Geschiedenis van Spanje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van Spanje.

Prehistorie[bewerken]

In de prehistorie moeten verschillende malen volkeren die uit Afrika afkomstig waren, de Straat van Gibraltar zijn overgestoken en zich over Spanje hebben verspreid. In Atapuerca, in de buurt van de hoofdstad Burgos, werden de oudste fossielen van de vroege mens (Homo Sapiens) in Europa ontdekt: "Kannibalen" van ongeveer 1.000.000 jaar terug en "el hombre antecessor" van zo'n 300.000 jaar terug.[1] Voor de ijstijden vestigden zich de neanderthalers in Spanje. De eerste 'moderne' mensen (cro-magnonmens) vestigden zich gedurende de ijstijd waarna de neanderthalers geleidelijk verdreven werden of uitstierven.

In de tijd van de beroemde grotschilderingen in Lascaux, Frankrijk, leefden er soortgelijke "kunstenaars" in de omgeving van de havenstad Santander. Zij schiepen de al even beroemde schilderingen in de grotten van Altamira (een replica ervan is nog steeds te bezichtigen), die enkele kleinere zusjes hebben in Puente Viesgo, en eveneens in Cantabrië. Recent werden ook in de grotten van Nerja grotschilderingen gedateerd op 42.000 jaar oud, wat hen tot de oudste ter wereld zou maken.[2] De Basken kwamen opzetten en verspreidden zich over het gebied van het huidige Baskenland tot aan Guadalajara in Zuid-Spanje. Er waren handelsgroepen van hen die in Europa uitwaaierden en namen gaven aan vele rivieren, te herkennen aan hun namen waarin "ur" (Baskisch: water) voorkomt.

De oudste vormen van nederzetting in Spanje worden gevonden bij Almería. De aldaar ontdekte ommuurde nederzettingen worden gedateerd op ± 2500 v. Chr.

Oudheid[bewerken]

Feniciërs, Grieken en Keltiberiërs[bewerken]

Spanje, en dan vooral het zuiden ervan, is zeer rijk aan allerlei waardevolle ertsen zoals ijzer, koper, kwik, zilver en goud. Al in de vroege kopertijd, rond 4000 v. chr. werden er kopermijnen aangelegd en dat breidde zich in de loop der eeuwen uit tot andere metalen. Vooral in de bronstijd werd Spanje heel belangrijk voor het hele Middellandse zee gebied voor de vervaardiging van brons en vele zeevarende handelsnaties probeerden er kolonies te stichten. De eerste bekende beschaving die zich vestigde in het gebied van het huidige Andalusië rond het jaar 1000 v.Chr. was de Fenicische. Vanuit hun belangrijkste havens Tyrus en Sidon stichten zij o.a. de kolonie Gades. Deze Feniciërs gaven, volgens de meest geaccepteerde theorie, de naam Spanje aan dit schiereiland. In het Fenisisch betekende deze naam "Kust der konijnen". Maar deze kolonisten waren niet de eersten; waarschijnlijk gingen Minoers van Kreta hen al duizend jaar voor. De Feniciërs troffen een reeds ontwikkelde Iberische cultuur aan, waarschijnlijk gegroeid uit inheemse neolithische stammen die beschaving hadden opgedaan bij eerdere contacten met de Minoische handelsnederzettingen aan de kust en die zich hiermee vermengden. Dit was het mythische koninkrijk Tartessus. Tartessus werd waarschijnlijk vernietigd door, de oorspronkelijk Fenicische kolonie en stadstaat, Carthago rond 500 v.Chr. De invloed van Carthago op haar beurt ging verloren door de voor hun ongelukkige afloop van de Punische Oorlogen. Er trad ook vermenging op met Grieken, afkomstig meest uit de omgeving van de Griekse stad Massilia in de Provence, die vooral het noordoosten van Spanje koloniseerden en met Kelten die ± 900 - 600 v.Chr. vanuit Midden-Europa over de Pyreneeën het noorden van Spanje binnentrokken.

Er ontstond een mengvorm van Kelten en Iberiërs: "los celtíberos" (keltiberiërs). In het Parque Natural Internacional Arribes del Duero van zowel Zamora, Salamanca als Portugal zijn vele resten van "verracos", "castros", "estellas", bruggen, bronnen en dolmen van deze bevolkingsgroep te zien. Galicië en Asturië is de regio van de cultuur der "castreños". Er zijn in dit land ook grote dolmen te vinden en resten van Keltische druïdecultussen.

Romeinse periode[bewerken]

De Romeinse verovering van Hispania in fasen.

Met de Punische Oorlogen kwamen de Romeinen in 206 v.Chr. in Spanje, onder leiding van Scipio Africanus. Met de Keltiberiërs in Centraal Spanje, alsmede met de stammen in het noorden en noordwesten had Rome nog een tiental jaren te strijden voordat deze definitief onderworpen waren. Na het Beleg en de val van Numantia in 133 v. Chr. was alle weerstand definitief gebroken. De verdere uiteindelijke verovering van het gehele Iberische Schiereiland verliep moeizaam; het duurde van 220 tot 19 v.Chr. eer alle uithoeken door de Romeinen waren onderworpen. Hispania werd aanvankelijk opgedeeld in twee provinciae: Citerior en Ulterior, in 27 v.Chr., ten tijde van keizer Augustus, heringedeeld tot Hispania Tarraconensis (hoofdstad Tarraco, (Tarragona)), Hispania Lusitania (hoofdstad Emerita Augusta, (Mérida)) en Hispania Baetica (hoofdstad Corduba (Córdoba); een andere belangrijke stad was Hispalis (Sevilla)), welke laatste de belangrijkste en rijkste provincie was. De welvaart kwam tot grote bloei, vooral door de exploitatie van vele mijnen.

De Romanisering was in Spanje zeer intens, vandaar ook, dat het Latijn, de grondtaal werd van het tegenwoordig gesproken Spaans. Bijna alle grote schrijvers van het tijdperk na keizer Augustus stammen uit Spanje.

Om de steden met elkaar te verbinden legden de Romeinen wegen aan. De loop van de wegen is tot in deze tijd vrijwel onveranderd gebleven. De latere opkomst van Madrid heeft wat afwijkingen in de loop veroorzaakt. Toletum was in de Romeinse tijd een knooppunt van wegen. Er ontstonden nieuwe steden o.a. León.

Scipio stichtte in 206 v.Chr. eveneens de stad Itálica. Deze stad bracht onder andere de keizers Trajanus en Hadrianus voort, wat gepaard ging met een stevige Spaanse vertegenwoordiging in de Romeinse Senaat. Julius Caesar, die later beroemd zou worden als veroveraar van Gallië, werd in 61 v.Chr. gouverneur van Hispania Ulterior.

Door de invallen van de Barbaren in de 3e eeuw liepen beschaving en welvaart sterk terug. In het begin van de 5e eeuw, toen het Romeinse rijk ten onder dreigde te gaan, drongen Germaanse veroveraars Spanje binnen. De Romeinse periode eindigt omstreeks 400 met de komst van de Visigoten, die oorspronkelijk in dienst waren als huurlingen bij de Romeinen, maar later als roofzuchtige benden de hele economie van Spanje ten gronde zouden richten.

Middeleeuwen[bewerken]

Periode van volksverhuizingen[bewerken]

Tijdens de zogenaamde Volksverhuizing in de vroege 5e eeuw trokken verschillende Germaanse stammen door Gallië en kwamen uit in Hispania, waar zij zich blijvend vestigden, aanvankelijk als foederati van de Romeinen, maar na verloop van tijd stelde dit niets meer voor en verdween de Romeinse macht volledig. De nieuwe bewoners waren de Sueven, de Vandalen (onderverdeeld in Silingen en Asdingen), de niet-Germaanse Alanen en tenslotte Visigoten, die uiteindelijk de overhand zouden krijgen. De Sueven stichtten hun rijk in het noordwesten van Iberië, de Vandalen en Alanen werden al gauw verdreven door de Visigoten en vestigden zich spoedig in Noord-Afrika.

Visigotische periode[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Visigotisch Spanje voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Nuvola single chevron right.svg Zie ook Visigotische rijk, Suevenrijk.

De Visigotische koning Alhauf trok in 350 de Pyreneeën over en veroverde het tegenwoordige Catalonië. In de volgende 50 jaar werd het hele land overmeesterd. De Visigoten waren vanaf 418 in Spanje dominant aan de macht. Hun hoofdstad was aanvankelijk Toulouse (Tolosa), maar door de Visigotische nederlaag tegen de Franken in de Slag bij Vouillé (507) werd deze verplaatst naar Toledo (Toletum). In 554 veroverden de Byzantijnen onder leiding van Belisarius de Spaanse zuidkust, maar raakten die spoedig weer kwijt. De Visigoten veroverden tenslotte in 575 ook het Suevenrijk en op Baskenland na heersten zij over het hele Iberische Schiereiland. Ze hingen tot 589 het ariaanse christendom aan, maar bekeerden zich toen tot het katholicisme. De Romeinse grootgrondbezitters werd het grootste deel van hun bezit ontnomen. De Romeinse beschaving bleef echter bestaan. De steden behielden de Romeinse organisatie en de kerk behield haar bisschoppen en haar katholieke cultus. De boeren werden onderdrukt door de edelen en de geestelijken. De bisschoppen met hun jaarlijkse concilies, die als rijksvergaderingen wetgevende macht bezaten, waren machtig en onverdraagzaam.

In Toledo is een Visigotisch museum te vinden in een museumkerk in Mérida. Van die tijd zijn weinig sporen meer te zien: wat resten in Toledo, een half kerkje in Burgos (Quintanilla de las Viñas), een icoon van een kerkje in Palencia (Baños de Cerrato, het kerkje van San Juan Bautista uit 661) en een pracht van een heropgebouwde iglesia uit Almendra in Zamora (San Pedro de la Nave in Campillo).

Moorse periode, Taifa en Reconquista[bewerken]

De kathedraal van Córdoba, de Mezquita, is een omgebouwde moskee.
Het Iberisch Schiereiland in 1037. In groen de erfgenamen van het kalifaat, de islamitische tawa'if; in geel de christelijke vorstendommen voortgekomen uit Asturië en de Spaanse Mark.
Nuvola single chevron right.svg Zie Kalifaat Córdoba voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Nuvola single chevron right.svg Zie Taifa voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Nuvola single chevron right.svg Zie Reconquista (Spanje) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Onderlinge conflicten van de Vsigoten leidden tot het inroepen van militaire hulp uit Noord-Afrika. Deze Moorse hulptroepen werden echter veroveraars. De historische inval van de Moren (Spaans: "Moros") in 711 via Tarifa en Gibraltar, op verzoek van enkele twistzieke Visigotische heersers nota bene, konden de Visigoten dan ook niet weerstaan. Zij waren te verdeeld en hadden geen steun bij de bevolking; ze werden zelf nog te veel als vreemde overheersers beschouwd. In het jaar 712 veroverden zij Catalonië en bereikten zij de Pyreneeën. De Moren vestigden het emiraat Córdoba, later kalifaat Córdoba.

De moren waren tolerant en verdraagzaam. De toestand van de lagere volksklassen en van de Joden verbeterde. De ongelovigen werden verplicht tot de Islam over te gaan. De Christenen en de Joden mochten hun eigen godsdienst behouden. Hun kerkklokken mochten zij echter niet luiden en zij moesten een speciale belasting betalen. Om deze belasting te ontlopen en om een ambt te kunnen bekleden gingen veel christenen over tot de Islam.

In de nog christelijke randgebieden ontstaan koninkrijkjes, zoals Asturië, León, Navarra, Castilië en Aragon. De Spaanse historie van de middeleeuwen wordt voornamelijk gevormd door de strijd van de christelijke staatjes tegen de heerschappij van de Moren en in de 12e eeuw krijgen zij steeds meer het karakter van kruistochten.

Enkele jaren na 711, toen het schiereiland al voor een groot deel in handen van de Moren was, werden zij tegengehouden in de Slag bij Covadonga in het nieuw ontstane koninkrijk Asturië, dat een toevluchtsoord voor christenen was geworden. Dit wordt gezien als het begin van de Reconquista (="herovering"), wat nogal optimistisch gesproken is aangezien de christenen bijna geheel Iberië binnen tien jaar verloren aan de moslims, terwijl de uiteindelijke heroveringsstrijd pas in 1492 werd voltooid en dus zo'n 770 jaar duurde. In die strijd zouden de partijen bovendien jarenlang in gewapende en betaalde vrede (taksen) met elkaar leven en wisselende bondgenootschappen sluiten, en kan er dus niet gesproken worden van een verenigd 'christelijk front' tegen 'de moslims'; onderling voerden zij ook voortdurend oorlog. Zo zouden er ook Moren aan de zijde van de legendarische El Cid Campeador (geboren in Vivar bij Burgos) strijden tegen Moren en christenen.

In het jaar 795 doet Karel de Grote een poging om Spanje aan zijn rijk toe te voegen. Aanvankelijk werd hij bij Roncesvalles verslagen. Uiteindelijk heeft Karel de Grote het Frankische Rijk tot de Spaanse Mark uit kunnen breiden, van waaruit hij steun gaf aan de christelijke staatjes in het noorden van Spanje.

In de bijna 6½ eeuw, waarin Spanje onder Moors bewind heeft gestaan, is het land tot bloei gekomen. De Moren voerden de islam in en er ontwikkelde zich een Moors-Spaanse cultuur van het allerhoogste wereldniveau. Sevilla, Córdoba en Granada groeiden uit tot wereldsteden. Door een uitgekiend irrigatiesysteem bloeide de landbouw met landbouwproducten, door hen meegebracht uit Azië. Ze plantten olijfboomgaarden in het zuiden, dadelpalmen op Mallorca en sinaasappelen in de omgeving van Valencia. De bloeitijd van de Moren lag tussen 926 en 1030 onder heersers als kalief Abd Er Rahman en Al-Mansoer, die als regent optrad voor kalief Hisham II. Onder het bewind van de zwakke Hisjam II vergrootte de oorlogszuchtige stadhouder Ibn Abi Aamir, de macht van de staat, verwoestte Santiago de Compostella gedeeltelijk en drong de christenstaatjes in vele bloedige oorlogen terug. Hierna brak een machtsstrijd uit tussen Berbers en Arabieren. Daarna viel het kalifaat Córdoba in 1031 uiteen in vele elkaar soms fel bestrijdende tawa'if. Van deze strijd konden de christelijke staten in het noorden gebruik maken.

León, Navarra, Castilië en Aragón werden als zelfstandige staten gevormd. Vanuit de staten begon de Reconquista. De Moren krijgen in 1085 nog steun van de Almoraviden. Hun leider Yusuf ibn Tashfin levert bloedige gevechten met El Cid bij Valencia.

In 1212 werden de Almohadische Moren verslagen in de Slag bij Las Navas de Tolosa. Ferdinand III van Castilië wist in 1236 Sevilla en in 1248 Córdoba te veroveren. Na die tijd was het met de bloeiperiode van het Moorse rijk gedaan en waren de Moren in het defensief. Maar door onderlinge verdeeldheid aan christelijke kant eindigde de reconquista pas met de val van Granada op 2 januari 1492 t.g.v. de belegering door de Reyes Católicos. Deze datum wordt vaak beschouwd als de eigenlijke vereniging van Spanje. Kort hierna tekenden Ferdinand II van Aragón en Isabella het zogenoemde Verdrijvingsedict, waarin alle Joden werden gedwongen zich te bekeren tot het christendom of het land, met achterlating van hun goud, zilver en geld, te verlaten.

In het noorden ontstonden verscheidene christelijke staten: Aragon, Navarra, León en Galicië, en later ook Castilië en Portugal. Door huwelijken werden deze staten verenigd, tot ten slotte de overgebleven twee, Castilië en Aragon, door het huwelijk van Ferdinand II van Aragon met Isabella I van Castilië (1469) samengingen in het verenigde Spanje. Na het huwelijk van Ferdinand en Isabella kwam een einde aan de Arabische periode.

Vroegmoderne tijd[bewerken]

De reyes católicos en de conquistadores[bewerken]

Inmiddels had Spanje zich, in navolging tot Portugal, op de ontdekkingsreizen gestort. De, oorspronkelijk uit Genua afkomstige, zeevaarder Christoffel Columbus ontdekte in Spaanse dienst Amerika. Door de vrede waren er talloze werkloze soldaten achtergebleven, die nu geen middel van bestaan meer hadden. Velen besloten zeevaarder of conquistador te worden. De ontdekkingsreizigers en zeevaarders hadden dan ook geen moeite manschappen te vinden. De succesvolle expedities van Cortés en Pizarro mondden uit in de verovering van het Azteekse en het Incarijk, en de stichting van het Spaanse wereldrijk. Hoewel de officiële lezing was dat in Mexico en Peru het christendom werd gepredikt, ging het toch in hoofdzaak om de grote hoeveelheden goud, zilver en andere kostbaarheden, die naar Spanje werden gebracht.

Het Habsburgse imperium na Karel V[bewerken]

Het wereldrijk van Spanje en Portugal

Spanje werd een wereldmacht onder de Habsburgers (1504-1700) en de Bourbons (1700-1868). Het Spaanse rijk strekte zich over de hele wereld uit. Keizer Karel V heerste over Duitsland, Bourgondië, de Nederlanden, Oostenrijk, Hongarije, Bohemen, Moravië, delen van Italië, de Filipijnen en het grootste deel van Midden- en Zuid-Amerika. Bij Karels troonsafstand in 1556 werd het rijk verdeeld tussen zijn zoon Filips (Spanje plus koloniën en de Nederlanden) en zijn broer Ferdinand (Oostenrijk en het keizerschap). In deze tijd sloten in Spanje het koningshuis en de Rooms-katholieke Kerk een nauw verbond tot onderdrukking van afwijkingen op kerkelijke en politiek gebied.

Met de troonsbestijging van Filips II begon een periode van verval van de Spaanse monarchie. De Nederlanden maakten zich los wegens godsdiensttwisten en de centralisatie waar zij het niet mee eens waren. De Turken bleven het de Spanjaarden lastig maken. De Fransen bestreden de Habsburgers omdat ze zich omsingeld voelden. In 1580 veroverde Filips II Portugal, maar het verloop van de strijd tegen de Nederlanden tijdens de Tachtigjarige Oorlog verzwakte zijn prestige. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was vanaf 1588 de facto onafhankelijk, en ontwikkelde zich op handels-, zeevaart- en koloniaal gebied al snel tot een concurrent. Een andere mededinger was Engeland. Uiteindelijk namen deze landen de leidende positie van Spanje over. De vele oorlogen brachten Spanje, ondanks de ontzaglijke rijkdommen die uit Amerika toestroomden, aan de rand van de financiële afgrond. Zware belastingen drukten op de bevolking. In 1640 wist Portugal zich met steun van Frankrijk weer los te maken van Spanje.

In 1700 stierf Karel II van Spanje kinderloos, hetgeen een einde betekende van het Habsburgse koningshuis in Spanje. Filips V was door het huwelijk met Maria Theresia met de Franse koning Lodewijk XIV in rechten getreden voor de Spaanse troon. Deze opvolging gaf onder de Europese koningshuizen zoveel beroering, dat de Spaanse Successieoorlog er het gevolg van was.

Van Habsburg naar Bourbon naar Bonaparte[bewerken]

Van 1701 tot 1714 woedde de Spaanse Successieoorlog. Tijdens deze oorlog in 1704 bezetten de Engelsen Gibraltar. Deze oorlog resulteerde in een gecentraliseerde staat met aan het hoofd het huis van Bourbon. Tijdens de Franse Revolutie koos Spanje de zijde van Engeland en Oostenrijk. In 1796 verbond Spanje zich met het Franse Directoire en verklaarde de oorlog aan Engeland. Spanje bleef bondgenoot van Napoleon Bonaparte en werd hierdoor in de Eerste Coalitieoorlog gemengd.

Aan het begin van de 19e eeuw, toen Napoleon Bonaparte keizer van Frankrijk was en een groot deel van Europa domineerde, zette hij de Bourbons af en liet dit huis van zijn verdere familierechten afzien. Jozef Bonaparte werd tot koning van Spanje benoemd. Een praktisch algemene volksopstand tegen de Fransen was het gevolg. Dit resulteerde in een jarenlange guerrillaoorlog, die in Spanje nog steeds bekendstaat als de Guerra de Independencia (Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog). Het begon allemaal toen generaal Junot 27.000 onervaren soldaten kreeg om de regering van Lissabon aan te pakken. Portugal voerde namelijk handel met Engeland, een overtreding van Napoleons Continentale Stelsel

Terwijl Junot zich op Portugal concentreerde, richtte Napoleon zich op de oorlog in Spanje die was ontstaan na de opstand in Madrid op 2 mei 1808. Deze volksopstand kon hij echter niet onderdrukken.

Moderne Tijd[bewerken]

Onafhankelijkheidsoorlogen en einde van het Rijk[bewerken]

De napoleontische regering in Spanje kwam ten val. Napoleon verloor 17.000 soldaten. Voor de oorlog met Rusland moest hij troepen uit Spanje weghalen, terwijl de problemen in Spanje niet waren opgelost. Onder generaal Wellington werden de Spanjaarden geholpen en de Fransen werden in 1814 uit een totaal verarmd Spanje verjaagd. Ferdinand VII van Spanje werd koning en beloofde de grondwet te erkennen, maar al snel regeerde hij als een absoluut monarch. Onder zijn regering ging een groot deel van de Amerikaanse bezittingen voor Spanje verloren.

Door de voorafgaande periode van oorlog en chaos raakte Spanje de macht over zijn koloniën kwijt, waardoor heel Midden- en Zuid-Amerika in opstand kwam. Uiteindelijk raakte Spanje vrijwel zijn hele koloniale rijk kwijt.

Problemen over opvolging en troonrechten leidde tot de Eerste Carlistenoorlog. De oorlog word feller omdat de Basken hun voorrechten op autonomie verdedigden. Volksonrusten en conflicten om de troon hadden tot gevolg dat in 1873 Spanje de federatieve Eerste Spaanse Republiek werd uitgeroepen, met een nieuwe grondwet en een democratisch bestuur. Een verdeling van het grondbezit en het vestigen van boerenbedrijven op coöperatieve grondslag was voor de carlisten een reden om de Tweede Carlistenoorlog te beginnen. In 1871 werd Alfons XII van Spanje tot koning uitgeroepen. De Spaanse staatsman Cásanovas wist het evenwicht met bekwaamheid te handhaven. In de tweede helft van de 19e eeuw leidde de Spaans-Amerikaanse Oorlog tot het verlies in 1898 van de laatste Spaanse koloniën op het westelijk halfrond: Cuba en Puerto Rico. De nederlaag van Spanje in de Spaans-Amerikaanse oorlog en de moord op Cásanovas in 1898 leidde tot verstoring van het evenwicht. Ook verloor het land de Filipijnen. De opkomende industrie en de daarmee gepaard gaande armoede gaf aanleiding tot stakingen, opstanden en sabotageacties.

In de Eerste Wereldoorlog was Spanje neutraal. De armoede nam hand over hand toe. In 1919 kwam het in Barcelona tot een hevige strijd tussen militairen en het burgerlijk gezag. De republikeinse beweging nam nog in kracht toe door opstanden in Valencia en Santander. De verkiezingen in 1923 leverden een overwinning op voor de socialisten. Als reactie op de socialistische invloed begon generaal Miguel Primo de Rivera een staatsgreep in Barcelona. Met de hulp van een militaire dictatuur en met de goedkeuring van koning Alfons XIII stelde hij zich aan het hoofd van de regering, waarbij hij als dictator regeerde. In 1930 moest Primo de Rivera ontslag nemen. De toestand bleef gespannen. Toen koning Alfonso XIII de grondwet in 1931 weer had hersteld en de gemeenteraadsverkiezingen werden gehouden, vielen deze dermate republikeins uit, dat de koning, nog voor de stemmen allemaal geteld waren, het land verliet.

Spanje onder Franco[bewerken]

In 1931 werd in Spanje Tweede Spaanse Republiek uitgeroepen nadat koning Alfons XIII gedwongen werd af te treden. De problemen waarmee de regering werd geconfronteerd waren o.a. de positie van de kerk, het grootgrondbezit en het feit dat Catalonië en Baskenland autonomie wilden. De regering kon deze problemen maar ten dele aan, hetgeen mede tot gevolg had, dat linkse en rechtse regeringen elkaar afwisselden. Het volk was rumoerig en politieke moorden waren aan de orde van de dag. In 1934 braken in Catalonië en Asturië opstanden uit, welke onder leiding van de toen nog onbekende officier Francisco Franco bloedig werden onderdrukt. Voortdurende politieke instabiliteit leidde uiteindelijk tot de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Op 17 juli 1936 begon de Spaans-Marokkaanse opstand, een generaalsopstand tegen de wettige regering, die weldra naar Spanje oversloeg. De burgeroorlog begon als een nationalistische opstand tegen de wettige republikeinse regering, maar was, met alle buitenlandse bemoeienissen, feitelijk een conflict tussen de democratie en het franquisme, een variant op het Italiaanse fascisme. Aanvankelijk steunden de opstandige generaals hoofdzakelijk op de 18.000 man sterke Marokkaanse troepen en de 40.000 carlisten. Generaal Franco, leider van de nationalisten, kreeg steun van Duitsland en Italië, terwijl de regering op beperkte schaal werd geholpen door de toenmalige Sovjet-Unie en de vele buitenlandse internationale brigades (Fransen, Belgen, ...). De nationalisten overwonnen, en generaal Franco bleef als dictator aan de macht tot zijn dood in 1975. Hij liet zich "Caudillo d'España por la Gracia de Dios" (Leider van Spanje bij Gratie Gods) noemen. Hij bepaalde dat na zijn dood de monarchie hersteld moest worden en liet in 1969 Juan Carlos de Bourbon als toekomstig koning beëdigen. In tegenstelling tot wat velen verwachtten, en de asmogendheden zelfs hoopten, weigerde Franco zijn land bij de Tweede Wereldoorlog te betrekken. In de beginfase steunde hij de As verbaal, verklaarde zich "non-belligerent", maar stuurde wel de Blauwe divisie, bestaande uit vrijwilligers, naar het oostfront om nazi-Duitsland bij te staan tegen de Sovjet-Unie. Later trok hij deze terug en verklaarde zich neutraal.

Door de fascistische sympathieën van Franco geraakte Spanje na de Tweede Wereldoorlog in een economisch en politiek isolement.

Huidige monarchie[bewerken]

Al in de nadagen van Franco bloeide de Spaanse economie op, onder andere door het massatoerisme. Het bedrijfsleven verlangde naar hervormingen om aansluiting bij Europa te krijgen. Het vond een bondgenoot in Juan Carlos, de aangewezen opvolger van Franco.

Na de dood van Franco werd Juan Carlos I, de kleinzoon van Alfons XIII, de nieuwe koning. Mede door zijn toedoen kwam in 1978 een democratische grondwet tot stand. Deze periode verloopt vredig en wordt de Transición, 'overgang' genoemd. Langzaam maar zeker wordt een democratiseringsproces op gang gebracht. Na een referendum op 6 december 1978 werd de nieuwe democratische grondwet goedgekeurd. Die was een compromis tussen de aanhangers van een sterke centrale staat, zoals onder Franco, maar dan democratisch, en de voorstanders van een gedecentraliseerde staat met meer autonomie voor de regio's, vooral vanuit het Baskenland, Catalonië en Galicië was het verlangen naar grotere autonomie groot. Op 23 februari 1981 mislukte een staatsgreep van Antonio Tejero. In 1982 werd de staat, in toepassing van de grondwet gedecentraliseerd en werden 17 autonome regio's en twee autonome steden opgericht. In 1986 trad Spanje toe tot de Europese Gemeenschap, zodat het vanaf 1993 van de vrije markt kon profiteren.

Op 11 maart 2004 werd Spanje opgeschrikt door een aantal aanslagen op forensentreinen in Madrid. Er vielen 191 slachtoffers. De aanslagen waren vermoedelijk gepleegd door Al Qaida, vanwege de Spaanse militaire aanwezigheid in Irak. Premier Aznar legde de schuld in eerste instantie bij de Baskische terreurbeweging ETA. Dit werd hem niet in dank afgenomen, en zijn partij werd weggestemd ten gunste van de sociaaldemocraat Zapatero. Deze kondigde een verandering van beleid aan, en trok de troepen terug uit Irak.

Zapatero zou tijdens de achtste en de negende legislatuur aan de macht blijven. Tijdens zijn tweede termijn slaat de crisis hard toe. De reactie van Zapatero's regering hierop wordt als onvoldoende ervaren. Aan het einde van zijn regeerperiode stijgt de werkloosheid in het land boven de 20% uit. In de verkiezingen van 2011 wordt zijn partij hard afgestraft, ten gunste van de conservatieve PP van Mariano Rajoy. Hij kreeg ook te kampen met het toenemende onafhankelijkheidsstreven van Catalonië dat zich vanaf het begin van de 20ste eeuw tot een brede volksbeweging, over de partijen heen, ontwikkelde. Dit kristalliseerde in een massabetoging op 11 september 2012 en een mensenketting, de Via Catalana in 2013.

Nuvola single chevron right.svg Voor de belangrijkste gebeurtenissen tijdens de regering van Mariano Rajoy, zie ook het artikel Spaanse legislatuur X
Bronnen, noten en/of referenties

Voetnoten

  1. bron: Casa de Flandes
  2. ¿La obra de arte más antigua de la Humanidad? [1]

Bronnen