Negende Kruistocht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Negende kruistocht
Onderdeel van de Kruistochten
akties tijdens de Negende kruistocht
akties tijdens de Negende kruistocht
Datum 1271 - 1272
Locatie Midden-Oosten (Levant)
Resultaat De Mamelukken winnen met overmacht waardoor het kruisvaartleger zich terug moet trekken, het zou resulteren in de laatste kruistocht in het Midden-Oosten.
Strijdende partijen
Kruisvaarders:
England COA.svg Koninkrijk Engeland
Arms of the Kingdom of France (Ancien).svg Koninkrijk Frankrijk
Image-Blason Sicile Péninsulaire.svg Anjou
Mameluke Flag.svg Mamelukken
Commandanten
Eduard I van Engeland
Karel van Anjou
Sultan Baibars
Troepensterkte
60,000[1] onbekend

De Negende Kruistocht word soms verbonden aan de Achtste Kruistocht. Deze kruistocht wordt gezien als de laatste middeleeuwse kruistocht tegen de moslims in het Heilige Land. Het vond plaats in 1271-1272.

Lodewijk IX van Frankrijk's falen in het veroveren van Tunis in de Achtste Kruistocht leidde er toe dat Prins Edward van Engeland naar Akko voerde, in wat uiteindelijk bekend zou gaan staan als de Negende Kruistocht. In de Negende Kruistocht waren een aantal overwinningen voor Edward te vieren op Baibars, de kruistocht leverde uiteindelijk niet veel meer op dan een terug trekking, omdat Edward onderdrukte zorgen aan het thuisfront had en hij geen middelen zag om alle interne conflicten in de rest staten op te lossen. Er heerste ook de discussie dat het Kruisvaarders moraal of optimisme in het geheel was uitgestorven onder de christenen in deze periode[2]. Het overschaduwde ook de grote klap die zal volgen voor de overblijfselen onder de kleine kruisvaard bolwerken langs de Middelandse zeekust.

Aanloop[bewerken]

In navolging van de Mamelukken overwinning op de Mongolen in 1260 in de Slag bij Ain Jalut door Qutuz en zijn generaal Baibars, werd Qutuz vermoord en Baibars claimde het leiderschap van het sultanaat op zich. Als sultan ging Baibars verder met het aanvallen van de christen kruisvaarders in Arsoef, Athlith, Haifa, Safad, Jaffa, Ascalon en Caesarea. Toen de kruisvaart bolwerken één voor één vielen, zochten de kruisvaarders hulp in Europa, maar de opkomst verliep zeer langzaam.

In 1268 veroverde Baibars Antiochië en daarbij vernietigde hij de laatste bolwerken van het Vorstendom Antiochië, wat meer land verzekerde voor de Mamelukken nu het kleine Graafschap van Tripoli bedreigde met inname.

Lodewijk IX van Frankrijk had al een grote kruisvaarders leger samen gebracht met als doel Egypte te veroveren, echter werd er door onderlinge druk besloten om naar Tunis uit te wijken en daar overleed Lodewijk IX in 1270. Prins Edward van Engeland arriveerde te laat in Tunis om een bijdrage te leveren. Edward koos er daarna voor om zijn reis voort te zetten en ging naar het Heilige land om Bohemund VI, vorst van Antiochië en Tripoli, bij te staan tegen de Mamelukken in de dreiging van het innemen van Tripoli en de rest van het Heilige land.

Kruisvaarders operaties in het Heilige land[bewerken]

Prins Eduard I van Engeland was te laat gearriveerd in Tunis om bij te dragen aan de Achtste Kruistocht van Lodewijk IX van Frankrijk, maar samen met diens broer Karel van Anjou ging hij toch daarna door naar Akko, de hoofdstad van de overblijfselen van het Koninkrijk Jeruzalem. Ze arriveerden aldaar in 1271, net nadat de Mamelukse sultan Baibars Tripoli had belegerd. In 1269 had deze sultan ook al Antiochië belegerd en ingenomen, de laatst overgebleven stad van het vorstendom Antiochië. In het gebied van Tripoli dicht bij de hoofdstad waren er wel 10.000 christen naar toe gevlucht. Vanuit de basissen van Cyprus en Akko, kregen Edward en Karel van Anjou het voor elkaar om de aanvoerlijnen (het vervoer van voedsel en wapens) van Baibars aan te vallen en moesten de Mammulukken het beleg voor Tripoli opheffen.

Al gelijk toen Edward binnen Akko daarna arriveerde, wilde hij een poging doen om een Frans (Franco) - Mongoolse samenwerking of bondgenootschap te bereiken met de in de buurt gelegen Mongolen, hij zond daarbij afgezanten naar de Mongoolse leider van Perzië Abaqa, een vijand van de moslims. De afgezanten werden geleid door Reginald Rossel, Godefroid van Waus en John van Parker en de missie was 'het verkrijgen van militaire steun van de Mongolen'. In een antwoord verkregen op 4 september 1271, ging Abaqa akkoord met een samenwerking en wilde duidelijkheid voor een datum om de Mamulukken aan te vallen

Het arriveren van strijdkrachten uit Engeland en Hugo III van Cyprus, onder leiderschap van Edward's jongere broer Edmund, zorgde bij Edward voor moraal, die vervolgens optrok naar de plaats Qaqun. aan het einde van oktober 1271, arriveerde een grote groep van Mongoolse strijdkrachten in Syrië en richtte een ravage van plunderingen aan ten zuiden van Aleppo. Echter werd Abaqa opgehouden in Turkestan, zodat hij 10,000 Mongolse ruiters onder generaal Samager kon sturen, vanuit Seljoek Anatolië. Ondanks de zeer geringe strijdkracht, bracht hun aankomst veel moslimmensen op de been om te vluchten (die nog een vorige campagne herinnerde onder Kitbuqa) richting het zuiden voorbij Caïro. Maar de Mongolen bleven niet en toen de Mamelukken leider Baibars een tegen aanval wilde inzetten vanuit Egypte op 12 november, hadden de Mongolen zich alweer terug getrokken achter de Eufraaten.

Sultan Baibars was ook de eerste sultan die een soort van Mammelukse marine oprichtte. Hiermee probeerde hij in 1271 Cyprus binnen te vallen, waarmee hij Hugo III van Cyprus, ook koning van Jeruzalem, wilde weglokken uit Akko, zodat Baibars het eiland kon veroveren en Edward met zijn kruisvaarders geïsoleerd kwam te zitten in het Heilige land, maar zijn vloot werd vernietigd. Eduard van Engeland deed niet veel meer in zijn tijd in Akko dan onderhandelen met Hugo en de niet erg enthousiaste ridders van de Ibelinfamilie uit Cyprus. Ook onderhandelde hij met Baibars, en zo ontstond de elfjarige wapenstilstand met deze sultan. Baibars probeerde echter Eduard niet lang daarna te vermoorden door een groep mannen te sturen die zich voordeden als christenen die gedoopt wilden worden. Verzwakt door een dolksteek keerde Eduard terug naar Sicilië in 1272, waar hij de dood van zijn vader Hendrik III vernam. In 1273 startte Edward zijn reis via Gasconje en Parijs weer naar Engeland, waar hij in de zomer van 1274 en werd daarna op 19 augustus tot koning van Engeland gekroond.

Nasleep[bewerken]

De laatste kruisvaarder.

Eduard was tijdens zijn reis naar het "Heilige Land" begeleid door Theobald Visconti, die in 1271 als Gregorius X paus was geworden. Gregorius riep in 1274 op voor een nieuwe kruistocht, tijdens het Tweede concilie van Lyon in 1274, maar zijn oproep werd niet beantwoord. Karel van Anjou wilde wel, en hij greep voordeel uit een ruzie tussen Hugo III van Cyprus, de Tempeliers en de Venetianen over het wel of niet heroveren van Akko. Hij kocht de rechten van Maria van Antiochië op het Koninkrijk van Jeruzalem, en viel Hugo III aan, die ook rechten op het koninkrijk had. In 1277 veroverde Hugo van San Severino Akko in de naam van Karel van Anjou.

Venetië had ondertussen gepleit voor een kruistocht tegen Constantinopel, waar Michaël VIII Palaiologos recent het Byzantijnse Rijk nieuw leven had ingeblazen. In 1281 gaf paus Martinus IV hier toestemming voor; de Fransen namen de landroute langs Durrës, en de Venetianen gingen over zee. Maar na de opstand in Sicilië (Siciliaanse Vespers) op 31 maart 1282, opgezet door Michael VIII, was Karel gedwongen om terug te keren.

Deze kruistocht was de laatste actie die werd ondernomen tegen de Byzantijnen of de moslims. Hoewel de Mongoolse heersers van het Il-kanaat vertwijfeld probeerden een Franco-Mongools bondgenootschap tot stand te brengen en gezamenlijk de machtsuitbreiding van de Mamelukken een halt toe te roepen werd er alleen maar beleefd maar ontwijkend gereageerd op de vier gezantschappen die Arghun naar het westen stuurde. In 1291 veroverden de Mammelukken de laatste van de gebieden van de kruisvaarders, de stad Akko.

Referenties[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. The Gospel in the lands, Methodist Episopal Church Missionary Society, p.262
  2. Albert Henry Newman, A Manual of Church History, p.461