Anu (Babylon)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Anu of An was de oudste Mesopotamische godheid van het firmament. Zijn functie was Eerste onder de scheppers. Anu zou de afstammeling zijn van het eerste godenpaar dat door Nammu werd voortgebracht: Ansjar en Kisar. Samen met Enlil, god van de lucht en Enki, god van het water, vormde deze een oorspronkelijk onafscheidelijke triade.

Het zou een Akkadische naam zijn. Als epitheta had hij Hemelstier en de vruchtbare fokstier.

In de Sumerische kosmologie was er eerst en vooral de oeroceaan, waaruit de kosmische berg of wereldberg ontstond, bestaande uit 'An', hemel, en 'Ki', aarde. Ze werden gescheiden door Enlil. Daarop nam Anu de hemel voor zich en Enlil de aarde.

Anu' verbleef in de hoogste hemel en was de koning en vader van de Anunnaki, de goden met wie hij beraad hield. Hij kon oordelen over wie zich had misdragen. Hij lag aan de oorsprong van de sterren die zoals soldaten de boosaardigen vernietigden.

In de kunstvoorstellingen werd hij soms als een jakhals afgebeeld, en vaak met een koninklijke tiara, meestal versierd met twee paar stierenhoorns.

Zijn cultus is prominent verbonden met Uruk, het bijbelse Erech, maar raakte op de achtergrond in de Babylonisch- Assyrische tijd, waar de cultus van Marduk en Assur overheersen. Toch zou er in de 3e eeuw v.Chr. een tijdelijke heropleving van de Anucultus hebben plaatsgevonden. Tempels van Anu zijn te vinden in Uruk en ook in Assur. Inanna wordt als zijn dochter beschouwd. Later werd Isjtar als zijn echtgenote beschouwd.

Anu trok zich later meer en meer terug in de hogere sferen, het bestuur van het universum overlatend aan een jongere generatie goden: Marduk (Bel) voor de aarde en Ea voor de wateren. Zijn metgezellin was Antu (Anatum), een creatiegodin, die later vervangen zou worden door Isjtar.

In de Hurritische en Hettitische mythologie was Anu respectievelijk de opvolger en hoveling van Alalu.

Externe link[bewerken]