Literatuurgeschiedenis
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Onder literatuurgeschiedenis kan verstaan worden:
- de ontwikkeling van de literatuur door de tijd heen;
- het (wetenschappelijk) proces van het beschrijven van de geschiedenis van de literatuur, ook aangeduid als literatuurgeschiedschrijving;
- het materiële resultaat van literatuurgeschiedschrijving, in de regel een boek of reeks boeken (bijv. de Nederlandse literatuurgeschiedenis van Gerard Knuvelder in vijf delen).
In het onderstaande wordt literatuurgeschiedenis alleen besproken in de tweede en derde betekenis, waarbij geen strikt onderscheid wordt gemaakt tussen de twee betekenissen.
Voor overzichten van literatuurgeschiedenis in de eerste betekenis zie men de artikelen over de verschillende taalgebieden:
- Antilliaanse literatuur
- Duitse literatuur
- Engelse literatuur
- Franse literatuur
- Friese literatuur
- Griekse literatuur
- Latijnse literatuur
- Nederlandstalige literatuurgeschiedenis
- Russische literatuur
- Surinaamse literatuur
- Tsjechische literatuur
[bewerken] Literatuurgeschiedenis: opvattingen door de tijden heen
Ten tijde van De Verlichting (de 18e eeuw) vormt literatuurgeschiedenis geen strikt afgebakend wetenschapsterrein. In de belangstelling voor het verzamelen van kennis maakte de literatuur deel uit van een brede interesse voor het bijeenbrengen van rationalistische kennis over cultuur en geschiedenis. Die kennis kreeg zijn neerslag in grote projecten als de Franse Encyclopédie van Diderot en D’Alembert.
Het was vooral met de opkomst van de natiestaat in de 19e eeuw dat literatuurgeschiedenis als instrument voor de constructie van nationalistische zelfbeelden betekenis kreeg. In Duitsland brachten de gebroeders Grimm folkloristisch en taalkundig materiaal rond het midden van de eeuw bijeen; later verschenen de eerste grote literatuurgeschiedenissen. Deze waren voornamelijk positivistisch georiënteerd: gericht op het bijeenbrengen van zoveel mogelijk feiten (jaartallen, titels, biografische en historische feiten), interpretatie moest buiten de literatuurgeschiedenis blijven.
Aan de positivistische literatuurgeschiedschrijving van het einde van de 19de eeuw kwam met de autonomistische literatuurbenadering van Russisch formalisme en Praags structuralisme een einde. Van New Criticism, Werkimmanente Interpretation en Nouvelle Critique ging een belangrijke vernieuwende impuls uit op de literaire analyse en op het literatuuronderwijs.
Maar nog voordat de resultaten daarvan ook merkbaar werden in de literatuurgeschiedschrijving, dienden zich alternatieve hermeneutische modellen aan: het literaire werk werd niet langer gezien als autonoom geheel, maar als ingebed in een groter geheel. Semiotiek, deconstructivisme en poststructuralisme bliezen de idee van de tekst als een gesloten structuur op. De contextualisering van het literaire object werd nadrukkelijk aan de orde gesteld door de literatuursociologie en door `systeem'- en `communicatie'-gerichte modellen. Vanzelfsprekend lieten die ontwikkelingen de literatuurgeschiedschrijving niet onberoerd. Hans Robert Jauß hield met zijn beroemd geworden Literaturgeschichte als Provokation der Literaturwissenschaft (1970) een pleidooi tegen literatuurgeschiedschrijving als chronologische ordening van literaire feiten, en vóór een literatuurgeschiedenis die het proces van telkens veranderende waardetoekenning, zingeving en normverandering centraal stelt. Deze lezersgerichte benadering van literatuurgeschiedenis en later ook de empirische receptietheorie vroegen aandacht voor de plaats van het interpreterend subject. Steeds sterker werd de tekst bezien als radertje in het geheel van samenleving en literatuurbedrijf, waarmee de literatuurgeschiedenis steeds dichter tegen de cultuurgeschiedenis aan ging zitten. Interculturele literatuurwetenschap en postkoloniale literatuurtheorie droegen in belangrijke mate bij aan het internationale debat over literatuurgeschiedenis door grote vraagtekens te zetten bij de eurocentrische manier van kijken van westerse wetenschappers.
In nauwelijks enkele decennia tijds ontwikkelde de literatuurwetenschap een verbazingwekkend methodenpluralisme. De paradigma's wisselden elkaar zelfs zo snel af dat Horst Steinmetz in 1993 opmerkte 'dat elk ervan op het moment van ontstaan alweer ten ondergang gedoemd lijkt' en E.H. Kossmann, sprekend over de geschiedwetenschap, het had over 'een storm die over onze akker raast en het vak onbeheersbaar dreigt te maken'. De vraag werd gesteld of die enorme expansie van de literatuurwetenschap er niet om zichzelfs wille was, in plaats van ter verheldering van het zicht op haar object.
Aan het begin van de 21e eeuw bestaat er onder wetenschappers verschil van mening over welke richting het op moet met de literatuurgeschiedschrijving. De overheersende mening is dat het alleen al om didactische redenen verstandig is om literatuurgeschiedenissen te blijven schrijven en publiceren. Zo werden op 23 februari 2006 het eerste deel (van begin tot 1300) en het laatste deel (1945-2005) van een nieuwe 9-delige geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur, geschreven onder auspiciën van de Taalunie, in de Grote Kerk in Breda aangeboden aan de kroonprinsessen Máxima Zorreguieta van Nederland en Mathilde d'Udekem d'Acoz van België.
Anderen menen dat het bij de beschikbaarheid van moderne media achterhaald is om nog gedrukte literatuurgeschiedenissen te publiceren, die op het moment van publicatie al verouderd zullen zijn. Zij menen ook dat het kunstmatig is om de complexiteit van het literaire gebeuren te laten samenvatten door één literatuurgeschiedschrijver (per periode), omdat hij of zij per definite uiterst beperkt is in de mogelijkheden om een synthetiserend geschiedrelaas te schrijven. Zij wijzen op de mogelijkheden van het Internet en op het gebruik van hyperlinks die snel 'doorschakelen' naar verwante onderwerpen mogelijk maken. Interactieve mogelijkheden lijken in hun ogen vooral didactisch veel aantrekkelijker dan statisch drukwerk.

