Cisterciënzers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Orde der cisterciënzers
Ordo Cisterciensis
Wapen van de Cisterciënzerorde
Wapen van de Cisterciënzerorde
Basisgegevens
Generaal-abt Mauro Giuseppe Lepori
Regel Regel van Benedictus
Motto Latijns Cistercium Mater Nostra
Motto Nederlands Cîteaux Onze Moeder
Gesticht 1098 te Cîteaux
Stichter Robert van Molesme
Website http://www.ocist.org/
Habijt van de Cisterciënzerorde
Habijt van de Cisterciënzerorde
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Deel van de serie over
kloosters

en het christelijke monastieke leven

Monnik

De orde der cisterciënzers is een kloosterorde die in 1098 door Robert van Molesme is opgericht in de abdij van Cîteaux.

De Orde[bewerken]

De cisterciënzerorde vindt zijn oorsprong in 1098, toen de abt Robert – een Bourgondisch edelman – zijn klooster in Molesmes verliet om samen met twaalf monniken een nieuw klooster te stichten in Citeaux in Bourgondië. Dertig jaar eerder werd hij reeds abt van verschillende gemeenschappen. In 1074 werd hij hoofd van een groep kluizenaars van Colan. Een jaar later werd hij de abt van Molesme. Tussen 1090 en 1093 had Robert de abdij van Molesme reeds verlaten, om zich opnieuw bij een groep kluizenaars aan te sluiten. Dat hij in 1098 een nieuwe abdij oprichtte, is dus niet zo vreemd.

De aanleiding voor de oprichting was een voortgaande vervlakking in de navolging van de Regel van Benedictus in de Franse benedictijnenkloosters, vooral in de Abdij van Cluny. Naar de Latijnse naam voor Citeaux – Cistercium – werden deze kloosterlingen cisterciënzers genoemd.

In de periode 1110 tot 1115 ontstaan de eerste dochterabdijen: La Ferté (1113), Pontigny (1114) en Clairvaux (1115). Vanuit deze drie abdijen en Cîteaux ontstaat het netwerk van abdijen. Zo sticht de abdij van Pontigny bijvoorbeeld in 1141 de abdij van Cercamp (Amiens). In de Summa Cartae Caritates – een soort grondwet van de orde, ontstaan onder de abt Stephanus – staat in het derde en vierde hoofdstuk het getrapte systeem van de filialen: de vier grote abdijen doen nieuwe stichtingen – de dochterabdijen – die op hun beurt filialen kunnen stichten. Zo is de abdij van Eberbach (1135) een stichting van de abdij van Clairvaux, maar stichten ze zelf de abdij van Val-Dieu in Luik. Er bleef echter controle van de moederabdij op hun dochterabdijen. Elke abdij had een eigen inspraak, maar door het generaal kapittel – een jaarlijkse algemene vergadering – was er wel een sterk autoritair systeem.

Een van de dochterkloosters van Cîteaux was Clairvaux, waar in 1115 een jonge Bourgondische edelman, Bernardus van Fontaines, die drie jaar tevoren met een groep jonge familieleden was ingetreden, tot abt werd gekozen. Als Bernard van Clairvaux werd hij een toonaangevende geestelijke. De cisterciënzers worden dan ook soms bernardijnen genoemd, en de cisterciënzerinnen bernardinnen.

Bij de dood van Bernard van Clairvaux in 1153 telde de orde al meer dan driehonderd kloosters, meestal gevestigd in onherbergzame streken, waar men leefde onder grote ontberingen. Die geweldige expansie borg echter de kiem van verval in zich en na 1300 kwam een moeilijke tijd. De vrouwen namen echter de fakkel over en de 13e eeuw werd de Gouden Eeuw van de monialen (= vrouwelijke ordeleden).

De cisterciënzerinnenabdij van Herkenrode was de eerste en mettertijd de grootste voor vrouwelijke cisterciënzers. Terwijl in hun kloosters het innerlijk leven en de mystiek bloeiden, kwamen de mannenabdijen tot rijkdom, vooral bestaande uit grondeigendom ten gevolge van landontginning. Monniken van de Abdij Onze-Lieve-Vrouw Ten Duinen te Koksijde en de Abdij van Boudelo te Klein-Sinaai hebben bijvoorbeeld grote delen van het Land van Hulst in Zeeuws-Vlaanderen ingepolderd. In Rotselaar bevond zich de abdij Vrouwenpark, waar o.a. de Beatrijslegende wordt gesitueerd.

Aan het einde van de 12e eeuw vonden de eerste stichtingen van cisterciënzerkloosters in Nederland plaats. Rond 1160 werd het klooster Klaarkamp bij Rinsumageest gesticht, omstreeks 1188 kwam er een dochterklooster bij Bolsward, het latere Bloemkamp. Later volgde Aduard (1192). Zie ook Kloosterkaart Groningen.

In 1140 werd het eerste Spaanse cisterciënzerklooster, Fitero, in Castilië gesticht, spoedig gevolgd door andere stichtingen in het op de Moren veroverd gebied, vooral dan in Centraal-Spanje. Vanaf omstreeks 1170 kregen de cisterciënzers een snel groeiend aandeel in de kolonisatie van de dun bevolkte Slavische gebieden. Hiervoor werden immigranten uit de Nederlanden aangetrokken.

De praalzucht nam, toen de economie in West-Europa opbloeide, steeds grotere vormen aan (zie ook Habijt van cisterciënzerinnen). Omdat Jezus, volgens Matteüs 10:9, over vrijwillige armoede van zijn apostelen had gesproken, ontstond tegen deze toestand protest dat leidde tot de stichting van hervormingsbewegingen binnen de orde. Deze richtten zich onder andere tegen het verschijnsel, dat in plaats van gekozen abten zgn. commendataire abten aan het hoofd van het klooster kwamen. Dergelijke abten waren personen die de abdij hadden gekocht en die men vrijwel nooit in het klooster zag verschijnen. Dat leidde tot geestelijk verval, bijvoorbeeld omdat door het ontbreken van een abt de regeltucht veel te wensen overliet.

Economische organisatie van de cisterciënzerkloosters[bewerken]

De monniken moeten niet zelf instaan voor de bewerking van de gronden: ‘ad haec exercenda, nutrienda, conservanda, seu prope seu longe grangias habere possumus per conversos custodiendas et pocurandas’. De orde kent met andere woorden een speciaal systeem van grangia’s waar lekenbroeders op te werk gesteld worden. Deze grangia zijn sterk gebaseerd op het systeem van dominantie en overheersing, soms werden gewoon hele dorpen – die eigendom werden van de Cisterciënzer door schenkingen – gedwongen zich naar de cisterciënzers te schikken, een soort van verplichte conversie. Naast de conversen werden ook vaak seizoenarbeiders aangetrokken.

Het systeem van lekenbroeders was er nog niet bij de eerst abdijen. Het systeem van de grangia duikt voor het eerst op in de elfde eeuw, in de Italiaanse cisterciënzerkloosters. Het fenomeen ontstaat ook vlug in Frankrijk en Engeland – het tweede land waar de Cisterciënzers zich wisten te vestigen na Italië. Er zijn echter veel regionale verschillen op te merken. De lekenbroeders van Cîteaux waren bijvoorbeeld legaal onderworpen aan de abt van Cîteaux, terwijl in Grandmontines de lekenbroeders controle hadden over de eigendommen. In Oost-Europa zien we meer een systeem van lijfeigenen ontstaan.

Lekenbroeders kwamen – net zoals de cisterciënzermonniken – pas op latere leeftijd in een klooster terecht. Na de initiatie tot lekenbroeder konden de lekenbroeders geen monnik meer worden. Dit staat ook zo in hun Capitula vermeld: ‘Ut de converso non fiat monachus’.

De afgelegenheid van veel grangia kan als een reden ingeroepen worden door de monniken om er niet (vaak) te moeten aanwezig zijn. De Capitula schrijven namelijk voor dat de monniken binnen het kloosterhuis moesten leven. Ze mochten wel zo vaak als nodig naar de grangia gestuurd worden, maar er nooit lang verblijven. Dezelfde Capitula wijzen er ook op dat de monniken geen contact met wereldlijke lieden mogen hebben in verband met de landbouw- en veeteeltacitviteiten. Deze handelingen schrijven de Capitula als taken toe aan de lekenbroeders. Er wordt voor deze taakopdeling ook verwezen naar het bijbelverhaal van Martha en Maria, waarbij Maria – welke vereerd werd door de cisterciënzer – symbool staat voor de monniken en de werkende Martha voor de lekenbroeders.

In de Usus Conversorum, uit de twaalfde eeuw, krijgen we enkele extra zaken te weten over deze conversen en zien we het contrast met de monniken nog scherper. Het blijft het niet alleen beperkt tot afspraken over woning en kledij. De conversen hadden – in tegenstelling tot de monniken – slechts een beperkte religieuze plicht. Tevens vernemen we dat de conversen ook geen geestelijke arbeid zoals lezen mogen doen. De kloof tussen literatus en illiteraus wordt hiermee nog aangescherpt.

In de veertiende eeuw lijkt het systeem van lekenbroeders wel ineen te storten: de conversen zijn alleen nog een kleine groep van experten, de gronden worden in pacht uitgegeven en men doet een extra beroep op gehuurde arbeid. Voor deze terugval van de conversen zijn zowel interne als externe argumenten aan te reiken. Enerzijds is er een achteruitgang van het bevolkingscijfer, komen andere vormen van vroomheid naar voren en is er een sterke concurrentie vanuit de steden. Anderzijds merken we ook een verandering van het economisch systeem. Al kunnen we bij deze interne factor ons de vraag stellen of dit de oorzaak is voor het kleinere aantal conversen of juist een gevolg ervan. In tegenstelling tot voordien zien we ook mensen uit de gegoede burgerij conversen worden, ze schenken hun eigendommen in ruil voor belangrijke functies als opzichter. De positie van lekenbroeder kreeg dankzij de uitdijende economie dan ook een belangrijke maatschappelijke status.

Trappisten[bewerken]

Afgescheiden van de cisterciënzers zijn de trappisten – zij leven volgens een strengere regel, de zogeheten strikte observantie, en vormen een zelfstandige orde. Ook in de cisterciënzerorde kwam het allengs weer tot een strenger leven en een uitgewerkte spiritualiteit. De benaming trappisten is afgeleid van het Franse klooster La Trappe waar abt Armand Jean le Bouthillier de Rancé in 1664 strenge regels instelde die elders veel navolging kregen. In 1892 heeft de paus een laatste poging gedaan om cisterciënzers en trappisten weer in één orde te verenigen, maar vergeefs. In de Lage Landen hebben de trappisten de cisterciënzers overvleugeld. Naast vier trappistenkloosters (Berkel-Enschot, Zundert, Diepenveen, Echt, (dat sinds 2002 de monniken uit Tegelen herbergt) is er in Nederland slechts één cisterciënzerabdij, abdij Mariënkroon te Nieuwkuijk. In België bestaan nog twee cisterciënzerabdijen: Val-Dieu en Bornem. Daarnaast hebben een aantal trappistenabdijen bekendheid gekregen door hun populaire bieren: Westmalle, Westvleteren, Hamont-Achel, Rochefort, Chimay en Orval.

Literatuur[bewerken]

  • Ursmar BERLIERE, Monasticon belge, Maredsous, 8 delen, 1890-1993.
  • J. M. CANIVEZ, L'Ordre de Cîteaux en Belgique. Des origines au XXe siècle, Scourmont, 1926
  • R. DONKIN, The growth and distribution of the Cistercian Order in medieval Europe, in: Studia Monastica, 1967.
  • E. BROUTTE e. a., Dictionnaire des auteurs cisterciens, Rochefort, 1975-1979, 7 delen
  • A. SCHNEIDER, Die Cistercienser. Geschichte, Keulen, 1977
  • G. DESMONS, Mystères et berauté des abbayes cistercinnes, Toulouse, 1996.
  • Anselm HOSTE e. a., De glans van Cîteaux in de Nederlanden. 900 jaar cisterciënzerabdijen 1098-1998, Brugge, 1997.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]