Slag bij Las Navas de Tolosa

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Slag bij Las Navas de Tolosa
Onderdeel van Reconquista
De slag bij Las Navas de Tolosa op een 19e-eeuws olieverfschilderij van F.P. van Halen
De slag bij Las Navas de Tolosa op een 19e-eeuws olieverfschilderij van F.P. van Halen
Datum 16 juli, 1212
Locatie Las Navas de Tolosa, Jaén, Andalusië
Resultaat Beslissende Christelijke overwinning
Strijdende partijen
Estandarte del Reino de Castilla.png Koninkrijk Castilië
Estandarte de la Corona de Aragon.png Kroon van Aragón
PortugueseFlag1185.svg Koninkrijk Portugal
EstandNavarra.png Koninkrijk Navarra
Orde van Santiago
Cross Calatrava.svg Orde van Calatrava
Malteserkreuz.svg Maltezer Orde
Cross of the Knights Templar.svg Tempeliers
Flag of Almohad Dynasty.png Almohaden
Commandanten
Alfons VIII van Castilië
Sancho VII van Navarra
Peter II van Aragón
Alfons II van Portugal
Mohammed an-Nasir
Troepensterkte
~50,000 sommige bronnen suggereren tussen de 50,000 en 80,000. ~125,000 - 150,000
Verliezen
~2,000 doden of gewonden ~100,000 doden, gewonden of gevangenen[1]

De Slag bij Las Navas de Tolosa (Spaans:Batalla de Las Navas de Tolosa / Arabisch:معركة العقاب) vond plaats vlak bij Las Navas de Tolosa, een plaatsje in het noorden van de Spaanse provincie Jaén op 16 juli 1212. Het was een beslissende slag in de Reconquista. Daarbij versloegen de christelijke legers, verzameld door koning Alfons VIII van Castilië de Moorse Almohaden, die vanaf het midden van de 12e eeuw heersten in Al-Andalus, het Spanje onder de Moren.

Het christelijke leger werd gevormd door:

Voorgeschiedenis[bewerken]

In 1195 werd Alfonso VIII van Castilië verslagen door de Almohaden in de Slag van Alarcos. Na deze overwinning hadden de Almohaden diverse steden ingenomen, zoals Trujillo, Plasencia, Talavera, Cuenca en Uclés. De grote overwinning had echter ook offers geëist bij de Almohaden, waardoor ze niet konden doordrukken. Zestien jaar later, in 1211, stak Mohammed an-Nasir de Straat van Gibraltar over met een geweldig sterk leger, en lanceerde een invasie in het christelijke deel van Spanje. De vesting van de Orde van Calatrava in Salvatierra werd ingenomen. Hierna was de dreiging voor de Spaanse koninkrijken zo groot dat paus Innocentius III opriep tot een kruistocht.

Veel ridders en manschappen stroomden toe vanuit Europa. Eenmaal in Spanje waren velen het echter niet eens met de tolerante houding van Alfons ten opzichte van Joden en Moslims. In Toledo, waar verschillende legers uit Europa verzamelden, leidde dit tot een pogrom in het Joodse kwartier. Hierna verlieten 30.000 manschappen de stad en gingen terug naar Europa. Alfons had hierna nog 50.000 manschappen over tegen de 150.000 van An-Nasir.

De Slag[bewerken]

Alfons stak met een lokale schaapherder als gids, via de Despeñaperros Pas de bergrug over naar het kamp van de Almohaden. Het christelijke leger viel massaal aan in een verrassingsaanval.

Volgens de legende had de kalief zijn hoofdkwartier omringd met slaafsoldaten die aan elkaar waren geketend als verdediging. Het christelijke leger doorbrak de verdediging. De kalief kon nog vluchten, maar zijn leger was uiteengevallen en opgejaagd. 100,000 van de 150.000 moren vielen op het slagveld. Door de verrassingsaanval waren de slachtoffers aan christelijke zijde zeer gering: circa 2.000. Met name de kopstukken van de kruisridders (de meesters van de orde van Santiago, die van Calatrava en van de Tempeliers) waren onder de slachtoffers aan Christelijke zijde.

De aartsbisschop van Narbonne schatte het dodenaantal van de Moren overigens op 60.000 of meer en dat van de christenen op 40.000.[2]

An-Nazir vluchtte naar Marrakesh, waar hij binnen een jaar stierf.

Epiloog[bewerken]

De slag was van een dusdanige omvang dat deze de val van het Almohadenrijk inluidde. Niet alleen op het Iberisch Schiereiland, maar ook in de Maghreb tien jaar later. Na de eeuwenlange territoriale patstelling was de slag DE impuls van de herleving van de Reconquista.

Na de slag nam Castilië de steden Baeza en Úbeda in. Vanuit deze strategische steden werd de aanval opgezet om de rest van Al-Andalus te heroveren. Ferdinand III van Castilië veroverde Córdoba in 1236, Jaén in 1246, en Sevilla in 1248; daarna Arcos, Medina-Sidonia, Jerez en Cádiz. Het koninkrijk Aragon had in de tussentijd de Balearen (vanaf 1228) en Valencia (1238) ingenomen.

Al-Andalus bestond niet meer en in feite was Koninkrijk Granada het enige overgebleven islamitische rijk in Iberië (tot 1492).

Ferdinand had de smaak te pakken en wilde doorstoten naar de Magreb (alwaar het Almohadenrijk ineenstortte), maar tijdens de voorbereiding sloeg de pest in zijn kamp toe. Ferdinand stierf in 1252 in Sevilla.

Nog eenmaal werd vanuit de Magreb, ditmaal onder de Mariniden, een invasie gepland op Iberië. Deze invasie is uiteindelijk gestuit bij de Slag bij Salado door de kleinzoon van Ferdinand, Sancho IV.

Voetnoten[bewerken]

  1. Volgens de koning van Castilië: "Aan hun zijde vielen 100 000 gewapende mannen in de strijd..." Zie Lynn Hunt, R. Po-chia Hsia, Thomas R. Martin, Barbara H. Rosenwein en Bonnie Smith, The Making of the West: Peoples and Cultures: A Concise History: Volume I: To 1740, Second Edition (New York: Bedford/St. Martin's 2007), 391.
  2. Zuid-Spanje, Insight Guides, pag. 43, Uitg. Cambium, Zeewolde (1998), ISBN 90-6655-012-0