Obesitas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Obesitas
Drie silhouetten voor resp. normaal, overgewicht, obees (rechts)
Drie silhouetten voor resp. normaal, overgewicht, obees (rechts)
ICD-10 E66
ICD-9 278
OMIM 601665
DiseasesDB 9099
MedlinePlus 003101
eMedicine med/1653
MeSH C23.888.144.699.500
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Obesitas (verwante en min of meer synonieme termen zijn overgewicht, zwaarlijvigheid, vetzucht, corpulentie, dikheid, en adipositas) is een conditie van het lichaam waarbij de natuurlijke energiereserve van een mens of zoogdier, die in vet wordt opgeslagen, gebruikelijke niveaus ver overschrijdt tot aan het punt waarbij de gezondheid in het geding komt. Zwaarlijvigheid is bij wilde dieren vrij zeldzaam, maar niet ongewoon bij mensen en bij huisdieren, die vaak overvoed zijn en te weinig bewegen.

In 2008 had meer dan de helft van de volwassen bevolking in de Europese Unie overgewicht of obesitas. Gemiddeld was 15,5% van de bevolking obees (BMI van meer dan 30 kg/m2). Voor de meeste Europese landen, waaronder Nederland, was dit meer dan een verdubbeling ten opzichte van de cijfers van 1988.[1]

Definities

Een cumulatieve relatieve frequentiepolygoon van obesitas (BMI>30) in Nederland onder volwassenen, bron: OESO / CBS

Bij mensen is de meest gebruikte maat voor zwaarlijvigheid de Body Mass Index (BMI): het lichaamsgewicht in kilogram, gedeeld door de lichaamslengte in meters in het kwadraat. Bij de BMI wordt er voor het lichaamsgewicht geen onderscheid gemaakt tussen spier- en vetweefsel (zie verderop).

Een persoon met een BMI van meer dan 25 kg/m2 wordt beschouwd als te zwaar (overgewicht); een BMI van meer dan 30 kg/m2 wordt beschouwd als zwaarlijvig (obesitas). Een verdere drempel van 40 kg/m2 wordt geïdentificeerd als een dringend morbiditeitsrisico (morbide obesitas). Van morbide obesitas is reeds sprake bij een BMI van meer dan 35 kg/m2, indien er zich samenhangende problemen voordoen: gewrichts-, hart- of longklachten, suikerziekte, hoge bloeddruk. De term superobesitas wordt gebruikt bij een BMI van boven de 50. De Wereldgezondheidsorganisatie beschouwt een BMI tussen 18,5 kg/m2 en 25 kg/m2 als ideaal voor een gezond individu (hoewel verscheidene bronnen een persoon met een BMI van minder dan 20 als te licht beschouwen). De BMI werd geïntroduceerd in de 19e eeuw door de Belgische statisticus Adolphe Quételet, en wordt daarom in Nederland en België ook vaak Queteletindex (QI) genoemd. De scheidingspunten tussen de categorieën worden nu en dan opnieuw gedefinieerd, en kunnen van land tot land verschillen.

De BMI is geen volledige diagnose, in zoverre dat deze niet de vetdistributie binnen het lichaam in overweging neemt, en de relatieve vet- spier- en botbijdragen aan het totale lichaamsgewicht negeert. Een krachtige atleet kan door zijn BMI als te zwaar worden gerangschikt (toe te schrijven aan een zwaar spierstelsel), terwijl ten onrechte een "normale" BMI kan worden gediagnosticeerd in het geval van een bejaarde persoon met zeer lage vetvrije massa. Een BMI-score alleen is ontoereikend als diagnose, omdat de BMI niet in staat is om vet van vetvrije massa te onderscheiden en ook geen rekening houdt met gevaarlijk buikvet. Een meetlint om de buikomtrek te meten geeft in dergelijke gevallen een betere indicatie.

In de meeste gevallen van overgewicht die voor de gezondheid schadelijk zijn, kunnen zowel de arts als de patiënt al "op het oog" zien dat een persoon lijdt aan zwaarlijvigheid. In deze gevallen verstrekken de BMI-drempels eenvoudige criteria die alle patiënten kunnen begrijpen. Artsen kunnen ook eenvoudige metingen gebruiken als de tailleomtrek of de huidplooimeting, waarbij op zekere plaatsen van de huid precies wordt gemeten wat de dikte van de onderhuidse vetlaag is.

In studies naar obesitas is de BMI de meest gebruikte formule. Men gaat er namelijk van uit dat de variatie in gewicht, bij personen van dezelfde lengte, wordt veroorzaakt door vet. Uit recent onderzoek[2] is gebleken dat een gering overgewicht al leidt tot een vergrote sterftekans. Voor personen tussen de 30 en 62 geldt dat elke 0,45 kg extra de kans om binnen 26 jaar te overlijden, met 1-2% verhoogt, zoals uit de Framingham Heart Study blijkt.

Oorzaken

Zwaarlijvigheid is over het algemeen een resultaat van een combinatie van factoren. Een aantal mogelijke factoren zijn:

Hoewel er geen eenduidige verklaring voor de recente epidemie van zwaarlijvigheid is, komt de evolutionaire hypothese het dichtst bij een verklaring van dit fenomeen. In tijden toen het voedsel schaars was, was de capaciteit om uit zeldzame periodes van overvloed voordeel te halen door energie op te slaan ongetwijfeld een evolutionair voordeel. Dit is precies het tegengestelde van wat in de sedentaire maatschappij wordt vereist, waar high-energyvoedsel in overvloedige hoeveelheden beschikbaar is. Dit wordt gecombineerd met verminderde beweging. Hoewel sommige mensen misschien een genetische tendens tot zwaarlijvigheid hebben, is het pas met de vermindering van fysieke activiteit en een beweging naar hoogcaloriediëten van de moderne maatschappij dat obesitas wijdverspreid is geworden. Belangrijke fracties van de bevolking in de wereld zijn nu zwaarlijvig. In Samoa is 60-75% van de volwassen bevolking obees.

Controversieel is echter de gedocumenteerde tendens uit de VS dat zowel de energie- als de (verzadigd)vetinname in de periode 1971-2000 significant zijn gedaald, terwijl de consumptie van koolhydraatbronnen is gestegen. Uit geschiedkundig oogpunt blijkt ook dat een aantal parameters van onze voeding ten opzichte van de neolithicum drastisch is veranderd. Een van deze parameters is de glykemische index, maar ook de algehele samenstelling van de macronutriënten is veranderd: wij eten tegenwoordig meer koolhydraten en minder vetten en proteïnen. (Bron: NHANES studie 1971-2000 CDC (V.S.))

Eetziekten kunnen tot zwaarlijvigheid leiden. Het natuurlijke mechanisme waarbij men automatisch stopt met eten als men genoeg heeft is hierbij verstoord. Dit natuurlijke mechanisme bestaat uit de vetcellen (adipocyten) die een stof produceren, leptine, die de eetlust tegenwerkt en het metabolisme (verbranding van voedingsstoffen door een organisme) verhoogt. Hoe meer vetcellen en/of hoe meer vetcellen er gevuld zijn met vetten, hoe meer leptine wordt aangemaakt. De meest geaccepteerde theorie op dit moment is dat mensen met overgewicht normale hoeveelheden of zelfs meer leptine aanmaken in hun vetcellen, maar dat de negatieve terugkoppeling op de hersenen (hypothalamus) verstoord is. Er blijkt verder een relatie tussen de hoogte van de triglyceriden in het bloed (bepaalde vetten) en de mate waarin leptine wordt geblokkeerd. Slechts bij zeer weinig mensen met overgewicht is het stuk chromosoom dat voor leptine codeert defect. Deze mensen kunnen geïnjecteerd worden met leptine, waarop het overgewicht zich herstelt. Het leptinemodel sluit aan bij de veranderde eetgewoonten van de afgelopen eeuwen; mensen zijn relatief kort geleden granen gaan verbouwen en eten (circa 5000 jaar op grotere schaal met een enorme toename van productie en consumptie van granen in de afgelopen twee eeuwen). Onze lichamen zijn eigenlijk nog zo ingesteld als die van jager-verzamelaars. Inmiddels is in meerdere onderzoeken duidelijk geworden dat wanneer mensen, en niet alleen mensen met overgewicht maar ook met diabetes mellitus (suikerziekte), graanproducten uit hun dieet houden (Low-Carb), de vetzuren en cholesterol zich verbeteren en er wordt zelfs een daling gezien van de bloedsuikerwaarden. Ook het gewicht verbetert, niet alleen door de lagere calorie-intake maar tevens doordat de hypothalamus weer gevoelig wordt voor leptine door de verlaging van de triglyceriden.

Muis met te weinig leptine en een normale muis

Hiernaast is een plaatje te zien van twee muizen waarvan één met leptinedeficiëntie. Gelukkig komt dit bij mensen weinig voor, maar de oplossing is erg eenvoudig: leptine toedienen.

Dat de rol van dik-makende genen beperkt is blijkt uit het volgende: Tussen 1990 en 2001 is het aantal mensen dat zwaarlijvig is met 61% gestegen. En deze trend zet zich wereldwijd voort, en beperkt zich niet tot Europa en de Verenigde Staten. Sinds eind jaren tachtig is obesitas in Latijns-Amerika en Azië sterk in opmars. Het ontwikkelen van adipositas is dus multifactorieel bepaald; er is een zekere aanleg voor nodig bovenop een verkeerde voeding en/of voedingspatroon. In een aantal studies is bijvoorbeeld aangetoond dat flesgevoede kinderen meer risico lopen op het ontwikkelen van adipositas. Zo ook bij kinderen van moeders waar gedurende de zwangerschap de bloedglucosewaarden te hoog of juist te laag zijn geweest. Opvallend is bijvoorbeeld het aantal personen met overgewicht die geboren zijn tijdens de Hongerwinter van 1944-1945, juist in een tijd dat voedsel nog niet in de grote hoeveelheden voorhanden was zoals nu het geval is.

Er is een genetisch voordeel om gemakkelijk dik te worden in tijden van schaarste. Dit wordt geïllustreerd door de geschiedenis van volkeren welke eeuwenlang in schaarste hebben geleefd en nu meer voedsel tot hun beschikking hebben. Het bekendste fenomeen hierin zijn de mensen op het eiland Nauru in de buurt van Australië. Dit eiland ligt ver van het vaste land en werd circa 3000 jaar geleden bereikt met grote zeekano's. De eerste bewoners van Nauru waren in staat tot die grote oversteek, doordat zij weinig voedsel snel opsloegen als vet en dit weer langzaam verbrandden. Sinds enkele decennia is de welvaart 'toegenomen' onder andere door de winning van fosfaat op het eiland, waardoor men er Westers ging eten (toename vetten en koolhydraten). Dat dit niet strookt met hun natuurlijke aanleg, blijkt uit het feit dat inmiddels 90% van de mensen op Nauru overgewicht heeft en 40% Diabetes (hoogste ter wereld). De levensverwachting is derhalve laag. Ook op andere eilanden in de Grote Oceaan is dit waargenomen; ieder kent wel de foto's van slanke meisjes op Hawaï in strooien rokjes maar in het hier en nu worden die zeldzaam. Een ander volk dat het genetisch model ondersteunt, zijn de Pima Indianen in Noord-Amerika. Tot de jaren vijftig leefden zij vrij traditioneel maar na de komst van goedkope koolhydraten en vetten is hun gewicht dramatisch gestegen en wordt ook diabetes veel vaker gezien. Een recente studie naar eetgewoonten en het ontwikkelen van overgewicht en diabetes legt een direct verband tussen de hoeveelheid koolhydraten en deze aandoeningen. De gedachte dat iedere maaltijd uit de 'schijf van vijf' moet bestaan en dat je 'vooral drie maal per dag stevig moet eten', lijkt dan ook achterhaald.

Recent onderzoek heeft aangetoond dat besmetting met een adenovirus zwaarlijvigheid bij dieren (o.a. kippen en muizen) kan veroorzaken. Of dat voor de mens ook geldt, is nog niet duidelijk.

Sociale oorzaken

Obesitas is niet uitsluitend een modern verschijnsel, maar kwam - zij het minder frequent - ook in vroeger eeuwen reeds voor.

In de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog tot 1960 steeg het gewicht van de gemiddelde persoon in de Verenigde Staten, maar slechts weinigen waren zwaarlijvig. In 1960 was vrijwel de volledige bevolking goed gevoed, maar werd men in het algemeen niet te zwaar. In de 25 jaar sinds 1980 heeft de groei in het aantal zwaarlijvigen epidemische vormen aangenomen.

Een aantal zaken draagt bij aan deze verandering sinds 1980. De meesten geloven dat het een combinatie van diverse factoren is.

Een van de belangrijkste is de veel lagere relatieve kosten van levensmiddelen: hogere efficiëntie in de landbouw in combinatie met landbouwsubsidies in de Verenigde Staten en Europa, hebben tot voedselprijzen voor consumenten geleid die lager zijn dan op welk eerder moment in geschiedenis ook. Suiker en glucosestroop, twee substantiële bronnen van voedselenergie, vallen onder de meest gesubsidieerde producten door de overheid van de Verenigde Staten.

De toegenomen marketingactiviteiten wordt ook vaak een rol toebedeeld. In de vroege jaren tachtig hief het bewind van president Reagan de meeste verordeningen betreffende reclame gericht op kinderen op. Dientengevolge steeg het aantal reclamespots dat door het gemiddelde kind wordt gezien, en een groot deel hiervan was voor fastfood en suikergoed. Dit laat echter onverlet dat de obesitas golf in Amerika al vanaf begin jaren zestig opkwam, en dat obesitas een wereldwijd fenomeen is.

De veranderingen in de prijs van minerale olie en benzine worden ook verondersteld effect gehad te hebben, aangezien het nu, in tegenstelling tot tijdens de jaren zeventig, betaalbaar is overal naar toe te rijden in de Verenigde Staten. Tezelfdertijd zijn meer gebieden gebouwd zonder parken.

Elk jaar brengt een groter deel van de werkende bevolking de volledige werkdag achter een bureau of computer door.

Het stijgende aantal huishoudens met twee inkomens, dus waarvan één ouder niet meer thuis blijft om voor het huis te zorgen. Dit verhoogt het aantal restaurant- en meeneemmaaltijden.
In de keuken heeft de magnetron ervoor gezorgd dat men meer snackt en minder vers voedsel eet.
Sinds 1980 hebben fast-foodrestaurants een enorme groei doorgemaakt, zowel in omzet als in aantal klanten.

Interessant genoeg is het aantal Amerikanen dat een dieet volgt eveneens gegroeid sinds de toename van zwaarlijvigheid. Inmiddels is bekend dat diëten op de korte termijn het overgewicht kunnen laten afnemen, maar dat men na verloop van tijd toch weer in gewicht toeneemt. Aan dit fenomeen, bekend als jojo-effect, liggen complexe hormonale en neurologische processen ten grondslag.

Problemen

Mensen met obesitas hebben vaak last van hun zwaarlijvigheid. Ze kunnen door het extra gewicht vaak moeilijker lopen en bewegen. Dit belemmert hen vervolgens in het verhogen van hun activiteitenniveau teneinde gewicht te verliezen.

Complicaties

Zwaarlijvigheid is gecorreleerd (in epidemiologisch onderzoek) met een verscheidenheid aan complicaties. Voor veel van deze klachten is niet duidelijk vastgesteld in welke mate zij direct door zwaarlijvigheid zelf worden veroorzaakt, of een andere oorzaak (zoals beperkte lichaamsbeweging) hebben die zwaarlijvigheid eveneens veroorzaakt.

Voorbeelden van belangrijke complicaties zijn:

Terwijl sterke zwaarlijvigheid veel gezondheidsproblemen veroorzaakt, hebben degenen die enigszins te zwaar zijn weinig verhoogde mortaliteit of morbiditeit. Sommige onderzoeken suggereren dat enigszins "te zware" mensen langer leven dan degenen die een "ideaal" gewicht hebben.

Therapie

  • De behandeling van zwaarlijvigheid berust op de twee pijlers van een energie-beperkt dieet en verhoogde lichaamsbeweging. Vroeger werd bij behandeling van zwaarlijvigheid gestreefd naar het bereiken van een normaal gewicht. Deze doelstelling blijkt in de praktijk voor heel veel patiënten niet haalbaar. Ook blijkt uit sommig medisch onderzoek dat een beperkt gewichtsverlies van 5-15% de risico's op complicaties al sterk vermindert. Daarom wordt tegenwoordig veeleer gestreefd naar dat beperkte gewichtsverlies. Belangrijker nog dan gewichtsverlies is het vasthouden hiervan.
  • Veel onderzoek concentreert zich op nieuwe medicijnen om zwaarlijvigheid te bestrijden, die als het grootste gezondheidsprobleem gezien wordt van de ontwikkelde landen. Sommige voedingsdeskundigen zijn van mening dat deze onderzoeksfondsen beter gewijd zouden kunnen worden aan advies over goede voeding, gezond eten en het bevorderen van een actievere levensstijl. Een medicijn dat wel voor zwaarlijvigheid wordt voorgeschreven, als het houden van een dieet en lichaamsbeweging niet werkt, is orlistat. Rimonabant en sibutramine zijn vanwege geringe werkzaamheid en hoog risico op ernstige bijwerkingen inmiddels van de markt gehaald.
  • Ook wordt bariatrische chirurgie gebruikt om de maagcapaciteit (verlaagt voedselinname) en/of de lengte van de darm (verlaagt voedselopname) te beperken. Dit kan bijvoorbeeld door een maagverkleining door het afnieten van een deel van de maag, door het in de maag brengen van een opblaasbare ballon, door het verwijderen van een deel van de lengte van de darm (gastric bypass). Het verwijderen of omleiden van een deel van de lengte van de darm levert het meeste gewichtsverlies op en bovendien een verbetering van eventuele suikerziekte. Dit hangt waarschijnlijk samen met de afgifte van hormonen door de darm, die op insuline inwerken en daarnaast een verzadigd gevoel geven. Het gewichtsverlies bedraagt gemiddeld een kilo of vijftig, zestig, maar daar staat een sterfte van 0,1% tot 1% tegenover. Bariatrische chirurgie als behandeling van zwaarlijvigheid is dan ook alleen een geschikte behandeling voor mensen bij wie het overgewicht forse risico's met zich meebrengt:

Controversen

Er is continu debat over zwaarlijvigheid, op verscheidene niveaus.

Medicalisering van zwaarlijvigheid

Controverse bestaat er ook over de vraag of het concept "zwaarlijvigheid" geldig is. Deze critici beweren dat de lichamelijk actieve mensen gezonder zijn dan zij die een zittend leven leiden, ongeacht hun lichaamsgewicht. De nadruk op gewicht en lichaamsmassa wordt gevoed, naar hun mening, door de industrie van de dieetbevordering, farmaceutische bedrijven en segmenten van het medische beroep voor winstdoeleinden.

Medische reacties op zwaarlijvigheid

De conventionele artsen adviseren strategieën om gewicht te verliezen om zo de gezondheidsrisico's te verlichten verbonden aan zwaarlijvigheid. Er is controverse zowel over wat die strategieën realistisch omvatten, en ook of zulke doelen eigenlijk in betere gezondheidsresultaten resulteert.

De gewichtsverminderingsstrategieën omvatten dieetveranderingen, bewegingsregimes, medicijnen voor gewichtsverlies en chirurgische behandelingen (zie Therapie, hierboven, voor volledige lijst). Hiervan zijn de "wonderdiëten" het meest betwist. Verscheidene onderzoeken suggereren dat het gewichtsverlies op korte termijn vaak leidt tot metabole aanpassingen die op langere termijn juist tot gewichtstoename leiden.

Zie ook

Externe links

Bronnen, noten en/of referenties
  • Bruch H. Eating Disorders, Obesity, Anorexia Nervosa and the Person Within. New York: Basic Books, 1973.
  • Janssen I, Katzmarzyk PT, Ross R. Waist circumference and not body mass index explains obesity-related health risk. Am J Clin Nutr 2004;79:379-84 PMID 14985210
  • Flier JS. Obesity wars: molecular progress confronts an expanding epidemic. Cell 2004;116:337-50. PMID 14744442.
  • Lopez R. Urban sprawl and risk for being overweight or obese. Am J Publ Health 2004;94:1574-9. PMID 15333317.
  • Mokdad AH, Marks JS, Stroup DF, Gerberding JL. Actual causes of death in the United States, 2000. JAMA 2004;291:1238-45. PMID 15010446
  • Roberts SB, Savage J, Coward WA, Chew B, Lucas A. Energy expenditure and intake in infants born to lean and overweight mothers. N Engl J Med 1988;318:461-6. PMID 3340127
  • Ross JG, Pate RR. The National Children and Youth Fitness Study II: A summary of findings. J Phys Educ Recr Dance 1987;58:51-6.
  • Tillotson JE. America's Obesity: Conflicting Public Policies, Industrial Economic Development, and Unintended Human Consequences. Annu Rev Nutr 2004;24:617-43. PMID 15189134
  • Vangipuram SD, Sheele J, Atkinson RL, Holland TC, Dhurandhar NV. A human adenovirus enhances preadipocyte differentiation. Obes Res 2004;12:770-7. PMID 15166297.
  • Wolf MC, Cohen KR, Rosenfeld JG. School-based interventions for obesity: Current approaches and future prospects. Psychology in the Schools 1985;22:187-200.
  • NHANES:Trends in intake in energy and macronutrients 1971-2000 http://www.cdc.gov/mmwr/preview/mmwrhtml/mm5304a3.htm

In de tekst:

  1. (en) Cijfers komen uit een rapport gepubliceerd door de Europese Commissie en de OECD. OECD - "Health at a Glance: Europe 2010", OECD Publishing 2010. ISBN 978-92-64-09031-6 (PDF).
  2. NRC Wetenschap 29 augustus 2006 maakt melding van een onderzoek gepubliceerd in The New England Journal of Medicine
  3. Torres SJ, Nowson CA.Relationship between stress, eating behavior, and obesity.Nutrition. 2007;23:887-94.
  4. Bariatrische operatie als therapie voor type 2-diabetes Ingrid M. Jazet, Ignace M.C. Janssen, Frits J. Berends, Hanno Pijl, Johannes A. Romijn en A.E. (Edo) Meinders Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:B337
  5. Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:1116-20 Maagverkleining bij volwassenen met morbide obesitas in Nederland J.W.M. Greve, B. van Ramshorst en I.M.C. Janssen