Getijdengebed

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
kalenderbladzijde voor februari uit het Breviarium-Grimani.
deel van de serie over
Kloosters

en het christelijke monastieke leven

Monnik

Het Getijdengebed (lat. Liturgia horarum) is het dagelijkse gebed door de katholieke kerk voorgeschreven voor monniken, monialen, priesters en leken. Het getijdengebed bestaat hoofdzakelijk uit de 150 Psalmen toegeschreven aan Koning David met daarnaast hymnen, kantieken en lezingen. Voor geestelijken met hogere wijdingen, diakens (in voorbereiding op het priesterambt), monniken, bisschoppen en priesters, is het getijdengebed een canonieke verplichting. Voor leken die tot (permanent) diaken gewijd zijn, kan het verplicht gesteld worden door het bisdom.

Er zijn talloze termen in gebruik om het getijdengebed te benoemen. Zo spreekt men ook van “getijden”, ‘’koorgebed’’, “heilig officie”, “uren”, “horologium” (in de oosterse en orthodoxe kerken), “breviergebed” etcetera.

Oorsprong[bewerken]

Het getijdengebed kan teruggevoerd worden op het dagelijkse gebed dat in zwang was bij de joden. Het getijdengebed heeft vanaf de vroege christenen een ganse evolutie doorgemaakt, maar is vandaag nog steeds het officiële publieke gebed van de Rooms-katholieke Kerk kerk in antwoord op de vraag van Jezus Christus aan zijn leerlingen om zonder ophouden te bidden. Ook bij de andere christelijke kerken is het getijdengebed bewaard gebleven.

Geschiedenis[bewerken]

Judaïsme en de vroege Christelijke gemeenschappen[bewerken]

Zoals hierboven reeds gezegd, is het getijdengebed afkomstig van het Joodse gebed en meer bepaald van de tijd van de Babylonische ballingschap volgend op de verwoesting van de tempel van Jeruzalem in 586 v.Chr. door de Babyloniërs onder Nebukadnezar II. De tempel kon niet langer gebruikt worden om (dieren)offers te brengen en men schakelde over op lezingen uit de Thora, het zingen of bidden van psalmen en hymnen op vaste uren van de dag.

Tijdens het Romeinse Keizerrijk werd de dag ingedeeld in twaalf uren, zes voor de middag en zes na de middag. De joden en de eerste christenen namen die dagindeling over en de gebedstijden zijn dan ook daarop geënt. In de “Handelingen van de Apostelen” komen we verwijzingen naar deze Romeinse “uren” tegen. Zo werd bijvoorbeeld het eerste mirakel van de apostelen, de genezing van een kreupele op de treden van de tempel, gesitueerd op het negende uur als Petrus en Johannes naar de tempel gingen voor het avondgebed[1]. Ook de beslissing om niet-joden toe te laten in de vroege christelijke gemeenschappen was gebaseerd op een visioen dat Petrus had bij het gebed in de tempel op het “zesde uur”[2].

We weten eveneens uit de “Handelingen van de Apostelen” dat de vroege christelijke gemeenschappen de psalmen baden[3] en die psalmen vormen nog altijd de ruggengraat van het getijdengebed. In de Didachè, het oudst bewaarde document met voorschriften voor de eredienst en het kerkelijk leven, wordt voorgeschreven om driemaal daags het “Onze Vader” te bidden. Plinius de Jongere (63 – ca. 113) beschrijft in zijn brieven aan keizer Trajanus, dat de Christenen baden op vaste tijden gedurende de dag en uit zijn beschrijving kan men opmaken dat het niet over de eucharistie ging[4].

Vanaf de tweede en derde eeuw schreven kerkvaders zoals Clemens van Alexandrië, Origenes en Tertullianus over de praktijk van het morgen- en avondgebed en over de gebeden bij het derde, het zesde en het negende uur. Deze gebeden konden individueel of in groep worden gebeden. De woestijnvaders, de voorlopers van de monniken, begonnen de opdracht van Paulus om “zonder ophouden te bidden” letterlijk uit te voeren door verschillende groepen de verschillende gebedsstonden steeds na elkaar te laten reciteren.

De middeleeuwen[bewerken]

In de kloosters die vanaf de vierde eeuw in het oosten ontstaan en vanaf de vijfde eeuw ook in het westen, werden de gebeden aangepast, ze werden langer en de dagelijkse gebedscyclus werd snel de regulerende factor voor het leven in de kloosters. Aanvankelijk werden dagelijks de 150 psalmen gebeden, maar dit nam te veel tijd in beslag en men ging het psalmengebed spreiden over een week, waarbij elke dag op de verschillende gebedstijden een aantal psalmen werden gebeden.
St. Benedictus van Nursia[5] heeft in de 6e eeuw een dergelijk gebedsschema opgezet, dat zeer snel vrij algemeen werd gebruikt. Aan deze psalm-koorboeken werden dan, over verloop van tijd, antifonen, responses, collecta’s en korte gebeden toegevoegd als hulpmiddel voor diegenen die niet zo bedreven waren in het improviseren van dergelijke gebeden.

Uiteindelijk had men voor het koorofficie een ganse reeks boeken nodig: een ‘Antifonarium’, de Bijbel met het oude en het nieuwe testament, de ‘Legendarius’ (Legendae Sanctorum: levensbeschrijving van de heiligen en martelaars), de ‘Homiliarium’ (homilies over de evangelies), de ‘Sermologus’ (collectie van sermoenen), de werken van de kerkvaders naast het ‘Psalterium’ en het ‘Collectarium’. Om niet telkens over een ganse bibliotheek te moeten beschikken werd het ‘Breviarium’ ontwikkeld, zeg maar een verzamelwerk.

Al in de 8e eeuw had Prudentius, bisschop van Troyes, een ‘Breviarium Psalteri’ opgesteld voor leken met een paar psalmen voor elke dag en Alcuinus voegde daaraan nog een dagelijks gebed en enkele andere gebeden toe. Het echte breviarium komt echter pas in de 11e eeuw tot stand. Het vroegste (bewaarde) manuscript dat het ganse koorofficie omvat dateert van 1099 (Mazarin bibliotheek).

Gregorius VII (paus van 1073-1085) vereenvoudigde de liturgie van de getijdengebeden en gaf het de naam ‘Breviarium’. Er zijn meerdere Breviaria uit de 12e eeuw teruggevonden, die allemaal Benedictijns van oorsprong zijn. Innocentius III (paus van 1198 – 1216) voerde het ‘Officium Romanum abbreviatum’ in. Dit werd door de Franciscanen overgenomen, ze vervingen de ‘Gallische’ versie van het Psalterium door een ‘Romeinse’ en verspreidden deze versie over gans Europa. Deze versie werd tot aan het Tweede Vaticaans Concilie (in aangepaste vorm) in Rome gebruikt. De andere boeken (Legendaria, Responsaria etc.) verdwenen uit het dagelijks gebruik en uiteindelijk legde Nicholaas III (paus van 1277 – 1280) het gebruik van deze Franciscaanse versie op aan de curie en de kerken van Rome. Naast deze Romeinse versie kennen we nog tal van andere versies zoals de Benedictijnse, de Dominicaanse, de Mozarabische in Spanje en de Ambrosiaanse in Milaan om slechts de bijzonderste te noemen.

Nieuwe tijd[bewerken]

Tot het concilie van Trente (1545 – 1563) kon elke bisschop het Breviarium opstellen of aanpassen voor zijn diocees en dit werd ook bijna overal gedaan, elke kloosterorde en elk bisdom had zijn eigen Breviarium, vandaar de term ‘voor gebruik in ....’ die meestal vermeld wordt bij de beschrijving van een middeleeuws brevier. Pius V (paus van 1566 – 1572) verplichtte in 1568 het gebruik van het Breviarium ‘ad usum Romanum’ behalve voor die Breviaria die een staat van dienst van meer dan 200 jaar hadden. De Romeinse invloed heeft echter bijna alle andere vormen doen verdwijnen en is het universele type geworden.

Sedertdien werden nog verschillende revisies doorgevoerd waarvan de laatste in 1902 door Leo XIII en in 1960 door Johannes XXIII.

Inhoud[bewerken]

De middeleeuwse versie[bewerken]

We gebruiken hier als naam “middeleeuwse versie” en niet “Tridentijnse versie” naar de versie die verplicht werd door Pius V, omdat de vroeger in gebruik zijnde versie eigenlijk niet veel van die Tridentijnse versie afweek. Tegen het einde van de vijfde eeuw telde het getijdengebed zeven officies, waarvan de completen het laatst waren toegevoegd. De Apostolische Constituties (lat. Constitutiones Apostolorum)[6] vermelden namelijk het bidden in de morgen, op het derde, het zesde en het negende uur, in de avond en bij het kraaien van de haan.

De priem zou zijn toegevoegd door Benedictus van Nursia in de zesde eeuw. De acht gebedsstonden zijn:

Zoals eerder gezegd werd dit schema toegeschreven aan Benedictus van Nursia, maar dit schema werd overgenomen van Johannes Cassianus. Deze beschreef in zijn werken “De Institutis (coenobiorum et de octo principalium vitiorum remediis)” en “Collationes (patrum in Scithico eremo commorantium)” het monastieke leven van de woestijnvaders en Benedictus putte hieruit bij het opstellen van zijn regel. Momenteel is dit nog steeds de dagindeling die door de Cisterciënsers wordt gehanteerd. De inhoud van de officies is echter niet volledig gelijklopend met de 'tridentijnse' structuur.

De moderne versie[bewerken]

Na het Tweede Vaticaans Concilie is het brevier bijna onherkenbaar gewijzigd, de structuur van de uren, de verdeling van de psalmen over de gebedsstonden en de gebeden zelf werden aangepast. Men spreekt trouwens ook niet meer van brevier maar van de Liturgia Horarum, de 'liturgie van de gebedstijden'. Die ziet er als volgt uit:

  • Een inleidend gebed dat gebeden wordt voor de eerste dienst
  • De metten worden nu de “lezingendienst” genoemd.
  • De lauden of het morgengebed
  • De priem is afgevoerd.
  • De terts, sext en none zijn samengevoegd tot het “middaggebed” hoewel ze ook nog afzonderlijk kunnen worden gebeden
  • De vespers of het avondgebed
  • De completen of de dagsluiting

Structuur van de officies[bewerken]

Tridentijnse versie[bewerken]

De bedoeling van de hierbij opgegeven structuur is om een idee te geven van wat er in het getijdengebed voorkwam en hoe het was samengesteld. Als men oude handschriften of drukken hiermee gaat vergelijken zal men zeer snel sterke afwijkingen vinden, ook met breviaria die “ad usum Romanum” gemaakt zijn, maar de globale structuur is wel steeds vergelijkbaar. Vroegere versies van breviaria kunnen qua structuur heel erg afwijken van wat hier behandeld wordt, zoals elders al gezegd, kon elk bisdom en elke kloosterorde zelf bepalen wat wanneer gebeden werd. Het enige waar je wel op aan kunt is dat in de loop van één week alle 150 psalmen aan bod kwamen.

Metten[bewerken]

Het officie van de metten was in de Tridentijnse ritus (ongeveer) als volgt samengesteld:

  • Inleidende gebeden (lat. Incipit)
Onzevader (lat. Pater Noster)een gebed dat door Christus aan zijn leerlingen zou gegeven zijn[7]
Weesgegroet (lat. Ave Maria)[8]
Geloofsbelijdenis (lat. Credo)
Psalmvers (ps.50:15[9]) : De Latijnse tekst luidt: “Domine labia mea aperies et os meum annuntiabit laudem tuam”.[10].
Psalmvers (ps.69:01): “Domine, ad adiuvandum me festina”
De kleine doxologie: “Gloria Patri et Filio et Spiritui sancto”[11].
Alleluia.
  • De uitnodiging tot het gebed (lat. Invitatorium)

Het Invitatorium bestaat uit Psalm 94 (“Venite exultemus”) met een antifoon die eventueel tweemaal herhaald wordt.

  • Hymne (lat. Hymnus)
  • Psalmen en lezingen (lat. Psalmi)
1 tot 3 nocturnes. Elke nocturne bestaat uit 3 tot 12 psalmen en 3 lezingen of lessen. Het aantal nocturnes was afhankelijk van enerzijds de weekdag en anderzijds van het type van de feestdag die gevierd werd of van de heilige die herdacht werd. Op gewone weekdagen was er één nocturne met 12 psalmen en 3 lezingen, op gewone zaterdagen was dit 1 nocturne met 9 psalmen en 3 lezingen en op gewone zondagen waren er 3 nocturnes met 12 psalmen in de eerste en 3 psalmen in de tweede en de derde, telkens gevolgd door 3 lezingen. Voor feestdagen was de samenstelling afhankelijk van de rang van de feestdag[12].

Het merendeel van de feestdagen had 3 nocturnes met telkens 3 psalmen en 3 lezingen. Voor meer details hierover verwijzen we naar de websites Divinum Officium en CHD Center for Håndskriftstudier i Danmark-Tutorial. De psalmen werden per psalm of per groep van psalmen voorafgegaan en gevolgd door een antifoon.

  • Gebed (lat. Oratio)
Korte beurtzang (vers en respons)
Collecta
Korte beurtzang
  • Het afsluitend gebed (lat. Conclusio)
Korte beurtzang: Domine Exaudi (O heer hoor mijn gebed; En mijn roepen kome tot U)
Korte beurtzang: Benedicamus Domino (Zegenen wij de heer; Gode zij dank)
Korte beurtzang: Fidelium animae (Mogen de zielen van de gelovigen…; Amen)
Onzevader

De psalmen, antifonen, hymnen en gebeden die gebruikt werden waren afhankelijk van de feestdag die gevierd werd of van de heilige die herdacht werd

De lauden[bewerken]

Het officie van de lauden had de volgende structuur:

  • Inleidende gebeden (lat. Incipit): zoals de metten maar zonder de geloofsbelijdenis
  • Psalmen
vier psalmen (92, 99, 62 en 66 op belangrijke feestdagen en volgens de liturgie van de dag op gewone)
Kantiek: de ‘Drie kinder zang’ (Canticum trium puerorum Dan 3:57-75) op bijzondere feesten, andere Kantiek volgens liturgie van de dag op gewone dagen.
  • Kapittel[13], Hymne en Beurtzang
  • Gebed
  • Aanroeping van de heiligen (lat. Suffragium)
De heilige Maria
De apostelen
Gebed voor de vrede
  • Het afsluitend gebed (lat. Conclusio): zoals bij de metten
  • Korte beurtzang
  • Antifoon

De Priem[bewerken]

Het officie van de priem had de volgende structuur:

  • Inleidende gebeden (lat. Incipit): zoals de metten maar zonder de geloofsbelijdenis
  • Hymne
  • Psalmen
Antifoon
op feestdagen, zaterdag en zondag
psalm 53
psalm 118:2-16
psalm 118:17-32
op gewone weekdagen
psalm 53
een psalm volgens de liturgie van de dag
psalm 118:2-16
psalm 118:17-32
Antifoon
  • Kapittel, beurtzang en vers
  • Gebeden
  • Lezing uit het leven van een martelaar
  • Beurtzangen
  • Kyrie
  • Onzevader
  • Gebed
  • Korte lezing
  • Het afsluitend gebed (lat. Conclusio): zoals bij de metten

De terts[bewerken]

Het officie van de terts had de volgende structuur:

  • Inleidende gebeden (lat. Incipit): zoals de metten maar zonder de geloofsbelijdenis
  • Psalmen
  • Hymne
  • Psalmen
Antifoon
psalm 118:33-48
psalm 118:49-64
psalm 118:65-80
Antifoon
  • Kapittel, beurtzang en vers
  • Gebed
  • Het afsluitend gebed (lat. Conclusio): zoals bij de metten

De sext[bewerken]

Het officie van de sext had de volgende structuur:

  • Inleidende gebeden (lat. Incipit): zoals de metten maar zonder de geloofsbelijdenis
  • Psalmen
  • Hymne
  • Psalmen
Antifoon
psalm 118:91-96
psalm 118:97-112
psalm 118:113-128
Antifoon
  • Kapittel, beurtzang en vers
  • Gebed
  • Het afsluitend gebed (lat. Conclusio): zoals bij de metten

De none[bewerken]

Het officie van de none had de volgende structuur:

  • Inleidende gebeden (lat. Incipit): zoals de metten maar zonder de geloofsbelijdenis
  • Psalmen
  • Hymne
  • Psalmen
Antifoon
psalm 118:129-144
psalm 118:145-160
psalm 118:161-176
Antifoon
  • Kapittel, beurtzang en vers
  • Gebed
  • Het afsluitend gebed (lat. Conclusio): zoals bij de metten

De vespers[bewerken]

De vespers hadden de volgende structuur:

  • Inleidende gebeden (lat. Incipit): zoals de metten maar zonder de geloofsbelijdenis
  • Psalmen
Vijf (variabele) psalmen met antifoon voor en na
  • Kapittel, beurtzang en vers
  • Het Magnificat (de lofzang van Maria Lucas, 1:46-55) met een antifoon voor en na.
  • Gebed
  • Aanroeping van de heiligen (lat. Suffragium)
De Heilige Maria
De apostelen
Gebed voor de vrede
  • Het afsluitend gebed (lat. Conclusio): zoals bij de metten

De completen[bewerken]

De completen hebben de volgende structuur:

  • Inleidende gebeden (lat. Incipit): deze zijn totaal verschillend van de andere ure namelijk:
vers: Iube domne benedicere.
zegen: Noctem quietam et finem perfectum concedat nobis Dominus omnipotens. Amen. (Almachtige heer geef ons een rustige nacht en een goed levenseinde.)
  • Korte lezing
  • Korte beurtzang
  • Schuldbelijdenis
  • Aanroepingen voor vergeving
  • Psalmen
Antifoon
psalm 4
psalm30:1-6
psalm 90
psalm133
Antifoon
  • Hymne
  • Kapittel, beurtzang en vers
  • Kantiek: Nunc dimittis (Simeons lofzang Lucas 2:29-32; Laat nu, Heer, volgens uw woord. uw dienaar in vrede heengaan.)
  • Gebed
  • Het afsluitend gebed (lat. Conclusio):
Korte beurtzang: Domine Exaudi (O heer hoor mijn gebed; En mijn roepen kome tot U)
Korte beurtzang: Benedicamus Domino (Zegenen wij de heer; Gode zij dank)
Zegening: Benedicat et custodiat nos (Zegene en behoude ons de almachtige God, De Vader, de Zoon en de Heilige Geest; Amen)
  • Antifoon
  • Onzevader
  • Weesgegroet
  • Geloofsbelijdenis

De moderne versie[bewerken]

Het getijdengebed zoals opgesteld na Vaticanum II is, zoals we reeds eerder zeiden, grondig verschillend van het vroegere getijdengebed.

Het inleidend gebed[bewerken]

Het inleidend gebed wordt gebeden wordt voor de eerste dienst. Het bestaat uit:

Psalmvers (ps.50:15 De Latijnse tekst luidt: “Domine labia mea aperies et os meum annuntiabit laudem tuam”.[10].
Psalm 94 (“Venite exultemus”); deze psalm kan vervangen worden door psalm 23, psalm 66 of psalm 99.

De lezingendienst[bewerken]

Komt overeen met de vroegere metten

  • Hymne
  • 3 psalmen met antifonen
  • Lezing
  • Beurtzang
  • Lezing
  • Lofzang (Kantiek)
  • Afsluitend gebed

Het morgengebed[bewerken]

Komt overeen met de vroegere Lauden

  • Hymne
  • Psalm met antifoon
  • Lofzang uit het Oude Testament met antifoon
  • Psalm met antifoon
  • Lezing
  • Korte beurtzang
  • Lofzang van Zacharias met antifoon
  • Slotgebeden

Middaggebed[bewerken]

Ter vervanging van de terts, sext en noon. Men kan die uren ook nog afzonderlijk bidden. De priem werd afgeschaft.

  • Hymne
  • 3 Psalmen met antifoon
  • Lezing
  • Beurtzang
  • Afsluitend gebed

Avondgebed[bewerken]

Vroeger de vespers genoemd. Structuur zoals het morgengebed.

  • Hymne
  • Psalm met antifoon
  • Lofzang uit het Nieuwe Testament met antifoon
  • Psalm met antifoon
  • Korte lezing
  • Korte beurtzang
  • Lofzang van Maria met antifoon
  • Slotgebeden

Dagsluiting[bewerken]

  • Gewetensonderzoek,
  • Hymne,
  • Psalm met antifoon,
  • Korte schriftlezing,
  • Beurtzang,
  • Simeons lofzang met antifoon,
  • Afsluitend gebed
  • Aanroeping van Maria

Taal en muziek[bewerken]

Het getijdengebed werd uitsluitend in het Latijn gebeden. Sedert Vaticanum II kan het ook in de volkstaal.

De muziek van het getijdengebed is het Gregoriaans. Sinds het Tweede Vaticaanse Concilie wacht men in de Katholieke Kerk op de publicatie van een nieuw "Antiphonale Romanum", aangepast aan de nieuwe organisatie van het getijdengebed dat gezongen wordt in de parochies. Het Antiphonale Monasticum (2007) uitgebracht door de Abdij van Solesmes en de "Liturgia Horarum" (2000) van het Vaticaan werden door de Communauté Saint-Martin samengevoegd in "les Heures Grégoriennes" ("De Gregoriaanse Getijden", uitgegeven in 2008), een tweetalig quasi-officieel Antiphonale Romanum goedgekeurd door de Heilige Stoel in Rome. In 1983 werd voor het eerst een deel van het nieuwe Antiphonale Romanum uitgebracht, het zogenaamde Liber Hymnarius, dat als deel II (pars altera) door de monniken van Solesmes de wereld werd ingestuurd. Dit boek bevat hymnes, invitatorium-antifonen en responsories, in principe te gebruiken in alle getijdes. Vervolgens verscheen in 2009 (verkrijgbaar vanaf januari 2010) opnieuw een deel II van het nieuwe Antiphonale Romanum wederom door Solesmes. In dit boek staan de eerste en de tweede Vespers van de zon- en feestdagen. Het ziet er naar uit dat het eerste deel II uit 1983 onderdeel is van een mislukt project.

Waar Nederlands wordt gezongen, heeft men nieuwe muziek gecomponeerd die vaak sterk aan het Gregoriaans doet denken. In Vlaanderen was dit grotendeels het werk van het Lemmensinstituut.

In Nederland wordt de psalmvertaling van pater Ad Bronkhorst, O.P. uit 1969 gebruikt in de officiële Rooms-katholieke vertaling van het getijdengebed. In de meeste kloosters wordt de vertaling van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde (de Dames) gebruikt. Deze vertaling kenmerkt zich door haar archaïsch woordgebruik en eigenzinnige woordvolgorde. Voor deze vertaling zijn in het Abdijboek bijbehorende melodieën geschreven door verschillende monniken en monialen, zowel voor de antifonen als voor het zingen van de verzen. Deze muziek wordt in parochies ook wel uitgevoerd, maar is berucht vanwege haar moeilijkheidsgraad. Voor de vertaling van pater Bronkhorst is een veelvoud aan gemakkelijke psalmmelodieën verkrijgbaar.

Ter bevordering van het bidden van de getijden door leken heeft de Nationale Raad voor Liturgie in 2005 voor de Nederlandse kerkprovincie een Klein Getijdenboek gepubliceerd. In 2007 publiceerde dezelfde instantie een Getijdenboekje voor kinderen.

Externe links[bewerken]

Referenties en nota’s[bewerken]

  1. Handelingen 3:1
  2. Handelingen 10:9-49
  3. Handelingen 4:23-30
  4. Plinius de Jongere, Epistulae, Boek 10.
  5. Volgens A.H. Bredero is er een goede kans dat Benedictus van Nursia een legendarische en geen historische figuur is. Benedictus is vooral bekend van zijn biografie in de ‘Dialogen’ van paus Gregorius de Grote. De echte doorbraak van de Regula Benedicti komt er vooral dankzij Benedictus van Aniane (±750-821). Adriaan H. Bredero, De ontkerstening der middeleeuwen, 2000
  6. Een verzameling van acht boeken van het einde van de vierde eeuw waarvan gezegd werd dat ze teruggingen op de traditie van de apostelen.
  7. Matteüs 6:9-13 en Lucas 11:2-4.
  8. Het eerste gedeelte van het gebed komt uit Lucas 1,28 (de begroetingswoorden van de aartsengel Gabriël). Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.
    Het tweede gedeelte van het gebed komt uit Lucas 1,42 (de bezegeningswoorden van Elisabeth, de nicht van Maria). De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot!
    Het derde gedeelte van het gebed komt van de Gemeenschap van gelovigen en is ter gelegenheid van het Concilie van Efeze (431) goedgekeurd en aan de Evangelische verzen toegevoegd.
  9. Alle psalmnummers gebruikt in het artikel zijn gebaseerd op de nummering uit de Vulgaat.
  10. a b Heer open mijn lippen en mijn mond zal uw lof verkondigen.
  11. Eer zij aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
  12. zie bij Kerkelijk jaar
  13. Een kapittel is een korte lezing uit de schrift. In het Latijn noemt men dit ‘capitulum’; een lange lezing noemt men dan “lectio”>