Inquisitie
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De Inquisitie was een rechtbank van de rooms-katholieke Kerk, belast met de opsporing, het onderzoek naar en het opleggen van straffen aan ketters (mensen die in opvattingen en/of daden van de leer van de rooms-katholieke kerk afwijken). Naast de pauselijke inquisitie bestonden de Spaanse Inquisitie (1478-1834) en de Romeinse inquisitie (1542-1965). Het woord inquisitie komt van de Latijnse term inquisitio, onderzoek. In plaats van beschuldigingen door een partij (accusatoir proces) leidde eigen onderzoek door de rechtbank een proces in. De inquisitie van de rooms-katholieke kerk wordt vaak ten onrechte vergeleken met de Raad van Beroerten. Deze speciale rechtbank was echter door de hertog van Alva opgericht en niet door de rooms-katholieke kerk en was alleen in de Nederlanden actief.
Inhoud |
[bewerken] Oprichting
De pauselijke inquisitie werd opgericht ter vervolging van de Katharen. De eerste aanzet daartoe werd gegeven in 1157 op het Concilie van Reims, de eerste georganiseerde bijeenkomst van de Rooms-Katholieke Kerk over een methodische bestrijding van ketterijen. In 1184 volgde het decreet van Verona (Ad abolendam - "met het doel af te schaffen"), waarbij Lucius III in overleg met keizer Frederik II de wereldlijke macht opriep maatregelen te nemen tegen de toen wijdverbreide "ketterijen" over geheel Europa, met weinig gevolg.
In 1211 riep de Franse edelman Simon IV van Montfort een ‘parlement’ in het Zuid-Franse Pamiers bijeen. Simon de Montfort was de wereldlijke leider van de kruistocht tegen de katharen. Er was daarbij een probleem gerezen. De pauselijk legaat, de cisterciënser Arnaud Amaury, had gezegd: “Hoewel ik de dood van de vijanden van Christus wens, kan ik ze, als monnik en priester, niet ter dood brengen.” Arnaud-Amaury en De Montfort vonden samen een oplossing. De kerkelijke inquisitie zou de ketters aanwijzen, en een passende straf opleggen, en dan zou de wereldlijke macht de opgelegde straf uitvoeren. Er werden nog een aantal andere regels vastgelegd, de zogenaamde ‘Regels van Pamiers’. De meest invloedrijke daarvan was wel dat monniken of priesters die namens de kerk met de uitvoering van de inquisitie werden belast, boven de wereldlijke macht stonden. Ze hoefden dus geen verantwoording af te leggen voor hun daden, behalve dan aan God, en aan de bisschop in wiens diocees zij actief waren en opdracht tot inquisitoriale taken ontvingen.
Met de Regels van Pamiers van 1211 werd de Inquisitie voor het eerst formeel geïnstitutionaliseerd op diocesaan niveau, en werd de samenwerking tussen kerk en staat vastgelegd. Vanaf dat moment kon de inquisitie regionaal de vorm aannemen van een systematische vervolging van de katharen en andere andersdenkenden. In verschillende pauselijke decretalen werden telkens aspecten van de toepassing van de inquisitoriale methode verder uitgewerkt. Pas na de verschijning in 1234 van de decretalenverzameling van Paus Gregorius IX beschikte men over een min of meer uniforme en consistente regels op dit gebied, in plaats van los overgeleverde relatief toevallig bekende relevante decretalen.
De Regels van Pamiers werden op aandringen van paus Innocentius III aangescherpt op het Vierde Lateraans Concilie van 1215 en namens de hele kerk goedgekeurd. In 1216 stierf Innocentius III. Na het pontificaat van Honorius III constateerde Gregorius IX dat veel bisschoppen te laks waren bij het uitvoeren van hun inquisitoriale taak. Sommige bisschoppen maakten zelfs openlijk bezwaar tegen de inquisitie. Gregorius IX plaatste daarom de inquisiteurs direct onder pauselijk gezag. Daardoor konden zelfs bisschoppen voor de inquisitie worden gedaagd.
Gregorius IX gaf in 1232 bevel aan de nieuwe orde der dominicanen de taak van de inquisitie op zich te nemen. Daarmee was de inquisitie nu geheel formeel bevestigd en geïnstalleerd. In 1237 belastte de paus ook de franciscanen met de inquisitie.
In 1243 besloot paus Innocentius IV dat bij de verhoren van verdachten ook marteling was toegestaan.
De inquisitie vormde van toen af aan, onder rechtstreeks toezicht van de paus, een ontzagwekkende, nagenoeg onaantastbare macht, niet alleen van de kerk over het volk, maar ook binnen de kerk zelf.
Toch was de inquisitie in zekere zin afhankelijk van de wereldlijke macht. Zoals overeengekomen bij de Regels van Pamiers had de inquisitie enkel de bevoegdheid om te onderzoeken en straffen op te leggen, maar niet om de straf uit te voeren. Toen later de wereldlijke macht niet meer aan de uitvoering van de straf wilde meewerken, zoals dat tenslotte ook grondwettelijk werd bepaald door de scheiding van kerk en staat, werd de kerkelijke inquisitie feitelijk machteloos bij het vervolgen van andersdenkenden buiten de kerk. De macht van de inquisitie beperkte zich toen tot de gelederen binnen de eigen kerk. Tijdens de 16e eeuwse reformatie zou de bereidheid of de weigering van de wereldlijke macht mee te werken aan de vervolging van de protestanten een beslissende factor worden in het succes of het falen van de reformatie in verschillende landen.
Hoe afhankelijk de inquisitie was van de wereldlijke macht, is het meest gruwelijk zichtbaar geworden tijdens de Spaanse Inquisitie: De koning van het net één geworden Spanje gebruikte in de zestiende eeuw de inquisitie om met dwang religieuze eenheid op te leggen. De inquisitie werd daarmee tot een zuiver politiek machtsmiddel.
Anders dan bij de eerdere vervolging van de katharen is het aantal mensen dat daadwerkelijk op de brandstapel eindigde wegens een veroordeling door de Spaanse Inquisitie, kleiner dan vaak wordt gedacht. In haar meest gruwelijke vijftig jaar voerde de Spaanse inquisitie maar liefst 44.000 processen. Daarvan eindigde volgens de meest recente historische schattingen 1,6 % met een terdoodveroordeling: ongeveer 700 mensen. Dat percentage lag lager dan bij contemporaine wereldlijke rechtbanken.
[bewerken] Werkwijze
De Inquisitie ging in Zuid-Frankrijk bij de vervolging van de katharen als volgt te werk: een delegatie van de inquisitie kwam aan in een dorp of stad. De pastoor werd gevraagd de hele gemeenschap samen te roepen in de kerk. Iedereen kwam, want door afwezigheid zou men zichzelf verdacht maken. Daar werd de gemeenschap toegesproken door de inquisiteurs, en opgeroepen tot berouw. De biecht werd afgenomen, en kleine opbiechtingen van ketterij werden makkelijk vergeven, indien men maar berouw toonde én oprechtheid, namelijk door twee andere ketters aan te geven. Dit veroorzaakte een kettingreactie van verdachtmakingen. De ernstige gevallen van ketterij werden op een lijst gezet. Hierna ging er een hele poos voorbij, tot men de verdachten dagvaardde. Tussen de dagvaarding en de presentatie van de gedagvaarde voor het tribunaal ging er weer een hele poos voorbij, zodat de verdachte goed kon nadenken over wat men hem precies zou willen of kunnen vragen. Over de beschuldiging werd hij in het ongewisse gelaten, ook tijdens zijn verhoor, zodat hij zeer lang in onzekerheid verkeerde. Pas na een zeer lang gesprek, alles nauwkeurig genoteerd in dossiers, als de verdachte zichzelf bijna verraden had, kwam de beschuldiging van ketterij boven water. Vaak was het dan te laat, want de verdachte werd dan met zijn eigen uitlatingen geconfronteerd.
[bewerken] Straffen bij de vervolging van de katharen
Wie bij de vervolging van de katharen zijn ketterse overtuiging had bekend en afgezworen, en ook andere ketters had aangebracht, werd meestal tot lichte straffen veroordeeld, zoals een verplichte bedevaart. Alle anderen konden tot zeer zware straffen veroordeeld worden, zelfs voor kleine overtredingen. De straf die de inquisiteur na de verhoren uitsprak, werd zelden gemotiveerd, maar dit gold ook voor andere rechters. Studies van de ondervragingen tonen aan dat de bestraffingen met grote willekeur werden uitgedeeld. De gevangenisstraf kon verschillende vormen aannemen. De lichtste was de veroordeling au mur large, een soort open gevang in een ruimte met andere gevangenen, waar men familieleden op bezoek kon krijgen. Als ze het overleefden, werden ze na een aantal jaren vrijgelaten. Een feitelijk doodvonnis was de veroordeling au mur strict, waarbij voeten en handen met ketenen aan de muur vastgeklonken werden in een kleine cel. Tot de brandstapel werden alleen degenen veroordeeld die weigerden hun ketterse overtuiging af te zweren, en zij die na afzwering weer tot de ketterij waren teruggekeerd, de zogeheten relapsi. Hoofddoelstelling van de inquisitie was echter niet om te straffen, maar om te bekeren. Praktisch alle middelen, tot aan marteling toe, werden aangewend om de verdwaalde schapen weer tot de kudde te doen terugkeren. De inquisiteur had zijn werk goed gedaan als een ketter in het openbaar zijn dwaling bekende, deze afzwoer, het gezag van de Kerk erkende, en zijn penitentie dankbaar aanvaardde als een mogelijkheid om weer met God in het reine te komen. Daarvan werd een plechtige religieuze gebeurtenis gemaakt, meestal op een zondag, in aanwezigheid van de plaatselijke bestuurders, bisschoppen en abten. Deze gebeurtenis heette een acte-de-foi, acte van geloof. In het kader van de Spaanse Inquisitie werd de plechtigheid van de autodafe gekoppeld aan de eventuele terechtstelling van terdoodveroordeelden.
[bewerken] Inquisitie en heksenvervolging in Europa (ca. 1380-1750)
Na ca. 1380 waren Dominicaanse inquisiteurs actief in het vervolgen van heksen. Na 1600 werd het voortouw bij deze vervolgingen overgenomen door de Jezuïeten.
Na ca. 1520 probeerden absolutistische vorsten de wetgeving te centraliseren op een voor hen gunstige manier. De oude accusatoire rechtspraak werd daarbij grotendeels vervangen door de inquisitoire rechtspraak die een vervolg was van de kerkelijke inquisitie en zich baseerde op het Romeinse recht. Het inquisitoire recht werd de dominante vorm van rechtspraak in vrijwel geheel Europa, behalve in Engeland. Vaak wordt dit inquisitoire recht ook wel ‘inquisitie’ genoemd.
Accusatoir recht was een soort wedstrijd tussen de partijen onder een relatief passieve rechter. Beide partijen konden getuigen oproepen. Als het om hekserij ging, was er een aanklacht nodig van iemand die zich door de “heks” benadeeld voelde. De aanklager liep het risico om de zaak te verliezen en een smaadproces tegen zich te krijgen. Het hing er vaak vanaf hoeveel getuigen de partijen op wisten te roepen (ofwel hoe geliefd ze waren in de gemeenschap).
Inquisitoir recht gaf de aanklager veel meer mogelijkheden.
- Rechter en aanklager waren dezelfde persoon. De rechter kon zelf op onderzoek uitgaan en de aanklacht formuleren
- Confrontatie met de aanklager was niet mogelijk, de aanklacht kon anoniem gedaan worden
- De zittingen konden geheim zijn
- De beschuldigde kon onbeperkt vastgehouden worden tot aan het proces
- De beschuldigde hoefde de aanklacht niet te vernemen
- Marteling was toegestaan en na 1570 werden de aanvankelijk in het systeem ingebouwde beveiligingen (om de verdachte te beschermen tegen willekeurige marteling) vrijwel geheel losgelaten
- De beschuldigde mocht geen advocaat hebben
- De beschuldigde mocht geen getuigen oproepen
- De beschuldigde mocht de getuigen van de aanklager niet ondervragen
- Een aanklacht vanuit het volk was na 1590 niet langer nodig. Men hoefde zelfs niet meer te bewijzen dat de heks iemand kwaad had gedaan
- Hoger beroep was onmogelijk
Deze wetswijziging viel samen met een spirituele hervorming, die de angst voor zonde, de duivel en de hel aanwakkerde. Daardoor werden de heksen na 1450 beschuldigd van het sluiten van een pact met de duivel en na 1560 ook nog van het vrijwillig hebben van geslachtsgemeenschap met de duivel op de heksensabbatten. Tijdens de marteling werden de heksen gedwongen om de namen van andere deelnemers aan de sabbat te noemen. Deze werden opgepakt en gedwongen meer namen te noemen. Zo ontstonden na 1580 de beruchte massaprocessen die vele tienduizenden het leven hebben gekost, vooral in Duitsland en Frankrijk.
In Engeland bleef de rechtspraak voornamelijk accusatoir en kregen ideeën als de heksensabbat weinig volgelingen. In Engeland werd ook veel minder gemarteld. Het aantal slachtoffers van de heksenwaan was hier 500-1000.
In Spanje had de kerkelijke Spaanse inquisitie een zeer matigende invloed op de heksenvervolging. Er kwamen wel aanklachten uit het volk, maar de Spaanse inquisitie steunde die nauwelijks[1]. In 1611 kwam er een publicatie van pater Alonso de Salazar, een rechter van de Spaanse inquisitie. Hij had de heksensabbat zoals twee jaar eerder beschreven door Pierre de Lancre laten 'naspelen' door heksen die bekend hadden (waaronder vele kinderen). Van hun verhalen bleek niets te kloppen met de werkelijkheid en bovendien waren ze met elkaar in tegenspraak. Ook had hij de veronderstelde hallucinogene zalven op dieren getest en het bleken onschuldige middeltjes te zijn. De Spaanse inquisitie was al nauwelijks geïnteresseerd in de heksenjacht omdat 1) men qua zondebok vodoende had aan de Joden en de Moslims, 2) Spanje een grote traditie had van vijanden buiten het Christendom, maar slechts een kleine traditie van vijanden binnen het Christendom zoals ketters (en later heksen). Na het uitkomen van het rapport van Salazar werden er in Spanje geen heksen meer vervolgd[2] [3] [4].
[bewerken] Veroordeling van de Inquisitie door paus
Bij het Mea Culpa op 13 mei 2000 heeft Johannes-Paulus II in een openbare schuldbekentenis vergiffenis gevraagd aan de wereld voor fouten die de Katholieke broeders en zusters in het verleden hebben gemaakt. Met dit historische gebaar wilde de Rooms-Katholieke Kerk met een schone lei beginnen aan het derde millennium. Kritiek op dit Mea Culpa is dat er alleen vergiffenis werd gevraagd voor daden uit het verleden van individuele katholieke broeders en zusters, maar niet voor de daden begaan door de Rooms-Katholieke Kerk zelf en verschillende pausen.
[bewerken] Externe links
- De inquisitie en de katharen
- Catharisme, hérésies médiévales et inédits Website van Jean Duvernoy met o.a. transcripties van in het Latijn vertaalde verhoren in de Languedoc (Franse toelichting)
[bewerken] Zie ook
| Zoek inquisitie op in het WikiWoordenboek. |
[bewerken] Bronnen en noot
- ↑ Henry Kamen, the Spanish Inquisition, A Historical Revision, Yale University Press, 1999
- ↑ Servants of Satan, The Age of the Witch Hunts, Joseph Klaits, Indiana university press 1985, ISBN 0-253-35182-0, Gedeeltelijk digitaal raadpleegbaar
- ↑ Het verbond van heks en duivel, Lène Dresen-Coenders, Ambo 1983 ISBN 90 263 0585 0 Ook digitaal raadpleegbaar
- ↑ Religion and the decline of magic, Keith Thomas, (1971), Penguin Books 1991, ISBN 978-0-14-013744-6
| Meer afbeeldingen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden in de categorie Inquisition van Wikimedia Commons. |

