Geschiedenis van de Tsjechische landen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bohemen in Tsjechië
Moravië
Tsjechisch Silezië

Dit artikel geeft een beknopt overzicht van de geschiedenis van de Tsjechische landen, dat wil zeggen Bohemen, Moravië, Tsjechisch Silezië en de opvolgers Tsjecho-Slowakije en Tsjechië.

Slavische vestiging en Groot-Moravië[bewerken]

Bohemen en Moravië werden tot de eerste eeuw v.Chr. bewoond door Kelten, waaronder de Boii, waaraan Bohemen zijn naam ontleent. Zij werden verdreven door de Marcomannen, een Germaanse stam. De Germanen werden op hun beurt in de zesde eeuw n.Chr. verdrongen door Slaven uit het oosten en noorden. De Tsjechische landen werden in de negende eeuw schatplichtig aan Karel de Grote. Na deze Frankische overheersing ontstond rond 830 onder Mojmír I het Groot-Moravische Rijk, dat ook Slowakije, Silezië en Bohemen grotendeels omvatte. Onder Mojmírs opvolger Rastislav werd het rijk gekerstend door Cyrillus en Methodius. Vorst Svatopluk I erkende het leenheerschap van Oost-Francië en steunde de Frankisch-Roomse kerk in zijn rijk. In 906 bezweek Groot-Moravië aan de aanvallen van de Magyaren.

De Přemysliden[bewerken]

In Bohemen kwam eind negende eeuw de inheemse dynastie der Přemysliden op. Zij steunden op Oost-Francië, in het bijzonder hertog Wenceslaus I de Heilige, die de kerstening van zijn land afdwong. De weerstand hiertegen in nationale en heidense kringen leidde tot interventie van de Duitse koning Hendrik de Vogelaar, onder wie Bohemen in 929 een leen van het Heilige Roomse Rijk werd. De Přemysliden behielden echter een grote mate van onafhankelijkheid en waren een invloedrijke kracht in het rijk. De hertogen Wladislaus II en Vratislav II ontvingen beide de titel van koning, die in 1198 onder Přemysl Ottokar I erfelijk werd. In de dertiende eeuw werden de koningen van Bohemen bovendien keurvorsten. Moravië viel in 1029 aan Bohemen toe.

De Tsjechische landen kenden in de dertiende eeuw een grote immigratiegolf van Duitsers, die tot in de twintigste eeuw een aanzienlijk deel van de bevolking zouden vormen. Bohemen beleefde onder Přemysl Ottokar II een hoogtepunt van zijn macht: hij verwierf onder meer Oostenrijk en werd een van de machtigste rijksvorsten. Hij deed echter vergeefs een greep naar de keizerskroon en de kroon van Hongarije en verloor een groot deel van zijn aanwinsten aan koning Rudolf I. Zijn zoon Wenceslaus II werd in 1300 tevens koning van Polen, diens zoon Wenceslaus III ook van Hongarije. Met de laatstgenoemde stierven de Přemysliden uit en kwam er een einde aan het kortstondige Boheems-Pools-Hongaarse rijk.

Karel I

De Luxemburgers[bewerken]

Keizer Hendrik VII uit het Huis Luxemburg beleende in 1310 zijn zoon Jan de Blinde met Bohemen. Deze bracht een groot deel van Silezië en de Lausitz onder de Boheemse kroon. Zijn zoon Karel I werd als Karel IV tevens Duits keizer en begunstigde de politieke en culturele bloei van zijn rijk; onder hem was Bohemen met de hoofdstad Praag het centrum van het Heilige Roomse Rijk. Onder zijn zoons Wenceslaus IV en Sigismund raakte het land echter in crisis. De Tsjechische bevolking verzette zich tegen de sterke verduitsing van de regio en de hervormingsbeweging van Johannes Hus leidde tot de Hussietenoorlogen, in feite een revolutie, die tot enige godsdienstvrijheid en terugdringing van de Duitse invloed leidden.

Reformatie[bewerken]

Het Huis Luxemburg stierf in 1437 uit. Bij het opvolgingsconflict spon met name de plaatselijke adel garen, die zijn positie ten koste van burgers en boeren kon sterken. Na een korte periode onder het Huis Habsburg met Albrecht en Ladislaus I Posthumus liet de regent George van Podiebrad zich tot koning kiezen, de eerste inheemse vorst in 150 jaar. Ladislaus II Jagiello, in 1471 tot koning gekozen, beëindigde de oorlog met de tegenkoning Matthias Corvinus. Na de dood van zijn opvolger Lodewijk viel Bohemen toe aan het Huis Habsburg, dat het koninkrijk tot 1918 zou regeren.

De katholieke Habsburger Ferdinand I kreeg te kampen met de Reformatie, die vooral bij de Boheemse adel en in de steden veel aanhang had gekregen. De godsdiensttwisten behielden onder Ferdinand, Maximiliaan en Rudolf II een relatief vreedzaam karakter, hoewel zij de contrareformatie trachtten door te voeren en het land aan Oostenrijks centralisme en absolutisme wilden onderwerpen. Rudolf schonk de protestanten met de majesteitsbrief van 9 juli 1609 godsdienstvrijheid, maar het conflict escaleerde toen Ferdinand II de contrareformatie intensiveerde en de bepalingen van de majesteitsbrief schond. De tweede defenestratie van Praag, waarbij protestanten twee keizerlijke gezanten uit het raam wierpen, luidde de Boheemse opstand tegen de Habsburgers in, die in 1618 uitmondde in de Dertigjarige Oorlog. De protestanten zetten Ferdinand in 1619 af en kozen de Winterkoning Frederik V van de Palts tot vorst. De aanvankelijke successen ebden echter weg. In de Slag op de Witte Berg herwon Ferdinand II zijn macht. Hij vervolgde opstandelingen, rekatholiseerde het land met geweld en degradeerde het tot Oostenrijkse provincie. In de zeventiende eeuw werd het katholicisme opnieuw de heersende godsdienst en zette een nieuwe tendens van verduitsing in.

František Palacký

Nationalisme[bewerken]

In de Silezische Oorlogen werd ook Bohemen een strijdtoneel en verloor het Silezië aan Pruisen. Maria Theresia en Jozef II onderwierpen Bohemen aan hun politiek van centralisering, verlicht absolutisme en een totale germanisering. In 1781 werd de lijfeigenschap opgeheven en kregen de lutheranen en gereformeerden godsdienstvrijheid.

Dit beleid leidde tot een heropleving van Tsjechisch nationaal bewustzijn, dat zich onder invloed van de Verlichting en de romantiek uitte in belangstelling voor de Tsjechische taal, cultuur en geschiedenis. De leidende figuur in deze beweging was de historicus František Palacký, gesteund door Karel Havlíček Borovský en František Ladislav Rieger. Hij zette zich af tegen de Duitse Bohemers en weigerde een zetel in het liberale Frankfurter Parlement. Opname van Bohemen en Moravië in een nieuw Duits rijk, zoals door Frankfurt voorgesteld, wees hij nadrukkelijk af. De nationalistische en liberale beweging leidde ook in Bohemen tot de Maartrevolutie, die in 1848 heel Duitsland en Oostenrijk in zijn greep had. In het kielzog van het Panslavisch Congres, dat in Praag bijeenkwam, kwam het in juni 1848 tot de Praagse Pinksteropstand, die op de 16e van die maand echter door Oostenrijkse troepen onder Alfred zu Windisch-Graetz werd neergeslagen. In Moravië daagde nog Rijksdag van Kremsier, die zich beraadde over een nieuw federaal Oostenrijk, maar in 1849 door Windisch-Graetz werd uiteengejaagd.

De decennia na 1848 werden gedomineerd door de tegenstelling tussen de Tsjechen, die een vérgaande autonomie binnen het Habsburgse Rijk nastreefden, en de Duitsers, die het bestaande centralistische en pro-Duitse bestuur wilden behouden. Pogingen van de regering om tot een compromis te komen mislukten door Tsjechische of Duitse tegenwerking. De taalverordeningen van de premiers Eduard von Taaffe en Kasimir Felix von Badeni bleven zonder veel effect en de poging onder Karl Sigmund von Hohenwart om - overeenkomstig het idee van Palacký - de Oostenrijks-Hongaarse Ausgleich ook op Bohemen toe te passen, mislukte. De Tsjechische nationalisten vormden onderling overigens geen eenheid. Er waren de conservatieve en gematigde Oud-Tsjechen en daartegenover de radicale Jong-Tsjechen.

De Eerste Tsjecho-Slowaakse Republiek[bewerken]

De regering in Wenen beperkte in 1913 de autonomie van Bohemen en greep de Eerste Wereldoorlog aan om haar greep op het koninkrijk nog meer te versterken. De oorlog vergrootte de tegenstelling tussen de Tsjechen en de Duitsers nog meer. Tomáš Masaryk, gesteund door Edvard Beneš, Josef Dürich en Milan Rastislav Štefánik, wierp zich op als leider van een Tsjecho-Slowaakse beweging. Hij zette een Tsjecho-Slowaakse Nationale Raad op en vormde een Tsjecho-Slowaaks leger. Gesteund door de Geallieerden proclameerden Masaryk en Beneš op 14 oktober 1918 een Tsjecho-Slowaakse Republiek. Kort daarna stortte Oostenrijk-Hongarije in en was een zelfstandig Tsjecho-Slowakije een feit met Masaryk als eerste president.

Hoewel gegrond op het etniciteitsbeginsel was Tsjecho-Slowakije, bestaande uit Bohemen, Moravië, Slowakije en Subkarpatisch Roethenië, een veelvolkenstaat: de republiek telde 46% Tsjechen, 28% Duitsers, 13% Slowaken, 8% Hongaren en 3% Roethenen. De Duitsers (Sudetenduitsers) voelden zich in het nieuwe land redelijk thuis. Een groter probleem was aanvankelijk de Slowaakse Volkspartij van Andrej Hlinka.

De republiek nam in 1920 een nieuwe, democratische grondwet aan, gebaseerd op die van de Derde Franse Republiek. Wat betreft het buitenlandbeleid sloot Tsjecho-Slowakije met Roemenië en Joegoslavië in 1920 de Kleine Entente. Van de grote mogendheden steunde met name Frankrijk de nieuwe republiek.

Hoewel Tsjecho-Slowakije zeer veel politieke partijen telde, was de politiek in het interbellum relatief stabiel. Extreem-linkse of -rechtse krachten hadden weinig aanhang, met als belangrijke uitzondering het Sudetendeutsche Heimatfront van Konrad Henlein. De kabinetten bestonden, in wisselende combinaties, uit vijf partijen: de Tsjecho-Slowaakse Boerenpartij, de Tsjecho-Slowaakse Volkspartij, de Nationale Democraten, de Nationale Socialisten en de Sociaaldemocraten.

De Grote Depressie leidde na 1930 tot een groeiend nationalisme onder de Duitsers, dat zich uitte in de beweging van Henlein. Aangemoedigd door Adolf Hitler stelde hij steeds radicalere eisen van Duits zelfbestuur. De dreiging werd acuut na de Anschluss van Oostenrijk in 1938. Datzelfde jaar eiste Hitler annexatie van het Sudetenland. Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Italië stemden hier op de Conferentie van München mee in. Tsjecho-Slowakije verloor het Sudetenland aan Duitsland, Teschen aan Polen en een strook land aan Hongarije.

President Emil Hácha moest op 15 maart 1939 machteloos toezien hoe Duitsland ook de rest van Bohemen en Moravië annexeerde. Historici hebben gespeculeerd of 1938 een voordeliger tijd voor de uiteindelijke Verenigde Machten zou geweest zijn Duitsland, met Tsjechoslowaakse steun geconfronteerd te hebben, dan in 1939 zonder de Tsjechen. Tevoren had Slowakije onder Hlinka's opvolger Jozef Tiso met Hitlers steun al de onafhankelijkheid uitgeroepen en had Hongarije Roethenië geannexeerd. De restanten van Tsjechië werden tot 1945 bestuurd als Protectoraat Bohemen en Moravië.

Tweede Wereldoorlog en communistische machtsovername[bewerken]

Onder het Duitse bewind van de rijksprotector Konstantin von Neurath werden de Tsjechen uitgesloten van vormen van hoger onderwijs. Ondanks de Duitse terreur was er weinig sprake van Tsjechisch verzet, met uitzondering van de moord op Neuraths opvolger Reinhard Heydrich in 1942 en een opstand in Praag in 1945.

Beneš vormde in Londen ondertussen een regering in ballingschap en richtte zich, teleurgesteld in de westerse machten, sterk op de Sovjet-Unie. Na de bevrijding in 1945 wonnen de communisten dan ook snel aan invloed. Conform het program van Košice en de Beneš-decreten van 1945 werden de Sudetenduitsers en in mindere mate de Hongaren uit Tsjecho-Slowakije verdreven. Met name de verdrijving van de Duitse bevolking van Bohemen, Moravië en Moravisch Silezië ging gepaard met zeer veel Tsjechisch bloedvergieten gericht tegen de Duitse bewoners, hoewel na 1947 de deportaties minder gewelddadig verliepen.

De communisten waren al onder het premierschap van Zdeněk Fierlinger prominent aanwezig en leverden met de verkiezingsoverwinning van 1946 met Klement Gottwald ook de premier. De samenwerking tussen de communisten en de niet-communistische meerderheid verliep echter uiterst stroef. Door de toenemende Sovjet-Russische invloed ging Tsjecho-Slowakije niet in op de door de Verenigde Staten aangeboden Marshallhulp. Toen de communisten in 1948 hun populariteit zagen dalen, grepen ze de macht.

Václav Havel

De Tweede en Derde Republiek[bewerken]

Tsjecho-Slowakije werd hiermee een vazalstaat van de Sovjet-Unie, gedomineerd door de Communistische Partij. In de jaren '50 voerden de communisten met een reeks showprocessen zuiveringen door. Het regime werd onder Gottwalds opvolger Antonín Zápotocký na de dood van Jozef Stalin iets liberaler. Antonín Novotný voerde na zijn aantreden in 1957 opnieuw een stalinistisch systeem in, maar moest door de economische crisis van 1963 toch weer destaliniseren en de slachtoffers van de zuiveringen rehabiliteren.

Begin 1968 moest Novotný als secretaris-generaal van de partij plaats maken voor de Slowaak Alexander Dubček. Diens aantreden, voortvloeiend uit hervormingsdrang bij een aantal partijfunctionarissen en Slowaaks streven naar autonomie, luidde de zogenaamde Praagse Lente in. Deze leidde tot een groot aantal democratiseringsmaatregelen, maar in augustus 1968 bezetten troepen van het Warschaupact de republiek. Dubček werd in 1969 vervangen door Gustáv Husák, die vrijwel alle maatregelen geheel terugdraaide. Wel werd het land in dat jaar een federatie, bestaande uit de Tsjechische Socialistische Republiek (ČSR) en de Slowaakse Socialistische Republiek (SSR).

In de jaren '70 vonden wederom grootschalige zuiveringen plaats en verstarden politiek en economie. Het verzet tegen het repressieve beleid groeide echter. In 1977 ontstond de burgerrechtenbeweging Charta 77. De critici werden vervolgd, maar de regering kon de oppositie niet geheel doen uitdoven. De spanningen kwamen in 1989 wederom naar boven in openlijk verzet van de bevolking. Op 18 november werd het Burgerforum van Václav Havel opgericht. Marián Čalfa werd in december president en kort daarna werd Dubček tot president van het parlement gekozen, dat Havel tot staatspresident benoemde. In de eerste vrije verkiezingen sinds 1946 kregen het Burgerforum en zijn Slowaakse tegenhanger Publiek Tegen Geweld in 1990 een meerderheid in het parlement.

In de kortstondige Derde Tsjecho-Slowaakse Republiek die na deze Fluwelen Revolutie een feit was, werd de naam van de staat veranderd in Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek. Men voerde een parlementaire democratie in en voerde economische hervormingen door. Een overheersend probleem was nog steeds het etnische vraagstuk en per 1 januari 1993 splitste Tsjecho-Slowakije zich vreedzaam in de republieken Tsjechië en Slowakije.

De Tsjechische Republiek[bewerken]

Václav Klaus bleef in de nieuwe republiek premier, Václav Havel werd de eerste president. Snelle economische hervormingen gericht op liberalisering en de groei van het toerisme leidden tot een economische opbloei. Tsjechië zocht aansluiting bij het westen: het werd nog in 1993 lid van de Verenigde Naties, in 1995 van de OESO, in 1999 van de NAVO en in 2004 van de Europese Unie. In 1997 bood Duitsland zijn verontschuldigingen aan voor de bezetting van Bohemen en Moravië in de Tweede Wereldoorlog en excuseerde Tsjechië zich voor het verdrijven van de Sudetenduitsers. De economie raakte in 1996/1997 enigszins in het slop, maar trekt sinds 2000 weer aan. Klaus volgde in 2003 Havel op als president. Het is onduidelijk wanneer men de euro zal invoeren.

Zie ook[bewerken]