1054 tussen Orthodoxe en rooms-katholieke Kerk, vooral wegens de plundering van Constantinopel door Latijnse kruisvaarders en Venetianen.
  • Dankzij de korte kruistochtsuccessen konden christelijk pelgrims enige tijd weer naar Jeruzalem reizen, maar daarna juist moeizamer wegens de aangewakkerde godsdienstige onverdraagzaamheid.
  • De kruisvaarders maakten nader kennis met zegeningen van het cultureel superieure Oosten, en brachten producten, kennis en gewoonten terug naar West-Europa
  • De kruistochten gaven de West-Europese christenheid een afleiding van haar binnenlandse problemen en een gemeenschappelijke doelstelling.
  • Door de kruistochten kwam er een grotere eenheid wegens de oorlogsverdragen en was in Europa er een tijd van relatief weinig oorlog.
  • De positie van de vrouw verbeterde, omdat tijdens de afwezigheid van de mannen veel bestuurlijke functies door vrouwen waren uitgeoefend en zij daarom na afloop in hoger aanzien stonden.

[bewerken] Andere kruistochten

De benaming kruistocht werd ook gebruikt voor andere christelijke 'heilige oorlogen' tegen heidenen en ketters:

  1. De christenen heroverden het Iberisch schiereiland op de Moren tijdens de Reconquista van de 11e tot 15e eeuw.
  2. Paus Innocentius III hield in 1209 een kruistocht tegen de katharen in Zuid-Frankrijk.
  3. De Duitse Orde vocht tegen heidenen rond de Oostzee.
  4. Paus Martinus V riep de christenheid op om de hussieten in Tsjechië te bestrijden.
  5. Paus Sixtus IV heroverde in 1481 het Italiaanse dorpje Otranto op de Ottomanen.
  6. Paus Pius V vocht in 1571 de slag bij Lepanto uit met de Ottomanen.

[bewerken] Latere verbeelding

Vanaf de Verlichting raakten de idealen van de kruistochten in diskrediet. Ze werden bestempeld als uiterst bloeddorstig, en het religieus fanatisme waarmee de ondernemingen gepaard gingen sloten niet aan bij de opkomende rationele en seculiere beweging. Daarentegen omarmde de Romantiek de kruistochten wel weer, maar gaf daar een geheel andere invulling aan. De kruisvaarder werd nu vereerd vanwege zijn inzet en passie, en bewonderd om zijn reizen naar exotische landen. De religieuze motivatie als zodanig verdween naar de achtergrond. Een herwaardering voor de Middeleeuwen speelde hierbij ook een rol. Een bekend voorbeeld hiervan is de roman van Sir Walter Scott, The Talisman. Ook het nationalisme eigende zich de kruisvaarderssymboliek toe: de kruisvaarder werd een archetypische nationale held. Zo gingen de Engelsen Richard Leeuwenhart bewonderen, de Belgen Godfried van Bouillon, de Fransen Lodewijk XI en de Spanjaarden El Cid. Van al deze figuren werden rond het midden van de 19e eeuw standbeelden geplaatst op prominente locaties (Leeuwenhart voor het parlementsgebouw in Londen, Bouillon op het Koningsplein te Brussel). In feite gaf de islamitische wereld zijn eigen invulling aan de kruistochten in die tijd. In de Middeleeuwen zelf hadden de kruistochten veel minder indruk gemaakt dat wel eens wordt gesuggereerd: het gebied dat veroverd was door de Kruisvaarders viel in het niets bij de grootte van de islamitische rijken, en bovendien werd het verlies ruimschoots gecompenseerd door de voortdurende successen die op het Byzantijnse Rijk werden geboekt. Bovendien werden de kruistochten uiteindelijk verloren. Ook in de islam werden de Kruistochten in de 19e eeuw herontdekt en geïnterpreteerd als Westers kolonialisme avant la lettre. Saillant genoeg bestond er geen woord voor kruisvaarder in het Arabisch, dat werd pas aan het einde van de 19e eeuw bedacht.[3] Tegenover deze visie kan die van Bernard Lewis worden gezet, die de kruistochten ziet als ‘een gelimiteerde, verlate en uiteindelijke ineffectieve reactie op de jihad’.

[bewerken] Huidige discussie

Tegenwoordig heeft de kruistocht zijn historische lading verloren. De term kan in elke context gebruikt worden voor een strijd voor een goed doel, bijvoorbeeld een kruistocht tegen armoede. Wanneer ze wel specifiek slaat op een religieus conflict, heeft de term een zeer negatieve bijklank en staat die symbool voor religieus bloeddorstig fanatisme. Deze populistische interpretatie heeft weinig te maken met de werkelijkheid. Ook de a-historische interpretatie zoals onder andere verdedigd door Karen Armstrong lijkt weinig zinvol. Zij schreef: ‘I now believe that the Crusades were one of the direct causes of the conflict in the Middle East today’. Richard Fletcher daarentegen stelde: ‘Liberal critics of today are frequently to be heard denouncing the Crusades. A typical recent authority [Karen Armstrong] has described them as ‘disgraceful’. But rebuking the past from the different moral standpoint of the present does not advance historical understanding.’ De visie van vooraanstaande specialisten op dit gebied sluit daar bij aan. Een aardig voorbeeld van hun kritiek op het populistisch beeld zijn hun recensies van de film Kingdom of Heaven van Ridley Scott. Jonathan Philips meende dat de romantische kijk op Saladin (als tegenhanger van de bloeddorstige kruisvaarders) verdacht veel leek op die van Saddam Hussein en Hafez Assad, die Saladin vereren als een vechter tegen het westerse kolonialistische christendom. Jonathan Riley-Smith meende eveneens over de film: 'It's Osama bin Laden's version of history. It will fuel the Islamic fundamentalists.' Ook de arabische historicus Amin Maalouf sluit zich hierbij aan: 'It does not do any good to distort history, even if you believe you are distorting it in a good way. Cruelty was not on one side but on all.'

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  • Rudolf Pörtner, De strijd om het Heilige Graf (Waarheid en legende van de kruistochten) – Boeiende studie inclusief een jaartallenoverzicht en typering van de belangrijkste personen die bij de geschiedenis van de kruistochten van belang waren. Portner laat de kruistochten beginnen op 27 november 1095 (oproep van Paus Urbanus) en eindigen op 20 september 1187 met het begin van het beleg van Jeruzalem en daarmee het einde van de christelijke heerschappij in het "Heilige Land".
  1. FrontPage Magazine
  2. Moore, R.I., (1987): The Formation Of A Persecuting Society: Power And Deviance In Western Europe, 950-1250, New York
  3. Robert Irwin, ‘Islam and the Crusades’, in Jonathan Riley Smith, red., The Oxford Illustrated History of the Crusades (Oxford, 1995), 259

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken