Verdrijvingsedict

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kopie van het Edict

Het Edict van de verdrijving van de joden is het edict dat door het Katholieke koningspaar (Ferdinand II van Aragón en Isabella van Castilië) op 31 maart 1492 in Granada werd uitgevaardigd en op grond waarvan de Spaanse joden (Sefardim) gedwongen werden de gebieden waarover het Katholieke koningspaar heerste (ruwweg het huidige Spanje) te verlaten, dan wel zich tot het christendom te bekeren.

Het edict stelt dat ondanks pogingen de interactie tussen joden en christenen te beperken, de eersten doorgegaan zouden zijn christenen te verleiden tot afvalligheid van het katholieke geloof. Dit wordt als reden genoemd om alle joden van alle leeftijden, van alle sociale standen, burgers van de koninkrijken of niet, aan te zeggen dat zij voor het eind van juli 1492 alle gebieden in bezit van de vorsten voor altijd moeten verlaten. Christenen die hen hulp zouden verlenen langer te blijven konden op straf rekenen. Gaven de joden geen gehoor aan dit bevel, dan wachtte hen een doodvonnis.

Voor Ferdinand II van Aragón was het vooral een manier om de schatkist verder te vullen. Hij stond niet toe dat ze goud en zilver meenamen uit het land, zodat ze zich gedwongen zagen die in te ruilen voor minderwaardige goederen. Bovendien konden de joden geen goede prijs krijgen voor hun bezittingen.

De enige manier voor joden om toch in de Spaanse landen te blijven, was zich tot het christendom te bekeren. Zij die dat deden (conversos genaamd) werden echter met grote argwaan bekeken en door de Inquisitie vervolgd, omdat zij ervan verdacht werden in het geheim toch aan het geloof van hun vaderen vast te houden. De conversos werden vaak aan allerlei rituelen onderworpen, bijvoorbeeld door hen te verplichten in het openbaar varkensvlees te nuttigen.

Het edict en de daarop volgende verdrijving uit Portugal in 1497 maakte een einde aan een lange periode van joodse aanwezigheid in Iberië.

Externe link[bewerken]