Geschiedenis van Spanje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van Spanje.

Inhoud

[bewerken] Prehistorie

In Atapuerca, in de buurt van de hoofdstad Burgos, werden de oudste fossielen van de vroege mens (Homo Sapiens) in Europa ontdekt: "Kannibalen" van ongeveer 1.000.000 jaar terug en "el hombre antecessor" van zo'n 300.000 jaar terug[1]. Voor de ijstijden vestigden zich de neanderthalers in Spanje. De eerste 'moderne' mensen (cro-magnonmens) vestigden zich gedurende de ijstijd waarna de neanderthalers geleidelijk verdreven werden of uitstierven.

In de tijd van de beroemde grotschilderingen in Lascaux, Frankrijk, leefden er soortgelijke "kunstenaars" in de omgeving van de havenstad Santander. Zij schiepen de al even beroemde schilderingen in de grotten van Altamira (een replica ervan is nog steeds te bezichtigen), die enkele kleinere zusjes hebben in Puente Viesgo, en eveneens in Cantabrië. De Basken kwamen opzetten en verspreidden zich over het gebied van het huidige Baskenland tot aan Guadalajara in Zuid-Spanje. Er waren handelsgroepen van hen die in Europa uitwaaierden en namen gaven aan vele rivieren, te herkennen aan hun namen waarin "ur" (Baskisch: water) voorkomt.

[bewerken] Oudheid

[bewerken] Feniciërs, Grieken en Keltiberiërs

De eerste bekende beschaving die zich vestigde in het gebied van het huidige Andalusië rond het jaar 1000 v.Chr. was de Fenicische. Toch troffen die daar een reeds ontwikkelde Iberische cultuur aan, gegroeid uit inheemse neolithische stammen die waarschijnlijk beschaving hadden opgedaan bij eerdere contacten met Minoische handelsnederzettingen aan de kust. Dit was het mythische koninkrijk Tartessus. Tartessus werd waarschijnlijk vernietigd door Carthago rond 500 v.Chr. Er trad ook vermenging op met Grieken, afkomstig meest uit de omgeving van de Griekse stad Massilia in de Provence, die vooral het noordoosten van Spanje koloniseerden en met Kelten die vanuit Midden-Europa over de Pyreneeën Spanje binnentrokken.

Er ontstond een mengvorm van Kelten en Iberiërs: "los celtíberos" (keltiberiërs). In het Parque Natural Internacional Arribes del Duero van zowel Zamora, Salamanca als Portugal zijn vele resten van "verracos", "castros", "estelas", bruggen, bronnen en dolmen van deze bevolkingsgroep te zien. Galicië en Asturië is de regio van de cultuur der "castreños". Er zijn in dit land ook grote dolmen te vinden en resten van Keltische druïdecultussen.

[bewerken] Romeinse periode

De Romeinse verovering van Hispania in fasen.

Met de Punische Oorlogen kwamen de Romeinen in 206 v.Chr. in Spanje, onder leiding van Scipio Africanus. De verovering van het gehele Iberische Schiereiland verliep moeizaam; het duurde van 220 tot 19 v.Chr. eer alle uithoeken door de Romeinen waren onderworpen. Hispania werd aanvankelijk opgedeeld in twee provinciae: Citerior en Ulterior, in 27 v.Chr. heringedeeld tot Hispania Tarraconensis (hoofdstad Tarraco, (Tarragona)), Hispania Lusitania (hoofdstad Emerita Augusta, (Mérida)) en Hispania Baetica (hoofdstad Corduba (Córdoba); een andere belangrijke stad was Hispalis (Sevilla)), welke laatste de belangrijkste en rijkste provincie was.

Scipio stichtte in 206 v.Chr. eveneens de stad Itálica. Deze stad bracht onder andere de keizers Trajanus en Hadrianus voort, wat gepaard ging met een stevige Spaanse vertegenwoordiging in de Romeinse Senaat. Julius Caesar, die later beroemd zou worden als veroveraar van Gallië, werd in 61 v.Chr. gouverneur van Hispania Ulterior.

[bewerken] Middeleeuwen

[bewerken] Periode van volksverhuizingen

Tijdens de zogenaamde Volksverhuizing in de vroege 5e eeuw trokken verscheidene Germaanse stammen door Gallië en kwamen uit in Hispania, waar zij zich blijvend vestigden, aanvankelijk als foederati van de Romeinen, maar naar verloop van tijd stelde dit niets meer voor en verdween de Romeinse macht volledig. De nieuwe bewoners waren de Sueven, de Vandalen (onderverdeeld in Silingen en Asdingen) de niet-Germaanse Alanen en tenslotte Visigoten, die uiteindelijk de overhand zouden krijgen. De Sueven stichtten hun rijk in het noordwesten van Iberië, de Vandalen en Alanen werden al gauw verdreven door de Visigoten en vestigden zich spoedig in Noord-Afrika.

[bewerken] Visigotische periode

1rightarrow.png Zie Visigotisch Spanje voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
1rightarrow.png Zie ook Visigotische rijk, Suevenrijk.

De Visigoten waren vanaf 418 in Spanje dominant aan de macht. Hun hoofdstad was aanvankelijk Toulouse (Tolosa), maar door de Visigotische nederlaag tegen de Franken in de Slag bij Vouillé (507) werd deze verplaatst naar Toledo (Toletum). In 554 veroverden de Byzantijnen onder leiding van Belisarius de Spaanse zuidkust, maar raakten die spoedig weer kwijt. De Visigoten veroverden tenslotte in 575 ook het Suevenrijk en op Baskenland na heersten zij over het hele Iberische Schiereiland. Ze hingen tot 589 het ariaanse christendom aan, maar bekeerden zich toen tot het katholicisme.

In Toledo is een Visigotisch museum te vinden in een museumkerk in Mérida. Van die tijd zijn weinig sporen meer te zien: wat resten in Toledo, een half kerkje in Burgos (Quintanilla de las Viñas), een icoon van een kerkje in Palencia (Baños de Cerrato, het kerkje van San Juan Bautista uit 661) en een pracht van een heropgebouwde iglesia uit Almendra in Zamora (San Pedro de la Nave in Campillo).

[bewerken] Moorse periode, Taifa en Reconquista

De kathedraal van Córdoba, de Mezquita, is een omgebouwde moskee.
Het Iberisch Schiereiland in 1037. In groen de erfgenamen van het Kalifaat, de islamitische tawa'if; in geel de christelijke vorstendommen voortgekomen uit Asturië en de Spaanse Mark.
1rightarrow.png Zie Kalifaat van Córdoba voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
1rightarrow.png Zie Taifa voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
1rightarrow.png Zie Reconquista (Spanje) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De historische inval van de Moren (Spaans: "Moros") in 711 via Tarifa en Gibraltar, op verzoek van enkele twistzieke Visigotische heersers nota bene, konden de Visigoten dan ook niet weerstaan. Zij waren te verdeeld en hadden geen steun bij de bevolking; ze werden zelf nog teveel als vreemde overheersers beschouwd. De Moren vestigden het emiraat, later kalifaat van Córdoba.

Enkele jaren na 711, toen het schiereiland al voor een groot deel in handen van de Moren was, werden zij tegengehouden in de Slag bij Covadonga in het nieuw ontstane koninkrijk Asturië, dat een toevluchtsoord voor christenen was geworden. Dit wordt gezien als het begin van de Reconquista (="herovering"), wat nogal optimistisch gesproken is aangezien de christenen bijna geheel Iberië binnen tien jaar verloren aan de moslims, terwijl de uiteindelijke heroveringsstrijd pas in 1492 werd voltooid en dus zo'n 770 jaar duurde. In die strijd zouden de partijen bovendien jarenlang in gewapende en betaalde vrede (taksen) met elkaar leven en wisselende bondgenootschappen sluiten, en kan er dus niet gesproken worden van een verenigd 'christelijk front' tegen 'de moslims'; onderling voerden zij ook voortdurend oorlog. Zo zouden er ook Moren aan de zijde van de legendarische El Cid Campeador (geboren in Vivar bij Burgos) strijden tegen Moren en christenen.

De Moren voerden de islam in en er ontwikkelde zich een Moors-Spaanse cultuur van het allerhoogste wereldniveau. Sevilla, Córdoba en Granada groeiden uit tot wereldsteden. Door een uitgekiend irrigatiesysteem bloeide de landbouw. De bloeitijd van de Moren lag tussen 926 en 1030 onder heersers als kalief Abd Er Rahman en Al-Mansoer, die als regent optrad voor kalief Hisham II. Daarna viel het kalifaat van Córdoba uiteen in vele elkaar soms bestrijdende tawa'if.

In 1212 werden de Almohadische Moren verslagen in de Slag bij Las Navas de Tolosa. Ferdinand III van Castilië wist in 1236 Sevilla en in 1248 Córdoba te veroveren. Na die tijd was het met de bloeiperiode van het Moorse rijk gedaan en waren de Moren in het defensief. Maar door onderlinge verdeeldheid aan christelijke kant eindigde de reconquista pas met de val van Granada op 2 januari 1492 t.g.v. de belegering door de Reyes Católicos. Deze datum wordt vaak beschouwd als de eigenlijke vereniging van Spanje. Kort hierna tekenden Ferdinand II van Aragón en Isabella het zogenoemde Verdrijvingsedict, waarin alle Joden werden gedwongen zich te bekeren tot het christendom of het land, met achterlating van hun goud, zilver en geld, te verlaten.

In het noorden ontstonden verscheidene christelijke staten: Aragon, Navarra, León en Galicië, en later ook Castilië en Portugal. Door huwelijken werden deze staten verenigd, tot ten slotte de overgebleven twee, Castilië en Aragon, door het huwelijk van Ferdinand II van Aragon met Isabella I van Castilië (1469) samengingen in het verenigde Spanje.

[bewerken] Vroegmoderne Tijd

[bewerken] De Reyes Católicos en de Conquistadores

Inmiddels had Spanje zich, in navolging tot Portugal, op de ontdekkingsreizen gestort. Christoffel Columbus ontdekte in Spaanse dienst Amerika. Door de vrede waren er talloze werkloze soldaten achtergebleven, die nu geen middel van bestaan meer hadden. Velen besloten zeevaarder of conquistador te worden. De ontdekkingsreizigers en zeevaarders hadden dan ook geen moeite manschappen te vinden. De succesvolle expedities van Cortés en Pizarro mondden uit in de verovering van het Azteekse en het Incarijk, en de stichting van het Spaanse wereldrijk.

[bewerken] Het Habsburgse imperium na Karel V

Het wereldrijk van Spanje en Portugal

Spanje werd een wereldmacht onder de Habsburgers (1504-1700) en de Bourbons (1700-1868). Het Spaanse rijk strekte zich over de hele wereld uit. Karel V heerste over Duitsland, Bourgondië, de Nederlanden, Oostenrijk, Hongarije, Bohemen, Moravië, delen van Italië, de Filipijnen en het grootste deel van Midden- en Zuid-Amerika. Bij Karels troonsafstand in 1556 werd het rijk verdeeld tussen zijn zoon Filips (Spanje plus koloniën en de Nederlanden) en zijn broer Ferdinand (het Duitse Keizerrijk).

Nu begon een periode van verval. De Nederlanden maakten zich los wegens godsdiensttwisten en de centralisatie waar zij het niet mee eens waren. De Turken bleven het de Spanjaarden lastig maken. De Fransen bestreden de Habsburgers omdat ze zich omsingeld voelden. De Republiek was vanaf 1588 de facto onafhankelijk, en ontwikkelde zich op handels-, zeevaart- en koloniaal gebied al snel tot een concurrent. Een andere mededinger was Engeland. Uiteindelijk namen deze landen de leidende positie van Spanje over.

[bewerken] Van Habsburg naar Bourbon naar Bonaparte

Van 1701 tot 1714 woedde de Spaanse Successieoorlog. Deze resulteerde in een gecentraliseerde staat met aan het hoofd het huis van Bourbon.

Aan het begin van de 19e eeuw, toen Napoleon Bonaparte keizer van Frankrijk was en een groot deel van Europa domineerde, zette hij de Bourbons af, wat resulteerde in een jarenlange guerrillaoorlog, die in Spanje nog steeds bekend staat als de Guerra de Independencia (Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog). Het begon allemaal toen generaal Junot 27.000 onervaren soldaten kreeg om de regering van Lissabon aan te pakken. Portugal voerde namelijk handel met Engeland, een overtreding van Napoleons Continentale Stelsel

Terwijl Junot zich op Portugal concentreerde, richtte Napoleon zich op de oorlog in Spanje die was ontstaan na de opstand in Madrid op 2 mei 1808. Deze volksopstand kon hij echter niet onderdrukken.

[bewerken] Moderne Tijd

[bewerken] Onafhankelijkheidsoorlogen en einde van het Rijk

De napoleontische regering in Spanje kwam ten val. Napoleon verloor 17.000 soldaten. Voor de oorlog met Rusland moest hij troepen uit Spanje weghalen, terwijl de problemen in Spanje niet waren opgelost. Onder generaal Wellington werden de Spanjaarden geholpen en de Fransen werden in 1814 uit Spanje verjaagd.

Door deze periode van oorlog en chaos raakte Spanje de controle over haar koloniën kwijt, waardoor heel Midden- en Zuid-Amerika in opstand kwam. Uiteindelijk raakte Spanje vrijwel zijn hele koloniale rijk kwijt. In de tweede helft van de 19e eeuw leidde de Spaans-Amerikaanse Oorlog tot het verlies in 1898 van de laatste Spaanse koloniën op het westelijk halfrond: Cuba en Puerto Rico. Ook verloor het land de Filipijnen.

[bewerken] Franco-periode

In 1931 werd Spanje een republiek (tweede Spaanse Republiek) uitgeroepen nadat koning Alfons XIII gedwongen werd af te treden. Voortdurende politieke instabiliteit leidde uiteindelijk tot de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Die begon als een nationalistische opstand tegen de wettige republikeinse regering, maar was, met alle buitenlandse bemoeienissen, feitelijk een conflict tussen de democratie en het franquisme, een variant op het Italiaanse fascisme. Generaal Francisco Franco, leider van de nationalisten, kreeg steun van Duitsland en Italië, terwijl de regering werd geholpen door de toenmalige Sovjet-Unie en de vele buitenlandse internationale brigades (Fransen, Belgen, ...). De nationalisten overwonnen, en generaal Franco bleef als dictator aan de macht tot zijn dood in 1975. Hij werd de "caudillo" genoemd en weigerde president te worden. Hij bepaalde dat na zijn dood de monarchie hersteld moest worden. In tegenstelling tot wat velen verwachtten, en de asmogendheden zelfs hoopten, weigerde Franco zijn land bij de Tweede Wereldoorlog te betrekken. In de beginfase steunde hij de As verbaal, verklaarde zich "non-belligerent", maar stuurde wel een "vrijwilligersdivisie" naar het oostfront om nazi-Duitsland bij te staan tegen de Sovjet-Unie. Later trok hij deze terug en verklaarde zich neutraal.

[bewerken] Huidige monarchie

Al in de nadagen van Franco bloeide de Spaanse economie op, onder andere door het massatoerisme. Het bedrijfsleven verlangde naar hervormingen om aansluiting bij Europa te krijgen. Het vond een bondgenoot in Juan Carlos, de aangewezen opvolger van Franco.

Na de dood van Franco werd Juan Carlos I, de kleinzoon van Alfons XIII, de nieuwe koning. Mede door zijn toedoen kwam in 1978 een democratische grondwet tot stand. Deze periode verloopt vredig en wordt de Transición, 'overgang' genoemd. Op 23 februari 1981 mislukte een staatsgreep van Antonio Tejero. In 1982 werd de sterk gecentraliseerde eenheidsstaat getransformeerd in een gedecentraliseerde staat met autonome regio's. In 1986 trad Spanje toe tot de Europese Gemeenschap, zodat het vanaf 1993 van de vrije markt kon profiteren.

Op 11 maart 2004 werd Spanje opgeschrikt door een aantal aanslagen op forensentreinen in Madrid. Er vielen 191 slachtoffers. De aanslagen waren vermoedelijk gepleegd door Al Qaida, vanwege de Spaanse militaire aanwezigheid in Irak. Premier Aznar legde de schuld in eerste instantie bij de Baskische terreurbeweging ETA. Dit werd hem niet in dank afgenomen, en zijn partij werd weggestemd ten gunste van de sociaaldemocraat Zapatero. Deze kondigde een verandering van beleid aan, en trok de troepen terug uit Irak.

Zapatero zou tijdens de achtste en de negende legislatuur aan de macht blijven. Tijdens zijn tweede termijn slaat de crisis hard toe. De reactie van Zapatero's regering hierop wordt als onvoldoende ervaren. Aan het einde van zijn regeerperiode stijgt de werkloosheid in het land boven de 20% uit. In de verkiezingen van 2011 wordt zijn partij hard afgestraft, ten gunste van de conservatieve PP van Mariano Rajoy.

1rightarrow.png Voor de belangrijkste gebeurtenissen tijdens de regering van Mariano Rajoy, zie ook het artikel Spaanse legislatuur X



Bronnen, noten en/of referenties

Voetnoten

  1. bron: Casa de Flandes

Bronnen

Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen