Inenting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Een verpleegkundige zet een inenting

Inenting is de introductie van een stof aan het lichaam (innoculatie) ter genezing of voorkoming van infectieziektes. Bij de introductie van antistoffen wordt gesproken van passieve immunisatie. Van vaccinatie is sprake wanneer een vaccin van verzwakte ziekteverwekkers wordt ingebracht om het lichaam aan te zetten tot actieve immunisatie. Meestal gebeurt inenting via een injectie.

Menselijke vaccinatie[bewerken]

Tijdens de zwangerschap krijgt een baby veel antistoffen van de moeder mee, die tot ongeveer twee maanden na de geboorte aanwezig blijven bij de baby. Daarna moet de baby zelf afweerstoffen gaan ontwikkelen. Door vaccins tegen ziektes te geven, ontwikkelt het kind antistoffen tegen deze ziektes, zonder dat het de ziekte doormaakt. Dit biedt bescherming tegen ziektes die soms ernstige gevolgen kunnen hebben.

Soorten immunisatie[bewerken]

  • Bij een inenting bedoelt men meestal dat een vaccin gegeven wordt, waardoor het lichaam zelf antistoffen zal gaan maken. Dit heet actieve immunisatie. Er bestaan verschillende soorten vaccins. Deze worden beschreven onder het lemma vaccin.
  • Soms echter worden tijdens een inenting kant- en klare afweerstoffen gegeven, die onmiddellijk (enige) bescherming bieden tegen een ziekte. Dit heeft alleen nut, wanneer iemand op dat moment (mogelijk) besmet is met de ziekte, omdat deze afweerstoffen ook snel weer zullen verdwijnen. Dit heet passieve immunisatie en wordt vaak gecombineerd met actieve immunisatie. Dit is het geval bij een mogelijke besmetting met tetanus bij een ongevaccineerd individu.

Inentingen voor specifieke risicogroepen[bewerken]

  • Inentingen kunnen gegeven worden, wanneer iemand een hoger risico loopt om een bepaalde ernstige infectie op te lopen. Mensen die in de gezondheidszorg gaan werken, bij de brandweer of bij de politie, lopen bijvoorbeeld een hoger risico om besmet te raken met hepatitis B. Vaccinaties tegen deze ziekte kunnen deze mensen dan immuun maken.
  • Inentingen kunnen ook gegeven worden aan bevolkingsgroepen die een hoger risico hebben om ernstig ziek te worden bij het oplopen van een bepaalde ziekte. De griepprik wordt zo bijvoorbeeld gegeven aan ouderen en aan mensen met suikerziekte of met longproblemen, omdat zij bij het oplopen van griep meer risico lopen op ernstige gevolgen.

Inentingen voor reizigers[bewerken]

  • Voor sommige reizen worden inentingen voor bepaalde ziekten aangeraden of zelfs verplicht gesteld, wanneer bijvoorbeeld naar landen wordt gereisd waar gele koorts voorkomt.
  • De meest voorkomende reizigersvaccinaties zijn tegen:
    • difterie-tetanus-polio (DTP)
    • hepatitis A
    • gele koorts
    • buiktyfus
  • Het choleravaccin wordt in Nederland niet meer toegediend, aangezien het weinig doeltreffend is gebleken.

Inentingen voor alle kinderen: rijksvaccinatieprogramma's[bewerken]

In Nederland en België zijn er rijksvaccinatieprogramma's, waarbij alle kinderen volgens een bepaald schema inentingen kunnen ontvangen. Deze inentingen moeten de kinderen én de gehele bevolking beschermen tegen ernstige infectieziektes.

Nuvola single chevron right.svg Zie Vaccinatieprogramma voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Bijwerkingen[bewerken]

Uit een meta-analyse van 1.000 studies blijkt dat vaccins gepaard gaan met erg weinig bijwerkingen.[1][2] Volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) komen ernstige bijwerking zeer zelden voor en zijn eventuele bijwerkingen meestal mild (zoals verschijnselen rond de prikplek, koorts en hangerigheid).[3] Volgens het RIVM weegt dit ruimschoots op tegen de risico's die ongevaccineerde mensen lopen. De veiligheid van alle verschillende vaccinaties wordt voortdurend in de gaten gehouden, onder andere door het RIVM. Voor meer informatie hierover, zie Rijksvaccinatieprogramma.

Thiomersal[bewerken]

In sommige vaccins, waaronder het griepvaccin,[4] wordt thiomersal als een conserveermiddel verwerkt.[5] Thiomersal valt in het lichaam uiteen in ethylkwik en thiosalicylaat. Ethylkwik heeft een halfwaardetijd van 7 dagen, door uitscheiding via de ontlasting.[6] Uit een empirische blinde test op 15 vrouwen, met een even zo grote controlegroep bleek de halfwaardetijd zelfs rond de 5,6 te liggen.[7] Door deze snelle uitscheiding en het metabolisme dat het ethylkwik omzet naar anorganisch kwik[7] is opstapeling in het lichaam niet waarschijnlijk. Uit onderzoek bij dieren blijkt dat ethylkwik, als het zich opstapelt, zich kan nestelen in de hersenen, wat vragen stelt over de neurotoxiciteit als gevolg van vaccins met thiomersal.[8] Resultaten uit onderzoek hiernaar wijzen op geen verband tussen ethylkwik en neurologische ontwikkelingsstoornissen. Ook blijken mensen die een huidallergie hebben voor ethylkwik een vaccin met thiomersal net zo goed te verdragen als anderen.[6]

Tegenstanders van vaccinatie[bewerken]

Bij meerdere groepen in de bevolking bestaan principiële bezwaren tegen vaccinatie. In Nederland bevindt de grootste groep gewetensbezwaarden zich (volgens het RIVM) in antroposofische kringen. Daar is men van mening dat een gebalanceerd dieet voldoende bescherming geeft tegen kinderziektes zoals de mazelen. Daarnaast zouden de kinderziekten - als ze dan toch worden opgelopen - goed zijn voor de lichamelijke en mentale ontwikkeling van een kind.[9] Ook onder bevindelijk gereformeerden bevinden zich vaccinatieweigeraars. Door hen wordt vaccinatie in zo'n geval beschouwd als verzet tegen Gods voorzienigheid: God bepaalt of de mens ziek wordt, of hij daarvan herstelt en heeft daar zijn bedoeling mee. Deze opvatting is niet nieuw, al in 1827 publiceerde Maria Aletta Hulshoff een pamflet met de titel "De koepok-inenting beschouwd, en tien bedenkingen overwogen: voor minkundigen". De inenting was ook toen in sommige religieuze kringen omstreden omdat daarmee zou worden "ingegrepen in Gods plan".

Dat het niet gevaccineerd zijn nog niet tot een grote uitbraak van een ziekte heeft geleid bij deze niet-gevaccineerde mensen is toe te schrijven aan het beschermende effect van de wel gevaccineerde mensen in de omgeving. Dit wordt wel groepsimmuniteit of kudde-immuniteit genoemd. Een enkele keer komen er desondanks toch uitbraken van een besmettelijke ziekte onder niet gevaccineerden voor, met name in gebieden waar de concentratie niet gevaccineerden hoog is. Een voorbeeld hiervan is de polio-epidemie van 1978 op de Veluwe.

Nuvola single chevron right.svg Zie de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken voor een voorbeeld van een organisatie met een kritische houding ten opzichte van vaccinatie

Geschiedenis van het vaccineren[bewerken]

Le vaccin du croup (Het kroepvaccin) door André Brouillet toont de vaccinatie van een kind tegen kroep in 1895
Inenting tegen tyfus, Texas, 1944

De ontdekker van vaccinatie (van Latijn 'Vacca' = koe) is de Britse arts Edward Jenner die in 1796 opmerkte dat melkmeisjes die besmet waren geweest met koepokken (vaccinia) (aan de handen, door het melken) geen pokken kregen. Door experimenteren ontdekte hij dat ook een opzettelijke besmetting met koepokken mensen bescherming gaf tegen de mensenpokken. Hij was echter niet de eerste die die waarneming deed.

Boeren op het platteland in Turkije hadden de gewoonte om zichzelf te beschermen tegen de pokken door zichzelf in aanraking te brengen met het vocht uit een pokkenblaasje van iemand die aan een milde vorm van de pokken leed. Hierdoor kreeg men namelijk vaak zelf ook een milde vorm van pokken, en was daarna beschermd tegen de ernstige variant. Men liep echter toch een klein risico om ook aan deze milde vorm te overlijden. Lady Mary Montague merkte deze gewoonte op tijdens een bezoek aan Turkije, en vertelde hier in Engeland over.

Dit verhaal kwam ook Edward Jenner ter ore. Tijdens experimenten hiermee viel hem op dat melkmeisjes de ziekte nooit kregen, zelfs wanneer hij hen bewust besmette. Jenner bracht dit terecht in verband met het feit dat deze meisjes door hun beroep vaak in aanraking kwamen met de koepokken. Zo kwam Jenner rond 1796 op het idee dat men zich tegen besmetting met de gevaarlijke menselijke pokken kon beschermen door een moedwillige inoculatie (of inenting) met de koepokken.

Het werk van de Nederlander Geert Reinders omtrent de enting tegen runderpest (in 1774) was ook bekend bij Jenner en kan hem mede geïnspireerd hebben bij zijn experimenten met de pokken.

Pasteur ontdekt vaccinaties tegen cholera, miltvuur en hondsdolheid[bewerken]

Louis Pasteur nam bij toeval waar dat kippencholerabacteriën (Pasteurella multocida) die gedurende langere tijd gekweekt waren in het laboratorium en daardoor verzwakt waren, slechts een lichte ziekte veroorzaakten, die tegen een latere ernstige infectie beschermde. Hij formuleerde toen de gedachte dat men met een verzwakte smetstof soms milde infecties kan veroorzaken, waardoor bescherming optreedt tegen besmetting met de echte, ernstigere, 'virulente' ziekteverwekker. In korte tijd verkreeg hij door kweken onder abnormale condities verzwakte smetstoffen van miltvuur, varkensvlekziekte en hondsdolheid. Later verkregen andere onderzoekers op soortgelijke wijze 'minder virulente' vaccins.

Vaccinaties tegen tyfus, difterie en tetanus[bewerken]

Sir Almroth Wright (1897) concludeerde dat inspuiting van grote doses gedode bacteriën een soortgelijk effect moest hebben, mits bij het doden de structuur van de bacteriën zo weinig mogelijk veranderde (door verhitting op 56 °C, of doding met formaldehyde e.d.). Sir Almroth Wright ontwikkelde zo een werkzaam vaccin tegen buiktyfus.

Toen men ontdekte dat de verschijnselen van difterie (Pierre Roux en Alexandre Yersin) en tetanus (Shibasaburo Kitasato) aan exotoxinen te wijten waren, leerde men ook tegen deze ziekten te immuniseren met behulp van toxoïd, dat wil zeggen met formaldehyde ontgift toxine.

Moderne technieken bij het maken van vaccinaties[bewerken]

Moderne kennis bracht nieuwe mogelijkheden. Naast dode vaccins ontwikkelde men ook vaccins die slechts uit delen van een ziekteverwekker bestaan, namelijk die delen die het afweersysteem het beste kan aanvallen. Men leerde bij vele infecties welke antilichamen beschermden en welke antigenen of delen daarvan (epitopen) de juiste antilichamen opwekten. In veel gevallen kan men deze antigeenfragmenten koppelen aan een drager-eiwit of met een recombinant-DNA-techniek het fragment aan het oppervlak van een onschadelijke bacterie laten produceren en hiermee immuniseren.

Zo levert een antigeen van het hepatitis B-virus dat door gistcellen geproduceerd wordt, een vaccin op tegen hepatitis B (Maurice Hilleman 1984). Vaccinia-virus dat een vreemd antigeen aan de celmembraan produceert, levert een vaccin tegen pokken en een andere ziekte (Bernard Moss 1987).

Vaccinatie van dieren[bewerken]

Ook (huis)dieren worden ingeënt, bijvoorbeeld tegen hondsdolheid en niesziekte. Sommige van deze vaccinaties zijn alleen ter bescherming van de dieren, andere (zoals het vaccin tegen hondsdolheid) zorgen ook voor een bescherming van de menselijke bevolking.

Zie ook[bewerken]

  • Vaccin – voor meer informatie over de soorten vaccins
  • Vaccinatieprogramma – voor meer informatie over het vaccinatieprogramma voor kinderen in Nederland en België

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. (en) Stratton, K., Ford, A., Rusch, E., & Clayton, E. W. (Eds.), Adverse effects of vaccines: evidence and causality. National Academies Press, 2012.
  2. (en) Amanda Chan, Vaccines Generally Safe And Side Effects Are Rare, Institute Of Medicine Says. The Huffington Post, 25 augustus 2011.
  3. RIVM, Rijksvaccinatieprogramma: Bijwerkingen. Bekeken op 4 november 2013.
  4. Antwoorden op kamervragen van Agema over de griepvaccins: Vraag 12, 13 & 14. Kamerstuk PG-K-U-2968839 26 november 2009.
  5. (en) Thimerosal in vaccines. Center for Biologics Evaluation and Research, U.S. Food and Drug Administration (2013-01-02) Geraadpleegd op 2013-01-02
  6. a b Moorer-Lanser, N. en Vermeer-de Bondt, P.E., Thiomersal in vaccins. RIVM: Veiligheidsbewaking en Consultatie vaccins 16 december 2009.
  7. a b (en) Barregard, L., Rekić, D., Horvat, M., Elmberg, L., Lundh, T., & Zachrisson, O. (2011). Toxicokinetics of mercury after long-term repeated exposure to thimerosal-containing vaccine. Toxicological Sciences, 120(2), 499-506.
  8. (en) Dórea JG. Integrating experimental (in vitro and in vivo) neurotoxicity studies of low-dose thimerosal relevant to vaccines. Neurochem. Res. 2011Jun.;36(6):927–38.
  9. Hakkenes, Emiel, Vooral antroposofen enten kinderen niet in, Trouw, 3 augustus 2013.
Icoontje WikiWoordenboek Zoek vaccinatie op in het WikiWoordenboek.