Reconquista (Spanje)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De koninkrijken gedurende verschillende periodes in de reconquista.

De Reconquista (een Spaans en Portugees woord voor herovering; Arabisch: الاسترداد al-ʼIstirdād) was een periode van ongeveer 800 jaar in de middeleeuwen waarin enkele christelijke koninkrijken op het Iberisch Schiereiland erin slaagden om de moslims van het schiereiland te verdrijven.

De islamitische verovering van het Visigotische koninkrijk in de 8e eeuw bracht het schiereiland grotendeels onder islamitische heerschappij, met uitzondering van het uiterste noorden, de gebieden Galicië, Asturië, Cantabrië en Baskenland. Na eeuwen van oorlogen restte in de 13e eeuw alleen nog het Koninkrijk Granada dat in 1492 werd veroverd, waarmee het Iberisch Schiereiland weer geheel in christelijke handen was.

De herovering van Santo Domingo in 1808, dat door het tweede verdrag van Bazel aan Frankrijk was toegewezen, wordt ook met reconquista aangeduid.

Er bestaat ook een Latijns-Amerikaanse reconquista die zich rond het jaar 1810 afspeelde in Venezuela, Colombia en Mexico.

Voorgeschiedenis[bewerken]

In 711 stak de Berberse generaal Tarik ibn Zijad de Straat van Gibraltar over om in te grijpen bij een burgeroorlog onder de Visigoten. De Visigotische koning Roderik werd in hetzelfde jaar vermoord waarmee het koninkrijk ophield te bestaan. In 718 was het grootste gedeelte van het Iberisch Schiereiland in de handen van de moslims. In 722 behaalden de christenen hun eerste overwinning onder leiding van Don Pelayo in de Slag bij Covadonga, waardoor Asturië niet bezet werd. De islamitische opmars in Frankrijk werd gestopt door Karel Martel in de Slag bij Poitiers in 732.

Tussen 711 en 750 was Al-Andalus (het Arabische Spanje) een deel van het kalifaat van de Omajjaden, met als hoofdstad Damascus. Nadat in het Midden-Oosten de Abbasiden de Omajjaden verslagen hadden en de heersende klasse verdreven, vluchtte het enig overgebleven lid van de Omajjaden-familie, Abd al-Rahman I, in 756 naar Spanje. Hij verenigde er de Berbers en maakte van Córdoba een nieuwe hoofdstad. Hij verbrak de banden met de kalief in Bagdad en stichtte het emiraat Córdoba. In 929 riep zijn opvolger, Abd al-Rahman III, zich uit tot kalief. Onder het kalifaat Córdoba kende Al-Andalus grote welvaart. Er was een zekere mate van tolerantie ten opzichte van christenen en joden.[bron?]

In het noorden van Spanje waren in de 9de en 10e eeuw een aantal kleine staten ontstaan, elk met hun eigen koningen: Castilië, León, Aragón, Navarra, Portugal en Catalonië. Gaandeweg fuseerden sommige (bijvoorbeeld Aragón en Catalonië) maar veel macht verwierven ze niet.

De reconquista van het Iberisch Schiereiland

De reconquista[bewerken]

Tussen 1002 en 1031 viel het kalifaat uiteen in de zogenaamde taifa-rijkjes. Deze verdeeldheid leidde tot een definitieve kentering na een paar eeuwen patstelling tussen de christelijke rijkjes en de moslims. Voorheen waren er voornamelijk defensieve veldslagen tegen de moslims, maar in deze eeuw krijgen ze een meer offensief, progressief en continuïtief karakter. In 1063 gaf paus Alexander II zijn zegen aan de kruistochten van de reconquista.

Deze eerste periode is de meest heroïsche periode voor de christenen, en wordt het vaakst beschreven in ridderromans. Bekend is o.a. El Cid, de legendarische ridder Rodrigo Díaz de Vivar, die nu eens met de christenen, dan weer met de moslims meevocht, en uiteindelijk Valencia voor de christenen veroverde.

Het jaar 1085 was een sleuteljaar in de reconquista. In dat jaar bezette de Castiliaanse koning Alfonso VI de oude Visigotische hoofdstad Toledo. De Slag bij Las Navas de Tolosa (tussen Toledo en Córdoba) in 1212 was een zware nederlaag voor de moslims en een echte doorbraak voor de reconquista. De christenen boekten hierna in relatief korte tijd grote successen: Córdoba werd in 1236 veroverd en Sevilla in 1248. In 1280 was praktisch het gehele schiereiland in christelijke handen. Alleen de taifa van Granada bleef islamitisch onder heerschappij van de Nasriden. Het was schatplichtig aan de koningen van Castilië. Interne machtsstrijd was de oorzaak van verval. Vanaf 1421 begonnen de opeenvolgende pausen op te roepen tot kruistochten tegen de moslims in Granada.

In 1482 begon de veldtocht tegen Granada. Op 2 januari 1492 (hetzelfde jaar dat Columbus voor het eerst de Atlantische Oceaan overstak en daarbij Amerika ontdekte) nam het katholieke koningspaar, Ferdinand II van Aragón en Isabella I van Castilië, de sleutels van de stad Granada in ontvangst van emir Abu Abdallah (bij de Spanjaarden bekend als Boabdil). Hiermee was de reconquista eindelijk voltooid.

Verdrijving van joden en moslims[bewerken]

Kort na de verovering van Granada braken Ferdinand en Isabella de belofte van het Verdrag van Granada (1491) om de joden en moslims van die stad met rust te laten.[1]

Op 31 maart 1492 tekenden Ferdinand en Isabella het zogenaamde Verdrijvingsedict. De joden werden op straffe van de dood gedwongen zich te laten dopen. Veel joden bekeerden zich onder deze druk tot het christendom. Sommigen van hen bleven in het geheim hun Joodse geloof voortzetten. Over het aantal joden dat emigratie verkoos verschillen de meningen, maar men neemt aan dat tussen de 160.000 en de 400.000 personen Spanje verlieten. Enkelen vestigden zich in Portugal en Italië en sommigen weken uit naar Nederland. Het grootste deel ging echter naar Noord-Afrika en het Ottomaanse Rijk. De verspreiding van de Sefardische Joden over heel Europa is tot op de dag van vandaag te zien en ze vormden vaak hun eigen gemeenschappen.

Sommige moderne historici[bron?] zien het als een uiting van politieke macht die naar eenheid streefde en daarom de andere bevolkingsgroepen elimineerde. Anderen[bron?] zijn van mening dat de intolerantie van de toen gangbare vorm van het christendom en het daarmee verbonden antisemitisme aan de verdrijving ten grondslag liggen. De Katholieke Kerk sprak felle veroordelingen uit over de joden en moslims. Op deze wijze versterken de naar eenheid strevende Staat en de intolerante houding van de Kerk elkaar. De band tussen Kerk en Staat, tussen koning en kerkelijke macht was extreem groot in het Spanje van de 15e tot de 17e eeuw. De belangen van Staat en Kerk vielen samen.

In 1499 dwong de Spaanse kardinaal Francisco Jiménez de Cisneros de mudéjares zich te bekeren tot het christendom. Hij verbrandde publiekelijk de Koran. Vele duizenden lieten zich dopen. Wie geen christen wilde worden, moest het land verlaten. De "bekeerde" mudéjares worden nu moriscos (morisken) genoemd.

Onder Filips II worden de zogenoemde marranos (scheldnaam voor de joden 'zwijnen') en moriscos met harde hand vervolgd. De Inquisitie liet 13.000 bekeerde joden ombrengen, omdat zij in het geheim het joodse geloof waren blijven aanhangen. De uitvoering van door de kerkelijke rechtbanken uitgesproken doodstraffen gebeurde door de wereldlijke macht.

In 1609 werden onder Filips III 300.000 morisken het land uitgezet.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Peter Linehan - Janet L. Nelson (eds) (2001), The medieval world, vol. 10, p.61